Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:2569

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-08-2021
Datum publicatie
06-09-2021
Zaaknummer
200.283.113/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2020:4447
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

zorgregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.283.113/01

Zaaknummer rechtbank: C/15/298468 / FA RK 20-244

Beschikking van de meervoudige kamer van 10 augustus 2021 inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. W.L. Sieval te Heerhugowaard (voorheen mr. L.C. Fuijkschot),

en

[de man] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. E.F.E. Hoekstra te Heerhugowaard.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

- de hierna te noemen minderjarige [kind 1] (verder te noemen: [kind 1] );

- de hierna te noemen minderjarige [kind 2] (verder te noemen: [kind 2] ).

In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de rechtbank), van 17 juni 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De vrouw is op 10 september 2020 in hoger beroep gekomen van de beschikking van

17 juni 2020.

2.2

De man heeft op 28 oktober 2020 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3

De vrouw heeft op 1 december 2020 een verweerschrift tegen het incidenteel hoger beroep ingediend.

2.4

Bij het hof is voorts op 11 februari 2021 ingekomen een journaalbericht met bijlage van de zijde van de vrouw van diezelfde datum.

2.5

Op 4 mei 2021 is [kind 1] afzonderlijk door de voorzitter gehoord. De voorzitter heeft op de zitting, samengevat, verslag gedaan van het besprokene.

2.6

De mondelinge behandeling heeft op 10 mei 2021 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat, beiden via een videobeeldverbinding;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw R.N. Planting.

De advocaat van de man heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

3 De feiten

3.1

De ouders zijn [in] 2011 met elkaar gehuwd, welk huwelijk op 21 maart 2018 is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Amsterdam van 9 maart 2018 in de registers van de burgerlijke stand.

3.2

De minderjarige kinderen van partijen zijn:

- [kind 1] , geboren [in] 2008;

- [kind 2] , geboren [in] 2010,

verder gezamenlijk te noemen: de kinderen.

De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen. [kind 1] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw en [kind 2] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de man.

3.3

Bij de hiervoor genoemde beschikking van 9 maart 2018 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is bepaald dat het aangehechte convenant en ouderschapsplan deel uitmaken van de beschikking. In het ouderschapsplan, dat onderdeel uitmaakt van het door partijen op 19 februari 2018 ondertekende convenant, is - voor zover nu van belang - een regeling ter verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) opgenomen, die inhoudt dat de kinderen om de week bij de man en de vrouw verblijven, waarbij het wisselmoment op de woensdagmiddag en -avond is.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, met wijziging van de beschikking van 9 maart 2018 en van het ouderschapsplan, de zorgregeling aldus vastgesteld dat de kinderen bij ieder van de ouders verblijven volgens het schema als vermeld in het ouderschapsplan met als wijziging dat de vrouw de kinderen om de week op vrijdag na school ophaalt en ze om 17.00 uur bij de man afzet, namelijk in de week dat de kinderen bij hem verblijven. Deze beslissing is gegeven op het verzoek van de vrouw om de in het ouderschapsplan opgenomen zorgregeling te wijzigen, in die zin dat zij de kinderen op donderdag en vrijdag na school ophaalt en ze om 17.00 uur afzet bij de man in de week dat de kinderen bij hem verblijven. De man had primair verzocht de vrouw in haar verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, subsidiair haar verzoek af te wijzen.

4.2

In het principaal hoger beroep verzoekt de vrouw, met vernietiging van de bestreden beschikking:

primair: de zorgregeling zoals vastgelegd in het ouderschapsplan te wijzigen, in die zin dat de kinderen eens in de twee weken in het weekend van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de man verblijven;

subsidiair: de zorgregeling zoals vastgelegd in het ouderschapsplan te wijzigen, in die zin dat de vrouw de kinderen iedere dag na school (behoudens op dinsdag wanneer ze naar opa en oma gaan) ophaalt en ze om 17.00 uur afzet bij de man op de dagen dat ze bij hem verblijven.

4.3

De man verzoekt in het principaal hoger beroep het verzoek van de vrouw af te wijzen, dan wel een beslissing te nemen die het hof juist acht.

4.4

In incidenteel hoger beroep verzoekt de man, naar het hof begrijpt, de bestreden beschikking te vernietigen en het inleidend verzoek van de vrouw alsnog af te wijzen.

4.5

De vrouw verzoekt in incidenteel hoger beroep de man niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel zijn verzoek af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Gelet op de inhoud van de grieven en hun onderlinge samenhang zal het hof het principaal en het incidenteel hoger beroep gezamenlijk behandelen.

5.2

Ingevolge artikel 1:253a lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan onder andere een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken (artikel 1:253a lid 2 onder a BW) omvatten.

5.3

De vrouw voert aan dat haar verzoek om de zorgregeling ten aanzien van de donderdagmiddag te wijzigen in de bestreden beschikking ten onrechte is afgewezen. De rechtbank is er in haar overweging van uitgegaan dat de man voortaan structureel vrij zou zijn op de donderdagmiddag in de week dat de kinderen bij hem verblijven, zoals hij ter zitting in eerste aanleg heeft toegezegd, maar in de praktijk is gebleken dat de man vanwege zijn werk niet in staat is om op doordeweekse dagen voor de kinderen te zorgen. De man stelt dat hij op vrijdagmiddag vrij ‘kan’ zijn; hieruit maakt de vrouw op dat hij op die middag niet structureel vrij is. Destijds is afgesproken dat [Y] , de partner van de man (hierna te noemen: [de partner van de man] ), de kinderen één middag in de week dat de kinderen bij de man verblijven zou opvangen, maar dat is inmiddels drie keer per week geworden. De kinderen hebben meermaals aangegeven dat zij er de voorkeur aan geven om na school door de vrouw te worden opgevangen. Daarbij komt dat [kind 2] thuis begeleiding nodig heeft. Tijdens een multidisciplinair overleg op 29 oktober 2020 is besloten dat een dyslexie- en mogelijk ook een ADHD-onderzoek bij haar zal worden afgenomen. [kind 1] heeft ondersteuning nodig bij zijn huiswerk. De vrouw meent daarom dat het van belang is dat de kinderen alle doordeweekse middagen bij haar verblijven.

5.4

De man stelt zich primair op het standpunt dat er geen sprake is van relevante gewijzigde omstandigheden. Subsidiair stelt hij dat het niet in het belang van de kinderen is om de met hun vader door te brengen tijd terug te brengen tot één weekend per veertien dagen. In zijn incidenteel hoger beroep voert de man aan dat in de bestreden beschikking ten onrechte is geoordeeld dat de zorgregeling dient te worden gewijzigd, in die zin dat de kinderen in de week dat ze bij hem verblijven, op vrijdag door de vrouw worden opgehaald uit school en door de vrouw om 17.00 uur bij hem worden afgezet. Ten tijde van de totstandkoming van het ouderschapsplan wist de vrouw al dat de man fulltime zou blijven werken. [kind 2] , die niet is gediagnosticeerd met ADHD, wordt vanuit maatschappelijk werk onder schooltijd begeleid en hoeft thuis geen extra begeleiding te krijgen. [kind 1] zit op de middelbare school en werkt thuis zelfstandig aan zijn huiswerk. De man werkt op werkdagen tot 16.30 uur en heeft in de week dat de kinderen bij hem verblijven op vrijdag- in plaats van donderdagmiddag vrij kunnen regelen. De kinderen hebben laten weten dat zij een week op week af regeling, zoals vastgelegd in het ouderschapsplan, prettig vinden. De vrouw zal, net als de man, een beroep op derden moeten doen om de kinderen – met name [kind 2] – na school te kunnen opvangen. Zij werkt tweeëndertig uur per week, waaronder op donderdag- en vrijdagmiddag.

5.5

De raad heeft ter zitting in hoger beroep naar voren gebracht dat de ouders het beste een zorgregeling kunnen afspreken, die door beiden wordt gedragen. Het is belangrijk om naar de wensen en behoeften van de kinderen te luisteren en hun structuur en rust te bieden. Het is in het belang van de kinderen dat de ouders zich tot de hulpverlening wenden en zich ervoor inspannen om hun onderlinge communicatie te verbeteren.

5.6

Uit de stukken in het dossier en ter zitting in hoger beroep is het volgende gebleken. De man woont samen met zijn partner [de partner van de man] . In de week dat de kinderen bij de man verblijven is de moeder van [de partner van de man] op maandag, dinsdag en woensdag in hun huis aanwezig om de kinderen op te vangen. De kinderen blijven op dinsdag thuis of bij hun grootouders van vaderszijde. Op woensdag gaan de kinderen momenteel, in onderling overleg, voorafgaand aan of na afloop van het avondeten van de ene naar de andere ouder. [de partner van de man] is op donderdag en vrijdag vrij en vangt de kinderen op die dagen op. De man kan met zijn werkgever regelen dat hij in de week dat de kinderen bij hem verblijven op vrijdagmiddag vrij neemt; hij werkt dan tot 13.00 uur en is rond 14.00 uur thuis. De vrouw werkt dertig uur per week. In de week dat de kinderen bij haar verblijven werkt de vrouw op maandag en dinsdag tot 12.00 uur, in de andere week werkt zij op die dagen wat langer door. Zij werkt op woensdag, donderdag en vrijdag tot 12.00 uur. De ouders zijn overeengekomen dat het wisselmoment op woensdag omstreeks 17.30 uur plaatsvindt.

5.7

Voor het hof staat vast dat ieder van de ouders goed in staat is om voor de kinderen te zorgen, dat de kinderen met beide ouders een goede band hebben, dat zij het bij beiden naar hun zin hebben en dat de zorgregeling goed verloopt. De kinderen verblijven om de week een week bij ieder van de ouders. In de week dat de kinderen bij de man verblijven worden zij opgevangen door de grootouders, [de partner van de man] en [de partner van de man] ’s moeder. Aan de in de bestreden beschikking opgenomen wijziging van het ouderschapsplan, inhoudende dat de vrouw de kinderen om de week op vrijdag na school ophaalt en ze om 17.00 uur bij de man afzet in de week dat de kinderen bij hem verblijven, is, met uitzondering van twee keer, geen uitvoering gegeven. Niet gebleken is dat de in het ouderschapsplan overeengekomen regeling niet in het belang van de kinderen is. Deze regeling geeft de kinderen duidelijkheid en structuur en [kind 1] heeft aan de voorzitter verklaard dat hij zich bij deze regeling prettig voelt en deze wenst te handhaven. Het hof acht het niet nodig dat [kind 1] na schooltijd bij de vrouw verblijft. Hij zit op de middelbare school en werkt nadat hij uit school is gekomen thuis zelfstandig aan zijn huiswerk, waarbij hij zo nodig door [de partner van de man] wordt ondersteund. [kind 2] krijgt onder schooltijd begeleiding van maatschappelijk werk. Na schooltijd krijgt zij geen extra begeleiding, zodat hierin evenmin een noodzaak is gelegen om van de in het ouderschapsplan opgenomen regeling af te wijken en haar doordeweeks bij de vrouw te laten verblijven in de week dat zij bij de man is. De ouders wonen bovendien dicht bij elkaar, zodat de kinderen - mede gelet op hun leeftijd - zo nodig zelf van de ene naar de andere ouder kunnen gaan. Voor zover de vrouw stelt dat de man de kinderen zelf moet opvangen op de momenten dat zij volgens de regeling bij hem verblijven, overweegt het hof dat de man ter zitting heeft verklaard dat hij met zijn werkgever heeft afgesproken dat hij op vrijdagmiddag vrij kan zijn. Voor de overige doordeweekse dagen geldt dat een regeling waarbij de door de vrouw (subsidiair) verzochte regeling waarbij zij de opvang in de week van de man overneemt, alleen zinvol is als sprake is van een goede communicatie tussen ouders. Zij zullen dan immers vaker dan nu over allerlei praktische zaken overleg met elkaar moeten hebben. Van een goede communicatie is echter geen sprake. Gelet op het voorgaande acht het hof het in het belang van de kinderen wenselijk dat zij de ene week bij de vrouw verblijven en de andere week bij de man, waarbij het wisselmoment plaatsvindt op woensdag om 17.30 uur, zoals partijen zijn overeengekomen. Bij deze stand van zaken kan in het midden blijven of al dan niet sprake is van een wijziging van omstandigheden, zoals hiervoor onder 5.2 bedoeld.

5.8

Het voorgaande leidt ertoe dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en zal beslissen als hierna te vermelden.

6 Beslissing

Het hof:

in principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt de beschikking waarvan beroep en opnieuw beschikkende:

bepaalt, met wijziging in zoverre van de hierboven genoemde beschikking van de rechtbank Amsterdam van 9 maart 2018 en het daaraan gehechte ouderschapsplan, dat onderdeel uitmaakt van het door partijen op 19 februari 2018 ondertekende convenant, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders aldus dat de kinderen de ene week bij de vrouw verblijven en de andere week bij de man, met een wisselmoment op woensdag om 17.30 uur;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.T. Hoogland, mr. A.V.T. de Bie en mr. J.M. van Baardewijk, in tegenwoordigheid van mr. L. Meulman als griffier en is op 10 augustus 2021 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.