Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:2441

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-08-2021
Datum publicatie
17-08-2021
Zaaknummer
000378-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

art 533 Sv - vergoeding schade ivs en vh bij (later) geconstateerde psychische problemen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling strafrecht

rekestnummer(s): 000378-21 (530 Sv) en 000377-21 (533 Sv)

parketnummer in eerste aanleg: 15-019238-20

Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de enkelvoudige raadkamer van de rechtbank Noord-Holland (locatie Alkmaar) van 8 februari 2021 op het verzoekschrift op de voet van de artikel 530 en 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoeker],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,

domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. M.H.H. Meulemeesters,

[adres].

1 Procesverloop

Het hoger beroep is op 15 februari 2021 ingesteld door verzoeker (hierna appellant).

Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 27 juli 2021 de advocaat-generaal en de advocaat van appellant ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Appellant is niet in raadkamer verschenen, maar is wel via een telefonische verbinding via zijn advocaat in staat gesteld de behandeling te volgen.

2 Inhoud van het verzoek

Het verzoek - zoals gedeeltelijk ingetrokken in raadkamer in hoger beroep - strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van:

a. schade die verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van de ondergane verzekering en voorlopige hechtenis in de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 7.515,00;

3 Beoordeling

Het hoger beroep is tijdig ingesteld.

-ten aanzien van het onder a verzochte-

De rechtbank heeft als volgt overwogen:

Uit de sepotbeslissing van 18 mei 2020 blijkt dat de strafzaak tegen verzoeker is geseponeerd omdat is gebleken dat hij als dader niet strafbaar is.

Uit de Pro Justitia rapportage opgemaakt met betrekking tot verzoeker blijkt dat is geadviseerd hetgeen hem ten laste was gelegd op grond van zijn psychische problematiek niet toe rekenen. Op grond van het advies van de deskundigen is de voorlopige hechtenis op 22 april 2020 op vordering van de officier van justitie en bij beslissing van de rechtbank opgeheven.

Tegen verzoeker bestond de verdenking dat hij zich zou hebben schuldig gemaakt aan een poging om een auto van een zwangere vrouw af te nemen door middel van geweld. Verzoeker heeft verklaard dat hij zo gehandeld heeft omdat hij bang en in paniek was en dat het niet zijn intentie was om de vrouw van de auto te beroven. Dit strookt met de bij verzoeker geconstateerde psychische problematiek. Op grond daarvan kan zijn handelen hem niet worden toegerekend. Maar dit maakt nog niet dat het ondergane voorarrest onterecht is ondergaan. Ingrijpen door de politie was noodzakelijk. Vervolgens is gekozen voor het opmaken van rapportage met betrekking tot de geestvermogens van verzoeker, waardoor de voorlopige hechtenis heeft voortgeduurd. Gelet op de ernst van het feit en de psychische toestand van verzoeker is dit te billijken. De rechtbank acht een vergoeding voor ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis, alle omstandigheden in aanmerking genomen, dan ook niet billijk en zal het verzoek afwijzen..

De advocaat-generaal heeft als volgt geadviseerd:

Verzoeker werd verdacht van een zeer ernstig feit. Hij is op heterdaad aangehouden. Er kan mijns inziens geen twijfel over zijn dat de aanhouding rechtmatig was en dat er gedurende de gehele fase van de voorlopige hechtenis gronden en ernstige bezwaren waren.

Verzoeker verbleef gedurende de VH in het PPC. Hij had daar regelmatig contact met een psychiater en psycholoog en had wekelijks gesprekken met de verpleegkundig specialist en de sociaal psychiatrisch verpleegkundige. Hij is ingesteld op medicatie. In het PPC zat verzoeker eerst op een crisisafdeling en later op de afdeling voor gedetineerden met een licht verstandelijke beperking. Gedurende zijn verblijf in het PPC is hij begeleid en gestabiliseerd, wat de uitstroom uit detentie in april 2020 makkelijker maakte. Ik maak hier melding van om aan te geven dat er bij justitie wel degelijk oog was voor de problematiek van verzoeker en dat hij in de VH-periode niet aan zijn lot is overgelaten.

Wat verder meeweegt is dat verzoeker kort voor zijn aanhouding was weggelopen uit een instelling waar hij een behandeling onderging voor een lachgasverslaving. Verder wijs ik er op dat een speekseltest die kort na de aanhouding was afgenomen, wees op het gebruik van THC door verzoeker. Ik maak van deze gegevens melding omdat op grond hiervan aannemelijk kon worden geacht dat op zijn minst ernstige vrees kon bestaan dat verzoeker na een vrijlating of na plaatsing in een minder streng regime weer middelen zou kunnen gaan gebruiken, middelen die mogelijk van invloed waren zijn op zijn gedrag.

Ik wijs er verder op dat verzoeker ten tijde van zijn aanhouding al een behoorlijk strafblad had waarop diverse veroordelingen stonden. Uit het feit dat verzoeker meermalen was veroordeeld tot straf kon de conclusie worden getrokken dat veel rechters die eerder hadden moeten oordelen over verzoeker hem bij die eerdere gelegenheden wél strafbaar hadden gevonden.

Verzoeker is in de periode dat hij in voorlopige hechtenis zat onderzocht door een psychiater en een psycholoog. Hun rapporten zijn van 15 en 16 april 2020. Kort na ontvangst van de rapporten is de voorlopige hechtenis opgeheven. Verzoeker stelt dat hij vanwege de psychische problemen meteen naar een kliniek overgebracht had moeten worden. Ik ben het daar niet mee eens. Opname in een kliniek biedt in het algemeen minder garanties dan een verblijf in een Pl. Er waren ernstige zorgen over het toestandsbeeld van verzoeker en er moest eerst antwoord komen op de vraag hoe de psychische ontregeling had kunnen plaatsvinden en wat er voor nodig zou zijn toekomstige ontregelingen te voorkomen. De ernst van het feit speelde daar natuurlijk een rol bij. Ik wijs er op dat in het consult rechtspleging van 24 januari 2020, dat door een psychiater aan de officier van justitie is uitgebracht, niet wordt geadviseerd verzoeker in een kliniek te plaatsen. Ik wijs er ook op dat de reclassering op 3 februari 2020 negatief adviseerde over schorsing. In het rapport staat: "Zolang wij onvoldoende zicht hebben op de gevaarsrisico's en wat nodig is om deze te beperken, kunnen wij een schorsing niet ondersteunen en adviseren wij negatief over een schorsing. Wij zien geen mogelijkheden om met voorwaarden en/of toezicht de risico's te beperken. Nadere diagnostiek is geïndiceerd." Ik vind het dan ook volkomen begrijpelijk en billijk dat de officier van justitie (en de VH-rechters) de deskundigenrapportages wilden afwachten voordat zij zo'n ingrijpende beslissing als invrijheidstelling zouden nemen. Immers, pas door die deskundigenrapporten kon een adequate en verantwoorde inschatting worden gemaakt van de risico's die zouden bestaan/ontstaan na invrijheidstelling. Ik heb het dan in het bijzonder over risico's voor derden.

Onder deze omstandigheden meen ik dat er geen gronden van billijkheid zijn voor toekenning van een vergoeding voor de dagen dat verzoeker van zijn vrijheid beroofd is geweest.”

De advocaat van appellant heeft gesteld dat direct, dan wel veel eerder had moeten worden ingezet op hulp en behandeling in plaats van vrijheidsbeneming, verwijzend naar een uitspraak van dit hof gepubliceerd onder nummer ECLI:NL:GHAMS:2017:1795.

Het hof wijst het hoger beroep ten aanzien van het onder a besliste af, mede gelet op de gronden genoemd door de advocaat-generaal en de motivering door de rechtbank. De onderhavige casus is naar het oordeel van het hof niet vergelijkbaar met de casus waar de raadsman naar verwijst, waarin de gewezen verdachte gedurende zeer lange tijd en zonder de juiste behandeling in voorlopige hechtenis heeft verbleven terwijl van begin af aan vast stond dat plaatsing in een instelling nodig was, doch niet mogelijk wegens een gebrek aan plaatsen.

4 Beslissing

Het hof:

Wijst het hoger beroep tegen de bestreden beschikking, voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen, af.

Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan appellant.

Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. D. Radder, C.J. van der Wilt en M. van der Horst, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 10 augustus 2021.

De voorzitter beveelt:

de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 830,00 (achthonderddertig euro) op bankrekeningnummer [rekeningnummer] t.n.v. [tnv] o.v.v. [ovv].

Amsterdam, 10 augustus 2021,

mr. D. Radder, voorzitter.