Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:2613

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-08-2021
Datum publicatie
08-09-2021
Zaaknummer
20/00580
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2020:7459, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is artiest. In geschil is of de genoten inkomsten op grond van het gelijkheidsbeginsel moeten worden aangemerkt als winst uit onderneming. Het Hof oordeelt dat het beroep van belanghebbende op het gelijkheidsbeginsel faalt. De inkomsten zijn niet aan te merken als winst uit onderneming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 8-9-2021
V-N Vandaag 2021/2094
FutD 2021-2817
NLF 2021/1774
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 20/00580

17 augustus 2021

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: B. Schoenmaker)

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk HAA 19/5495 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

belanghebbende.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2015 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: de aanslag IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.867.

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de aanslag IB/PVV bij brief met dagtekening 27 mei 2019 bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 20 september 2019 het bezwaar afgewezen en de aanslag IB/PVV gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Bij uitspraak van 14 september 2020 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Het tegen de uitspraak van de rechtbank ingestelde hoger beroep heeft het Hof ontvangen op 8 oktober 2020. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Van belanghebbende is op 5 juli 2021 een nader stuk ontvangen dat in kopie aan de wederpartij is gezonden. Voorts is op 20 juli 2021 (kort voor de zitting) van belanghebbende een pleitnota ontvangen welke in kopie naar de wederpartij is verzonden.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2021. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Tussen partijen vaststaande feiten

2.1.

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (in de uitspraak van de rechtbank is belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en is de inspecteur aangeduid als ‘verweerder’):

“1. Eiser is acteur. Hij staat niet ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel.

2. In 2015 heeft eiser voor zijn werkzaamheden de volgende inkomsten genoten:

Werkgever

Loon

Loonheffingen

Stichting [A]

8.877

1.902

Stichting [B]

8.472

2.251

Stichting [C]

2.650

968

Stichting [C]

614

258

Stichting [C]

11

-

Stichting [C]

1.901

683

[D] B.V.

79

30

Totaal

22.604

6.092

3. Eiser heeft op 17 oktober 2016 een aangifte ib/pvv 2015 ingediend. Naar aanleiding hiervan hebben partijen met elkaar gecorrespondeerd.

4. Verweerder heeft met dagtekening 20 april 2019 de aanslag ib/pvv 2015 aan eiser opgelegd. Hierin is verweerder onder andere uitgegaan van het volgende:

- de inkomsten van Stichting [A] en Stichting [B] zijn als loon uit dienstbetrekking gekwalificeerd;

- de inkomsten van Stichting [C] zijn als winst uit onderneming (hierna: WUO) gekwalificeerd;

- een deel van de kosten is niet geaccepteerd;

- de zelfstandigenaftrek is niet van toepassing omdat de niet voldaan wordt aan de urennorm.

5. Eiser heeft bij brief van 27 mei 2019, door verweerder ontvangen op 28 mei 2019, bezwaar tegen de aanslag gemaakt. In het bezwaarschrift beroept verweerder zich op het vertrouwensbeginsel.

6. Er heeft geen hoorgesprek plaatsgevonden.

7. Verweerder heeft met dagtekening 20 september 2019 uitspraak op bezwaar gedaan. Het bezwaar van eiser is ongegrond verklaard.”

2.2.

Nu partijen, desgevraagd, tegen de hiervoor vermelde feiten geen bezwaren hebben aangevoerd, zal ook het Hof daarvan uitgaan.

3 Geschil voor het Hof

3.1.

In hoger beroep is uitsluitend nog in geschil of de inkomsten die belanghebbende heeft genoten van Stichting [A] (€ 8.877) en Stichting [B] (€ 8.472) op grond van het gelijkheidsbeginsel moeten worden aangemerkt als winst uit onderneming en of uit dien hoofde recht bestaat op ondernemersaftrek.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

4 Overwegingen van de rechtbank

De rechtbank heeft ten aanzien van het geschil als volgt overwogen:

Gelijkheidsbeginsel

13. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel is nodig dat sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen, die veroorzaakt wordt door begunstigend beleid of een oogmerk van begunstiging, zonder dat daarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging is. Wil sprake zijn van begunstigend beleid dan moet de inspecteur beleid hebben gevoerd dat begunstigend is in die zin dat bepaalde belastingplichtigen worden bevoordeeld boven andere belastingplichtigen doordat een juiste wetstoepassing achterwege wordt gelaten en moet de inspecteur de bedoeling hebben gehad die belastingplichtigen te begunstigen. Een oogmerk van begunstiging impliceert dat de inspecteur zich ervan bewust is, althans behoort te zijn, dat hij in een ander geval dan dat van de belastingplichtige een begunstiging verleent door in dat andere geval een juiste wetstoepassing achterwege te laten. Ten slotte kan een beroep op het gelijkheidsbeginsel slagen als de meerderheidsregel is geschonden. Dat is het geval, indien ten aanzien van een meerderheid van tot een groep behorende met de belastingplichtige vergelijkbare gevallen een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven.

14. De bewijslast ter zake van het beroep op het gelijkheidsbeginsel rust op eiser.

15. Eiser stelt primair dat in vergelijkbare gevallen een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven op grond van niet-gepubliceerd begunstigend beleid. Dit beleid bestond eruit verzoeken om inkomsten uit werkzaamheden aan te merken als winst uit onderneming toe te wijzen zonder kennisname van de overeenkomsten op grond waarvan die werkzaamheden werden verricht. Het bestaan van dit beleid leidt hij af uit de lijn die verweerder volgens hem in eerdere jaren heeft gehanteerd. Ter onderbouwing wijst eiser op de door hem overgelegde e-mail van verweerder van 16 februari 2015 aan gemachtigde.

16. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser hiermee niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan. Uit niets valt af te leiden, ook niet uit de e-mail waarop eiser zich beroept, dat verweerder beleid heeft gevoerd als door eiser gesteld. Het beroep van eiser op niet-gepubliceerd beleid kan daarom niet slagen.

17. Subsidiair stelt eiser dat in de meerderheid van de met eisers geval vergelijkbare gevallen een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven. Ter onderbouwing wijst eiser op de door hem overgelegde 123 uitspraken op bezwaar ten aanzien van 58 verschillende podiumkunstenaars waarin, naar zeggen van eiser, aan de belastingplichtige tegemoet is gekomen.

18. Indien een belastingplichtige een beroep doet op de zogenoemde meerderheidsregel, dient hij in de eerste plaats feiten en omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken waaruit volgt dat in minstens twee gevallen die feitelijk en rechtens met het geval van belanghebbende vergelijkbaar zijn (en die vallen binnen het ambtsgebied van de inspecteur) een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven, alvorens het op de weg ligt van de inspecteur om te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken dat de relevante groep groter is en dat in de meerderheid van de vergelijkbare gevallen de wet juist is toegepast (vgl. HR 15 maart 2000, nr. 34.740, ECLI:NL:HR:2000:AA5142, BNB 2000/278, r.o. 3.4 en 3.7 en HR 6 oktober 2006, nr. 40.443, ECLI:NL:HR:2006: AY9489, BNB 2007/3, r.o. 3.3.2).

19. Eiser heeft met de door hem overgelegde bewijsstukken niet aannemelijk gemaakt dat een of meer van de door hem genoemde belastingplichtigen feitelijk en rechtens in vergelijkbare omstandigheden verkeerden als eiser. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat bij een of meer van deze belastingplichtigen een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven. De door eiser overgelegde bewijsstukken zijn daarvoor te globaal van aard; van geen van de door eiser genoemde belastingplichtigen zijn concrete gegevens overgelegd waaruit volgt dat zij werkzaamheden hebben verricht op grond van vergelijkbare contractuele afspraken als die van eiser en dat de door hen genoten inkomsten (desondanks) door de inspecteur zijn aangemerkt als winst uit onderneming, zonder dat is voldaan aan de daaraan te stellen voorwaarden. Het standpunt van eiser dat hij voor het door hem te leveren bewijs kan volstaan met de algemene stelling dat hij over dezelfde groepskenmerken beschikt als de belastingplichtigen waarvan zij stukken heeft overgelegd, te weten podiumkunstenaar waarvan de looninkomsten onder de winst uit onderneming vallen, berust op een onjuiste rechtsopvatting. Reeds op deze gronden dient eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel te worden verworpen. De rechtbank komt niet toe aan een beoordeling van het door de inspecteur (subsidiair) gedane bewijsaanbod (vergelijk de uitspraak van het Hof Amsterdam van 29 mei 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:1695). Dit wordt niet anders doordat eiser in de onderhavige procedure ter onderbouwing van het beroep op het gelijkheidsbeginsel de gevallen van 58 podiumkunstenaars heeft opgevoerd en daarbij ook een beroep heeft gedaan op uitspraken op bezwaar ten aanzien van die podiumkunstenaars, terwijl het in de genoemde procedure bij het Hof Amsterdam ging om 150 podiumkunstenaars. De bewijsstukken zijn ook thans te globaal van aard en eiser maakt ook nu niet inzichtelijk waaruit concreet volgt dat de aangevoerde gevallen vergelijkbaar zouden zijn.

Kostenaftrek

20. Nu de rechtbank van oordeel is dat de inkomsten van Stichting [A] en Stichting [B] niet kwalificeren als WUO, komt de rechtbank niet meer toe aan een beoordeling van de door eiser geclaimde kostenaftrek en zelfstandigenaftrek.

Conclusie

21. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

22. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

5 Beoordeling van het geschil

5.1.

Het Hof is van oordeel dat het in onderdelen 13 en 14 van de uitspraak van de rechtbank

weergegeven toetsingskader juist is en zal daarom net als de rechtbank daarvan uitgaan.

5.2.

Uit hetgeen belanghebbende met betrekking tot andere belastingplichtigen heeft aangevoerd en overgelegd ter onderbouwing van zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel, kan het Hof niet afleiden dat bij die belastingplichtigen de wet onjuist is toegepast in die zin dat bij een of meer van die belastingplichtigen inkomsten genoten uit werkzaamheden als (podium)kunstenaar/acteur ten onrechte als winst uit onderneming in aanmerking zijn genomen, laat staan dat dit het geval is bij een meerderheid van die belastingplichtigen.

5.3.

Voor het geval dit anders zou zijn, en er voor dit geding van moet worden uitgegaan dat in een aantal vergelijkbare gevallen inkomsten ten onrechte als winst uit onderneming in de belastingheffing zijn betrokken, rechtvaardigen de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting geenszins het oordeel dat de inspecteur op dit punt bewust van de wet is afgeweken, hetzij op grond van beleid, hetzij met het oogmerk de desbetreffende belastingplichtige(n) te begunstigen.

5.4.

Reeds hierom faalt belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel. Dit wordt niet anders door de verklaring van belanghebbende ter zitting, dat in zijn werkveld (toneel) hoofdzakelijk kortdurende contracten dan wel opdrachten worden vergeven en dat hij en anderen steeds weer een nieuwe aanstelling of opdracht dienen te vinden. Die omstandigheid rechtvaardigt echter noch op zichzelf noch in samenhang met hetgeen overigens van de zijde van belanghebbende is aangevoerd, het oordeel dat de inspecteur in dezen heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel door de looninkomsten van belanghebbende niet aan te merken als winst uit onderneming.

Slotsom

5.5.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6 Kosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 8:108 van die wet.

7 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. W.J. Blokland, voorzitter, F.J.P.M. Haas en M.J. Leijdekker, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H.E. Breman als griffier. De beslissing is op 17 augustus 2021 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.

Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.

Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.

Per post procederen

Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.