Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:2526

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-08-2021
Datum publicatie
28-10-2021
Zaaknummer
200.270.553/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2019:7350
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Fosfaatrechten. Geïntimeerde is niet verplicht de fosfaatrechten, die aan haar voor het opfokken van jongvee van appellante zijn toegekend, aan appellante over te dragen. Gestelde gebruiksregeling is vanwege strijd met Meststoffenwet op grond van art. 3:40 lid 2 BW nietig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.270.553/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/15/283398 / HA ZA 19-25

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 augustus 2021

inzake

de vennootschap onder firma V.O.F. [X],

gevestigd te [vestigingsplaats] , gemeente […] ,

appellante,

advocaat mr. J.M.M. Menu te Tilburg,

tegen

1 de vennootschap onder firmaFA. [Y] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] , gemeente […] ,

2. [geïntimeerde sub 2],

wonend te [woonplaats] , gemeente […] ,

3. [geïntimeerde sub 3],

wonend te [woonplaats] , gemeente […] ,

4. [geïntimeerde sub 4],

wonend te [woonplaats] ,

5. [geïntimeerde sub 5],

wonend te [woonplaats] ,

6. [geïntimeerde sub 6],

wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

advocaat mr. M.B. Bartelds te Zwolle.

1 Het geding in hoger beroep

Appellante wordt hierna V.O.F. [X] genoemd. Geïntimeerde onder 1 wordt [geïntimeerde sub 1] genoemd, geïntimeerde onder 2 [geïntimeerde sub 2] en geïntimeerden gezamenlijk [geïntimeerden] c.s.

V.O.F. [X] is bij dagvaarding van 26 november 2019 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar, van 28 augustus 2019, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [X] als eiseres in conventie/verweerster in reconventie en [geïntimeerden] c.s. als gedaagden in conventie/eisers in reconventie.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord in principaal appel.

Op 26 maart 2021 is een mondelinge behandeling gehouden, waarbij V.O.F. [X] en [geïntimeerden] c.s. hun standpunten nader uiteen hebben doen zetten, V.O.F. [X] door mr. Menu voornoemd en [geïntimeerden] c.s. door mr. Bartelds-Dikkeschei en mr. A.M. Takkenberg, beiden advocaat te Zwolle. De spreekaantekeningen van mr. Menu enerzijds en mrs. Bartelds-Dikkeschei en Takkenberg anderzijds zijn overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

V.O.F. [X] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, uitvoerbaar bij voorraad, haar vordering alsnog zal toewijzen alsmede [geïntimeerde sub 1] zal veroordelen tot terugbetaling van de door V.O.F. [X] betaalde proceskosten, met wettelijke rente en in de kosten van de procedure in beide instanties, met nakosten en wettelijke rente.

[geïntimeerden] c.s. hebben geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van V.O.F. [X] – uitvoerbaar bij voorraad – in de proceskosten van het hoger beroep.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2 (a. tot en met g.) de feiten opgesomd die zij bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt heeft genomen. Met grief 1 betoogt V.O.F. [X] dat de rechtbank een aantal relevante feiten buiten beschouwing heeft gelaten. De grief faalt omdat het de rechtbank vrijstond slechts die feiten vast te stellen die zij nodig oordeelde om tot haar beslissing te komen. Voor zover de stelling van [geïntimeerden] c.s. dat tussen partijen geen sprake was van een opfokrelatie (zie memorie van antwoord onder 51), uitgelegd moet worden als een incidentele grief, faalt die grief. In het licht van de in eerste aanleg vastgestelde feiten, die het hof overneemt, heeft zij die stelling onvoldoende toegelicht. De juistheid van de door de rechtbank vastgestelde feiten is verder niet in geschil, zodat die feiten ook in hoger beroep vaststaan. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

( i) V.O.F. [X] exploiteert een onderneming gericht op het houden en fokken van

melkrundvee. [geïntimeerde sub 1] exploiteert een onderneming die zich naast het fokken en houden van schapen, vervaardiging van zuivelproducten en de markthandel in voedings- en genotmiddelen, tot februari 2018 ook bezighield met het opfokken van jongvee voor de melkveehouderij.

(ii) [geïntimeerde sub 1] heeft in de periode 2012 tot en met 2017 kalveren en jongvee opgefokt voor onder meer V.O.F. [X] . Tussen partijen was hierover een mondelinge afspraak gemaakt, die in 2017 geëindigd is nadat [geïntimeerde sub 1] aan V.O.F. [X] kenbaar had gemaakt te gaan stoppen met haar melkvee-opfokbedrijf en voortaan schapen te zullen gaan houden en fokken.

(iii) Met ingang van 1 januari 2018 is in Nederland het zogenoemde “fosfaatrechtstelsel” in werking getreden via een wijziging van de Meststoffenwet. Het fosfaatrechtstelsel houdt, kort samengevat, in dat melkveehouders per 1 januari 2018 fosfaatrechten toebedeeld hebben gekregen op basis van het aantal koeien dat op de referentiedatum 2 juli 2015 in het Identificatie & Registratiesysteem van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO) op hun naam stond geregistreerd. Fosfaatrechten worden uitgedrukt in kilogrammen fosfaat. Het aantal geregistreerde fosfaatrechten geeft aan hoeveel dierlijke mest met melkvee geproduceerd mag worden in één kalenderjaar op een bedrijf. Vanaf de inwerkingtreding van het fosfaatrechtstelsel is het een melkveehouder verboden op zijn bedrijf meer mest te produceren dan het aantal fosfaatrechten dat aan zijn bedrijf is toegekend, zo bepaalt art. 21b lid 1 Meststoffenwet. Fosfaatrechten kunnen worden overgedragen en vertegenwoordigen een bepaalde handelswaarde. Voor de overgang van fosfaatrechten naar een ander bedrijf is registratie van de kennisgeving van overgang door de Minister van Economische zaken vereist. Eerst met ingang van het tijdstip van registratie van de kennisgeving, kunnen de fosfaatrechten op het andere bedrijf worden gebruikt; zie art. 28 Meststoffenwet.

(iv) Bij beschikking van de RVO van 12 januari 2018 zijn [geïntimeerde sub 1] 1720 kilogram fosfaatrechten toegekend. Op de referentiedatum 2 juli 2015 stonden in het Identificatie & Registratiesysteem bij de RVO op naam van [geïntimeerde sub 1] 101 stuks melkvee geregistreerd. Van de toegekende fosfaatrechten had 1127 kilogram betrekking op de 70 stuks jongvee die [geïntimeerde sub 1] voor V.O.F. [X] opfokte.

( v) Op 7 november 2017 hebben V.O.F. [X] en [geïntimeerde sub 1] met twee adviseurs van accountantskantoor [naam accountantskantoor] (hierna: [accountantskantoor] ) en [naam persoon] (hierna: [naam persoon] ), gesproken over de wijze waarop [geïntimeerde sub 1] de fosfaatrechten die haar voor het jongvee dat zij voor V.O.F. [X] opfokte zouden worden toegekend, vanaf de inwerkingtreding van het fosfaatrechtstelsel per 1 januari 2018 aan V.O.F. [X] ter beschikking zou stellen.

(vi) Bij een e-mailbericht van 21 maart 2018 van [accountantskantoor] aan (onder meer) V.O.F. [X] en [geïntimeerde sub 1] is een overzicht gevoegd, waarin wordt ingegaan op de verdeling van de fosfaatrechten die aan [geïntimeerde sub 1] vanwege het opfokken van jongvee voor V.O.F. [X] en andere melkveebedrijven zijn toegekend.

Samengevat:

Het totaal aantal fosfaatrechten toegekend aan [geïntimeerde sub 2] is 1720. Hiervan behoort 1127 kg bij het jongvee van V.O.F. [X] . Voor het andere jongvee is 593 kg toegekend.

(…)

[geïntimeerde sub 2] is akkoord met het gebruik van de fosfaatrechten door V.O.F. [X] maar wenst het recht en de zeggenschap van deze fosfaatrechten te behouden.

Dit dient afzonderlijk te worden vastgelegd en kan middels een contract. Dit betekend dat een overeenkomst benodigd is voor de fosfaatrechten die overgedragen worden naar V.O.F. [X] ”.

(vii) Bij e-mail van 28 maart 2018, 22:20 uur, heeft [geïntimeerde sub 2] , voor zover van belang, als volgt aan [accountantskantoor] bericht:

“ [naam persoon 2] en ik hebben het nog eens uitgebreid over de situatie met [naam vennoot] ( [X] , toevoeging hof) gehad. Die rechten moeten over gezet worden dus kunnen wij daar geen eigenaar van blijven. Dit is anders dan we tijdens ons gesprek in november konden weten.

Wij willen voorstellen om 650 rechten aan [naam vennoot] aan te bieden voor ook €165,00/recht, maar dat hij dat bijvoorbeeld in 60 maandelijkse termijnen afbetaalt.

Zelf hebben we nog 60 recht nodig voor kalfjes op [naam onderneming] , blijven er nog 619 over voor onze melkmaatschap [naam melkmaatschap] .”

(viii) Bij sommatiebrief van 17 september 2018 heeft de rechtsbijstandsverzekeraar van V.O.F. [X] [geïntimeerde sub 1] gesommeerd de fosfaatrechten die laatstgenoemde zijn toegekend aan V.O.F. [X] ter beschikking te stellen, omdat partijen afspraken zouden hebben gemaakt over de fosfaatrechten welke afspraken [geïntimeerde sub 1] niet zou nakomen.

3 De beoordeling

3.1

In eerste aanleg heeft V.O.F. [X] gevorderd primair voor recht te verklaren dat V.O.F. [X] op grond van de op 7 november 2017 overeengekomen gebruiksregeling gerechtigd was om vanaf 2018 voor onbepaalde tijd, gratis (om niet) gebruik te maken van de fosfaatrechten die [geïntimeerde sub 1] toegekend heeft gekregen op basis van de 70 stuks jongvee die zij op peildatum 2 juli 2015 ten behoeve van V.O.F. [X] hield, alsmede [geïntimeerde sub 1] te veroordelen tot vergoeding van de schade die V.O.F. [X] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het feit dat [geïntimeerde sub 1] heeft geweigerd om de gebruiksregeling na te komen, nader op te maken bij staat en subsidiair voor recht te verklaren dat V.O.F. [X] uit hoofde de in 2012 met [geïntimeerde sub 1] gesloten opfokovereenkomst ten volle, althans voor een door de rechtbank te bepalen deel, rechthebbende is op de fosfaatrechten die [geïntimeerde sub 1] toegekend heeft gekregen op basis van de 70 stuks jongvee die zij op peildatum 2 juli 2015 ten behoeve van V.O.F. [X] hield, alsmede [geïntimeerde sub 1] te veroordelen tot vergoeding van de schade die V.O.F. [X] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het feit dat [geïntimeerde sub 1] heeft geweigerd die fosfaatrechten aan V.O.F. [X] over te dragen, nader op te maken bij staat.

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis de vorderingen van V.O.F. [X] afgewezen

3.2

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt V.O.F. [X] met vier grieven op.

3.3

Het hof ziet aanleiding eerst grief 3 te behandelen. Met deze grief bestrijdt V.O.F. [X] het oordeel van de rechtbank dat de subsidiaire vorderingen van V.O.F. [X] moeten worden afgewezen, omdat geen grondslag aanwijsbaar is voor een aanspraak van V.O.F. [X] op de aan [geïntimeerde sub 1] toegekende fosfaatrechten.

3.4

V.O.F. [X] legt aan haar subsidiaire vorderingen – kort gezegd – ten grondslag dat uit de inhoud en strekking van de tussen partijen gesloten opfokovereenkomst en de tussen partijen aangegane veterinaire eenheid volgt dat [geïntimeerde sub 1] verplicht is de fosfaatrechten die aan haar zijn toegekend voor de 70 stuks jongvee die zij voor V.O.F. [X] opfokte, (gedeeltelijk) aan V.O.F. [X] over te dragen. Onder verwijzing naar het arrest van de pachtkamer van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 26 maart 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:2544) betoogt V.O.F. [X] dat zij een meer dan substantiële bijdrage heeft geleverd aan de fosfaatrechten die aan [geïntimeerde sub 1] zijn toegekend. Zonder de 70 stuks jongvee van V.O.F. [X] had [geïntimeerde sub 1] de opfok niet kunnen verzorgen en zou [geïntimeerde sub 1] geen fosfaatrechten hebben ontvangen. Indien V.O.F. [X] het opgefokte jongvee/de zwangere vaarzen niet voor de melkproductie zou hebben ingezet, zouden evenmin fosfaatrechten aan [geïntimeerde sub 1] zijn toegekend. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat [geïntimeerde sub 1] weliswaar ook een bijdrage heeft geleverd in de vorm van het verrichten van de opfokwerkzaamheden, maar daarvoor heeft zij van V.O.F. [X] een opfokvergoeding ontvangen. Indien [geïntimeerde sub 1] bovenop de reeds door haar ontvangen opfokvergoeding de aan haar toegekende fosfaatrechten ten volle mag behouden, wordt zij in hun onderlinge rechtsverhouding onevenredig bevoordeeld.

In vergelijking met pachtsituaties moet aan de door V.O.F. [X] aan [geïntimeerde sub 1] geleverd bijdrage (veel) meer betekenis worden toegekend dan aan de terbeschikkingstelling van grond en/of gebouwen door een verpachter aan een pachter. Nog meer dan in pachtsituaties is er derhalve alle aanleiding om V.O.F. [X] aan te merken als de civielrechtelijke rechthebbende, althans de civielrechtelijke mederechthebbende op de fosfaatrechten. Zulks geldt temeer omdat de opfokovereenkomst op initiatief van [geïntimeerde sub 1] is geëindigd. Waar aan [geïntimeerde sub 1] fosfaatrechten voor 70 stuks jongvee zijn toegekend, kwam V.O.F. [X] deze hoeveelheid met ingang van 1 januari 2018 tekort, aldus nog steeds V.O.F. [X] .

3.5

In het door V.O.F. [X] aangehaalde arrest heeft de pachtkamer geoordeeld dat er in beginsel geen reden is voor de pachter om de fosfaatrechten over te dragen aan de verpachter. Alleen in het geval de verpachter langdurig bedrijfsmiddelen (gebouwen en/of grond) aan de pachter ter beschikking heeft gesteld die voor het bedrijf van de pachter van overwegend belang zijn om zijn bedrijf te kunnen exploiteren heeft de verpachter aanspraak op fosfaatrechten. De rechtvaardiging hiervoor bestaat uit drie samenhangende redenen. De verpachter heeft langdurig (ten minste twaalf jaar) bedrijfsmiddelen aan de pachter ter beschikking gesteld waarop de pachter zijn bedrijfsvoering heeft kunnen baseren. Die bedrijfsmiddelen hebben in belangrijke mate bijgedragen aan de omvang van de veestapel en daarmee aan de fosfaatrechten die aan de pachter zijn toegekend. De bedrijfsmiddelen zijn na het einde van de pachtovereenkomst potentieel minder goed te exploiteren voor de verpachter, indien de pachter deze zonder fosfaatrechten oplevert (zie rov. 3.14 van het arrest).

3.6

Anders dan V.O.F. [X] betoogt is de mondelinge opfokovereenkomst die V.O.F. [X] en [geïntimeerde sub 1] hebben gesloten naar aard en strekking niet vergelijkbaar met een pachtovereenkomst op basis waarvan de verpachter langdurig grond en/of gebouwen aan de pachter ter beschikking stelt die in belangrijke mate hebben bijgedragen aan de omvang van de veestapel. Wat betreft de stelling van V.O.F. [X] dat de aard van de opfokovereenkomst en de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat (een deel van) de aan [geïntimeerde sub 1] als houder van de 70 stuks jongvee toegekende fosfaatrechten aan V.O.F. [X] toekomen, geldt het volgende. V.O.F. [X] ziet eraan voorbij dat indien zij zelf de 70 stuks jongvee zou hebben moeten opfokken, zij minder melkkoeien zou hebben kunnen huisvesten. Aan haar zouden in die situatie minder fosfaatrechten zijn toegekend dan in de situatie die zij in onderhavige procedure bepleit, namelijk de fosfaatrechten voor het aantal melkkoeien dat zij op 2 juli 2015 huisvestte én (een deel van) de fosfaatrechten voor de 70 stuks jongvee die [geïntimeerde sub 1] op 2 juli 2015 voor haar opfokte. Zij zou in die hypothetische situatie ook minder melkopbrengst hebben gehad. Verder gaat V.O.F. [X] eraan voorbij dat [geïntimeerde sub 1] het jongvee in haar stallen huisvestte, voederde en verzorgde, de mest op haar grond afvoerde, de kosten van de dierenarts betaalde en het risico van overlijden liep. In het licht daarvan valt niet in te zien dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid als bedoeld in art. 6:248 lid 1 BW zou voortvloeien dat [geïntimeerde sub 1] de fosfaatrechten geheel of gedeeltelijk aan V.O.F. [X] zou moeten overdragen. Bovendien heeft V.O.F. [X] haar stelling op dit punt noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep (voldoende) uitgewerkt, zodat het hof daaraan ook als onvoldoende toegelicht voorbij gaat.

3.7

Zoals blijkt uit de wetsgeschiedenis in verband met de invoering van fosfaatrechten (Kamerstukken II 2015-2016, 34 532, nr. 3, p. 16 en 19) komen de rechten toe aan bedrijven die op peildatum 2 juli 2015 melkvee (waaronder jongvee) houden, waarbij het bij “het houden van dieren” gaat om het feitelijke houderschap en van ondergeschikt belang is of de houder ook eigenaar van de dieren is. Voor zover V.O.F. [X] haar gerechtigdheid tot de fosfaatrechten baseert op haar stelling dat zij eigenaar van het jongvee was, hetgeen [geïntimeerde sub 1] overigens gemotiveerd betwist, miskent zij dat de fosfaatrechten aan de houder van het jongvee worden toegekend en dat de fosfaatproductie bij de houder plaatsvindt; zie ook het arrest van hof Den Haag van 26 januari 2021 (ECLI:NL:GHSHE:2021:191) en van hof Arnhem-Leeuwaren van 6 april 2021 (ECLI:NL:GHARL 2021:3286).

3.8

Uit het vorenstaande volgt dat V.O.F. [X] vanuit civielrechtelijk oogpunt niet als de rechthebbende van de fosfaatrechten kan worden aangemerkt. De grief faalt.

3.9

Grief 2 strekt ten betoge dat de rechtbank in rov. 4.1 tot en met 4.3 van het bestreden vonnis ten onrechte heeft geoordeeld dat V.O.F. [X] onvoldoende heeft gesteld om ervan uit te kunnen gaan dat de door haar gestelde gebruiksregeling op 7 november 2017 tot stand is gekomen, waarop haar primaire vordering is gebaseerd.

3.10

Op grond van de mondeling overeengekomen gebruiksregeling was V.O.F. [X] , zo stelt zij, gerechtigd om vanaf 2018 voor onbepaalde tijd, zolang zij een melkveebedrijf exploiteerde, gratis gebruik te maken van de fosfaatrechten die [geïntimeerde sub 1] toegekend zou krijgen op basis van de 70 stuks jongvee die zij op peildatum 2 juli 2015 ten behoeve van V.O.F. [X] hield.

3.11

[geïntimeerde sub 1] betwist dat zij een gebruiksregeling als door V.O.F. [X] gesteld, met haar is overeengekomen. Bovendien heeft zij steeds tegen V.O.F. [X] gezegd dat de fosfaatrechten op haar naam moesten blijven staan en dat zij er dus geen afstand van wilde doen. Dat [geïntimeerde sub 1] dat voorbehoud heeft gemaakt, volgt ook uit het onder 2(vi) weergegeven e-mailbericht van 21 maart 2018 van [accountantskantoor] aan (onder meer) V.O.F. [X] . Daarin schrijft [accountantskantoor] : “[geïntimeerde sub 2] is akkoord met het gebruik van de fosfaatrechten door V.O.F. [X] maar wenst het recht en de zeggenschap van deze fosfaatrechten te behouden. Dit dient afzonderlijk te worden vastgelegd en kan middels een contract. Dit betekend dat een overeenkomst benodigd is voor de fosfaatrechten die overgedragen worden naar V.O.F. [X] ”.

Bij e-mailbericht van 28 maart 2018 (zie 2(vii)) heeft [geïntimeerde sub 2] als volgt aan [accountantskantoor] bericht: [naam persoon 2] en ik hebben het nog eens uitgebreid over de situatie met [naam vennoot] ( [X] , toevoeging hof) gehad. Die rechten moeten over gezet worden dus kunnen wij daar geen eigenaar van blijven. Dit is anders dan we tijdens ons gesprek in november konden weten.”

3.12

Met ingang van 1 januari 2018 is in Nederland, via een wijziging van de Meststoffenwet, het zogeheten ‘fosfaatrechtstelsel’ in werking gereden (zie ook 2(iii)). Vanaf de inwerkingtreding van dat stelsel mag alleen degene aan wie fosfaatrechten zijn toegekend of aan wie fosfaatrechten zijn overgedragen, deze gebruiken. Het gebruiken van fosfaatrechten van een ander zonder dat deze aan de gebruiker, in dit geval V.O.F. [X] , zijn overgedragen en de kennisgeving van overgang door de Minister is geregistreerd is op grond van de Meststoffenwet niet toegestaan, zo volgt uit het bepaalde in art. 21b lid 1 en art. 28 Meststoffenwet.

3.13

Daaruit volgt dat, voor zover mocht komen vast te staan dat [geïntimeerde sub 1] de gestelde gebruiksregeling met V.O.F. [X] is overeengekomen, deze als zodanig in strijd is met de Meststoffenwet, hetgeen op grond van het bepaalde in art. 3:40 lid 2 BW leidt tot nietigheid van die gebruiksregeling. De in het artikellid genoemde uitzondering is hier niet van toepassing. Het fosfaatrechtstelsel zoals vastgelegd in de Meststoffenwet dient immers uitsluitend het algemeen belang (zie Kamerstukken II 2018/19, 35 208, nr. 3, p. 6-7); centraal staat de beheersing van de productie van dierlijke mest (zie Kamerstukken 2015/16, 34 532, nr. 3, p. 1).

Voor zover uit het betoog van V.O.F. [X] begrepen moet worden dat de gebruiksregeling meebrengt dat [geïntimeerde sub 1] verplicht is de fosfaatrechten om niet aan haar over te dragen, faalt dat betoog. In het in gebruik geven van de fosfaatrechten ligt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet de (verdergaande) verplichting tot overdracht van de fosfaatrechten aan V.O.F. [X] besloten. Bovendien staat vast dat [geïntimeerde sub 1] steeds uitdrukkelijk het voorbehoud heeft gemaakt, dat zij het recht en de zeggenschap van de fosfaatrechten wenste te behouden; zij wenste ‘eigenaar’ van de fosfaatrechten te blijven. Met een overeenkomst als door [accountantskantoor] voorgesteld om, zo begrijpt het hof, voor zover mogelijk, de juridische gevolgen van de overdracht van de fosfaatrechten van [geïntimeerde sub 1] aan V.O.F. [X] te ondervangen, hoefde [geïntimeerde sub 1] dan ook niet akkoord te gaan.

3.14

De conclusie is dat, ook als zou de gestelde gebruiksregeling komen vast te staan, de primair gevorderde verklaring voor recht niet kan worden toegewezen.

3.15

Grief 4 mist zelfstandige betekenis en deelt het lot van de voorgaande grieven.

Slotsom

3.16

Uit het voorgaande volgt dat de grieven falen en dat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd. V.O.F. [X] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtig het bestreden vonnis;

veroordeelt V.O.F. [X] in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerden] c.s. gevallen en begroot die kosten op € 741 aan verschotten en € 3.342 voor salaris;

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W.M Tromp, M.P. van Achterberg en C.M. Stokkermans, en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2021.