Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:2404

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-08-2021
Datum publicatie
06-09-2021
Zaaknummer
200.273.058/01 en 200.276.341/01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2020:1758
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging uithuisplaatsing. Forensisch onderzoek wegens ontbreken van financiële mogelijkheden voor een persoonlijkheidsonderzoek bij de gemeente. Ten overvloede overweging over perspectief kinderen voor periode na de bestreden beschikkingen.

ECLI:NL:GHAMS:2020:1758

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummers: 200.273.058/01 en 200.276.341/01

zaaknummers rechtbank: C/15/290284 / JU RK 19-1200 en C/15/299038 / JU RK 20-217

beschikking van de meervoudige kamer van 3 augustus 2021 inzake

[de moeder] ,

wonende op een geheim adres,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: (de) moeder,

advocaat: mr. S. Kuijs te Alkmaar,

en

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

gevestigd te Rotterdam,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

- [de vader] (hierna te noemen: de vader), advocaat mr. P.A.J. van Putten;

- de minderjarige [kind 1] (hierna te noemen: [kind 1] );

- de minderjarige [kind 2] hierna te noemen: [kind 2] );

- de minderjarige [kind 3] (hierna te noemen: [kind 3] ).

Als belanghebbenden in de zaak 200.273.058/01 zijn aangemerkt:

- [pleegvader] en [pleegmoeder A] (hierna te noemen: de pleegouders van [kind 3] ), advocaat mr. M. Kramer.

Als informant in de zaak 200.276.341 is aangemerkt:

- [pleegmoeder B] (hierna te noemen: de pleegmoeder van [kind 1] en [kind 2] ).

In zijn adviserende taak is in beide procedures gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag,

locatie Haarlem,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verdere geding in hoger beroep

1.1

Het hof heeft in deze zaak op 23 juni 2020 een tussenbeschikking gegeven. Voor het procesverloop tot die datum wordt verwezen naar die beschikking. Het hof blijft bij hetgeen daarbij is overwogen en beslist.

1.2

Bij voornoemde beschikking van 23 juni 2020 heeft het hof Formaat jeugdforensische diagnostiek (hierna: Formaat) tot deskundige als bedoeld in artikel 810a lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering benoemd om een onderzoek te (doen) verrichten ter beantwoording van de volgende onderzoeksvragen en het hof daarover te rapporteren en te adviseren:

Onderzoeksvragen naar pathologie:

1. Hoe is de persoonlijkheid en het functioneren van de moeder te beschrijven?

- op basis van klinische impressies

- op basis van psychologisch testonderzoek

2. Hoe kan het verstandelijk vermogen van de moeder beschreven worden?

- op basis van klinische impressies

- op basis van psychologisch onderzoek

3. Zijn er aanwijzingen voor een psychiatrische stoornis en/of een ontwikkelingsachterstand bij de moeder? Zo ja, hoe is deze te beschrijven?

4. Zijn er aanwijzingen voor een psychiatrische stoornis en/of ontwikkelingsachterstand bij de kinderen?

Onderzoeksvragen met betrekking tot de benodigde zorg van de kinderen en de mogelijkheden van de moeder:

4. Wat zijn de affectieve en pedagogische vaardigheden van de moeder in relatie tot de opvoedingsbehoeften van de kinderen?

5. In hoeverre beïnvloedt de eventueel geconstateerde (psychiatrische) problematiek van de moeder haar affectieve en pedagogische vaardigheden in relatie tot de kinderen?

Onderzoeksvragen met betrekking tot eventuele (terug)plaatsing bij de moeder en het perspectief van de kinderen:

6. Wat zijn de (contra)indicaties voor een plaatsing bij de moeder, mede gelet op eventuele problematiek van de moeder en/of de kinderen?

7. Wat zijn (contra)indicaties voor opvoeding en verzorging van de kinderen in de thuissituatie bij de moeder, mede gelet op eventuele (psychische) problematiek van de moeder en/of de kinderen?

8. In hoeverre is (terug)plaatsing van de kinderen (op korte of lange termijn) bij de moeder in het belang van de kinderen?

9. Indien tot (terug)plaatsing bij de moeder wordt overgegaan, is hulpverlening dan aangewezen? Zo ja, voor wie, in welke vorm, waar dient deze op gericht te zijn en hoe zullen de betrokkenen zich hiertegenover opstellen c.q. van kunnen profiteren?

10. Indien tot (terug)plaatsing bij de moeder wordt overgegaan op welke wijze en in welk tempo dient de terugplaatsing te geschieden?

11. Indien niet tot (terug)plaatsing bij de moeder wordt overgegaan, zijn er contra-indicaties voor omgang tussen de moeder en de kinderen? Als omgang geïndiceerd is, hoe frequent dient de omgang tussen de moeder en de kinderen te zijn en waar en hoe dient deze plaats te vinden?

12. Dient er bij de beantwoording van bovengenoemde vragen een onderscheid te worden gemaakt ten aanzien van (een van) de kinderen?

Aanvullende vraag:

13. In hoeverre komen uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde zijn gekomen in de onderzoeksvragen maar die wel van belang zijn met betrekking tot de te nemen beslissing?

Het hof heeft de behandeling van de zaak aangehouden in afwachting van de resultaten van het onderzoek naar de moeder en de minderjarigen.

1.3

Nadien zijn bij het hof de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de moeder met bijlage van 28 augustus 2020, ingekomen op dezelfde datum;

- een forensisch psychologisch onderzoek van Formaat, verdeeld over vier rapporten ten aanzien van respectievelijk de moeder, [kind 1] , [kind 2] en [kind 3] van 8 januari 2021 ingekomen op 21 januari 2021;

- een e-mailbericht van de zijde van de moeder van 4 februari 2021;

- een brief van de pleegouders van [kind 3] van 26 februari 2021, ingekomen op 1 maart 2021;

- een brief van de pleegouders van [kind 3] van 4 maart 2021 met bijlage, ingekomen op 8 maart 2021;

- een journaalbericht van de zijde van de pleegouders van [kind 3] van 8 maart 2021 met bijlagen, ingekomen op dezelfde datum;

- een brief van pleegzorg William Schrikker Gezinsvormen van 4 maart 2021, ingekomen op 8 maart 2021;

- een e-mailbericht van de zijde van de moeder van 9 maart 2021 met bijlagen;

- een journaalbericht van de zijde van de moeder van 9 maart 2021 met bijlagen, ingekomen op 10 maart 2021;

- een brief van de zijde van de GI van 9 maart 2021 met bijlage, ingekomen op 11 maart 2021;

- een journaalbericht van de zijde van de pleegouders met bijlagen van 19 mei 2021, ingekomen op 20 mei 2021;

- een journaalbericht van de zijde van de moeder van 24 mei 2021 met bijlagen, ingekomen op 27 mei 2021.

1.4

De voortgezette mondelinge behandeling heeft op 3 juni 2021 plaatsgevonden.

Verschenen zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de GI, vertegenwoordigd door de gezinsmanager en een collega;

- mr. P.A.J. van Putten, namens de vader;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [X] ;

- de pleegouders van [kind 3] , bijgestaan door hun advocaat;

- William Schrikker Gezinsvormen (hierna te noemen: WSGV), vertegenwoordigd door mevrouw [Y] .

De pleegmoeder van [kind 1] en [kind 2] is via een telefoonverbinding bij de mondelinge behandeling aanwezig geweest.

2 De verdere beoordeling in hoger beroep

2.1

Aan de orde is de vraag of de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg terecht is verlengd, voor [kind 1] en [kind 2] tot 4 juni 2020 (bij de bestreden beschikking van 25 februari 2020) en voor [kind 3] tot 24 augustus 2020 (bij de bestreden beschikking van 6 december 2019).

De machtiging uithuisplaatsing voor [kind 1] en [kind 2] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder die bij beschikking van 6 december 2019 is verlengd tot 24 augustus 2020 is vervallen op grond van artikel 1:265c lid 3 BW nu deze gedurende drie maanden niet ten uitvoer is gelegd.

2.2

Ingevolge artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

Ingevolge artikel 1:265c, tweede lid, BW kan op verzoek van de gecertificeerde instelling de kinderrechter de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.

De rapportage van Formaat

2.3

Uit de rapporten van Formaat van 8 januari 2021 volgt onder meer het volgende.

De hechtingsontwikkeling van [kind 1] en [kind 2] is verstoord verlopen door het ontbreken van een voldoende veilige en beschermende opvoedingssituatie bij de ouders, waarin [kind 1] en [kind 2] getuige waren van verregaand huiselijk geweld vanuit de vader naar de moeder en door de discontinuïteit die de verschillende uithuisplaatsingen met zich heeft meegebracht. Een verdere verstoring heeft plaatsgevonden tijdens een plaatsing in een gezinshuis, waar [kind 1] en [kind 2] geconfronteerd werden met een streng en zorgelijk pedagogisch klimaat (hardhandige straffen). Op basis van deze ervaringen is er bij [kind 1] en [kind 2] sprake van een vermijdende en gedesorganiseerde gehechtheid. [kind 1] en [kind 2] beschikken nog wel over mogelijkheden tot het aangaan van hechtingsrelaties, mits de hechtingsfiguur in staat is een stabiel en veilig opvoedingsklimaat te bieden, beschikbaar en betrouwbaar is voor de kinderen, zich afstemt op hun affectieve en pedagogische behoeften en traumasensitief kan reageren op angstige en agressieve gedragingen.

Naast een verstoord verlopen hechting is er bij [kind 1] en [kind 2] sprake van een posttraumatische stress stoornis, waarbij zij gehinderd worden door herbelevingen van traumagerelateerde herinneringen, spanningen, overmatige alertheid en waarbij zij vermijdingsgedrag vertonen. Er is sprake van angst voor (een nieuwe confrontatie met) de vader. Hoewel zij inmiddels in een pleeggezin verblijven, waar zij passende zorg en aandacht krijgen, ontwikkelen zij zich zorgelijk op sociaal-emotioneel gebied. Er wordt op basis van een screenend onderzoek een lichte ontwikkelingsachterstand bij [kind 1] en [kind 2] gezien ten opzichte van leeftijdsgenoten, waarbij de communicatieve vaardigheden duidelijk achterblijven en in mindere mate de sociale vaardigheden. Voor de achterstand op taalgebied krijgen [kind 1] en [kind 2] logopedie op school.

[kind 3] was op het moment van de uithuisplaatsing erg jong en bij haar zijn geen duidelijke aanwijzingen voor traumatisering en/of hechtingsproblematiek gevonden. Er zijn geen aanwijzingen voor psychiatrische stoornissen, een cognitieve en/of sociale ontwikkelingsachterstand. Zij ontwikkelt zich op alle functiegebieden voorspoedig, zoals passend bij haar leeftijdsfase. De moeder bevond zich tijdens de zwangerschap en de eerste maanden van het leven van [kind 3] in een stressvolle en onveilige situatie, Dit kan een verhoogde kwetsbaarheid geven op ontwikkelingsstoornissen en vormt een verklaring voor de spanningsklachten die bij aanvang van de pleeggezinssituatie zichtbaar waren bij [kind 3] .

Zij heeft zich met behulp van de ondersteuning van de pleegouders ontwikkeld tot een vrolijke peuter, die op alle levensgebieden goed functioneert. Door de goede zorg van pleegouders en sensitieve afstemming op [kind 3] ’s behoeften hebben zij de slechte start van [kind 3] kunnen compenseren. Er is sprake van een veilige gehechtheidssituatie van [kind 3] met de pleegouders. Vanwege haar jonge leeftijd is het niet mogelijk gebleken om zicht te krijgen op de beleving van de relatie van [kind 3] met haar moeder, maar na een periode waarin de contacten met de moeder moeizaam verliepen, lijkt er nu meer sprake van groei en stabilisatie.

Er is een veilige gehechtheidsrelatie van [kind 3] met de pleegouders ontstaan. Desondanks zijn rondom de bezoekcontacten met de moeder forse problemen ontstaan. [kind 3] reageert vooraf angstig en na de bezoeken met veel huilen en claimend gedrag naar pleegmoeder, waarbij zij moeilijk te troosten is. Een eenduidige oorzaak kan niet worden aangewezen. Verondersteld kan worden dat de intensivering van de bezoeken en de verandering naar een veel verder gelegen locatie heeft bijgedragen aan een negatieve beleving van [kind 3] van de bezoeken. De lange reistijd wordt als belastend gezien, temeer daar ze haar primaire hechtingsfiguur (de pleegmoeder) moet missen, wat voor een kind van die leeftijd belastend en stresserend kan zijn. Hoewel dat tijdens de bezoeken aan moeder niet duidelijk zichtbaar is bij [kind 3] moet de emotionele impact hiervan niet worden onderschat. Het ontbreken van rechtstreeks contact tijdens de Corona-lockdown lijkt dit versterkt te hebben. Het is niet gelukt deze problemen in overleg tussen de pleegouders en hulpverleners aan te pakken. Ook het ontbreken van contact tussen de moeder en pleegouders geeft gemakkelijk voeding aan spanning, wat het moeilijker voor hen maakt om [kind 3] op een passende manier te ondersteunen. Het is van belang dat [kind 3] kan opgroeien in een veilige, stabiele opvoedingsomgeving, waar oog is voor haar (emotionele) behoeften. Het lijkt erop dat [kind 3] de bezoeken steeds meer is gaan associëren met stress en spanning.

Op grond van hun verstoorde ontwikkeling en voorgeschiedenis hebben de kinderen behoefte aan een opvoedingsomgeving van hoge kwaliteit, in de zin van een stabiele leefomgeving, waarin veiligheid geborgd is en waarin zij de rust krijgen om toe te komen aan traumaverwerking en ontwikkeling van hun eigen gevoelens en identiteit. Bij de jongens moet het vlottrekken van hun gestagneerde ontwikkeling voorop staan.

Als indicaties voor een thuisplaatsing van de kinderen kunnen de wederzijdse band die de kinderen en de moeder ervaren, in combinatie met de veerkracht, inzet en gedrevenheid van de moeder in relatie tot haar eigen ontwikkeling, haar leerbaarheid en cognitieve mogelijkheden, haar betrokkenheid en affectieve/sensitieve en empathische mogelijkheden naar de kinderen en haar bereidheid om mee te werken aan begeleiding en/of behandeling van de kinderen gezien worden. Hiernaast is als positief aan te merken dat de moeder zich leerbaar en begeleidbaar heeft opgesteld jegens de omgangsbegeleiders. Verder is het gunstig dat de moeder zich open wil stellen voor het, in belang van [kind 3] , continueren van de band met de pleegouders en hiernaast aangeeft open te staan voor meer contact met deze mensen die zo lang een belangrijke rol in het leven van haar dochter hebben gespeeld.

Zorgelijk is echter dat er vooralsnog onvoldoende sprake is van inzicht bij de moeder in de (forse mate van) problematiek van de kinderen, met name bij [kind 1] en [kind 2] . Dit gebrek aan inzicht vormt een belangrijke contra-indicatie voor de opvoeding en verzorging van [kind 1] en [kind 2] bij haar thuis.

Voor de opvoeding van [kind 2] en [kind 1] is van groot belang dat de moeder nog zal moeten leren om voldoende (op de beschadigingen van de jongens aangepaste) structuur en begrenzing te bieden. Bij [kind 1] en [kind 2] wordt gezien dat de emotionele beschikbaarheid tussen hen en de moeder gecompliceerd is. Bij [kind 1] wordt de relatie gekleurd door gevoelens van afhankelijkheid, die door de moeder mogelijk gekoesterd en/of in stand gehouden worden vanuit een bij haarzelf ook aanwezig verlangen naar van belang zijn en geliefd zijn. Bij [kind 2] wordt de relatie gekleurd door opstandigheid, afwijzing en uitdagend gedrag. Hij heeft de neiging om tegen de moeder in te gaan, zijn eigen plan te willen uitvoeren, de moeder uit te schelden en lomp en grenzeloos om te gaan met spullen. Hij vertoont problemen in zijn emotieregulatie en kan emotioneel ontregelen bijvoorbeeld wanneer hij aangesproken wordt op negatief gedrag.

Bij [kind 3] vormt de veilige hechtingsrelatie met de pleegouders een risicofactor, aangezien die verbroken moet worden om een thuisplaatsing bij de moeder mogelijk te maken. Bovendien zal ook bij [kind 3] gewerkt moeten worden aan haar gevoel van veiligheid rondom de bezoeken aan de moeder. De emotionele beschikbaarheid tussen de moeder en haar wordt als goed genoeg beoordeeld waarbij de affectieve en sensitieve vaardigheden van de moeder goed aansluiten bij de behoeften van [kind 3] .

Hoewel de moeder dus op het gebied van verzorging en affectie voldoende te bieden lijkt te hebben en voldoende sensitief weet af te stemmen op de behoeften van de kinderen, lijken haar vaardigheden op pedagogisch gebied beperkter, met name waar het gaat om het bieden van structuur en begrenzing. Door deze beperking wordt verwacht dat de continue zorg voor alle vier haar kinderen lastig zal zijn voor de moeder en haar zal overvragen, zeker gezien de neiging tot oppositie van [kind 2] en de toenemende aandacht en begrenzing die de jongste dochter [kind 4] vraagt. Dit brengt risico’s met zich mee waar het gaat om het pedagogisch klimaat en de veiligheid in huis en vormt daarmee een risicofactor voor de opvoeding en verzorging van alle vier de kinderen bij de moeder thuis.

Wanneer bovengenoemde beschermende en risicofactoren tegen elkaar worden afgewogen vanuit het belang van de kinderen wordt een terugplaatsing van de kinderen op korte termijn niet haalbaar geacht gezien de risico’s voor het pedagogisch klimaat en de veiligheid die dit met zich meebrengt in combinatie met de overstap die de moeder in de nabije toekomst moet gaan maken naar het zelfstandig voeren van een huishouding en het inrichten van haar leven, de kans op overvraging is dan groot. Daarbij lijken de beschadigingen en trauma’s bij de twee oudste kinderen, in combinatie met moeders beperkingen in inzicht en afstemming op hun problematiek, ook op langere termijn aan een thuisplaatsing van de jongens in de weg te staan.

Bij [kind 3] worden in dit opzicht in een thuisplaatsing op de middellange termijn minder risico’s gezien, omdat deze relatie wat minder gecompliceerd wordt door de hechting- en traumagerelateerde problematiek die in de relatie met de jongens zo op de voorgrond staat. Toch zal ook bij een overplaatsing van [kind 3] er eerst een stabiele basis moeten worden gecreëerd in de situatie bij de moeder, voordat daar sprake van kan zijn. Opvoedondersteuning voor de moeder in het zelfstandig neerzetten van een huishouden als alleenstaande moeder van twee jonge meisjes in een voor haar geheel nieuwe wijk is hierbij noodzakelijk. Voordat tot een daadwerkelijke terugplaatsing kan worden overgegaan, lijkt het van belang dat de moeder eerst een periode met [kind 4] alleen “kwartier gaat maken” en gaat ontdekken wat er in de nieuwe wijk aan hulpverlening en ondersteuning te vinden is voor jonge moeders, en aan haar netwerk gaat werken en sociale contacten kan opdoen.

De huidige omgang kan worden voortgezet en mogelijk uitgebreid wat betreft duur. Het is wenselijk dat de overgang van pleeggezin naar de moeder begeleid wordt vanuit pleegzorg en gezinsvoogdij instelling met mogelijk ook ondersteuning vanuit Enver.

Voor [kind 1] en [kind 2] gaat de voorkeur uit naar continuering van hun verblijf in het huidige pleeggezin, aangezien zij daar inmiddels zijn ingegroeid en er een goede samenwerkingsrelatie tussen de moeder en de pleegmoeder is ontstaan. Wanneer het niet mogelijk is om voor langere tijd in het huidige pleeggezin te blijven, wordt voor hen een gezamenlijke plaatsing in een perspectiefbiedend therapeutisch pleeggezin/gezinshuis geadviseerd, waar hen de specialistische benadering en behandeling geboden kan worden die zij nodig hebben, gericht op hun hechting- en traumagerelateerde problematiek. De voorkeur wordt hierbij dan gegeven aan een pleeggezin in de regio [plaats] , zodat de jongens de band met hun moeder kunnen onderhouden en de moeder betrokken kan worden bij de behandeling van hun problematiek. Dit is belangrijk, omdat de moeder een belangrijke rol kan spelen in het vergroten van hun gevoel van veiligheid en vertrouwen. Hiervoor is enerzijds psycho-educatie voor de moeder nodig, maar is ook nodig dat de moeder de confrontatie aangaat met de eigen traumatische ervaringen, die nu zo krachtig door haar worden afgeweerd. Dit ook om de kinderen met haar hulp toegang te geven tot ‘hun verhaal’ waardoor zij ondersteund worden in hun persoonlijkheids- en identiteitsontwikkeling. Psychologische begeleiding van de moeder, parallel aan het behandelproces van de jongens wordt hierbij noodzakelijk geacht.

Wat betreft de omgangsregeling van de moeder met de jongens, wordt geadviseerd deze uit te breiden op geleide van belastbaarheid van alle betrokkenen. Voorstelbaar is dat op termijn, onder meer afhankelijk van het verloop van de traumabehandeling, er een weekend per maand gelogeerd kan worden of dat er in de vakanties een uitgebreider langduriger contact kan zijn.

De moeder

2.4

De moeder is geschrokken van de rapportage betreffende [kind 1] en [kind 2] . Zij hoopt dat de hulpverlening aan de kinderen voor hun trauma’s zijn vruchten zal afwerpen en vervolgens nogmaals kan worden overwogen wat het beste toekomstperspectief voor de kinderen is. Zelf is zij ook bereid alle benodigde hulpverlening aan te grijpen.

De moeder kan zich vinden in de rapportage van Formaat betreffende [kind 3] . Sinds de moeder zich heeft losgemaakt van haar ex-man, heeft zij een stijgende lijn ingezet. Volgens het rapport kan de moeder met adequate opvoedingsondersteuning de opvoeding van [kind 3] aan. Zij moet eerst samen met [kind 4] de nieuwe wijk ontdekken. Inmiddels woont de moeder alweer vijf maanden met [kind 4] in hun nieuwe woning. Zij heeft inzicht in haar eigen rol in het trauma van de kinderen. Daarvoor is aandacht van Enver en zij kunnen de moeder helpen met trauma sensitief opvoeden. Dat er een risico ligt in het verbreken van de veilige hechting met de pleegouders, is inherent aan wat pleegzorg is. De moeder en [kind 3] kunnen er ook niets aan doen dat het zolang heeft geduurd voordat er duidelijkheid is. Ook de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, heeft in de beschikking van 12 januari 2021 reeds overwogen dat moet worden toegewerkt naar de thuisplaatsing van [kind 3] bij de moeder.

Het is onduidelijk wat de oorzaak is van het gedrag van [kind 3] na de bezoeken aan de moeder. Van de 4,5 uur omgang tussen de moeder en [kind 3] is de pleegmoeder 3,5 uur aanwezig. Dat zorgt voor spanning bij de moeder en kunstmatigheid in het contact. Zij heeft het gevoel dat er onvoldoende ruimte is om zichzelf te zijn en zelf een contact op te bouwen met [kind 3] . Als de pleegmoeder bij de omgang aanwezig is, neigt [kind 3] vanzelfsprekend naar de pleegmoeder. Bovendien hebben de pleegouders moeite om emotionele toestemming te geven aan [kind 3] voor de omgang met de moeder. [kind 3] heeft last van die loyaliteitsgevoelens. Bij [kind 2] en [kind 1] zijn er contra indicaties voor een thuisplaatsing, maar bij [kind 3] veel minder.

De moeder ziet in dat zij het nodige zelf moet verwerken, maar zij wil dat er eerst rust komt, voordat zij het verleden kan verwerken.

De GI

2.5

De GI kan zich scharen achter de uitkomst van de rapportages van Formaat.

Er zijn grote zorgen over [kind 1] en [kind 2] , waarbij de moeder ook een onderdeel is in het trauma van de kinderen. Er zal wel een ander pleeggezin gezocht moeten worden voor [kind 1] en [kind 2] in [plaats] , omdat de huidige plek geen perspectief biedend pleeggezin betreft.

Ten aanzien van [kind 3] ziet de GI dat de pleegouders moeite hebben om de moeder haar rol als ouder meer zelfstandig vorm te laten geven in het contact met [kind 3] . Hierbij lijken de pleegouders (onbewust) [kind 3] onvoldoende ruimte te geven om haar beide loyaliteiten, naar zowel de pleegouders als de moeder, vorm te geven. Het risico bestaat dat [kind 3] hierdoor loyaliteitsproblemen gaat ontwikkelen. Er is momenteel sprake van negatieve beeldvorming en spanningen bij de pleegouders. [kind 3] vertoont na afloop van de bezoekmomenten met de moeder, zorgelijk gedrag in de thuissituatie bij de pleegouders. Dit kan door bovenstaand beschrevene veroorzaakt worden, maar mogelijk ook door de frequentie en de duur van de bezoeken, het ontbreken van een veiligheidsfiguur (bijvoorbeeld de pleegmoeder), alsmede de reisafstand tussen de moeder en de pleegouders.

Indien de pleegouders [kind 3] geen emotionele toestemming kunnen geven voor een plaatsing bij de moeder en als gevolg van de samenwerkingsproblemen met de moeder geen contact met [kind 3] kunnen/willen onderhouden, zal er een breuk ontstaan in de gehechtheidsrelatie tussen [kind 3] en de pleegouders. Dit zal een ingrijpende ervaring zijn met een mogelijk trauma als gevolg en zal een negatieve invloed hebben op haar ontwikkeling.

De GI is van mening dat eerst aan de voorwaarden gewerkt moet worden, voordat een beslissing over een thuisplaatsing genomen kan worden. Aan de voorwaarden moet worden voldaan wil terugplaatsing gaan slagen. [kind 3] moet emotionele toestemming van moeder en pleegouders krijgen om bij de ander te zijn, moeder moet zich houden aan belafspraken en bezoeken. De GI ziet dat dat soms nog lastig is, bijvoorbeeld met videobellen. Gezien de duur van de uithuisplaatsing van [kind 3] , haar hechtingsontwikkeling, en het feit dat de aanvaardbare termijn reeds is overschreden, is het noodzakelijk dat er zo spoedig mogelijk duidelijkheid aan [kind 3] gegeven kan worden over haar toekomstperspectief, aldus de GI.

De GI heeft voorts aangegeven dat ze zich wel zorgen maken omdat de moeder had aangegeven regelmatig contact met haar ouders te hebben, terwijl de vader van de moeder de GI heeft gebeld om te zeggen dat hij al lange tijd geen contact met haar heeft gehad. De GI vraagt zich af waarom de moeder daar niet open over is.

De pleegmoeder van [kind 1] en [kind 2]

2.6

De pleegmoeder van [kind 1] en [kind 2] heeft ter zitting in hoger beroep naar voren gebracht dat het goed gaat met de kinderen. Wel hebben zij last van herbelevingen. Zij reageren daarop door de grenzen op te zoeken. Zij hebben een goede structuur en rust nodig om zich te kunnen ontwikkelen. De bezoeken met de moeder verlopen goed, maar daarbij is het van belang dat de moeder niet te veel visite heeft, omdat de kinderen anders onrustig zijn na afloop van het bezoek. Het videobellen loopt regelmatig niet goed. De kinderen voelen zich afgewezen als de moeder er niet is en gaan agressief gedrag vertonen. Volgens [kind 1] en [kind 2] huilt de moeder nog wel veel als ze bij haar op bezoek zijn. De moeder zal eerst zelf hulp moeten zoeken voor haar problemen zodat zij voldoende krachtig is, aldus de pleegmoeder van [kind 1] en [kind 2] .

De pleegouders van [kind 3]

2.7

De pleegouders van [kind 3] zijn het niet eens met het rapport van Formaat en het advies met betrekking tot [kind 3] . Zij hebben niet het vertrouwen dat [kind 3] terug kan naar de moeder. Volgens de pleegouders zijn de door het hof aan Formaat gestelde vragen te veel gericht op de mogelijkheden/onmogelijkheden van de moeder en te weinig op wat [kind 3] nodig heeft. Zo is over haar hechting geen vraag gesteld. Ook verder vinden de pleegouders het rapport niet dan wel onvoldoende zorgvuldig/ondeugdelijk. De conclusie en het advies in het onderzoek sluiten onvoldoende aan bij de bevindingen in het onderzoek. De gesignaleerde zorgen met betrekking tot de moeder worden weliswaar beschreven, maar er wordt geen betekenis aangegeven door de onderzoekster. De vraag is wat de gevolgen zijn van het doorbreken van de veilige gehechtheid van [kind 3] . Deze vraag wordt in het rapport niet beantwoord. De pedagogische opvoedbehoefte van [kind 3] komt niet aan bod. Het door onderzoekers gesignaleerde gebrek aan introspectie en sociaal wenselijke opstelling van de moeder komt niet terug in de beantwoording van de vragen. Met de aanvaardbare termijn is dus geen rekening gehouden.

De pleegouders ervaren een andere relatie met de moeder dan de advocaat van de moeder weergeeft. Zij ervaren juist een prettige samenwerking met haar. Zij zien daarin een goede basis voor gedeeld ouderschap op termijn als [kind 3] daaraan toe is. Zij hebben de verwachting dat de omgang met moeder met [kind 3] bij hen thuis veel rust zal brengen. Dat heeft recent voor het eerst plaatsgevonden en verliep voor [kind 3] heel plezierig. Van hieruit willen de pleegouders graag verder uitbouwen. Ook uit de door de pleegouders overgelegde beoordeling van de rapportage van Formaat inzake [kind 3] en haar moeder, opgesteld op 3 maart 2021 door dr. A.M. Weterings (EC Kind in de pleegzorg), blijkt dat beëindiging van de plaatsing in het pleeggezin onverantwoord en niet in het belang van [kind 3] is. Het zou schadelijk zijn voor [kind 3] . Een plaatsing bij de moeder zou een experiment zijn met onzekere uitkomst. De pleegouders verzoeken het hof om het perspectief van [kind 3] bij het pleeggezin vast te stellen waarbij pleegouders en moeder samen het commitment aangaan voor de langere termijn waarbij conform draagkracht wordt gestreefd naar een vorm van gedeeld ouderschap op de langere termijn.

De vader

2.8

Van de zijde van de vader is aangesloten bij het betoog van de moeder in die zin dat zijn wens is dat alle drie de kinderen worden teruggeplaatst bij de moeder. Gelet op de jurisprudentie van het Europese Hof, moet er volgens de vader ook worden toegewerkt naar een thuisplaatsing.

De WSGV

2.9

De WSGV begeleidt de drie kinderen en hun pleegouders in het kader van de plaatsing binnen pleegzorg. De WSGV heeft in een door de pleegouders overgelegde brief van 4 maart 2021 over [kind 3] naar voren gebracht dat zij een positief contact heeft met haar moeder, maar nog geen veilige gehechtheidsrelatie met haar moeder heeft kunnen opbouwen. Wanneer zij nu thuisgeplaatst zou worden bij de moeder, zou haar veilige gehechtheidsrelatie met haar pleegouders doorbroken worden zonder dat zij in de relatie met haar moeder al een veilige gehechtheidsrelatie ervaart.

Er is sprake van een stroeve samenwerking tussen de hulpverleners. Een positieve, constructieve samenwerking tussen de moeder, de pleegouders, de jeugdzorgwerker en de pleegzorgwerker is noodzakelijk voor [kind 3] . Het is in het belang van [kind 3] dat zij gaat ervaren dat zij naast de veilige basis bij haar pleegouders, ook een veilige basis heeft bij haar moeder. [kind 3] kan dan gaan ervaren dat zij in beide gezinnen thuishoort en een thuis heeft. De WSGV is van mening dat een vorm van gedeeld opvoederschap in het belang van [kind 3] is. Haar basis zou dan liggen in het pleeggezin, waarbij haar moeder op vanzelfsprekende manier in haar leven thuishoort en waar zij regelmatig verblijft.

Noodzakelijk is onder meer dat geïnvesteerd wordt in het opbouwen van een veilige gehechtheidsrelatie tussen [kind 3] en de moeder, en het creëren van een constructieve coalitie om [kind 3] , de moeder en de pleegouders heen.

De WSGV heeft voorts aangevoerd dat al tijdens de zwangerschap een gehechtheidsrelatie ontstaat, dat het ongeboren kind alles meekrijgt wat er gebeurt en dat traumatiserende en negatieve indrukken niet gecorrigeerd kunnen worden. De moeder moet door en door betrouwbaar en voorspelbaar zijn om alsnog een veilige gehechtheidsrelatie te kunnen opbouwen.

De raad

2.10.

De raad mist in het rapport van Formaat aandacht voor het huiselijk geweld tijdens de zwangerschap. Algemeen bekend is dat dat invloed heeft op de ontwikkeling van een kind en het gevoel voor veiligheid. Bovendien heeft [kind 3] ook de eerste drie maanden onveiligheid ervaren. Niet zonder meer kan worden gesteld dat [kind 3] doordat zij nu in een veilige setting bij de pleegouders zit, daarmee de overplaatsing kan dragen. Kinderen die opgroeien met huiselijk geweld hebben een grotere kans psychopathologie op latere leeftijd. Het is nu nog te vroeg om over te gaan tot terugplaatsing bij de moeder, gezien het beperkte contact en gelet op de voorgeschiedenis. Er moeten bovendien nog allerlei stappen gezet worden, waaronder het vertrouwen dat de moeder moet geven aan [kind 3] en vooral haar betrouwbaarheid. Gedeeld ouderschap klinkt heel mooi, maar er is ook letterlijk een grote afstand tussen de moeder en het pleeggezin.

De vraag is of de goede gezonde jaren bij de pleegouders voldoende borging bieden voor hetgeen de moeder [kind 3] kan bieden. Het is ingewikkeld om dat alleen op basis van het rapport van Formaat te kunnen beoordelen. De raad kan niet beoordelen of de moeder al die vaardigheden in huis heeft om dat op te vangen.

Ten aanzien van [kind 1] en [kind 2] hebben de onderzoekers van Formaat ruimschoots aandacht besteed aan de voorgeschiedenis en wat dat vraagt van een opvoeder.

Oordeel van het hof

2.11

Het hof overweegt als volgt ten aanzien van de vraag of bij de bestreden beschikkingen terecht de uithuisplaatsingen van [kind 1] en [kind 2] en [kind 3] zijn verlengd tot respectievelijk 4 juni 2020 en 24 augustus 2020. Het hof zal voor de beantwoording van deze vraag uitgaan van de rapportage van Formaat. Het hof ziet onvoldoende aanleiding om het rapport als geheel als onzorgvuldig of ondeugdelijk te beschouwen, zoals de pleegouders van [kind 3] kennelijk betogen. Formaat heeft uitgebreid onderzoek gedaan en heeft op basis van de onderzoeksresultaten de vragen van het hof beantwoord.

Weliswaar had het op de weg van Formaat gelegen het hof uitgebreider te informeren over de door [kind 3] voor (en door de) de uithuisplaatsing opgelopen trauma’s, wat zou kunnen leiden tot het stellen van nadere vragen aan Formaat, maar daartoe ziet het hof, gelet op hetgeen hierna zal worden overwogen, geen aanleiding.

Het hof stelt voorop dat uit alles blijkt dat de moeder zeer liefdevol is naar haar kinderen en haar uiterste best doet een goede moeder te zijn. Echter, de kinderen zijn in oktober 2018 uit huis geplaatst in verband met de onveilige thuissituatie, waarin zij herhaaldelijk zijn geconfronteerd met fysiek geweld van de vader naar de moeder. Zij verblijven sindsdien in pleeggezinnen. De kinderen hebben een zeer belaste voorgeschiedenis waar zij allen (ernstige) gevolgen van ondervinden. De te beantwoorden vraag is onder meer of de moeder over de opvoedvaardigheden beschikt die deze belaste kinderen nodig hebben.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat [kind 1] en [kind 2] psychische en gedragsproblemen hebben als gevolg van de onveilige thuissituatie voordat zij uit huis werden geplaatst en door de verschillende uithuisplaatsingen en de gebeurtenissen in het gezinshuis waar zij verbleven vóór het huidige pleeggezin. Zij hebben daardoor behoefte aan een opvoeder die meer dan gebruikelijke opvoedingsvaardigheden heeft. Ook [kind 3] is als ongeboren kind en tijdens de eerste maanden van haar leven getuige geweest van de mishandelingen door de vader van de moeder en de spanningen van de moeder. Gebleken is dat dit kan leiden tot een verhoogde kwetsbaarheid op ontwikkelingsachterstanden (Formaat), tot traumatiserende en negatieve indrukken (WSGV) en invloed kan hebben op de ontwikkeling en op gevoelens van (on)veiligheid (de raad).

Formaat concludeert in de rapportages dat een terugplaatsing van de kinderen op korte termijn niet haalbaar wordt geacht gezien de risico’s voor het pedagogisch klimaat en de veiligheid die dit met zich meebrengt in combinatie met de (toen nog) te maken overstap van de moeder naar het zelfstandig voeren van een huishouding en het inrichten van haar leven, waarbij de kans op overvraging groot is. Daarbij lijken de beschadigingen en trauma’s bij de twee oudste kinderen, in combinatie met de beperkingen van de moeder in inzicht en afstemming op hun problematiek, een thuisplaatsing van de jongens ook op langere termijn in de weg te staan. Bij [kind 3] ziet Formaat in dit opzicht in een thuisplaatsing op de middellange termijn minder risico’s.

Ten aanzien van de opvoedvaardigheden van de moeder concludeert Formaat in de rapportage dat, hoewel de moeder in staat is sensitief en empathisch te reageren op de kinderen, zij weinig structuur, grenzen en duidelijkheid biedt. [kind 1] en [kind 2] vragen in de opvoeding meer dan een doorsnee kind. Zij hebben veel rust, aandacht en liefde nodig. De jongens hebben als gevolg van opgedane traumatische ervaringen in het verleden en een onveilig verlopen gehechtheidsontwikkeling meer professionele ondersteuning nodig in hun opvoeding dan de moeder in staat is te bieden. Wat betreft [kind 3] lijkt de moeder, zo concludeert Formaat, veel beter aan te kunnen sluiten op haar opvoedingsbehoeften, alhoewel ook in het contact met [kind 3] de moeder minder sterk is in het bieden van structuur. Met adequate ondersteuning is de inschatting van Formaat dat de moeder aan de opvoedingsbehoeften van [kind 3] tegemoet kan komen.

Het hof is van oordeel dat, zoals ook Formaat concludeert, een terugplaatsing van de kinderen op korte termijn niet haalbaar is, gezien de risico’s voor het pedagogisch klimaat en de veiligheid die dit met zich meebrengt gelet op de problematiek van de kinderen. Daarbij komt dat op het moment van de bestreden beschikkingen en ten tijde van de verlengingsperiode de moeder nog een overstap moest gaan maken naar het zelfstandig voeren van een huishouding, waarbij zij ook de zorg voor [kind 4] had. Het hof acht het voorts van belang dat, zoals blijkt uit de rapportage van Formaat, de moeder in ieder geval ten aanzien van [kind 1] en [kind 2] moeite heeft met het bieden van structuur en begrenzing en dat ook bij [kind 3] het structuur bieden een moeilijk punt is. Bovendien ervoer [kind 3] rondom de momenten van omgang met de moeder spanningen die hebben geleid tot een vermindering van de omgangsmomenten, welke spanningen nog steeds bestaan en nog niet goed verklaard kunnen worden. Verder geeft de moeder aan mee te werken met hulpverlening, wat zij ook doet, maar zijn er, zoals ter zitting is gebleken, signalen dat de moeder niet altijd openheid van zaken geeft, zoals bijvoorbeeld over de contacten met haar ouders. Dit alles betekent dat de zorgen die ten tijde van de uithuisplaatsing bestonden op het moment van de bestreden beschikkingen en gedurende de verlengingsperiode nog niet waren weggenomen. Het hof is van oordeel dat de verlenging van de uithuisplaatsingen van [kind 1] , [kind 2] en [kind 3] tot 4 juni 2020 respectievelijk 24 augustus 2020 dan ook noodzakelijk zijn geweest in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen en dat de rechtbank terecht de uithuisplaatsingen heeft verlengd. Het hof zal de bestreden beschikkingen dan ook bekrachtigen.

2.12

Hoewel geen van de betrokken partijen in hoger beroep is gekomen tegen de beslissingen van de rechtbank over de verlenging van de uithuisplaatsing na de bestreden beschikkingen, hebben alle partijen ter zitting in hoger beroep aangegeven behoefte te hebben aan duidelijkheid over het toekomstperspectief van de kinderen en het hof verzocht zich daarover uit te laten. Het hof zal hier dan ook een overweging ten overvloede aan wijden. Ook hierbij zal het hof uitgaan van de rapportage van Formaat, zoals in overweging 2.11 is overwogen.

Ten aanzien van [kind 1] en [kind 2] is het hof van oordeel, mede gelet op de conclusies van Formaat, dat de beschadigingen en trauma’s bij [kind 1] en [kind 2] , in combinatie met moeders beperkingen in inzicht en afstemming op hun problematiek ook op langere termijn aan een thuisplaatsing van de jongens in de weg staan. Het hof acht het, zoals Formaat aangeeft, zorgelijk dat vooralsnog onvoldoende sprake is van inzicht bij de moeder in de (forse mate van) problematiek van de kinderen, met name bij [kind 1] en [kind 2] . De moeder realiseert zich wel dat de kinderen beschadigd (kunnen) zijn door de mishandelingen door de vader, maar is tegelijkertijd geneigd dit wat te bagatelliseren en geeft aan hier zelf weinig van te merken. Ze lijkt onvoldoende te beseffen dat zijzelf als onveilig wordt ervaren door de jongens, omdat zij zichzelf en hen niet heeft kunnen beschermen tegen de mishandeling door de vader. Dit lijkt voor een belangrijk deel samen te hangen met haar vermijdende, zelfbeschermende copingsstijl, waar het haar eigen traumatische ervaringen met de vader betreft. Dit gebrek aan inzicht vormt een belangrijke contra-indicatie voor de opvoeding en verzorging van [kind 1] en [kind 2] bij haar thuis. Verwacht wordt dat de moeder door haar eigen problematiek onvoldoende in staat zal zijn hen de in dat opzicht noodzakelijke emotionele ondersteuning en veiligheid te bieden, met alle risico’s van dien. Dit betekent dat het opvoedperspectief van [kind 1] en [kind 2] bij een pleeggezin ligt.

Bij [kind 3] worden door Formaat in dit opzicht in een thuisplaatsing op de middellange termijn minder risico’s gezien, omdat deze relatie wat minder gecompliceerd wordt door de hechtings- en trauma gerelateerde problematiek die in de relatie met de jongens zo op de voorgrond staat. Wel geeft Formaat aan dat aan de volgende voorwaarden moet zijn voldaan voordat sprake kan zijn van een terugplaatsing van [kind 3] naar de moeder:

- er moet een stabiele basis worden gecreëerd in de situatie bij de moeder;

- de moeder moet leren zelfstandig een huishouden te voeren in een voor haar geheel nieuwe wijk met behulp van opvoedingsondersteuning;

- gewerkt moet worden aan het gevoel van veiligheid van [kind 3] rondom de bezoeken met de moeder. In de loop van de tijd zijn er forse problemen ontstaan rondom de omgang van [kind 3] met haar moeder, voorafgaand en na de bezoeken, waarvoor geen eenduidige oorzaak is te vinden.

Verder is het van belang dat de moeder psycho-educatie zal krijgen, zodat zij inzicht krijgt in haar eigen problematiek en zij de confrontatie aangaat met haar eigen traumatische ervaringen, die nu zo krachtig door haar worden afgeweerd.

Het hof volgt Formaat in het voorgaande. De moeder dient dan ook aan de voornoemde voorwaarden te voldoen voordat sprake kan zijn van terugplaatsing van [kind 3] bij de moeder. De moeder woont met [kind 4] sinds een aantal maanden zelfstandig in haar nieuwe woning en krijgt ook wekelijks opvoedondersteuning van Enver. De moeder stelt echter zelf dat zij eerst rust nodig heeft voordat zij kan starten met psycho-educatie. Niet gebleken is op welke termijn zij denkt daarmee te kunnen starten. Het hof acht dit zorgelijk, gelet op het ontbreken van inzicht bij de moeder in haar eigen problematiek en de gevolgen daarvan op de kinderen, en de noodzaak hieraan te werken, wat ook van belang is voor het begrip van en de omgang met [kind 3] (en de andere kinderen). Daarbij komt dat [kind 3] rondom de omgang kennelijk niet een gevoel van veiligheid ervaart, waarvan de oorzaak niet duidelijk is en waaraan dient te worden gewerkt.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat onvoldoende vaststaat of en op welke termijn de moeder aan de gestelde voorwaarden kan voldoen. Dat dit -indien al haalbaar- in ieder geval niet op korte termijn kan worden gerealiseerd is, mede gelet op de bevindingen van Formaat, voldoende gebleken. Naar het oordeel van het hof leidt die onzekerheid ertoe dat voor [kind 3] de aanvaardbare termijn waarbinnen de moeder in staat zou moeten zijn de opvoeding voor haar te dragen is verstreken. Daarbij heeft het hof meegewogen de omstandigheid dat [kind 3] vanaf dat zij vier maanden oud is, inmiddels gedurende ruim tweeënhalf jaar, bij de pleegouders woont, alsmede de verhoogde kwetsbaarheid van [kind 3] op ontwikkelingsstoornissen gelet op haar verleden en moeilijke start, het risico voor [kind 3] bij het doorbreken van de veilige gehechtheid van [kind 3] aan de pleegouders, en de thans nog ontbrekende veilige gehechtheid aan de moeder. Daarbij komt dat het hof het voor [kind 3] en ook voor alle andere betrokkenen schadelijk acht om nog langere tijd in onzekerheid te blijven over waar zij zal mogen opgroeien.

Dit alles betekent dat het hof van oordeel is dat het opvoedperspectief van [kind 3] bij de pleegouders ligt.

2.14

Het hof acht het van belang nog op te merken dat de moeder altijd de moeder van de kinderen blijft. Het hof heeft er alle vertrouwen in dat zij samen met alle andere betrokkenen kan en zal werken aan het stabiliseren van goed contact en van het toewerken naar een veilige gehechtheidsrelatie met de kinderen, wat wellicht kan leiden tot, zoals ook de pleegouders van [kind 3] hebben aangegeven, een uitbreiding van de omgang met de kinderen.

2.15

Dit leidt tot de volgende beslissing.

3 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikkingen waarvan beroep;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte;

stelt de kosten van het deskundigenonderzoek vast op in totaal € 21.047,85 (inclusief btw) en bepaalt dat deze kosten ten laste van 's Rijks kas komen.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. Jonkers, mr. M.T. Hoogland en mr. J.A. van Keulen, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 3 augustus 2021 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.