Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:2557

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-08-2021
Datum publicatie
01-09-2021
Zaaknummer
20/00064 en 20/00409
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarde van de woning niet aannemelijk gemaakt. De argumenten van belanghebbende kan het Hof echter ook niet volgen. Het Hof stelt de WOZ-waarde van de woning in goede justitie zelf vast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2021/2054
V-N 2021/44.18.18
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerken 20/00064 en 20/00409

10 augustus 2021

uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer

op de hoger beroepen van

[X] , woonachtig te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: G. Gieben)

tegen de uitspraken van 10 december 2019 en 4 juni 2020 in de zaken met kenmerken HAA 18/3281 respectievelijk HAA 19/3837 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente [Z], de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

20/00064 (HAA 18/3281)

1.1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde (hierna: WOZ-waarde) van de onroerende zaak [woning] te [Z] (hierna: de woning) voor het kalenderjaar 2018 vastgesteld op € 282.000. In hetzelfde geschrift is de aanslag onroerendezaakbelasting (hierna: OZB) 2018 bekendgemaakt.

1.1.2.

Met de uitspraak op het bezwaar verzonden op 21 juni 2018 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.

1.1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. In haar uitspraak van 10 december 2019 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.1.4.

Het tegen deze uitspraak van de rechtbank ingestelde hoger beroep heeft het Hof ontvangen op 22 januari 2020. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

20/00409 (HAA 19/3837)

1.2.1.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking krachtens artikel 22 van de Wet WOZ de waarde van de woning voor het kalenderjaar 2019 vastgesteld op € 310.000. In hetzelfde geschrift is de aanslag OZB 2019 bekendgemaakt.

1.2.2.

Met de uitspraak op het bezwaar verzonden op 25 juni 2019 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.

1.2.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. In haar uitspraak van 4 juni 2020 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.2.4.

Het tegen deze uitspraak van de rechtbank ingestelde hoger beroep heeft het Hof ontvangen op 16 juli 2020. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.3.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 mei 2021. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in de uitspraak met zaaknummer HAA 18/3281 de volgende feiten vastgesteld:

Feiten

1. Eiser is eigenaar van de woning. De woning is een vrijstaande woning met een aanbouw, een berging en een tuinhuis/blokhut. De woning is gebouwd in 1900. De inhoud van de woning, inclusief de aanbouw, is ongeveer 352 m3. De oppervlakte van het perceel bedraagt ongeveer 625 m2.”

De rechtbank heeft in de uitspraak met zaaknummer HAA 19/3837 de volgende feiten vastgesteld:

“Feiten

1. Eiser is eigenaar van de woning. De woning is een vrijstaande woning gebouwd in 1900. De inhoud van de woning is 337 m³. De woning is voorzien van een berging, een aanbouw en een tuinhuis/blokhut.”

2.2.

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden, zal ook het Hof daarvan uitgaan. Hieraan voegt het Hof nog de volgende feiten toe.

2.3.

In het beroep met zaaknummer HAA 19/3837 heeft de rechtbank het verweerschrift van de heffingsambtenaar ontvangen op 7 mei 2020. In de aanvulling op zijn hoger beroepschrift heeft belanghebbende onder meer geschreven:

“Naar mijn mening had de rechtbank het door verweerder ingediende verweerschrift tardief dienen te verklaren. De zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2020, ik heb het verweerschrift pas op 7 mei ontvangen. Hierbij zij ook opgemerkt dat het beroepschrift door mij al op 5 augustus 2019 is ingediend waardoor verweerder ruimschoots de tijd heeft gehad verweer in te dienen.”

2.4.

De heffingsambtenaar heeft ter onderbouwing van de door hem voorgestane waarden voor ieder jaar een waardenmatrix overgelegd met daarin een drietal (2018) of viertal (2019) vergelijkingsobjecten. De staat van onderhoud van de woning is in die waardematrixen gewaardeerd op ‘2’ (te weten minder dan gemiddeld), de kwaliteit van de woning is gewaardeerd op ‘2’ (te weten minder dan gemiddeld) en de voorzieningen zijn gewaardeerd op ‘3’ (te weten gemiddeld).

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

In geschil is of de waarde van de woning voor 2018 en 2019 niet te hoog is vastgesteld.

3.2.

In het hoger beroep met zaaknummer 20/00409 ligt voorts ook de vraag voor of de rechtbank het verweerschrift van de heffingsambtenaar tardief had moeten verklaren.

4 Overwegingen van de rechtbank

4.1.

De rechtbank heeft ten aanzien van het geschil in de uitspraak met zaaknummer HAA 18/3281 als volgt overwogen:

Beoordeling van het geschil

6. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ, wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omgang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever “de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding”.

7. Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken wordt de waarde, bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ, voor woningen bepaald door middel van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn.

8. Op verweerder rust de last aannemelijk te maken dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld. Hierin is verweerder naar het oordeel van de rechtbank geslaagd. Bij dit oordeel neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. Verweerder heeft ter onderbouwing van de door hem vastgestelde waarde een matrix overgelegd. Naar volgt uit de matrix is de waarde van de woning, overeenkomstig het onder 7 vermelde artikel, bepaald met behulp van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn (vergelijkingsobjecten). De in de matrix genoemde vergelijkingsobjecten zijn naar het oordeel van de rechtbank vergelijkbaar met de woning. Met de verschillen tussen de vergelijkingsobjecten en de woning wat betreft onder meer oppervlakte, inhoud en kwaliteit, is bij de herleiding van de waarde van de woning uit de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten in voldoende mate rekening gehouden. Naar volgt uit de verklaring van verweerder en de in de matrix opgenomen foto’s, hebben ook de vergelijkingsobjecten vanaf de punt een in meer of mindere mate schuin aflopend dak aan beide zijden. De vergelijkingsobjecten hebben derhalve ook een minder bruikbare verdieping. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor een verlaging van de waarde op het punt van de doelmatigheid.

9. Ook de overige door eiser ingenomen stellingen brengen de rechtbank niet tot een ander oordeel. Met de onderhoudstoestand van de woning, onder andere die van het dak – wat daar verder ook van zij – is voldoende rekening gehouden. Dit volgt uit de prijs per m3 die bij de waardebepaling van de woning is gebruikt. Bij de woning van eiser is een correctie voor onderhoud en kwaliteit gegeven en die is tot uitdrukking gebracht in de prijs per m3 van € 222 waar voor de vergelijkingsobjecten hogere prijzen per m3 zijn gebruikt, van respectievelijk € 330, € 287 en € 310. Ook de gemiddelde prijs per m3 van € 309 ligt hoger dan de voor de woning gebruikte m3-prijs. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank ook niet met marktgegevens of andere, voor de rechtbank toetsbare feiten onderbouwd dat de waardedrukkende invloed van de door hem gestelde onderhoudsgebreken aan de woning groter is dan die waarmee verweerder bij de bepaling van de waarde rekening heeft gehouden. De foto’s die hij ter zitting heeft overgelegd, waarop de helft van de badkamer en een deel van het dak is te zien, zijn daartoe onvoldoende.

10. Eiser heeft verder aangevoerd dat aansluiting gezocht moet worden bij de verkopen van [object 1] en [object 2] , welke verweerder had opgenomen in het taxatieverslag en in de bezwaarfase heeft gebruikt ter onderbouwing van de waarde. De rechtbank merkt op dat er geen rechtsregel is die verweerder verbiedt om de door hem voorgestane waarde in elke fase van het geding met nieuwe gegevens te onderbouwen. Hoewel de rechtbank begrijpt dat het voorgaande bij eiser tot onduidelijkheid en verwarring kan leiden, staat het verweerder dus vrij om in beroep – naar de mening van verweerder – betere vergelijkingsobjecten in te brengen. Daarbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat de in het taxatieverslag genoemde vergelijkingsobjecten [object 1] en [object 2] zijn gelegen in respectievelijk [Y] en [W] terwijl de nieuwe vergelijkingsobjecten [vergelijkingsobject 1] en [vergelijkingsobject 2] , net als de woning van eiser, zijn gelegen in [Z] en daardoor beter vergelijkbaar zijn.

11. Gelet op het vorenoverwogene is de waarde van de woning niet te hoog vastgesteld en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.”

4.2.

De rechtbank heeft ten aanzien van het geschil in de uitspraak met zaaknummer HAA 19/3837 als volgt overwogen:

Beoordeling van het geschil

Aanhoudingsverzoek

6. Eiser heeft verzocht om de behandeling van de zaak ter zitting uit te stellen omdat voor belastingjaar 2018 een hoger beroep is ingesteld. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen. Doel en strekking van de Wet WOZ brengen mee dat de waarde van een onroerende zaak voor elk kalenderjaar opnieuw wordt bepaald aan de hand van feiten en omstandigheden die zich op de waardepeildatum voordoen. Ieder jaar staat op zichzelf. De uitkomst van het hoger beroep voor belastingjaar 2018 is dus niet van invloed voor het onderhavige jaar.

Verweerschrift

7. Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat het verweerschrift te laat is ingediend. Verweerder heeft dit erkend, waarbij hij heeft aangegeven dat dit is veroorzaakt door onduidelijkheid aan zijn zijde over het doorgaan van de zitting vanwege de sluiting van de rechtbank medio maart 2020. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierdoor echter niet in zijn belangen geschaad. Partijen hebben in de bezwaarfase uitvoerig schriftelijk met elkaar van argumenten gewisseld en deze argumenten zijn herhaald en samengevat in het verweerschrift zonder dat daar van de kant van verweerder nieuwe argumenten aan zijn toegevoegd. Gelet hierop acht de rechtbank het verweerschrift toelaatbaar.

Waarde

8. Op grond van artikel 17, tweede lid, Wet WOZ, wordt de waarde van een onroerende zaak bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer. Dat is de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald. Op verweerder rust de last aannemelijk te maken dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld.

9. De rechtbank stelt vast dat verweerder de waarde van de woning heeft onderbouwd aan de hand van de vergelijkingsmethode. De rechtbank acht de door verweerder gehanteerde vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar met de woning. De vergelijkingsobjecten zijn allemaal in [Z] gelegen vrijstaande woningen uit een (nagenoeg) gelijk bouwjaar waarvan de inhoud en perceelgrootte niet al te zeer afwijken van die van de woning. De verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten kunnen dus worden gebruikt ter onderbouwing van de waarde van de woning. Dat er verschillen zijn tussen de woning en de vergelijkingsobjecten maakt dit niet anders. Het gaat er om dat verweerder voldoende rekening heeft gehouden met die verschillen.

6. Dat laatste heeft verweerder gedaan. Verweerder heeft met het bij het verweerschrift overgelegde waardererapport en de bijgevoegde matrix een afdoende toelichting gegeven op de vastgestelde waarde aan de hand van de voor de woning en de vergelijkingsobjecten gehanteerde kubieke- en vierkante meterprijzen. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat de woning een lager cijfer voor doelmatigheid moet krijgen. Uit de matrix (en de daarin opgenomen foto’s) blijkt immers dat alle vergelijkingsobjecten eveneens een schuin aflopend dak hebben. Voorts heeft eiser zijn stelling dat de woning een mindere kwaliteit heeft, onder meer wat betreft de onderhoudstoestand van het dak, dan de vergelijkingsobjecten niet nader onderbouwd waardoor deze stelling evenmin kan slagen. Tot slot heeft verweerder ter zitting onbetwist gesteld dat vier tot vijf jaar geleden een inpandige opname ten behoeve van de taxatie van de woning heeft plaatsgevonden. Gelet hierop acht de rechtbank de onderbouwing van het cijfer 2 voor kwaliteit voldoende.

7. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de vastgestelde waarde in een onjuiste verhouding staat tot de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten. De waarde is niet te hoog vastgesteld. De rechtbank zal het beroep derhalve ongegrond verklaren.”

5 Beoordeling van het geschil

5.1.

Het Hof onderschrijft het door de rechtbank weergegeven wettelijke kader voor de beoordeling van de WOZ-waarden en maakt dat tot de zijne.

5.2.

Op de heffingsambtenaar rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat de WOZ-waarden van de woning niet te hoog zijn vastgesteld. De heffingsambtenaar heeft zich bij het geven van de onderhavige beschikkingen op het standpunt gesteld dat de waarde van de woning van belanghebbende op waardepeildatum 1 januari 2017 € 282.000 bedraagt en de dat die waarde op de waardepeildatum 1 januari 2018 € 310.000 bedraagt. Ter staving van de door hem verdedigde waarden heeft de heffingsambtenaar verwezen naar waardematrixen.

5.3.

Het Hof is van oordeel dat de heffingsambtenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat die waarden van de woning niet te hoog zijn vastgesteld. Hiertoe overweegt het Hof als volgt.

5.4.

Belanghebbende heeft aangevoerd dat er onvoldoende rekening is gehouden met de staat van onderhoud van de woning (waaronder renovatiekosten van het algehele dak en kosten van schilderwerk), de zeer eenvoudige voorzieningen in de woning (te weten de badkamer, de keuken en het sanitair) en het feit dat het skelet van de woning van hout is, waardoor de woning zeer onderhoudsgevoelig is en minder goed te vergelijken met de referenties die uit steen en beton zijn opgetrokken.

De heffingsambtenaar heeft daartegen ingebracht dat eerder, namelijk zo’n 5 jaar daarvoor wel al een inpandige opname heeft plaatsgevonden en dat de staat van het pand hem daarom bekend is. Het Hof stelt evenwel met belanghebbende vast dat over die inpandige opname in het geheel geen documentatie door de heffingsambtenaar is ingebracht en er geen zicht is op de bevindingen van die inpandige opname. Hierdoor heeft het Hof, gelet op dit gemotiveerde en met foto’s geïllustreerde betoog van belanghebbende, onvoldoende grond voor aanvaarding van de opvatting van de heffingsambtenaar dat hij bij de waardering met deze aspecten voldoende rekening heeft gehouden. Dit laatste geldt ook voor de grief van belanghebbende inzake de houtskeletbouw: door de heffingsambtenaar is onvoldoende duidelijk gemaakt of en zo ja in welke mate rekening is gehouden met het verschil in bouwaard tussen de woning en de vergelijkingsobjecten. De heffingsambtenaar heeft weliswaar ter zitting gesteld dat er meer woningen in [Z] in hout zijn opgetrokken, maar het Hof constateert dat die woningen niet zijn aangevoerd als vergelijkingsobject zodat deze mededeling ter zitting niet afdoet aan de grief van belanghebbende.

5.5.

Aangezien het Hof van oordeel is dat de heffingsambtenaar niet in zijn bewijslast is geslaagd, komt de vraag aan de orde of belanghebbende de door hem verdedigde waarden aannemelijk heeft gemaakt. Het Hof is van oordeel dat ook belanghebbende hierin niet is geslaagd. Belanghebbende heeft de door hem verdedigde waarden niet althans onvoldoende onderbouwd.

5.6.

Nu geen van beide partijen de door hem verdedigde waarden aannemelijk heeft gemaakt, zal het Hof de waarde van de woning in goede justitie vaststellen. Met inachtneming van al hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd, stelt het Hof deze waarde aldus vast op € 262.000 voor 2018 en € 290.000 voor 2019. De aan belanghebbende voor de woning opgelegde aanslagen OZB worden dienovereenkomstig verminderd.

Slotsom

5.7.

De slotsom is dat de hoger beroepen gegrond zijn. De uitspraken van de rechtbank worden vernietigd. Het geschilpunt weergegeven onder 3.2. behoeft geen behandeling meer.

6 (Proces)kosten

6.1.

Het Hof ziet aanleiding voor een veroordeling van de heffingsambtenaar op de voet van artikel 8:75 jo. artikel 8:108 Awb in de door belanghebbende gemaakte (proces)kosten in bezwaar, beroep en hoger beroep. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit).

6.2.

Het Hof merkt de hoger beroepen aan als samenhangende zaken in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit. Ze zijn gelijktijdig behandeld, de beroepsmatige rechtsbijstand is verleend door dezelfde gemachtigde en de werkzaamheden van deze gemachtigde konden in elk van de hoger beroepen nagenoeg identiek zijn. Daarmee is voldaan aan het criterium voor samenhang (zie HR 18 maart 2016, nr. 15/03065, ECLI:NL:HR:2016:420).

6.3.

In aanmerking voor vergoeding komen allereerst de in artikel 1, aanhef en onderdeel a, van het Besluit vermelde kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief op:

*voor de bezwaarfase: 2 punten (proceshandelingen: bezwaarschrift en hoorzitting) x € 265 x 1 (wegingsfactor) = € 530;

*voor de beroepsfase: 2 punten (proceshandelingen: beroepschrift + zitting) x € 534 x 1 (wegingsfactor) = € 1.068;

*voor het hoger beroep: 2 punten (hogerberoepschrift + zitting) x € 534 x 1 (wegingsfactor) = € 1.068;

6.4.

In aanmerking voor vergoeding komen voorts ook de in artikel 1, aanhef en onderdeel f, van het Besluit vermelde kosten van uittreksels uit de openbare registers. Belanghebbende heeft in zijn bezwaarschrift inzake de WOZ-beschikking voor het jaar 2018 € 7 opgevoerd als kosten van kadastrale uittreksels. Het Hof acht aannemelijk dat deze kosten ten laste van belanghebbende zijn gekomen. Deze kosten dienen derhalve eveneens te worden vergoed.

6.5.

De (proces)kostenvergoeding komt in totaal neer op een bedrag van € 2.673. Gelet op de hiervoor vermelde samenhang zal in elk van de hoger beroepen een bedrag van € 2.673 / 2 = € 1.336,50 als vergoeding van (proces)kosten worden toegewezen.

7 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraken van de rechtbank;

  • -

    verklaart de bij de rechtbank ingestelde beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vermindert de bij de WOZ-beschikking vastgestelde waarde van de woning voor het kalenderjaar 2018 tot € 262.000 met dienovereenkomstige vermindering van de aanslag OZB;

  • -

    vermindert de bij de WOZ-beschikking vastgestelde waarde van de woning voor het kalenderjaar 2019 tot € 290.000 met dienovereenkomstige vermindering van de aanslag OZB;

  • -

    veroordeelt de heffingsambtenaar in de (proces)kosten van belanghebbende tot een bedrag van in totaal € 2.673, en

  • -

    gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende vergoedt het door hem voor de behandelingen van de beroepen en de hoger beroepen betaalde griffierecht van in totaal € 352.

De uitspraak is gedaan door mrs. N. Djebali, voorzitter, R.C.H.M. Lips en W.J. Blokland, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H.E. Breman, als griffier, en bij afwezigheid van de voorzitter, ondertekend door de oudste raadsheer en de griffier.

De beslissing is op 10 augustus 2021 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.

Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.

Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.

Per post procederen

Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.