Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:2442

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-08-2021
Datum publicatie
17-08-2021
Zaaknummer
000393-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Artikel 533 Sv - gronden van billijkheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling strafrecht

rekestnummer(s): 000393-21 (530 Sv) en 000394-21 (533 Sv)

parketnummer in eerste aanleg: 15/800203-15

Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Noord-Holland (locatie Alkmaar) van 8 maart 2021 op het verzoekschrift op de voet van de artikel 530 en 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoeker] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1966,

adres: [adres] .

1 Procesverloop

Het hoger beroep is op 29 maart 2021 ingesteld door verzoeker (hierna appellant).

Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 27 juli 2021 de advocaat-generaal ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Appellant is niet verschenen.

2 Inhoud van het verzoek

Het verzoek strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van:

  1. schade die verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van de ondergane verzekering en voorlopige hechtenis in de strafzaak met voormeld parketnummer;

  2. schade die verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van de aanhouding van verzoeker.

3 Beoordeling

Het hoger beroep is tijdig ingesteld.

Ad a

De rechtbank heeft geoordeeld dat geen gronden van billijkheid aanwezig zijn voor toekenning van een vergoeding voor het onder a verzochte. De rechtbank heeft daartoe als volgt gemotiveerd:

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat in dit geval geen gronden van billijkheid aanwezig zijn om verzoeker een vergoeding toe te kennen. Anders dan bij een vrijspraak of een technisch sepot geldt in het geval van een beleidssepot dat de gronden van billijkheid gesteld en onderbouwd moeten worden. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze gronden van billijkheid door verzoeker onvoldoende gesteld en onderbouwd en zodat zij het verzoek tot toekenning van een vergoeding zal afwijzen. De rechtbank betrekt daarbij dat verzoeker weliswaar ontkent dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging en stalking, maar dat hij bij de rechter-commissaris, net als thans in raadkamer, reeds bekend heeft dat hij smaad of laster heeft gepleegd op internet en een rapportage in 600 brieven­bussen in Schoorl heeft gegooid. Uit het dossier volgt verder dat verzoeker het voortduren van het strafrechtelijke ingrijpen over zich heeft afgeroepen door tijdens zijn detentie te weigeren mee te werken aan een persoonlijkheidsonderzoek, zulks tot het moment dat een bevel observatie PBC was afgegeven. Nadat verzoeker alsnog aangaf mee te zullen werken aan het onderzoek, is de voorlopige hechtenis waarin verzoeker zich bevond ook direct geschorst.

Het hof stelt ten aanzien van het billijkheidsoordeel als bedoeld in artikel 534 Wetboek van Strafvordering (verder: Sv) het volgende voorop, met inachtneming van HR 25 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1526 (voor zover voor de onderhavige procedure relevant), HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5566 en Hof Amsterdam 24 november 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:4880.

De artikelen 530 en 533 Sv voorzien - kort samengevat - in vergoeding van de kosten van rechtsbijstand en van de schade als gevolg van uitgezeten voorarrest indien een zaak eindigt zonder oplegging van straf, zoals in het geval van een vrijspraak of wanneer een strafzaak is geseponeerd of een beklag ex artikel 12 Sv ongegrond is verklaard. Toekenning van een vergoeding heeft ingevolge artikel 534 Sv steeds plaats indien en voor zover daartoe, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. Dat betekent enerzijds dat in geval van schade of gemaakte kosten als uitgangspunt vergoeding plaatsvindt, maar anderzijds dat het de rechter vrij staat op gronden van billijkheid vergoeding achterwege te laten of slechts gedeeltelijk toe te kennen. Omstandigheden die aanleiding kunnen geven een vergoeding niet of slechts deels toe te kennen, zijn intussen niet op voorhand te bepalen. Bestendige rechtspraak wijst in dat verband uit dat in de aard of het verloop alsmede in de uitkomst van een strafzaak grond kan worden gezien te oordelen dat het niet billijk is een (gehele) vergoeding toe te kennen. Zo kan de schadevergoedingsrechter (hierna: de raadkamer) rekening houden met de mate waarin de verzoeker zijn voorarrest - hetzelfde geldt voor de noodzakelijke kosten van rechtsbijstand - aan zijn eigen (proces)houding of gedrag te wijten heeft. Daarbij valt bij wijze van voorbeeld te denken aan de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de verzoeker in zijn zaak heeft verklaard of juist gebruik heeft gemaakt van het zwijgrecht, of aan het geval waarin de verzoeker de opsporing bewust heeft bemoeilijkt. Ook kan de raadkamer rekening houden met de aard en de motivering van de beslissing waarmee de strafzaak is geëindigd, als daarin redenen zijn gelegen een (volledige) vergoeding niet billijk te achten.

Deze oordeelsvrijheid wordt slechts begrensd door de onschuldpresumptie zoals neergelegd in artikel 6, tweede lid, van het EVRM. Die verlangt dat de gronden voor een vrijspraak niet in twijfel worden getrokken en dat de raadkamer zich onthoudt van een zelfstandig oordeel dat zich niet met de vrijspraak verhoudt. Dit betekent dat de raadkamer in de motivering van haar oordeel niet zelfstandig suggesties tot uitdrukking mag brengen dat de verzoeker wel degelijk schuldig is. Het staat de raadkamer wel vrij in de beslissing mede (onderdelen van) de motivering van de vrijspraak te betrekken, zolang die beslissing daarmee niet alsnog een vaststelling van schuld behelst. Indien een zaak niet is geëindigd in een vrijspraak, maar bijvoorbeeld met een sepot of door een beslissing als bedoeld in artikel 348 Sv, is het tot uitdrukking brengen van vermoedens van schuld in beginsel niet strijdig met de onschuldpresumptie en staat het de raadkamer tevens vrij te verwijzen naar een motivering van de beslissing in de strafzaak, telkens zolang het oordeel van de raadkamer niet alsnog in essentie een vaststelling van schuld behelst. Het hof merkt in dit verband op dat niet als maatstaf kan dienen of een vervolging ‘(hoogst)waarschijnlijk of onmiskenbaar tot een veroordeling zou hebben geleid’ en evenmin de maatstaf dat op een vervolging ‘niet onmiskenbaar een vrijspraak zou zijn gevolgd’. Dergelijke motiveringen komen immers neer op een inhoudelijk en integraal oordeel over de strafzaak, waarvoor in de verzoekschriftprocedure geen plaats is.

Het komt bij het billijkheidsoordeel aldus in overwegende mate aan op een waardering van de omstandigheden van het specifieke geval. Het is aan de raadkamer om het oordeel daaromtrent inzichtelijk te motiveren.

Het hof is van oordeel dat de beschikking van de rechtbank niet in stand kan blijven. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de enkele omstandigheid dat sprake is van een beleidssepot niet zonder meer betekent dat – indien deze door verzoeker niet zijn gesteld en onderbouwd – per definitie gronden van billijkheid ontbreken. Het hof neemt voorts in aanmerking dat verzoeker in deze procedure niet is bijgestaan door een advocaat. De rechtbank heeft in haar beschikking weliswaar overwogen dat verzoeker in de raadkamer zou hebben bekend zich aan smaad en laster te hebben schuldig gemaakt, maar, wat daar ook van zij, dit zijn feiten waarvoor geen voorlopige hechtenis is toegelaten en dus aan het aannemen van gronden van billijkheid op zich niet in de weg staan. Ook de aanvankelijke weigering van verzoeker om mee te werken aan de totstandkoming van een rapportage over zijn persoonlijkheid behoeft naar het oordeel van het hof niet zonder meer te leiden tot afwijzing van de verzochte vergoeding.

Appellant is op 13 mei 2015 in verzekering gesteld en op 15 mei 2021 is de voorlopige hechtenis bevolen. Op 27 juli 2015 is appellant in vrijheid gesteld.

Het hof is van oordeel dat gronden van billijkheid aanwezig zijn voor toekenning van een vergoeding ter zake van door appellant ondergane verzekering en voorlopige hechtenis tot een bedrag van € 6.130,00.

Ad b.

Appellant heeft bij zijn aanhouding schade geleden doordat de politie de deur van de woning van appellant heeft ontzet. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat artikel 530, 533 noch een ander strafvorderlijk artikel grondslag geeft voor toekenning van een vergoeding voor de schade aan de deur.

Gelet op het voorgaande zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen en opnieuw recht doen.

4 Beslissing

Het hof:

Vernietigt de beschikking waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Kent op de voet van artikel 533 Sv aan appellant een vergoeding toe van € 6.130,00 (zesduizend honderddertig euro).

Wijst het meer of anders verzochte af.

Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan appellant.

Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. D. Radder, C.J. van der Wilt en M. van der Horst, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 10 augustus 2021.

De voorzitter beveelt:

de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 6.130,00 (zesduizend honderddertig euro) op de bankrekening van appellant, nadat appellant zijn bankrekeningnummer aan het hof heeft kenbaar gemaakt.

Amsterdam, 10 augustus 2021,

mr. D. Radder, voorzitter.