Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:2424

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-08-2021
Datum publicatie
19-08-2021
Zaaknummer
200.247.352/01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2020:1195
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Effectenlease. Beroep op vernietiging ex art. 1:88/89. Aanbieder betwist dat de handtekening onder de vernietigingsverklaring van de echtgenote is. Getuigenverhoor. Bekrachtiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.247.352/01

zaak- en rolnummer rechtbank Noord-Holland : 6389090 CV EXPL 17-9238

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 augustus 2021

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam,

tegen

DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

1 Het verdere verloop van het geding

Partijen worden hierna [appellant] en Dexia genoemd.

In deze zaak heeft het hof op 28 april 2020 een tussenarrest (hierna: het tussenarrest) gewezen. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt verwezen naar het tussenarrest.

In het kader van de in het tussenarrest aan Dexia gegeven bewijsopdracht zijn [appellant] en [zijn echtgenote] als getuigen gehoord. Van de getuigenverhoren is proces-verbaal opgemaakt dat zich bij de processtukken bevindt. Tijdens de getuigenverhoren heeft [appellant] een door hem en [echtgenote] op verzoek van Leaseproces ondertekende verklaring overgelegd. Deze verklaring is aan het proces-verbaal gehecht.

Beide partijen hebben een memorie na enquête genomen. Daarna heeft [appellant] een akte na memorie genomen, waarop Dexia bij antwoordakte heeft gereageerd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Verdere beoordeling

2.1

Het hof blijft bij en bouwt hierna voort op hetgeen in het tussenarrest is overwogen en beslist.

2.2

Dexia is bij het tussenarrest toegelaten tot het leveren van bewijs voor haar stelling dat [echtgenote] vóór 13 maart 2000 met het bestaan van leaseovereenkomst II bekend is geworden.

2.3

Dexia is niet geslaagd in het leveren van bewijs voor bovengenoemde stelling, hetgeen zij zelf ook erkent in haar memorie na enquête. De getuigenverklaringen bieden geen aanknopingspunten om aan te nemen dat [echtgenote] vóór 13 maart 2000 met het bestaan van leaseovereenkomst II bekend is geworden.

2.4

Dexia voert vervolgens aan dat haar is gebleken dat de handtekening onder de vernietigingsbrief van 2 mei 2007 niet die van [echtgenote] is. Dexia constateerde dit toen zij de handtekening van [echtgenote] op de vernietigingsbrief vergelijk met die onder onder het proces-verbaal van het verhoor van haar als getuige en enkele andere documenten die (beweerdelijk) door [echtgenote] zijn ondertekend. Hieruit volgt volgens Dexia dat er geen rechtsgeldige vernietigingsverklaring is afgelegd en dat leaseovereenkomst II derhalve nooit is vernietigd. Dexia houdt het ervoor dat [echtgenote] nooit heeft geweten van leaseovereenkomst II en zelfs tijdens het getuigenverhoor er nog altijd niet van wist.

2.5

[appellant] reageert hierop als volgt. Indien de stellingen van Dexia worden gevolgd, is de rechtsvordering tot vernietiging van leaseovereenkomst II pas op de dag van het getuigenverhoor ten dienste komen te staan aan [echtgenote] omdat zij toen pas van het bestaan van deze overeenkomst op de hoogte is geraakt. In diens akte na memorie vernietigt de advocaat van [appellant] namens [echtgenote] alsnog leaseovereenkomst II. Ook stelt [appellant] zich op het standpunt dat dit nieuwe verweer van Dexia tardief is. Door de kantonrechter is vastgesteld dat [echtgenote] bij brief van 2 mei 2007 de nietigheid van leaseovereenkomst II heeft ingeroepen. Daartegen is geen grief aangevoerd. Dexia heeft ook niet aangeboden de door haar gestelde nieuwe feiten te bewijzen.

2.6

Ten aanzien van het inroepen van de vernietigbaarheid van de leaseovereenkomst beroept Dexia zich bij haar antwoordakte op verjaring. [appellant] heeft in de procedure altijd het standpunt ingenomen dat hij [echtgenote] in 2007 op de hoogte heeft gesteld van het bestaan van leaseovereenkomst II. Dit betekent volgens Dexia dat de rechtsvordering tot vernietiging reeds verjaard was op de datum van de akte na memorie.

2.7

Het hof stelt voorop dat het nieuwe verweer van Dexia niet tardief is. Het betreft hier een omstandigheid die pas na de memoriewisseling is opgekomen. Pas na kennisname van de handtekening van [echtgenote] onder haar getuigenverklaring was het voor Dexia kenbaar dat deze verschilde van die onder de vernietigingsverklaring. Deze nieuwe omstandigheid brengt mee dat noch de eisen van een goede procesorde, noch de tweeconclusieregel zich ertegen verzet dat Dexia in dit stadium van het geding de echtheid van de handtekening onder de vernietigingsverklaring alsnog betwist. [appellant] heeft voldoende gelegenheid gekregen om op deze stelling te reageren en betwist bovendien op zichzelf genomen niet dat de handtekeningen onder de genoemde stukken van elkaar verschillen (hetgeen ook overeenstemt met de eigen waarneming van het hof).

2.8

Uit de stukken, inclusief het proces-verbaal van het getuigenverhoor, komt duidelijk naar voren dat uitsluitend [appellant] zich bezig hield met het financiële reilen en zeilen van het huishouden en dat [echtgenote] zich daarvan afzijdig hield. Zij liet wat dat betreft alles over aan [appellant] . [appellant] heeft [echtgenote] pas op de hoogte gesteld van het bestaan van leaseovereenkomst II toen duidelijk werd dat deze voor hen nadelige gevolgen zou (kunnen) hebben. De vernietigingsverklaring is op naam van [echtgenote] uitgebracht als echtgenote van [appellant] . Tijdens het getuigenverhoor heeft [echtgenote] onder ede verklaard dat zij de vernietigingsverklaring heeft ondertekend. Voor zover de handtekening onder de vernietigingsverklaring niet van [echtgenote] zelf zou zijn, maar deze verklaring namens haar is uitgebracht, laat haar verklaring geen andere uitleg toe dan dat zij het daarmee uitdrukkelijk eens is en ermee instemt dat op haar naam aan Dexia een vernietigingsverklaring is uitgebracht. Daarmee moet worden aangenomen dat zij de vernietigingsverklaring heeft bekrachtigd, zodat deze werking heeft gehad. Dat haar ten tijde van het getuigenverhoor niet meer duidelijk voor ogen stond wat de vernietigingsverklaring precies inhield, acht het hof gezien het tijdsverloop niet onbegrijpelijk en doet er in elk geval niet aan af dat haar getuigenverklaring geacht moet worden een bekrachtiging van de vernietigingsverklaring in te houden. In ieder geval heeft [echtgenote] het in de vernietigingsverklaring gestelde voor haar rekening willen nemen en heeft zij leaseovereenkomst II willen vernietigen.

2.9

Gezien het voorgaande oordeelt het hof dat leaseovereenkomst II door [echtgenote] tijdig en geldig is vernietigd. Dit betekent dat [appellant] jegens Dexia recht heeft op terugbetaling van al hetgeen hij aan Dexia uit hoofde van leaseovereenkomst II heeft betaald.

2.10

Dexia zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties.

2.11

[appellant] vordert voorts een vergoeding van de door hem gemaakte buitengerechtelijke kosten in verband met de werkzaamheden van Leaseproces. Het hof overweegt te dien aanzien als volgt. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) het uitgangspunt aanvaard dat indien de door Leaseproces voor de betreffende cliënt verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden niet meer behelzen dan het opstellen en versturen van enkele gestandaardiseerde stukken, zoals een klachtbrief, een opt-out verklaring en stuitingsbrieven, de daarmee gemoeide kosten op grond van artikel 6:96 lid 3 BW in verbinding met artikel 241 Rv in een procedure niet voor vergoeding in aanmerking komen. Dergelijke werkzaamheden moeten op één lijn worden gesteld met het opstellen en versturen van een aanmaning of een andere eenvoudige brief.

2.12

Naast de hiervoor bedoelde werkzaamheden bestaande in het opstellen en versturen van enkele gestandaardiseerde stukken die gezien het in 2.11 genoemde arrest niet voor vergoeding in aanmerking komen, heeft [appellant] nog als werkzaamheden van Leaseproces vermeld, kort gezegd, het beoordelen van de haalbaarheid van de aanspraken van [appellant] en het adviseren daaromtrent, en het verzamelen van gegevens om de omvang van de aanspraken van [appellant] te kunnen bepalen. Dit zijn werkzaamheden die worden verricht ter voorbereiding van een procedure en die derhalve onder artikel 6:96 lid 3 BW en artikel 241 Rv vallen. Hieruit volgt dat de vordering van [appellant] niet ziet op kosten die vallen buiten het bereik van de genoemde wetsbepalingen, zodat zijn vordering in zoverre dient te worden afgewezen.

3 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat de leaseovereenkomst met contractnummer [nummer] (aangeduid als leaseovereenkomst II) rechtsgeldig is vernietigd;

veroordeelt Dexia om al hetgeen [appellant] op grond van leaseovereenkomst II aan haar heeft betaald, al dan niet door middel van verrekening, terug te betalen, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de data waarop betreffende gedeelten van de inleg en de restschuld daadwerkelijk aan Dexia zijn voldaan tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt Dexia in de kosten van het geding in beide instanties, in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] begroot op € 573,31 aan verschotten en € 600,00 voor salaris en in hoger beroep tot op heden op € 416,01 aan verschotten en € 1.967,50 voor salaris en € 163,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 85,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot, ingeval niet binnen veertien dagen is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordeling(en) en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. M.P. van Achterberg, mr. J.W. Hoekzema en mr. G.C.C. Lewin en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2021.