Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:2511

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-08-2021
Datum publicatie
17-08-2021
Zaaknummer
23-001129-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling bedreiging door in de coronapandemie in de mond van een agent te spugen. Bij het slachtoffer kon redelijke vrees ontstaan zwaar lichamelijk letsel op te lopen. Opzet bewezen nu verdachte verklaarde dat hij bekend was met de coronasituatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001129-20

datum uitspraak: 11 augustus 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 18 mei 2020 in de strafzaak onder parketnummer 13-126516-20 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1996,

adres: [adres],

thans uit anderen hoofde gedetineerd in PI Vught - Nieuw Vosseveld 2 LAA te Vught.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 juli 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het openbaar ministerie heeft bij akte van 22 mei 2020 beperkt hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis, namelijk enkel voor zover dit ziet op het onder 1 tenlastegelegde.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de (waarnemend) raadsvrouw naar voren is gebracht.

Omvang van het hoger beroep

Nu het hoger beroep beperkt is ingesteld, heeft het hof enkel te oordelen over feit 1. De beslissingen omtrent de feiten 2, 3 en 4 zijn thans niet meer aan de orde.

Met betrekking tot de straf ten aanzien van het door de politierechter onder 2, 3 en 4 bewezenverklaarde zal het hof toepassing gegeven aan artikel 423, lid 4, van het Wetboek van Strafvordering.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover nog aan de orde in hoger beroep – ten laste gelegd dat:

1. primair
hij, op of omstreeks 9 mei 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ambtenaar, [benadeelde], gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [benadeelde] in zijn mond en/of in/op zijn gezicht en/of in zijn nek heeft gespuugd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1. subsidiair
hij, op of omstreeks 9 mei 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [benadeelde] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [benadeelde] in zijn mond en/of in/op zijn gezicht en/of in zijn nek te spugen;

1. meer subsidiair
hij, op of omstreeks 9 mei 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk een ambtenaar, te weten [benadeelde], inspecteur en/of hulpofficier van justitie van de politie Eenheid Amsterdam, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door die [benadeelde] in zijn mond en/of in/op zijn gezicht en/of in zijn nek te spugen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde komt dan de politierechter.

Vrijspraak van het onder 1 primair tenlastegelegde

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Nu de advocaat-generaal dit ook heeft gevorderd, terwijl dit eveneens is bepleit door de raadsvrouw, wordt dit oordeel niet nader gemotiveerd.

Bewijsoverweging ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld voor de onder 1 subsidiair tenlastegelegde bedreiging. Door midden in de coronapandemie in de mond te worden gespuugd kon bij het slachtoffer redelijkerwijs de vrees ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Dit geldt te meer gelet op de lichamelijke toestand van het slachtoffer: hij heeft verklaard te lijden aan hartfalen en diabetes.

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht de beslissing van de rechtbank ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde, te weten veroordeling ter zake van de onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde belediging, te bevestigen. Zij heeft hiertoe – samengevat – het volgende aangevoerd. Primair stelt de raadsvrouw dat de onder 1 tenlastegelegde gedraging niet kwalificeert als bedreiging nu bij de aangever geen redelijke vrees heeft kunnen ontstaan door de gedraging van de verdachte te komen overlijden dan wel zwaar lichamelijk letsel op te lopen. Subsidiair stelt zij dat uit het dossier niet blijkt dat de verdachte opzet heeft gehad. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de verdachte zich mogelijk niet bewust was van het coronavirus en zodoende niet de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij redelijke vrees bij de aangever zou veroorzaken.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof neemt op basis van de inhoud van het dossier als vaststaand aan dat de verdachte onder andere in de mond van het slachtoffer, een agent, heeft gespuugd. Ook neemt het hof als vaststaand aan dat ten tijde van het ten laste gelegde sprake was van een coronapandemie, waarin talloze mensen werden besmet met het coronavirus, van wie velen ten gevolge daarvan zeer ernstig en langdurig ziek werden en er mensen niet zelden kwamen te overlijden.

Voor zover de raadsvrouw heeft betoogd dat op basis van statistische gegevens over de risico’s die gepaard gaan met het coronavirus bij het slachtoffer geen redelijke vrees kon ontstaan te overlijden dan wel zwaar lichamelijk letsel op te lopen, volgt het hof haar niet. De gegevens die de raadsvrouw ter terechtzitting heeft aangedragen doen niet af aan het feit dat in redelijkheid de vrees bij het slachtoffer kon ontstaan op zijn minst zwaar lichamelijk letsel op te lopen.

Ten aanzien van het verweer dat de verdachte geen opzet heeft gehad op de bedreiging overweegt het hof het volgende. Nu de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij ten tijde van de tenlastegelegde gedraging, kort gezegd, bekend was met de coronasituatie kan het niet anders zijn dan dat hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat bij iemand de redelijke vrees kon ontstaan op zijn minst zwaar lichamelijk letsel op te lopen door diegene in het gezicht en in de mond te bespugen.

De verweren worden gelet op het hiervoor overwogene verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. subsidiair
hij op 9 mei 2020 te Amsterdam [benadeelde] heeft bedreigd met zware mishandeling, door die [benadeelde] in zijn mond en op zijn gezicht en in zijn nek te spugen.

Hetgeen onder 1 subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 (subsidiair) bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 (subsidiair) bewezenverklaarde levert op:

bedreiging met zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 (subsidiair) bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 meer subsidiair, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft, naar het hof begrijpt, gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 weken.

De raadsvrouw van de verdachte heeft verzocht om, ook bij een andere bewezenverklaring dan in eerste aanleg, een straf op te leggen die gelijk is aan de in eerste aanleg opgelegde straf.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met zware mishandeling van een verbalisant door hem te bespugen in gezicht en mond. Het is onacceptabel dat iemand in een tijd waarin de samenleving zwaar onder druk staat door een heersende corona-pandemie dergelijk bedreigend en ondermijnend gedrag ten toon spreidt. De maatschappij als geheel, en met name de beroepsgroep belast met de handhaving van de openbare orde en de zorg voor ingeslotenen, verdient bescherming tegen dergelijk gedrag. Een forse straf is op zijn plaats. Het hof acht een andere straf dan een gevangenisstraf, gelet op de ernst van het feit bezien in het licht van de omstandigheden waaronder het werd gepleegd, niet aan de orde.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 19 juli 2021 is hij eerder, in 2019, ter zake van strafbare feiten onherroepelijk veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van vijf weken, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.

Ten aanzien van de feiten 2, 3 en 4: toepassing van artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering

Nu het hoger beroep slechts is gericht tegen het onder 1 tenlastegelegde zal het hof overeenkomstig het bepaalde in het vierde lid van artikel 423 van het Wetboek van Strafvordering de straf ten aanzien van het door de politierechter onder 2, 3 en 4 bewezenverklaarde bepalen.

Het onder 2, 3 en 4 bewezenverklaarde betreft, kort gezegd, wederspannigheid en vernieling.

Het hof zal de straf ter zake van de genoemde bewezenverklaarde feiten bepalen op een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 500,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 150,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat de vordering van de benadeelde partij moet worden toegewezen tot een bedrag van € 400,00.

De raadsvrouw heeft primair verzocht de beslissing van de politierechter ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij te bevestigen. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de vordering te matigen tot een bedrag van € 350,00.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 (subsidiair) bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot na te melden bedrag.

Het hof overweegt daartoe het volgende.

Bij delicten zoals de onderhavige, die geen direct lichamelijk letsel ten gevolge hebben gehad, dient te worden bezien of sprake is van aantasting in eer en goede naam of aantasting van de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 onder b van het Burgerlijk Wetboek. Voor een aantasting van de persoon op andere wijze is enkel psychisch onbehagen of zichzelf gekwetst voelen niet voldoende. De benadeelde dient voldoende concrete gegevens aan te voeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval een psychische beschadiging is ontstaan, waarbij naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel had kunnen worden vastgesteld. Het hof is van oordeel dat hieraan in deze zaak, mede gelet op het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, is voldaan.

De verdachte heeft de benadeelde partij in een tijd waarin de coronapandemie in alle hevigheid gaande was van dichtbij bespuugd, waarbij zijn spuug onder andere in de mond van de benadeelde partij terecht is gekomen. De benadeelde partij heeft gesteld dat hij daardoor erg bang is geweest voor een besmetting met ernstige fysieke gevolgen voor hemzelf, te meer nu hij in een risicogroep voor Covid-19 (‘corona’) valt, en degenen met wie hij samenwoont.

Het hof acht de verzochte schadevergoeding, mede gezien de aard en ernst van de normschending in deze periode waarin besmetting met het coronavirus wereldwijd tot ernstige gevolgen leidt, billijk tot een bedrag van € 400,00 en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 63 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 (subsidiair) bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte ter zake van het onder 1 (subsidiair) bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) weken.

Bepaalt de door de rechtbank opgelegde straf voor het onder 2, 3 en 4 bewezenverklaarde op:

een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) weken.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde en de door het hof bepaalde, in eerste aanleg opgelegde, gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], ter zake van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 8 (acht) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 9 mei 2020.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.W.P. van Heusden, mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen en mr. B.A.A. Postma, in tegenwoordigheid van mr. S. Abelsma, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 augustus 2021.

mr. J.W.P. van Heusden en mr. B.A.A. Postma zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.