Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:2539

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-08-2021
Datum publicatie
27-09-2021
Zaaknummer
200.292.528/01 NOT
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:TNORDHA:2021:6
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klacht tegen een notaris. Mogelijk dubbele verkoop van registergoederen. Heeft notaris onderzoeks- en informatieplicht (en daarmee zorgplicht ex art. 17 lid 1 Wna) geschonden? Klacht deels gegrond. Berisping en proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.292.528/01 NOT

nummer eerste aanleg : 20-14

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 24 augustus 2021

inzake

[klager] ,

wonend te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

appellant,

gemachtigde: mr. Z.B. Gyömörei, advocaat te Den Haag,

tegen

[notaris] ,

notaris te [plaats] ,

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. W. Knoester, advocaat te Rotterdam.

Partijen worden hierna klager en de notaris genoemd.

1 De zaak in het kort

Klager wil de onverdeelde helft in diverse registergoederen verkopen en leveren aan een derde. De voorgenomen transactie wordt eerst in een – door de notaris opgestelde – verkorte koopovereenkomst vastgelegd. Dan wordt bekend dat klager mogelijk op een eerder moment de registergoederen aan de vorige eigenaar zou hebben (terug)verkocht en de economische eigendom zou hebben overgedragen. Desondanks tekenen klager en koper een – door de notaris opgestelde – nadere koopovereenkomst ter uitwerking van de verkorte koopovereenkomst. In deze nadere koopovereenkomst wordt geen melding gemaakt van het mogelijke probleem van de terugkoop en overdracht van de economische eigendom. Klager verwijt de notaris hoofdzakelijk dat hij niet de belangen van alle partijen heeft behartigd en dat hij onzorgvuldig is geweest.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Klager heeft op 29 maart 2021 een beroepschrift – met producties – bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag (hierna: de kamer) van 1 maart 2021 (ECLI:NL:TNORDHA:2021:6). De notaris heeft op 18 mei 2021 een verweerschrift – met producties – bij het hof ingediend.

2.2.

Het hof heeft voorts de stukken van de eerste aanleg van de kamer ontvangen.

2.3.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 10 juni 2021. Klager, vergezeld van zijn gemachtigde en [X] , en de notaris, vergezeld van zijn gemachtigde, zijn verschenen en hebben het woord gevoerd. De gemachtigden hebben ieder – aan de hand van een overgelegde pleitnota – het woord gevoerd.

3 Feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Klager heeft tegen de vaststelling van een deel van de feiten bezwaar gemaakt. Het hof zal hiermee bij de beoordeling rekening houden. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

3.1.

Op 6 september 2019 heeft [Y] (hierna te noemen: koper) contact opgenomen met de notaris per email (met cc aan klager) in verband met zijn aankoop (voor 50%) van registergoederen van klager. De notaris was de vaste notaris van koper.

3.2.

Op 10 september 2019 heeft de notaris aan de boekhoudster van klager, [X] (hierna te noemen: de boekhoudster), een e-mail (met cc aan klager) gestuurd met meer informatie over de voorgenomen transactie. Daarin heeft de notaris ook gewezen op de mogelijkheid van een Groninger akte, nu koper de wens had om (de onverdeelde helft in) de registergoederen vóór Prinsjesdag (17 september 2019) geleverd te krijgen (in verband met een mogelijke verhoging van het tarief van de overdrachtsbelasting na Prinsjesdag).

3.3.

Op 11 september 2019 heeft de boekhoudster per e-mail aan de notaris laten weten dat klager akkoord gaat met de levering op grond van een Groninger akte. De notaris is in deze e-mail tevens geïnformeerd over het bestaan van een derde hypotheeknemer, [Z] (hierna te noemen: de derde hypotheeknemer), in verband met een schuld van de vorige eigenaar, [A] (hierna te noemen: de vorige eigenaar), van de verkochte registergoederen.

3.4.

Op 12 september 2019 heeft de notaris het concept van de Groninger akte van levering aan klager, koper en de boekhoudster gestuurd. In zijn e-mail heeft de notaris te kennen gegeven dat de huidige twee (professionele) hypotheekhouders moeten instemmen met deze verkoop en levering.

3.5.

Op 13 september 2019 heeft ING de notaris bericht dat zij niet akkoord ging met levering middels een Groninger akte. Naar aanleiding van deze weigering heeft de notaris klager en koper laten weten dat de levering op 16 september 2019 niet door kon gaan.

3.6.

Op 3 oktober 2019 heeft de notaris het concept van de koopovereenkomst en de akte van levering met een korte toelichting naar klager en koper (en de boekhoudster in cc) gestuurd.

3.7.

Op 9 oktober 2019 heeft de notaris – naar aanleiding van een inhoudelijke reactie van koper – een aangepast concept van de koopovereenkomst naar klager en koper (en de boekhoudster in cc) gestuurd.

3.8.

Op 10 oktober 2019 heeft de notaris – na hierom te zijn gevraagd in verband met de aanstaande vakantie van koper en het gesprek dat de notaris op 14 oktober 2019 met de boekhoudster zou hebben – aan klager en koper (en de boekhoudster in cc) een verkorte versie van de koopovereenkomst gestuurd, waarin “partijen, het gekochte en de koopprijs zijn vastgelegd en waarin een verwijzing is opgenomen naar de nadere afspraken die reeds in concept zijn opgesteld en nog door u goedgekeurd c.q. aangevuld moeten/kunnen worden, alvorens deze afspraken definitief zijn”. Klager heeft op 11 oktober 2019 en koper op 15 oktober 2019 deze verkorte koopovereenkomst ondertekend. De verkorte koopovereenkomst is op 16 oktober 2019 ingeschreven in de openbare registers als bedoeld in artikel 3:16 van het Burgerlijk Wetboek (Vormerkung).

3.9.

Op 1 november 2019 heeft koper een bericht aan klager gestuurd (met cc aan onder andere de boekhoudster, de notaris en mr. Gyömörei) waarin hij schrijft dat hij na overleg met mr. Gyömörei en zijn boekhouder een aantal van de te leveren woningen in een nieuw op te richten BV wil onderbrengen.

3.10.

Op 7 november 2019 heeft de notaris van koper (met cc aan klager en mr. Gyömörei) een e-mail ontvangen dat de boekhoudster namens klager “een soort terugkoopovereenkomst” zou hebben getekend als gevolg waarvan klager niet (nogmaals) zou kunnen verkopen aan koper.

3.11.

Op 26 november 2019 heeft de notaris aan klager en koper gevraagd wat de stand van zaken is. Op 28 november 2019 heeft koper (met cc aan klager en mr. Gyömörei) geantwoord dat de kwestie nog een tijd in beslag zal nemen, nu de vorige eigenaar nog economisch eigenaar is en klager juridisch eigenaar en dit eerst moet worden rechtgezet voordat er gekocht gaat worden.

3.12.

Op 3 december 2019 heeft de notaris aan klager bericht dat hij een door de derde hypotheeknemer ondertekende royementsvolmacht heeft ontvangen en dat deze bereid is zijn hypotheekrecht op te geven na betaling van een geldbedrag. Klager heeft dit bericht op 4 december 2019 aan mr. Gyömörei doorgestuurd, die vervolgens op 5 december 2019 aan de notaris heeft laten weten dat hij met hem wil overleggen over deze email.

3.13.

Naar aanleiding van een telefonische bespreking heeft de notaris op 20 januari 2020 aan klager en koper de tekst van de door hem opgestelde nadere overeenkomst toegestuurd waarin klager en koper de overige voorwaarden van de tussen hen in oktober 2019 tot stand gekomen koopovereenkomst schriftelijk vastleggen. Ook heeft de notaris in deze e-mail een overzicht van zijn kosten gegeven en aan klager en koper gevraagd welke afspraak zij kunnen maken over deze kosten. Diezelfde dag heeft koper aan de notaris laten weten dat klager de extra kosten betaalt en dat koper zijn vaste tarief betaalt.

3.14.

Op 21 januari 2020 heeft koper en op 22 januari 2020 heeft klager deze nadere overeenkomst ondertekend. In artikel 10 lid 3 van de nadere overeenkomst is onder andere opgenomen dat in geval van verzuim een boete verschuldigd is. In artikel 11 is opgenomen dat klager geen toestemming behoeft van een derde voor het aangaan van de onderhavige transactie.

3.15.

Op 2 februari 2020 heeft de advocaat van klager, mr. Gyömörei, het volgende gemaild aan de notaris (met cc aan klager en koper):

(...) Zoals u bekend is de vastgoedportefeuille eerder verkocht aan [de vorige eigenaar], maar niet geleverd. Er is ook een zogenaamde sleutelovereenkomst getekend, waarvan [de vorige eigenaar] stelt dat daarmee de economische eigendom is overgedragen. Wij hebben daar ten minste tweemaal uitgebreid telefonisch overleg over gehad. U heeft daarop onlangs een overeenkomst rechtstreeks aan [klager] toegestuurd, die hij buiten mij om uiteindelijk heeft getekend. Toen u die overeenkomst aan [klager] toezond wist u van de eerdere verkoop aan [de vorige eigenaar] en de zogenaamde economische eigendomsoverdracht. Ik zal u de koopovereenkomst met [de vorige eigenaar] en de sleutelovereenkomst toezenden.”

3.16.

Op 3 februari 2020 heeft de notaris het volgende geantwoord aan mr. Gyömörei (met cc aan klager en koper):

(...) Bij alle hiervoor door mij verrichte werkzaamheden was mij niet medegedeeld dan wel was mij niet bekend dat er sprake was of kon zijn van een eerdere economische levering. Ik heb zelfs eerdere (door)leveringen die door [klager] hebben plaatsgevonden, gecontroleerd om te vernemen wat nog eigendom was van [klager]. Bij de geraadpleegde akten waarbij panden zijn doorverkocht is niet gesproken over een economische levering aan een derde.

Indien ik bekend was met de economische levering, zou ik [klager] daarop hebben gewezen. Ook zou ik hem bij het begin hebben laten weten dat hij wel kan verkopen maar niet de economische eigendom kan leveren en dat de verkoop aan [koper] waarschijnlijk wanprestatie ten opzichte van de economisch eigenaar op zou leveren. Vervolgens zou ik hem hebben geadviseerd om een advocaat in te schakelen en ik zou mijn diensten hebben moeten weigeren (richting [koper] en [klager]). Het advies om een advocaat in te schakelen is overigens later wel verstrekt (zowel aan [klager] als aan [koper]). De gesprekken die ik met u heb gehad vonden plaats nadat de koopovereenkomst tussen [koper] en [klager] (mondeling) was aangegaan en ook nadat de “korte” koopovereenkomst was getekend en was ingeschreven bij het kadaster. (...)

3.17.

Op 19 februari 2020 heeft de notaris aan koper, klager en mr. Gyömörei meegedeeld dat hij nog steeds niet beschikte over de koop- en sleutelovereenkomst tussen klager en de vorige eigenaar en dat hij derhalve daarover geen oordeel kon geven (indien dat van hem verwacht werd). Op 20 februari 2020 ontving de notaris de (terug)koopovereenkomst van de advocaat van de vorige eigenaar.

3.18.

De notaris heeft voor zijn werkzaamheden in het dossier op 21 februari 2020 een declaratie aan klager gestuurd van € 11.192,50. Op dezelfde dag heeft de notaris op verzoek van klager een specificatie van de declaratie verstrekt.

3.19.

Op 30 april 2020 is klager door koper in gebreke gesteld en in de gelegenheid gesteld om alsnog binnen acht dagen zijn verplichtingen uit de koopovereenkomst na te komen en (de onverdeelde helft in) de registergoederen aan koper te leveren. Bij brief van 4 mei 2020 heeft mr. Gyömörei geantwoord dat klager de nadere overeenkomst van 21/22 januari 2020 vernietigt. Op dezelfde dag heeft mr. Gyömörei aan de notaris bericht:

(…) U was bekend met de koopovereenkomst uit 2017 en de sleutelovereenkomst uit 2017 van [klager] met [de vorige eigenaar], tóch heeft u de betreffende overeenkomst opgesteld. Heeft u [klager] hierover vooraf tijdig schriftelijk geadviseerd en geïnformeerd? Ik zou graag deze schriftelijke adviezen en informatie omgaand per mail van u verkrijgen.”

4 Standpunt van klager

De klacht van klager, zoals geformuleerd onder 12. van het klaagschrift, valt uiteen in de volgende onderdelen:

  1. Klager en koper hebben tegenstrijdige belangen. Koper is een vastgoedhandelaar, klager niet.

  2. De transactie is ongebruikelijk, want de koopprijs in 2019 is nog onder de liquidatiewaarde in 2016.

  3. De notaris adviseert partijen gezamenlijk, maar brengt € 11.192,50 in rekening bij klager.

  4. De notaris had klager naar een advocaat moeten verwijzen.

  5. De adviezen van de notaris zijn niet op schrift gesteld. Dat had de notaris wel moeten doen.

  6. Toen eenmaal duidelijk was dat sprake was van een dubbele verkoop, had de notaris schriftelijk op de consequentie hiervan moeten wijzen.

  7. Mr. Gyömörei trad toen al op voor klager zodat de notaris niet buiten hem om een nadere overeenkomst had moeten opstellen, met een leveringsdatum in het verleden.

  8. De notaris had vooraf schriftelijk moeten waarschuwen voor de consequenties van de aan de notaris en partijen bekende onjuiste mededeling dat er geen verplichtingen jegens een derde waren en de plotse introductie van een boete.

  9. De declaratie was bovenmatig. Onder de gegeven omstandigheden had de notaris niet op deze wijze kunnen declareren.

  10. De notaris heeft de belangen van koper behartigd ten koste van de belangen van klager.

  11. De notaris heeft verzuimd te reageren op diverse vragen van mr. Gyömörei.

5 Beoordeling

5.1.

De kamer heeft de klacht ongegrond verklaard.

Reikwijdte klacht/uitbreiding klacht

5.2.

Voor zover klager in eerste aanleg meer of andere klachtonderdelen heeft willen aanvoeren dan hiervoor onder 4. is weergegeven, heeft hij dat onvoldoende duidelijk kenbaar voor de kamer en de wederpartij tot uitdrukking gebracht. Voor zover klager in hoger beroep zijn klacht heeft willen uitbreiden, geldt op grond van artikel 107 lid 4 van de Wet op het notarisambt (hierna te noemen: Wna) dat het hof een aan hem voorgelegde zaak opnieuw in volle omvang behandelt. Dit betekent dat alleen de klachten die ook in de procedure in eerste aanleg aan de orde zijn geweest in beschouwing worden genomen. De in hoger beroep nieuw geformuleerde klachten zullen daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

Klachtonderdelen 1 en 10 (tegenstrijdige belangen)

5.3.

Evenals de kamer ziet het hof niet in wat de notaris op dit punt verweten kan worden, nu het een gegeven is dat de belangen van partijen bij een koop in beginsel deels tegengesteld zijn. Er was geen sprake van een zodanige onevenwichtigheid tussen klager en koper dat de notaris extra alert had moeten zijn. Het hof acht klachtonderdelen 1 en 10 daarom, evenals de kamer, ongegrond.

Klachtonderdeel 2 (ongebruikelijke transactie)

5.4.

De kamer heeft geoordeeld dat de notaris geen aanleiding had om te concluderen dat de koopprijs te laag of onredelijk was. Het hof ziet geen reden hierover anders te oordelen dan de kamer heeft gedaan. Dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.

Klachtonderdeel 3 (kosten voor rekening van klager) en klachtonderdeel 9 (bovenmatige declaratie)

5.5.

Het is het hof niet gebleken dat de notaris bij deze transactie is opgetreden als partijnotaris, zodat de notaris zowel de belangen van klager als koper behartigde en dus in opdracht van hen beiden handelde. Partijen hebben afgesproken dat de kosten van de koopovereenkomst voor rekening komen van klager. De notaris mocht de kosten dan ook bij klager in rekening brengen, zeker nadat hij bij e-mail van 20 januari 2020 aan partijen had gevraagd welke afspraak zij konden maken over de kosten en zij hierop aan de notaris hebben laten weten dat deze voor rekening van klager kwamen. De feiten en omstandigheden in deze zaak rechtvaardigen niet de conclusie dat de wijze van declareren door de notaris onbetamelijk is. Klager heeft overigens niet voldoende geconcretiseerd waarom de factuur van de notaris volgens hem bovenmatig is. Zowel klachtonderdeel 3 als klachtonderdeel 9 zijn daarom ongegrond.

Klachtonderdeel 4 (verwijzing naar advocaat)

5.6.

Er geldt in het algemeen geen verplichting voor een notaris om een cliënt naar een advocaat te verwijzen. Bovendien maakt de klacht ook niet duidelijk op welk moment de notaris klager had moeten verwijzen naar een advocaat. Ten slotte was aan de notaris sinds november 2019 bekend dat mr. Gyömörei betrokkenheid had bij deze zaak en ook klager adviseerde. Klachtonderdeel 4 is daarom ongegrond.

Klachtonderdeel 5 (Belehrung op schrift)

5.7.

Er geldt in het algemeen geen verplichting om een Belehrung op schrift te stellen. Van bijzondere omstandigheden die dat in dit geval anders maken, is niet gebleken. Bovendien heeft klager onvoldoende duidelijk gesteld welk advies de notaris volgens hem op schrift had moeten stellen, zodat ook klachtonderdeel 5 ongegrond is.

Klachtonderdeel 6 (wijzen op gevolgen van dubbele verkoop)

5.8.

Op 7 november 2019 is de notaris geïnformeerd over het mogelijke bestaan van “een soort terugkoopovereenkomst”. De notaris moest begrijpen dat die “terugkoopovereenkomst” zou kunnen beletten dat klager nogmaals zou kunnen (verkopen en) leveren. Van de notaris mocht worden verwacht dat hij hiernaar nader onderzoek zou doen en dat hij, indien dat onderzoek daar aanleiding toe zou geven, met partijen de gevolgen en risico’s hiervan zou bespreken voor de koop waarvoor hij de verkorte koopovereenkomst had opgesteld. De notaris heeft in zoverre onderzoek gedaan dat hij op 26 november 2019 bij partijen heeft geïnformeerd naar de stand van zaken. Nadat koper op 28 november 2019 had geantwoord dat deze kwestie eerst moest worden rechtgezet, heeft de notaris echter op 20 januari 2020 de tekst van de nadere overeenkomst naar klager en koper gezonden, zonder in de nadere overeenkomst of in de begeleidende e-mail melding te maken van de mogelijke “terugkoopovereenkomst” of van de mededeling van koper dat dit eerst moest worden rechtgezet. Uit niets blijkt dat de notaris zich ervan had vergewist dat dit inmiddels was rechtgezet of dat de risico’s van een dubbele verkoop zich om andere reden niet voordeden. De notaris heeft in dit opzicht tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Klachtonderdeel 6 is gegrond.

Klachtonderdeel 7 (toesturen koopovereenkomst aan advocaat)

5.9.

De notaris zag kennelijk geen aanleiding om de tekst van de overeenkomst op 20 januari 2020 tevens aan mr. Gyömörei toe te sturen. Naar het oordeel van het hof was hij ook niet gehouden om dat te doen. Het is het hof ook niet gebleken dat klager en/of mr. Gyömörei de notaris had(den) gevraagd om mr. Gyömörei – als vertegenwoordiger van klager – in alle correspondentie tussen partijen te betrekken (of om althans de door de notaris opgestelde overeenkomst naar mr. Gyömörei te sturen). Klachtonderdeel 7 is ongegrond.

Klachtonderdeel 8 (waarschuwen voor gevolgen bepalingen in koopovereenkomst)

5.10.

Naar het oordeel van het hof zijn de door klager bedoelde bepalingen (inzake geen verplichtingen jegens een derde en de boeteclausule) gebruikelijke bepalingen in een koopovereenkomst. In eerdere koopovereenkomsten die klager heeft gesloten zijn deze bepalingen ook opgenomen. De inhoud van deze bepalingen kan dus niet “plots” (op initiatief van de notaris of koper) geïntroduceerd zijn bij klager, te meer daar het eerste concept van de koopovereenkomst reeds in oktober 2019 aan klager (en de boekhoudster) is gestuurd. Er rustte op de notaris geen gehoudenheid om klager nog afzonderlijk te waarschuwen voor de gevolgen van deze bepalingen. Ook klachtonderdeel 8 is ongegrond.

Klachtonderdeel 11 (beantwoording van vragen)

5.11.

De kamer heeft geoordeeld dat in de klacht niet voldoende is geconcretiseerd op welke vragen van mr. Gyömörei de notaris verzuimd heeft te reageren. In hoger beroep heeft klager aangevoerd dat mr. Gyömörei onder andere vragen heeft gesteld op 4 mei 2020. Niet is gebleken dat mr. Gyömörei een herinnering aan de notaris heeft gestuurd na het uitblijven van een reactie. Bovendien heeft de notaris alsnog gereageerd op 26 mei 2020, de dag waarop de notaris de klacht van klager ontving. Voorts verwijst klager in zijn beroepschrift naar de in repliek in eerste aanleg gestelde vragen, maar deze vragen vallen buiten de klacht nu deze pas zijn gesteld ná het indienen van de klacht. Het hof is daarom evenals de kamer van oordeel dat klachtonderdeel 11 ongegrond is.

Maatregel

5.12.

De notaris heeft zijn onderzoeks- en informatieplicht jegens klager in verband met de risico’s van een dubbele verkoop (rov. 5.8) geschonden. Het hof acht hier vanwege het laakbare karakter van de handelwijze van de notaris een berisping passend en geboden. De notaris heeft gehandeld in strijd met zijn notariële zorgplicht die is neergelegd in artikel 17 lid 1 Wna; zijn onderzoeks- en informatieplicht vloeit voort uit die zorgplicht. De notariële zorgplicht is een ambtsplicht die de kern vormt van het notarisambt en een wezenskenmerk daarvan is. Een waarschuwing in de zin van een zakelijke terechtwijzing is hier niet op zijn plaats. Er is niet gebleken van omstandigheden die een verderstrekkende maatregel dan een berisping kunnen rechtvaardigen.

5.13.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hof, anders dan de kamer, van oordeel is dat de klacht tegen de notaris deels gegrond is. Het hof zal ten behoeve van de leesbaarheid de bestreden beslissing vernietigen en opnieuw beslissen en de notaris daarbij de maatregel van berisping opleggen.

Kostenveroordeling

5.14.

Per 1 januari 2021 is de Richtlijn kostenveroordeling notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer Gerechtshof Amsterdam 2021 (Staatscourant 2020, nr. 67513) in werking getreden.

5.15.

Omdat de uitspraak van de kamer wordt vernietigd en het hof de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, dient de notaris het door klager aan de kamer betaalde griffierecht van € 50 alsmede het door klager betaalde griffierecht in hoger beroep van € 50 aan hem te vergoeden.

5.16.

Aangezien het hof de notaris ook een maatregel oplegt, wordt de notaris verder veroordeeld in de volgende kosten in eerste aanleg bij de kamer:

a. a) € 50 kosten van klager;

b) € 1.000 kosten van klager in verband met door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

c) € 3.500 kosten van behandeling van de klacht door de kamer,

en in de volgende kosten in hoger beroep:

d) € 50 kosten van klager;

e) € 1.050 kosten van klager in verband met door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

f) € 2.000 kosten van behandeling van de klacht door het hof.

Er zijn geen bijzondere omstandigheden gesteld of gebleken die aanleiding geven tot een andere beslissing.

5.17.

De notaris dient het griffierecht en de kosten van klager aan klager te voldoen. Klager dient hiervoor een rekeningnummer aan de notaris op te geven. Na opgave van dit rekeningnummer dient de notaris binnen vier weken het griffierecht en de kosten van klager te voldoen.

5.18.

De notaris dient de kosten van behandeling van de klacht door de kamer alsmede in hoger beroep te voldoen aan het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (hierna: LDCR). Het LDCR zal de notaris berichten binnen welke termijn en op welke wijze hij de kosten dient te voldoen.

6 Beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden beslissing;

en, opnieuw beslissende:

- verklaart de nieuwe klachtonderdelen niet-ontvankelijk;

- verklaart de klachtonderdelen 1 tot en met 5 en 7 tot en met 11 ongegrond;

- verklaart klachtonderdeel 6 gegrond;

- legt aan de notaris ter zake van klachtonderdeel 6 de maatregel van berisping op;

- veroordeelt de notaris tot betaling aan klager van de aan zijn zijde gevallen kosten in eerste aanleg, bestaande uit € 50 aan griffierecht, € 50 aan kosten klager en € 1.000 aan kosten rechtsbijstand, in totaal € 1.100, binnen vier weken na opgave van het rekeningnummer door klager;

- veroordeelt de notaris tot betaling van € 3.500 aan kosten van behandeling van de klacht in eerste aanleg, te betalen aan het LDCR op de wijze en binnen de termijn als door het LDCR aan de notaris zal worden meegedeeld;

- veroordeelt de notaris tot betaling aan klager van de aan zijn zijde gevallen kosten in hoger beroep, bestaande uit € 50 aan griffierecht, € 50 aan kosten klager en € 1.050 aan kosten rechtsbijstand, in totaal € 1.150, binnen vier weken na opgave van het rekeningnummer door klager;

- veroordeelt de notaris tot betaling van € 2.000 aan kosten van behandeling van de klacht in hoger beroep, te betalen aan het LDCR op de wijze en binnen de termijn als door het LDCR aan de notaris zal worden meegedeeld.

Deze beslissing is gegeven door mrs. J.H. Lieber, G.C.C. Lewin en J.W. van Zaane en in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2021 door de rolraadsheer.