Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:2371

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-08-2021
Datum publicatie
17-08-2021
Zaaknummer
23-004195-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Overtreding van artikel 5 WVW 1994, gepleegd op 5 februari 2017 te Amsterdam, 2) Overtreding van artikel 107, eerste lid, WVW 1994, gepleegd op 5 februari 2017 te Amsterdam. Vonnis is vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004195-19

datum uitspraak: 10 augustus 2021

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 12 juni 2019 in de strafzaak onder parketnummer 96-152071-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 7 juli 2020, 21 juli 2020 en 27 juli 2021.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw ter terechtzitting van 7 juli 2020 naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 5 februari 2017 te Amsterdam, als bestuurder van een voertuig (motorfiets), daarmee rijdende op meerdere wegen,

- op de IJburglaan, geen gehoor heeft gegeven aan een aanwijzing van een kenbare opsporingsambtenaar om het voertuig op een bepaalde plaats tot stilstand te brengen en/of op of nabij het kruispunt met de Zuiderzeeweg, niet de rijrichting heeft gevolgd die de voorsorteerstrook waarop hij zich bevond aangaf, immers is hij niet rechtsaf geslagen maar rechtdoor gereden, en/of

- ( vervolgens), in de Piet Heintunnel, met een snelheid van ongeveer 145 km/u heeft gereden, althans met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en/of meermalen van rijstrook is gewisseld zonder richting aan te geven, en/of

- ( vervolgens), op of nabij de Panamakade en gaande in de richting van de Czaar Peterstraat, over het fietspad en/of de trambaan is gereden, en/of

- ( vervolgens), op het kruispunt van de Frans de Wollantstraat met de Panamalaan, een ander voertuig rechts is gepasseerd en/of het rode verkeerslicht heeft genegeerd, en/of

- ( vervolgens), op de Cruquiusweg, een inrijdverbod heeft genegeerd en/of (met hoge snelheid) over een fietspad is gereden,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;


2.
hij op of omstreeks 5 februari 2017 te Amsterdam, als bestuurder van een motorrijtuig (motorfiets), heeft gereden op de weg, de IJburglaan, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 395a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft vrijspraak van beide ten laste gelegde feiten bepleit. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de motorfiets die op naam van de verdachte stond in de nacht van 4 op 5 februari 2017 is gestolen en dat de verdachte niet de persoon is geweest die op 5 februari 2017 door de verbalisanten op de motorfiets is gezien. Ter onderbouwing hiervan heeft zij een voorblad van een door de verdachte op 7 februari 2017 gedane aangifte overgelegd. Volgens de verdachte moet iemand die wellicht enigszins op hem leek de motorfiets hebben bestuurd.

Het hof overweegt als volgt.

Drie verbalisanten hebben op 5 februari 2017 omstreeks 19:28 uur een motorfiets zien rijden die op naam stond van de verdachte. Zij zagen dat de verdachte gevaarlijk rijgedrag vertoonde en zijn vlak naast de motorfiets gestopt. Na het stoppen hebben de verbalisanten de persoon op de motorfiets aangesproken en hem vanaf een afstand van anderhalve meter in het gezicht gekeken. De persoon op de motorfiets droeg een pothelm en een sjaal vanaf zijn neus tot zijn keel, waardoor een deel van zijn gezicht voor de verbalisanten zichtbaar was. De verbalisanten hebben de persoon op de motorfiets goed in het gezicht kunnen zien en hebben het zichtbare deel van zijn gezicht ter plekke vergeleken met een foto van de verdachte uit de politiesystemen. De verbalisanten hebben de persoon op de motorfiets herkend als zijnde de verdachte.

Het hof heeft, mede gelet op de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden, geen reden te twijfelen aan de duidelijke en specifieke herkenning van de verdachte door de drie verbalisanten. Deze herkenning wordt bovendien ondersteund door de omstandigheid dat de motorfiets op naam van de verdachte stond. Aan de herkenning doet niet af dat de verdachte twee dagen nadat de tenlastegelegde feiten hebben plaatsgevonden, te weten op 7 februari 2017, aangifte heeft gedaan van diefstal van de motorfiets tussen 4 februari 2017 te 22.00 uur en 5 februari 2017 te 12.00 uur.

Het hof is dan ook van oordeel dat het onder 1 tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard en dat de verdachte degene is die het tenlastegelegde gevaarlijke rijgedrag heeft vertoond.

Nu de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde niet in het bezit was van een geldig rijbewijs, is het hof van oordeel dat het onder 2 tenlastegelegde eveneens bewezen kan worden verklaard.

Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op 5 februari 2017 te Amsterdam, als bestuurder van een voertuig (motorfiets), daarmee rijdende op meerdere wegen,

- op de IJburglaan, geen gehoor heeft gegeven aan een aanwijzing van een kenbare opsporingsambtenaar om het voertuig op een bepaalde plaats tot stilstand te brengen en op het kruispunt met de Zuiderzeeweg, niet de rijrichting heeft gevolgd die de voorsorteerstrook waarop hij zich bevond aangaf, immers is hij niet rechtsaf geslagen maar rechtdoor gereden, en

- vervolgens, in de Piet Heintunnel, met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid heeft gereden en meermalen van rijstrook is gewisseld zonder richting aan te geven, en

- vervolgens, op of nabij de Panamakade en gaande in de richting van de Czaar Peterstraat, over het fietspad en de trambaan is gereden, en

- vervolgens, op het kruispunt van de Frans de Wollantstraat met de Panamalaan, een ander voertuig rechts is gepasseerd en het rode verkeerslicht heeft genegeerd, en

- vervolgens, op de Cruquiusweg, een inrijdverbod heeft genegeerd en met hoge snelheid over een fietspad is gereden,

door welke gedragingen van verdachte gevaar op die wegen werd veroorzaakt en het verkeer op die wegen werd gehinderd;


2.
hij op 5 februari 2017 te Amsterdam, als bestuurder van een motorrijtuig (motorfiets), heeft gereden op de weg, de IJburglaan, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straffen en maatregel

De kantonrechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 1.000,00, te vervangen door 20 dagen hechtenis. Voor het in eerste aanleg onder 2 bewezenverklaarde heeft de kantonrechter de verdachte veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 400,00, te vervangen door 8 dagen hechtenis, en tot een voorwaardelijke hechtenis voor de duur van één week, met een proeftijd van één jaar.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 500,00, te vervangen door 10 dagen hechtenis, en tot een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twee maanden. Voor het onder 2 tenlastegelegde heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 400,00, te vervangen door 8 dagen hechtenis, en tot een voorwaardelijke hechtenis voor de duur van één week met een proeftijd van één jaar.

De raadsvrouw heeft verzocht in het geval van een bewezenverklaring de door de advocaat-generaal gevorderde geldboetes te matigen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en bijkomende straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan gevaarlijk rijgedrag. Hij heeft daarbij geen rekening gehouden met de gevolgen die zijn rijgedrag voor andere verkeersdeelnemers zou kunnen hebben. Bovendien was de verdachte op dat moment niet in het bezit van een geldig rijbewijs.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 15 juli 2021 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld ter zake van verkeersfeiten. Het hof houdt hier rekening mee in het nadeel van de verdachte. Het hof heeft tevens rekening gehouden met het bepaalde in artikel 63 Wetboek van Strafrecht. Het hof acht de straffen zoals gevorderd door de advocaat-generaal passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c, 62 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 107, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 (twee) maanden.

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 400,00 (vierhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 8 (acht) dagen hechtenis.

Veroordeelt de verdachte tot hechtenis voor de duur van 1 (één) week.

Bepaalt dat de hechtenis niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. V.M.A. Sinnige, mr. F.A. Hartsuiker en mr. A. Dantuma-Hieronymus, in tegenwoordigheid van mr. E.C. Damo, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 augustus 2021.

Mr. V.M.A. Sinnige en mr. A. Dantuma-Hieronymus zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.