Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:2447

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-08-2021
Datum publicatie
13-08-2021
Zaaknummer
23-002462-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zich als feitelijk leidinggever schuldig maken aan het meermalen plegen van het opzettelijk niet doen van aangiften accijns en het opzettelijk voorhanden hebben van accijnsgoederen die niet op juiste wijze in de heffing zijn betrokken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 17-8-2021
FutD 2021-2640
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-002462-19

Datum uitspraak: 10 augustus 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 18 juni 2019 in de strafzaak onder parketnummer 15-996508-14 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1977,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

29 juni 2021 en 27 juli 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
[bedrijf 1] op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 29 januari 2011

(D-499 en D-520a) tot en met 8 april 2011(D-038 t/m D-040), te Badhoevedorp, gemeente Haarlemmermeer en/of te Amsterdam en/of Heerlen en/of elders in Nederland, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) inzake de accijns niet of niet binnen de door de Wet op de accijns gestelde termijn heeft gedaan (zie D-089 bijlagen 1 en 2), terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

2
2. primair
hij, al dan niet handelend onder de naam [bedrijf 2], op een of meer tijdstippen in de periode van 21 januari 2011(D-520a, AL100177) tot en met 10 maart 2011 (D-507, AL100215) te Badhoevedorp, gemeente Haarlemmermeer en/of te Amsterdam, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een of meer accijnsgoed(eren), te weten alcoholhoudende producten (D-089 bijlage 1), voorhanden heeft gehad die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing was/waren betrokken;

2 subsidiair
[bedrijf 1] op een of meer tijdstippen in de periode van 21 januari 2011 (D-520a, AL100177) tot en met 10 maart 2011(D-507, AL100215) te Badhoevedorp, gemeente Haarlemmermeer en/of te Amsterdam, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een of meer accijnsgoed(eren), te weten alcoholhoudende producten

(D-089 bijlage 1), voorhanden heeft gehad die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing was/waren betrokken, tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Inleiding

Uit een door de douane ingestelde administratieve controle bij de onderneming [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1]) is gebleken dat [bedrijf 1] geen accijnsaangiften heeft gedaan voor de door haar ontvangen accijnsgoederen.1 Alhoewel sprake is van een grootschalige handel in alcoholhoudende dranken en aanwijzingen bestaan dat meer zendingen niet op de juiste wijze in de heffing zijn betrokken, richt dit onderzoek zich specifiek op achttien zendingen bier uit Frankrijk en acht zendingen gedistilleerde dranken uit België. 2

[bedrijf 1] is een door de medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]) opgerichte commanditaire vennootschap die zich bezighield met de administratieve kant van de import en export van alcoholhoudende dranken en waarvan [medeverdachte] enig vennoot was.3 De douane heeft op 18 november 2010 aan [bedrijf 1] een vergunning ‘geregistreerd geadresseerde’ toegekend. [bedrijf 1] mocht met deze vergunning accijnsgoederen (overige alcoholhoudende producten) vanuit andere lidstaten van de Europese Unie invoeren onder schorsing van accijns. Dit houdt in dat [bedrijf 1] verplicht was om weekaangifte accijns te doen na ontvangst van de accijnsgoederen.4 Indien een dergelijke vergunning ontbreekt, dient men dagaangifte te doen. Op 5 januari 2011 is de vergunning uitgebreid, zodat [bedrijf 1] ook bier mocht ontvangen onder schorsing van accijns.5

Op verzoek van [medeverdachte] heeft een controlebezoek op 18 mei 2011 niet plaats gevonden op het bedrijfsadres van [bedrijf 1], maar bij [bedrijf 2] (hierna [bedrijf 2]), een onderneming van de verdachte. De verdachte was aanwezig bij het controlebezoek, [medeverdachte] niet.6 [bedrijf 2] is de naam van een onderneming, die de verdachte als eenmanszaak en in verschillende rechtsvormen heeft gedreven. Al voorafgaand aan de samenwerking met [medeverdachte] hield de verdachte zich op naam van [bedrijf 2] bezig met de import en export van drank. [bedrijf 2] had per 20 januari 2010 een vergunning ‘geregistreerde geadresseerde’, die in datzelfde jaar, te weten op 24 november 2010, is ingetrokken.7

Het nadeel van de niet aangegeven accijns in Nederland, met betrekking tot de ten laste gelegde feiten bedraagt in totaal € 243.452.8

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte niet als feitelijk leidinggever aan de verweten gedragingen kan worden beschouwd en de verdachte niet wist dat hij onveraccijnsde drank onder zich had. [bedrijf 1] droeg als vergunninghouder de verantwoordelijkheid om de aangiften accijns te verzorgen. De verdachte had een transportbedrijf, [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2]), dat vervoer van de zendingen drank regelde. De verdachte hield zich op geen enkele manier bezig met de aangiften accijns en betwist dat hij medeverdachte [medeverdachte] opdracht zou hebben gegeven om geen aangiften accijns te doen. De mogelijkheid dat [medeverdachte] zijn eigen rol klein probeert te maken door de schuld op de verdachte af te schuiven is reëel. Daarnaast heeft de verdachte geen opzet gehad op het voorhanden hebben van onveraccijnsde goederen, aangezien hij niets afwist van de aan de vergunning gestelde beperkingen.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal acht het onder 1 en het onder 2 primair ten laste gelegde bewezen.

Beoordeling hof

Vrijspraak feit 2 primair

Onder feit 2 is, kort samengevat, ten laste gelegd dat de verdachte, al dan niet handelend onder de naam [bedrijf 2], in de periode van 21 januari 2011 tot en met 10 maart 2011 samen met een ander of anderen opzettelijk accijnsgoederen, voorhanden heeft gehad die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing waren betrokken. Op de documenten 507 (administratief geleidedocument) en D 520a (vrachtbrief), waarnaar in de tenlastelegging wordt verwezen, is als geadresseerde voor goederen [bedrijf 1], Badhoevedorp vermeld. Uit deze documenten moet worden afgeleid dat tegenover de belastingdienst en de vervoerder de indruk is gewekt dat deze goederen waren bestemd voor [bedrijf 1]. Het hof zal de verdachte daarom vrijspreken van het onder feit 2 primair ten laste gelegde.

Partiële vrijspraak medeplegen feit 2 subsidiair

Het hof zal niet bewezen verklaren dat [bedrijf 1] de onveraccijnsde goederen tezamen en in vereniging met anderen voorhanden heeft gehad. Daarvoor is onvoldoende bewijs.

Feit 1 en feit 2 subsidiair

Het hof stelt voorop dat vastgesteld dient te worden of de rechtspersoon een strafbaar feit heeft begaan en of de verdachte aan die gedraging feitelijk leiding heeft gegeven. Bij toerekening van een strafbaar feit aan de rechtspersoon is een belangrijk oriëntatiepunt of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon, bijvoorbeeld in het geval de gedraging past in de normale bedrijfsvoering of taakuitoefening van de rechtspersoon. Van belang is dat feitelijk leidinggeven vaak zal bestaan uit actief en effectief gedrag dat onmiskenbaar binnen de gewone betekenis van het begrip valt. Van feitelijk leidinggeven kan voorts sprake zijn indien de verdachte een zodanige bijdrage levert aan een complex van gedragingen dat heeft geleid tot de verboden gedraging en het daarbij nemen van een zodanig initiatief dat de verdachte geacht moet worden aan die verboden gedraging feitelijk leiding te hebben gegeven dan wel indien de verboden gedraging het onvermijdelijke gevolg is van het algemene, door de verdachte gevoerde beleid. Onder omstandigheden kan ook een meer passieve rol tot het oordeel leiden dat een verboden gedraging daardoor zodanig is bevorderd dat van feitelijke leidinggeven kan worden gesproken. Dat kan in het bijzonder het geval zijn bij de verdachte die bevoegd en redelijkerwijs gehouden is maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van verboden gedragingen en die zulke maatregelen achterwege laat.

Strafbaar handelen [bedrijf 1]

Uit het hiervoor overwogene blijkt dat de vergunning ‘geregistreerd geadresseerde’ aan [bedrijf 1] is verstrekt. Op de zogenoemde administratief geleidedocumenten van deze goederen staat telkens [bedrijf 1] als geadresseerde vermeld.9 was op grond van de vergunning als enige gerechtigd om de goederen te ontvangen.10 Het was dan ook [bedrijf 1] die gehouden was de aangiften accijns te doen11 – een taak die bij uitstek binnen de normale bedrijfsvoering van [bedrijf 1] viel – en dat opzettelijk heeft nagelaten. Dit opzet volgt uit wat hierna is opgenomen over de gedragingen van de verdachte, die aan [bedrijf 1] worden toegerekend. [bedrijf 1] heeft daardoor tevens accijnsgoederen voorhanden gehad terwijl deze niet in de heffing van accijns waren betrokken. De verweten gedragingen vallen in de sfeer van de rechtspersoon en kunnen aan [bedrijf 1] worden toegerekend.

Feitelijk leidinggeven aan de onder 1 en onder 2 primair verweten gedragingen

De verdachte regelde op naam van [bedrijf 1] de inkoop en verkoop van bier en de gedestilleerde dranken.12 De bestellingen van de ten laste gelegde zendingen werden telkens gedaan op naam van [bedrijf 1] en [bedrijf 1] werd telkens als geadresseerde op de vrachtbrieven vermeld.13 Daarnaast verzorgde de verdachte het transport van de dranken.14 Verschillende vervoerders van de zendingen hebben verklaard dat de verdachte hen instructies gaf over het vervoer van de dranken uit België. De goederen werden ook wel eens afgeleverd bij de loods van de verdachte, gelegen aan de [adres 2] in Amsterdam.15

Een vervoerder van een zending uit België heeft verklaard dat [bedrijf 1] gelijk stond aan de verdachte en dat de verdachte zich voorstelde als directeur/eigenaar van [bedrijf 1].16 Een andere vervoerder heeft verklaard dat de verdachte bij [bedrijf 1] hoorde.17 Een vervoerder heeft verklaard dat hij weleens sterke drank heeft geladen in opdracht van [bedrijf 1] en dat hij die opdracht dan kreeg van de verdachte en dat de verdachte bij het lossen altijd aanwezig was.18 De verdachte was degene die aanwezig was bij de administratieve controle van [bedrijf 1] door de douane die plaatsvond op het bedrijfsadres van [bedrijf 2] aan de [adres 2] in Amsterdam.19 De verdachte reed destijds in een leaseauto en had een telefoonabonnement, beide op naam van [bedrijf 1].20 De medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij documenten opmaakte en daarvoor instructie kreeg van de verdachte.21 [medeverdachte] meldde de vrachtwagens die voor de deur stonden af en de verdachte instrueerde hem hoe hij de vervoer geleide documenten naar Heerlen moest sturen om aan te tonen dat het bier in Nederland was.22

De inspecteur van de douane, [naam 1], heeft verklaard dat hij eerder bij [bedrijf 2] een administratieve controle had verricht in verband met het beëindigen van de vergunning van [bedrijf 2] en dat bij [bedrijf 2] sprake was van een grote belastingschuld.23 De verdachte kon via [bedrijf 2] zelf geen bankrekening meer openen en geen vergunning meer krijgen, waardoor hij de handel in dranken niet voort kon zetten met gebruikmaking van de schorsingsvergunning. Vervolgens heeft hij zijn handel in dranken voortgezet met gebruikmaking van de vergunning die was afgegeven aan [bedrijf 1].

De verdachte wist – gelet op zijn eigen ervaring als vergunninghouder – welke verplichtingen verbonden waren aan een schorsingsvergunning. Er waren grote bedragen gemoeid met de bestellingen en leveringen van drank in naam van [bedrijf 1] en de verdachte wist dat aanzienlijke bedragen aan accijns op aangifte afgedragen moesten worden binnen de in de vergunning gestelde termijn. De verdachte wist ook dat [bedrijf 1] niet de middelen had om de verschuldigde accijnsbedragen te voldoen. De verdachte regelde en ontving namelijk de betalingen voor de in- en verkoop van de drank en dit verliep niet via de bankrekening van [bedrijf 1]. Volgens zijn verklaring zou dit veelal contant gebeurd zijn.24 De verdachte wist dus dat [bedrijf 1] geen financiële middelen had om de verschuldigde accijns af te dragen en dat [bedrijf 1] daardoor goederen voorhanden had waarover geen accijns was voldaan. Hij heeft [bedrijf 1] ook niet in staat gesteld de verschuldigde accijns te voldoen.

Uit het voorgaande volgt dat de verdachte gebruik maakte van de aan [bedrijf 1] afgegeven vergunning door te handelen alsof [bedrijf 1] dranken in- en verkocht terwijl dit in werkelijkheid niet het geval was. Vervoerders bevestigen dat hij handelde in naam van [bedrijf 1]. Niet aannemelijk is geworden dat [medeverdachte], zonder informatie van de verdachte kon beschikken over gegevens van inkopen en verkopen van drank en gegevens over de transporten. Het hof gaat er daarom vanuit dat de verdachte [medeverdachte] heeft geïnformeerd zodat [medeverdachte] de noodzakelijke documenten kon opstellen, afgeven en verzenden. De verdachte was verder op de hoogte van de voorwaarden van de schorsingsvergunning en wist dat [bedrijf 1] de verschuldigde accijns niet kon voldoen. De verdachte had een telefoonabonnement en een leaseauto op naam van [bedrijf 1] en hij was aanwezig bij de belastingcontrole bij [bedrijf 1].

Uit deze feiten en omstandigheden vloeit voort dat de verdachte, die weliswaar formeel geen functie had bij [bedrijf 1], in belangrijke mate invloed uitoefende op de dagelijkse gang van zaken en beslissingen die werden genomen ten aanzien van [bedrijf 1]. Hij was daarom, evenals zijn medeverdachte, verantwoordelijk voor het doen van accijnsaangiften en voor de voldoening van de verschuldigde accijns. Hij heeft een zodanige bijdrage geleverd aan een complex van gedragingen dat heeft geleid tot de verboden gedragingen en daarbij een zodanig initiatief genomen dat hij aan die verboden gedraging feitelijk leiding heeft gegeven. Het hof acht het onder 1 en het onder 2 subsidiair ten laste gelegde bewezen.

De verwerping van de verweren van de verdediging volgt uit het hiervoor overwogene. Dat [medeverdachte] als vennoot van [bedrijf 1] verantwoordelijk was voor het doen van de aangiften neemt niet weg dat de verdachte, gelet op het voorgaande, als feitelijk leidinggever verantwoordelijk was voor de verweten gedragingen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
[bedrijf 1] in de periode van 29 januari 2011 tot en met 8 april 2011, te Badhoevedorp, gemeente Haarlemmermeer en/of te Amsterdam en/of Heerlen en/of elders in Nederland, telkens opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften inzake de accijns niet heeft gedaan, terwijl dat feit telkens ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte telkens feitelijke leiding heeft gegeven.

2 subsidiair
[bedrijf 1] in de periode van 21 januari 2011 tot en met 10 maart 2011te Badhoevedorp, gemeente Haarlemmermeer en/of te Amsterdam, in ieder geval in Nederland, opzettelijk accijnsgoederen, te weten alcoholhoudende producten, voorhanden heeft gehad die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing waren betrokken, aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte telkens feitelijke leiding heeft gegeven.

Hetgeen onder 1 en 2 subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze zijn opgenomen in dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

Het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde levert op:

het opzettelijk overtreden van een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 en 2 subsidiair bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en onder 2 primair bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden met aftrek van het voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en onder 2 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en aftrek van het voorarrest.

De advocaat-generaal houdt daarbij rekening met het grootschalige karakter van de fraude en de omstandigheid dat sprake is van veel meer verdachte zendingen en daarmee van een substantieel groter nadeel, ondanks dat dit niet in de tenlastelegging is opgenomen. De overschrijding van de redelijke termijn kan worden verklaard door de complexiteit van de zaak en de internationale rechtshulpverzoeken. Desalniettemin is de overschrijding verdisconteerd in de strafeis. De advocaat-generaal wijst erop dat de verdachte enige tijd geleden in België is veroordeeld voor een fraudedelict. De advocaat-generaal concludeert dat – gelet op de ernst van het verwijt – een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enige passende modaliteit is.

De verdediging heeft bepleit rekening te houden met een aantal omstandigheden. De redelijke termijn is in eerste aanleg overschreden met ruim tweeënhalf jaar en het betreffen feiten van ruim tien jaar geleden. De vraag is welk strafdoel is gediend met oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De verdachte timmert hard aan de weg om succesvol voetbaltrainer te worden. Oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou voor de verdachte het einde van zijn carrière als voetbaltrainer betekenen. Hij heeft kinderen, die in het geval van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf hun vader een tijd zouden moeten missen. De verdediging heeft verzocht te volstaan met oplegging van een taakstraf, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich als feitelijk leidinggever schuldig gemaakt aan het meermalen plegen van het opzettelijk niet doen van aangiften accijns en het opzettelijk voorhanden hebben van accijnsgoederen die niet op juiste wijze in de heffing zijn betrokken. Met heffing van accijns wordt beoogd de Staat der Nederlanden middelen te verschaffen die voor zijn instandhouding en taakvervulling noodzakelijk zijn. De verdachte heeft door zijn handelswijze deze gemeenschapsbelangen geschonden. Dergelijk strafbaar gedrag leidt ertoe dat bonafide belastingplichtigen meer belasting moeten betalen en dat hen – die wel aan de fiscale verplichtingen voldoen – oneerlijke concurrentie is aangedaan. Door aldus te handelen heeft de verdachte een niet te onderschatten bijdrage geleverd aan grootschalige accijnsfraude. Het hof rekent het de verdachte aan dat de bij een vergunning behorende verplichtingen en regelgeving hem onverschillig lieten. De verdachte heeft geen blijk gegeven enige verantwoordelijkheid te hebben genomen voor de grootschalige internationale im- en export van alcoholhoudende dranken. Integendeel: hij heeft slechts met de beschuldigende vinger gewezen naar [medeverdachte].

De verdachte heeft ten aanzien van de bewezenverklaarde zendingen met zijn handelen de fiscus benadeeld tot een bedrag van tenminste € 243.452,00.25 Het hof heeft gelet op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Mede in aanmerking genomen dat de fraude een grootschaliger karakter heeft dan de bewezenverklaarde feiten en gelet op de ernst van het verwijt, doet in beginsel geen andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden recht aan deze omstandigheden. Hieruit volgt dat niet kan worden volstaan met oplegging van een taakstraf, dan wel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf, als bepleit door de verdediging.

Overschrijding van de redelijke termijn

Elke verdachte heeft recht op een behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) neergelegde waarborg strekt ertoe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

De redelijke termijn neemt een aanvang op het moment dat vanwege de Nederlandse staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. In dit geval heeft de redelijke termijn een aanvang genomen op 25 november 2014, toen de verdachte in verzekering werd gesteld. De rechtbank heeft op 18 juni 2019 het vonnis uitgesproken. De redelijke termijn is in eerste aanleg derhalve met twee jaar en zeven maanden overschreden. De verdachte heeft vervolgens appel ingesteld op 28 juni 2019 en heden, op 10 augustus 2021, spreekt het hof het arrest uit. De redelijke termijn is in hoger beroep derhalve met anderhalve maand overschreden.

Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in totaal met ruim twee jaren en acht maanden is overschreden. Het hof ziet daarin aanleiding de op te leggen gevangenisstraf van twaalf maanden met vier maanden te bekorten.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de artikelen 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5 en 97 van de Wet op de accijns.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.C. Römer, mr. A.P.M. van Rijn en mr. E. van Die, in tegenwoordigheid van,

mr. R. Vosman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

10 augustus 2021.

Mr. Römer en de griffier, mr. R. Vosman, zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.

[…]

[…]

1 Een geschrift, te weten een controlerapport van de Belastingdienst van 26 augustus 2011, opgemaakt door inspecteur [naam 1], D-089, p. 1 -11.

2 Een proces-verbaal van aanvang van verbalisant, opsporingsambtenaar bij de FIOD, [naam 2] van 19 februari 2013, AH-009, p. 6. Een proces-verbaal van ambtshandeling van verbalisant, opsporingsambtenaar bij de Douane, [naam 3] van 7 mei 2015, AMB-067, p. 1 -5.

3 Een geschrift, te weten een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel van 1 juni 2012, [nummer]. Een proces-verbaal van aanvang van verbalisant, opsporingsambtenaar bij de FIOD, [naam 2] van 19 februari 2013, AH-009, p. 1 – 24. Een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel van 1 juni 2012, [nummer].

4 Een geschrift, te weten een vergunning ‘Geregistreerde geadresseerde’ van 18 november 2010 en 5 januari 2011, D-102-2, p. 1 -3.

5 Een proces-verbaal van aanvang van verbalisant, opsporingsambtenaar bij de FIOD, [naam 2] van 19 februari 2013, AH-009, p. 5. Een geschrift, te weten een vergunning ‘Geregistreerde geadresseerde’ van 18 november 2010 en 5 januari 2011, D-102-2, p. 1 -3.

6 Een proces-verbaal van ambtshandeling van verbalisant, opsporingsambtenaar bij de FIOD, [naam 2] van 7 november 2012, AH-014, p. 1 -3. Een geschrift, te weten een controlerapport van de Belastingdienst van 26 augustus 2011, opgemaakt door inspecteur [naam 1], D-089, p. 5. Een proces-verbaal van aanvang van verbalisant, opsporingsambtenaar bij de FIOD, [naam 2] van 19 februari 2013, AH-009, p. 5.

7 Een geschrift, te weten een brief van de inspecteur van de douane, [naam 4] van 24 november 2010, D-552.

8 OPV, pag 42.

9 Een geschrift, te weten een rechtshulpverzoek met bijlagen van 24 augustus 2011, RHV-01, p. 6 - 24.

10 Een geschrift, te weten een vergunning ‘Geregistreerde geadresseerde’ van 18 november 2010 en 5 januari 2011, D-102-2, p. 1-3

11 Een geschrift, te weten een controlerapport van de Belastingdienst van 26 augustus 2011, opgemaakt door inspecteur [naam 1], D-089, p. 6-7.

12 De verklaring van de verdachte [verdachte], afgelegd ter terechtzitting bij de rechtbank op 4 juni 2019. Een proces-verbaal van verhoor van de verdachte [verdachte] van 26 november 2014, V03-02, p. 2.

13 Een geschrift, te weten een rechtshulpverzoek met bijlagen van 24 augustus 2011, RHV-01, p. 1 – 154.

14 De verklaring van de verdachte [verdachte] zoals afgelegd ter terechtzitting bij de rechtbank op 4 juni 2019.

15 Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] van 25 november 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, [naam 5] en [naam 6], werkzaam bij de FIOD, G03-01. Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] van 6 december 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, [naam 2] en [naam 7], werkzaam bij de FIOD, G06-02. Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] van 6 december 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, [naam 2] en [naam 7], werkzaam bij de FIOD, G07-01. Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 4] van 2 april 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, [naam 2] en [naam 7], werkzaam bij de FIOD, G05-01.

16 Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] van 6 december 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, [naam 2] en [naam 7], werkzaam bij de FIOD, G06-02.

17 Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] van 6 december 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, [naam 2] en [naam 7], werkzaam bij de FIOD, G07-01, p. 2.

18 Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] van 6 december 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, [naam 2] en [naam 7], werkzaam bij de FIOD, G07-01, p. 2 – 4. Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 4] van 2 april 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, [naam 2] en [naam 7], werkzaam bij de FIOD, G05-01, p. 3.

19 Een proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 1] van 21 maart 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, [naam 8] en [naam 9], werkzaam bij de FIOD, G01-01, p. 4.

20 De verklaring van de verdachte [verdachte] zoals afgelegd ter terechtzitting bij de rechtbank op 4 juni 2019.

21 V02.01 pag 5.

22 V02.01 pag 6.

23 Een proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 1] van 21 maart 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, [naam 8] en [naam 9], werkzaam bij de FIOD, G01-01, p. 6.

24 De verklaring van de verdachte [verdachte] zoals afgelegd ter terechtzitting bij de rechtbank op 4 juni 2019. Een proces-verbaal van verhoor van de verdachte [medeverdachte] van 25 november 2014, V02-01, p. 6. Een proces-verbaal van ambtshandeling van verbalisant [naam 7] van 3 april 2013, AH-030. Een proces-verbaal van verhoor van de verdachte [verdachte] van 26 november 2014, V03-02, p. 5 en p. 7.

25 Een overzichtsproces-verbaal van verbalisant, opsporingsambtenaar bij de FIOD, [naam 2] van 28 juni 2016, paragraaf 2.4.2., p. 42.