Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:258

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-01-2021
Datum publicatie
09-09-2021
Zaaknummer
23-004207-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beïnvloeding getuigen. Bewijsoverweging. Dat de verdachte, zoals hij ter terechtzitting heeft verklaard, louter zijn mening heeft willen uiten, acht het hof ongeloofwaardig gelet op de strekking van die uitlatingen. Gevangenisstraf drie weken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2021/333
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004207-18

datum uitspraak: 28 januari 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het

vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 15 november 2018 in de strafzaak

onder parketnummer 13-204533-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

van 14 januari 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het

Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen

de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 9 september 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk mondeling, door gebaren, bij geschrift en/of afbeelding zich jegens een of meer onbekend gebleven buurtbewoners heeft geuit, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid te verklaren of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar

een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) wist/wisten of ernstige reden had/hadden te vermoeden dat die verklaring zou worden afgelegd,

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s):

- een smartphone zo zichtbaar mogelijk in de richting van de omstanders gericht en/of

- met een smartphone (met flitslamp) een of meer buurtbewoners gefilmd en/of

- met luide stem en op intimiderende toon geroepen "wij willen geen verraders" en

"wij willen geen snitches" en/of

- met een scooter rondjes gereden rondom een of meer buurtbewoners en/of

- geroepen "wij zijn hier de baas" en/of

- geschreeuwd naar een getuige "waarom verraad je, het is niet jouw zaak waar bemoei je je mee".

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring

komt dan de politierechter.

Bewijsoverweging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte met zijn uitlatingen niet de bedoeling heeft gehad personen dusdanig te beïnvloeden dat zij geen verklaring meer zouden afleggen, maar dat hij alleen zijn mening heeft willen uiten. Ook heeft de raadsman aangevoerd dat

de uitingen van de verdachte niet concreet gericht waren tegen personen en dat de bewoording van de uitlatingen niet van dreigende aard waren. Tot slot zou de verdachte zich niet bewust zijn geweest van het filmen door de medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]).

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op zondag 9 september 2018 heeft er op de Oostelijke eilanden in Amsterdam een achtervolging van

een motorscooter met drie opzittenden door motoragent [verbalisant 1] plaatsgevonden. De motorscooter is

in de Poolstraat aldaar ten val gekomen waarna de drie personen die op de motorscooter zaten in verschillende richtingen zijn weggerend. Terwijl verbalisant [verbalisant 1] aan het zoeken was naar een van

hen zag hij een snorfiets rijden met daarop twee personen, van wie hij de verdachte als bestuurder

en [medeverdachte] als bijrijder herkende. Verbalisant [verbalisant 1] zag en hoorde dat de verdachte met [medeverdachte] als

bijrijder rond zich inmiddels verzamelde buurtbewoners aan het rijden waren. Verbalisant [verbalisant 2], die naar aanleiding van de melding ter plaatste was gekomen, zag dat buurtbewoners op het trottoir stonden en de aanwezige politie aanwijzingen gaven over waar zij de personen die op de motorscooter hadden gezeten, naartoe hadden zien rennen en waar zij ze spullen hadden zien weggooien. Verbalisant [verbalisant 2] zag en hoorde dat de verdachte zich richtte tot diverse buurtbewoners die op het trottoir stonden en dat hij deze personen van dichtbij aan riep. De verdachte riep met luide stem en op een intimiderende toon deze mensen aan met de woorden "wij willen geen verraders" en "wij willen geen snitches". Verbalisant [verbalisant 2] zag dat een onbekend gebleven oudere vrouw, die hem eerder had aangesproken omdat ze hem wilde laten zien waar iets door een vluchtende opzittende weg was gegooid, niet meer aan hem wilde verklaren wat zij had gezien. Dit was gebeurd nadat de verdachte recht op deze vrouw was af gereden

en vlak voor haar keerde. Ook verbalisant [verbalisant 1] heeft geconstateerd dat, toen hij de buurtbewoners

een vraag stelde, zij niets meer wilden verklaren.

De verdachte wordt verweten dat hij – kort gezegd – door zijn handelen mogelijke getuigen heeft beïnvloed. Dit is strafbaar gesteld in artikel 285a, eerste lid, Wetboek van Strafrecht (Sr) en strekt tot bescherming van de vrijheid van personen onbelemmerd ten overstaan van een rechter of een ambtenaar een verklaring te kunnen afleggen. Van ‘beïnvloeden’ in de zin van voormeld artikel is sprake indien

de uiting ertoe strekt de verklaringsvrijheid aan te tasten. Voldoende is dat komt vast te staan dat

de uiting kennelijk bedoeld was om de vrijheid van de persoon naar waarheid of geweten een verklaring ten overstaan van een rechter of ambtenaar af te leggen, te beïnvloeden. Niet is vereist dat die kennelijke bedoeling ook tot een daadwerkelijke beïnvloeding heeft geleid.

Het hof is van oordeel dat op grond van voormelde feiten en omstandigheden, in onderling verband

en samenhang beschouwd, de mondelingen uitlatingen met daarbij de hiervoor omschreven gedragingen van de verdachte jegens de buurtbewoners naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden aangemerkt als uitingen die kennelijk bedoeld zijn de verklaringsvrijheid van de buurtbewoners

te beïnvloeden. De buurtbewoners waren immers de politie eerst behulpzaam bij het opsporen van

de weggerende jongens en de weggegooide spullen. De verdachte zag dat en reageerde daarop zoals hiervoor omschreven. Door dit handelen van de verdachte waren die buurtbewoners niet langer bereid

de politie medewerking aan die opsporing te verlenen, ook niet in de vorm van een getuigenverklaring.

Dat de verdachte, zoals hij ter terechtzitting heeft verklaard, louter zijn mening heeft willen uiten,

acht het hof ongeloofwaardig gelet op de strekking van die uitlatingen.

Voor zover het verweer steunt op de opvatting dat voor een bewezenverklaring van een op artikel 285a Sr gestoelde tenlastelegging is vereist dat de uitingen en gedragingen van de verdachte een dreigende aard moeten hebben, wordt uitgegaan van een eis die het recht niet stelt.

Het hof is op grond van voorgaande overwegingen van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde gedragingen.

Vrijspraak bestanddeel medeplegen

Het hof is van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het bestanddeel medeplegen, omdat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte en de duopassagier op de voor medeplegen vereiste wijze nauw en bewust hebben samengewerkt. Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt het hof af dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte wist dat zijn duopassagier de buurtbewoners aan het filmen was. De duopassagier zat immers achterop bij de verdachte en niet blijkt dat de verdachte dit filmen heeft kunnen waarnemen.

Bewijsmiddelen

1 Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2018183337-5

van 10 september 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe

bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (doorgenummerde pagina’s 1-2).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Op zondag 9 september 2018 was ik in Amsterdam met vrije motorsurveillancedienst belast

en had ik een achtervolging gehad van een motorscooter. Na het tot stilstand komen van deze motorscooter zijn de drie opzittende in verschillende richtingen weggerend.

Ik liep rondom de [school] school. Ik zag een zwarte Vespa snorfiets rijden, ik herkende

de bestuurder als [verdachte] en de passagier als [medeverdachte].

Ik werd door meerdere onbekend gebleven buurtbewoners van de Poolstraat geattendeerd dat er een jongen zich aan het verstoppen was op het schoolplein. Ik zag en hoorde dat [verdachte] en [medeverdachte] rond bleven rijden rond de bewoners.

Toen ik de buurtbewoners nogmaals aansprak met de vraag waar een van de gevluchte jongens zou moeten zitten, wilden zij niets meer verklaren.

2 Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2018183893-2

van 10 september 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe

bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (doorgenummerde pagina’s 3-5).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Op 9 september 2018 hoorde ik middels de portofoon dat een motorrijder van de politie in achtervolging achter een motorscooter zat met drie jonge mannen erop. Ik hoorde dat de achtervolging op de Oostelijke eilanden was. Ik heb mij onmiddellijk begeven naar de

Oostelijke eilanden. Ik hoorde middels de portofoon dat de motor was gecrasht tegen een hek

in de Poolstraat. Ik had mij vervoegd bij de motorrijder om de drie jongens te achterhalen.

Ik zag en hoorde dat diverse bewoners die op het trottoir stonden ons aanwijzingen gaven waar zij de vluchtende jongeren zagen rennen en waar zij spullen hadden weggegooid. Ik zag een scooter met twee jonge mannen er op die ik herkende als: [verdachte] en [medeverdachte]. Ik zag dat [verdachte] de bestuurder was en [medeverdachte] de bijrijder. Ik zag en hoorde dat [verdachte] zich richtte naar diverse bewoners die op het trottoir stonden en hij deze personen van dichtbij aan riep. Ik zag

en hoorde dat [verdachte] met luide stem en op een intimiderende toon deze mensen aan riep met

de woorden "wij willen geen verraders" en "wij willen geen snitches".

Ik zag dat omstanders aanstoot namen aan het genoemde gedrag van [medeverdachte] en [verdachte] door weg

te lopen, door weg te stappen bij de ramen en omdat ze niets meer kwijt wilden tegen ons. Ik zag dat een onbekend gebleven oudere vrouw, die mij eerder aan had gesproken omdat ze mij wilde laten zien waar iets door een vluchtende jongen weg was gegooid, niet meer aan mij wilde verklaren wat ze had gezien.

3.Een proces-verbaal met nummer L1300-2018210134-7 van 16 oktober 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3]

en [verbalisant 4] (doorgenummerde pagina’s 49-55).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 16 oktober 2018 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van verdachte:

V: Wat kun jij verklaren over het beïnvloeden van getuigen waarvan je wordt verdacht op

9 september (het hof begrijpt: 9 september 2018)?

A: Ik kan verklaren, dat ik toevallig op dat moment daar langsreed en ik zag een motorscooter op de grond liggen. Maar de politie was al overal in de straat en ik hoorde dat er nog een verdachte of iets gezocht werd, in de bosjes of achter de auto’s en toen zei de getuige: “hij ligt daar” en toen schreeuwde ik naar de getuige “waarom verraad je, het is niet jouw zaak, waar bemoei je je mee.”

V: Waar heb je die dingen geroepen?

A: Poolstraat of zo.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan,

met dien verstande dat:

hij op 9 september 2018 te Amsterdam, opzettelijk mondeling en door gebaren zich jegens een of meer onbekend gebleven buurtbewoners heeft geuit, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl verdachte wist of ernstige reden had te vermoeden dat die verklaring zou worden afgelegd, immers heeft hij, verdachte:

- met luide stem en op intimiderende toon geroepen "wij willen geen verraders" en

"wij willen geen snitches" en

- met een scooter rondjes gereden rondom een of meer buurtbewoners en

- geschreeuwd naar een getuige "waarom verraad je, het is niet jouw zaak waar bemoei je je mee".

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk mondeling en door gebaren zich jegens een persoon uiten, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat die verklaring zal worden afgelegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien

van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld

tot een taakstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

De raadsman heeft het hof in het kader van de strafoplegging verzocht rekening te houden met

de huidige persoonlijke omstandigheden van de verdachte en aan de verdachte een voorwaardelijke taakstraf op te leggen. De verdachte heeft zich aangemeld voor een behandeling bij de Waag

teneinde hulp te krijgen voor zijn impulsiviteit. Voorts is de voorlopige hechtenis van de verdachte

in een andere strafzaak geschorst onder voorwaarden, in welk kader hij zich aan de afspraken houdt.

Tot slot heeft hij aangevoerd dat sinds de pleegdatum van het feit meer dan twee jaren zijn verstreken.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft

daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft door zijn gedragingen de vrijheid van de buurtbewoners naar waarheid of geweten

ten overstaan van een ambtenaar een verklaring af te leggen beïnvloed, terwijl hij ernstige reden had te vermoeden dat die verklaring zou worden afgelegd. De verdachte heeft de buurtbewoners duidelijk laten weten dat het geven van informatie door buurtbewoners aan de politie door hem niet wordt gewaardeerd. Hiermee heeft hij er blijk van gegeven de vrijheid van elke getuige een verklaring af te leggen, onacceptabel te vinden. De verdachte heeft door zijn handelen ook geprobeerd de opsporing van personen door de politie te belemmeren en heeft daardoor het opsporingsonderzoek gefrustreerd.

Dit is een ernstig feit waarbij de verdachte de verklaringsvrijheid van buurtbewoners heeft geschonden. Dergelijk gedrag belemmert de waarheidsvinding en is bedoeld om de rechtspleging te frustreren.

Het hof rekent dit de verdachte aan.

Voorts heeft het hof acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 4 januari 2021, waaruit blijkt dat de verdachte meerdere malen onherroepelijk is veroordeeld maar niet voor soortgelijke feiten.

Het hof acht, gelet op de ernst van het feit en gelet op de toepassing van artikel 63 van het

Wetboek van Strafrecht, een gevangenisstraf voor de duur van drie (3) weken passend.

Anders dan de raadsman acht het hof geen termen aanwezig een voorwaardelijke taakstraf op te leggen, omdat naar het oordeel van het hof onder de gegeven omstandigheden niet kan worden volstaan met een andere dan een vrijheidsbenemende straf.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 63 en 285a van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) weken.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin

zitting hadden mr. S. Clement, mr. V. Mul en mr. J.H.C. van Ginhoven, in tegenwoordigheid van

mr. D. Damman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof

van 28 januari 2021.

========================================================================

[…]