Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:2260

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-06-2021
Datum publicatie
12-08-2021
Zaaknummer
19/00888 en 19/00889
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

BPM; naheffingsaanslag; bezwaar tegen voldoening op aangifte; toepassing Unierecht; hoorgesprek; rentevergoeding; proceskostenvergoeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 16-8-2021
V-N Vandaag 2021/1955
FutD 2021-2707
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerken 19/00888 en 19/00889

24 juni 2021

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X BV] , gevestigd te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven)

tegen de uitspraak van 7 juni 2019 in de zaak met kenmerken HAA 17/2949 en HAA 17/2950 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat, de Minister van Veiligheid en Justitie te Den Haag, de Minister,

op het verzoek van belanghebbende tot het toekennen van een vergoeding van immateriële schade.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft op 10 juli 2013 een bedrag van € 7.710 aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) voldaan ter zake van de registratie van een personenauto.

1.2.

De inspecteur heeft met dagtekening 11 december 2013 aan belanghebbende

een naheffingsaanslag bpm opgelegd van € 1.026.

1.3.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft in twee afzonderlijke uitspraken op bezwaar, gedagtekend 4 mei 2017, het bezwaar tegen de voldoening niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar tegen de naheffingsaanslag gegrond verklaard en de naheffingsaanslag vernietigd. In de uitspraak op het bezwaar tegen de voldoening op aangifte heeft de inspecteur ambtshalve een teruggaaf verleend ten bedrage van € 358.

1.4.

Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft in haar uitspraak

van 7 juni 2019 als volgt op het beroep beslist (belanghebbende en de inspecteur worden in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘eiseres’ respectievelijk ‘verweerder’):

“De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder tot vergoeding van de door eiseres geleden immateriële schade tot een bedrag van € 3.500;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 200;

  • -

    gelast de griffier aan eiser[es] terug te betalen het griffierecht ad € 333 in het beroep met zaaknummer HAA 17/2849, en

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht in het beroep met zaaknummer HAA 17/2850 ad € 333 aan eiser[es] te vergoeden.”.

1.5.

Het tegen de uitspraak van de rechtbank door belanghebbende ingestelde hoger beroep is

bij het Hof ingekomen op 17 juli 2019 en is aangevuld bij brief van 30 juli 2019. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Op 1 juni 2021 is van belanghebbende een pleitnota ontvangen.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juni 2021. Het onderzoek in deze zaak heeft gelijktijdig plaatsgevonden met het onderzoek in de zaak met kenmerk 19/00890, betreffende een andere belanghebbende. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft de feiten als volgt vastgesteld.

“1. Eiseres heeft op 4 juli 2013 aangifte gedaan voor de BPM van een te betalen

bedrag van € 7.110 ter zake van de registratie van een Volkswagen met een

voertuigidentificatienummer eindigend op [****] (hierna: de auto) en zij heeft dit bedrag op

10juli 2013 voldaan. Verweerder heeft op 11 december 2013 aan eiseres een

naheffingsaanslag BPM opgelegd van € 1.026.

2. Eiseres heeft op 18 december 2013 tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt.

3. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 4 mei 2017 het bezwaar van eiseres

tegen de voldoening ter zake van de registratie niet-ontvankelijk verklaard wegens

termijnoverschrijding. Wel is ambtshalve teruggaaf verleend ad € 358 in verband met een

hogere handelsinkoopwaarde omdat per abuis niet de juiste datum eerste toelating is

ingevuld bij het opmaken van de koerslijst.

4. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 4 mei 2017 het bezwaar tegen de

naheffingsaanslag gegrond verklaard en de naheffingsaanslag vernietigd. Verweerder heeft

tevens een proceskostenvergoeding in verband met rechtsbijstand toegekend van € 246.

5. Eiser heeft tegen beide uitspraken op bezwaar op 8 juni 2017 beroep ingesteld. Het

beroep tegen de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de naheffingsaanslag is door de

rechtbank geregistreerd onder zaaknummer HAA 17/2949 en het beroep tegen de uitspraak

op bezwaar met betrekking tot de voldoening ter zake van de registratie is geregistreerd

onder zaaknummer HAA 17/2950.”

2.2.

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan.

3. Geschil in hoger beroep

3.1.

Belanghebbende heeft in hoger beroep een aantal grieven van formeelrechtelijke en procedurele aard aangevoerd, betreffende onder meer de redelijke procestermijn, de hoorplicht, de proceskostenvergoeding, de vergoeding van rente en de uitlegging van het Unierecht te dier zake.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

4 Overwegingen van de rechtbank

De rechtbank heeft omtrent het geschil als volgt overwogen en beslist:

Inzake het beroep genummerd HAA 17/2950

8. Verweerder stelt primair dat eiser geen bezwaar heeft gemaakt tegen de voldoening en om die reden het bezwaar niet-ontvankelijk is. De rechtbank kan verweerder hierin niet volgen. Uit de bewoordingen van het bezwaarschrift blijkt dat het is gericht tegen zowel de voldoening van BPM als de opgelegde naheffingsaanslag. Voor zover verweerder heeft bedoeld te stellen dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat eiser geen bezwaar heeft gemaakt tegen de voldoening, faalt dit standpunt. Het beroep is immers gericht tegen een als uitspraak op bezwaar aangeduide beslissing van verweerder.

9. Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Op grond van artikel 22j, aanhef en letter b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: A\\TR), vangt in afwijking daarvan de termijn voor het instellen van bezwaar aan met ingang van de dag na die van de voldoening. Op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is

ontvangen (artikel 6:9, tweede lid, van de Awb).

10. Gelet op het hiervoor overwogene en gezien de dag (10 juli 2013) van de voldoening op aangifte, is de bezwaartermijn aangevangen op 11 juli 2013 en geëindigd op 21 augustus 2013. Het bezwaarschrift van eiseres is door verweerder op 18 december 2013, derhalve na het einde van de termijn, ontvangen.

11. Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift de niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Eiseres heeft zich, naar de rechtbank begrijpt, in dit verband op het standpunt gesteld dat zij niet bekend was met de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen de voldoening van BPM en dat geen rechtsmiddelverwijzing staat vermeld op de aangifte of het betaalbericht.

12. De rechtbank verwijst met betrekking tot de door eiseres aangedragen grieven naar de uitspraak van deze rechtbank van 20 juli 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:6559, rechtsoverweging 12. De gemachtigde van eiseres heeft in die procedure ter zitting desgevraagd verklaard dat zij zich bij het doen van aangifte heeft laten bijstaan door Importautos.nl. De bijstand hield, naar de rechtbank op grond van de stukken begrijpt, ook in deze procedure onder meer in het berekenen van de ter zake van de registratie van de auto verschuldigde BPM. Van een bedrijf als Importautos.nl, dat zich professioneel bezig houdt met het verlenen van bijstand bij het doen van aangiften BPM, mag redelijkerwijs worden aangenomen dat het bekend is met de bezwaartermijn die bij voldoening van BPM op aangifte geldt. Naar het oordeel van de rechtbank dient de kennis van Importautos.nl B.V. aan eiseres te worden toegerekend. Eiseres kan derhalve niet met succes een beroep doen op het bepaalde in artikel 6:11 van de Awb op de enkele grond dat verweerder hem niet heeft gewezen op de mogelijkheid bezwaar te maken tegen de voldoening op aangifte. Bovendien wordt in de toelichting, waarnaar op het aangiftebiljet wordt verwezen, uitdrukkelijk

gewezen op de mogelijkheid van bezwaar en de daarvoor geldende termijn. zodat in zoverre

de stelling van eiseres feitelijke grondslag mist (vgl. Gerechtshof Amsterdam 23 februari

2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:673).

13. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het bezwaar tegen de voldoening van BPM terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Het daartegen gerichte beroep is derhalve ongegrond.

14. Voor de stelling van de gemachtigde dat verweerder het bezwaar niet niet-ontvankelijk had mogen verklaren zonder de bezwaarde te horen, verwijst de rechtbank naar hetgeen hierna onder overweging 15 met betrekking tot het verdedigingsbeginsel is opgenomen. Voor zover daarnaast sprake is van een beroep op de in de Awb opgenomen bepalingen omtrent het horen in bezwaar heeft te gelden dat dat indien al geconcludeerd zou moeten worden dat de hoorplicht in bezwaar vervat in de Awb is geschonden, dit verzuim met toepassing van artikel 6:22 van de Awb dient te worden gepasseerd omdat niet aannemelijk is dat sprake is van benadeling (vergelijk rechtsoverweging 23 in eerder genoemde uitspraak ECLI:NL:RBNHO:20l 8:6559).

Inzake het beroep genummerd HAA 17/2949

1. Vooraf overweegt de rechtbank dat het beroep betreffende de in bezwaar vernietigde naheffingsaanslag niet niet-ontvankelijk is. Het procesbelang is in ieder geval gelegen in de stellingen van eiseres dat verweerder ambtshalve een vergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn had moeten verstrekken (stelling d hierna te noemen) en dat verweerder een hogere dan de forfaitaire vergoeding voor bezwaarkosten had moeten verstrekken (stelling h hierna te noemen uitspraak).

16. De gemachtigde van eiseres heeft namens vele belastingplichtigen voor de BPM beroep bij deze en andere rechtbanken ingesteld. In de bij deze rechtbank in 2017 door de gemachtigde ingediende beroepen heeft de gemachtigde telkens vergelijkbare algemene grieven aangevoerd. Deze grieven zijn deels of alle in deze zaak aangevoerd. Deze grieven zien op - naar de gemachtigde stelt - een onjuiste toepassing van het recht, meer in het bijzonder op de volgende punten:

a. schending van artikel 11 0 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU), doordat verweerder ten onrechte niet voldoet aan de op hem rustende bewijslast. Verweerder moet stellen en onderbouwen dat niet meer BPM is verschuldigd geworden dan op vergelijkbare auto’s rust, meer specifiek dat de auto niet is onderworpen aan een hogere belasting dan de belasting die nog rust op de waarde van gelijksoortige, reeds op het nationale grondgebied geregistreerde gebruikte auto’s;

b. onverbindendheid van artikel 28c van de Invorderingswet 1990 (hierna: Iw) en artikel 30ha van de Algemene wet inzake rijksbelastingen op grond van Europese regelgeving en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) van 18 april 2013, Mariana Irimie, C-565/1 1, ECLI:EU:C:2013:250. Verweerder moet (meer) rente betalen over de teveel betaalde BPM dan uit de nationale wet voortvloeit en mag daarbij niet de in artikel 28e van de Iw vermelde voorwaarden stellen;

c. schending van het Europese recht, in het bijzonder het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging (‘verdedigingsbeginsel’), indien eiser niet in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord voorafgaand aan hel opleggen van de naheffingsaanslag en/of in bezwaar.

d. schending van het recht, aangezien de redelijke termijn waarbinnen geschillen over de heffing van belastingen behoren te worden beslecht bij het doen van de uitspraak op bezwaar reeds was overschreden en verweerder niet ambtshalve een vergoeding voor immateriële schade heeft toegekend; en

e. onverbindendheid van artikel 2, eerste lid, onderdeel a van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb), aangezien Europese regelgeving in de weg staat aan de in die

bepaling opgenomen forfaitaire kostenvergoeding.

Daarnaast is de algemene grief aangevoerd dat:

f. op grond van het Europese recht de rechtbank moet bepalen dat verweerder rente moet vergoeden over het terug te betalen griffierecht.

Bij uitspraak van 30 oktober 2018, zaaknummer 17/2747, ECLI:NL:RBNHO:2018:9620 heeft de rechtbank de hiervoor genoemde grieven beoordeeld. De rechtbank verwijst voor wat betreft het geschil in onderhavige zaak en de beoordeling daarvan naar de uitspraak van deze rechtbank van 30 oktober 2018, met betrekking tot grieven a tot en met f. De rechtbank ziet geen reden in onderhavige zaak van deze uitspraak af te wijken. Voor zover deze grieven in deze zaak zijn aangevoerd, falen ze dan ook.

17. Voor zover eiseres heeft gesteld dat op grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb) recht bestaat op integrale vergoeding van de kosten van bezwaar en beroep omdat verweerder ten tijde van de vaststelling van de bij de uitspraak op bezwaar vernietigde naheffingsaanslag wist dat deze gelet op het Europese recht, in het bijzonder artikel 110 van het VWEU, geen stand zou houden, verwijst de rechtbank naar rechtsoverweging 16 van de hiervoor aangehaalde uitspraak ECLI:NL:RBNHO:2018:6559.

18. Voor de vraag of verweerder, zoals eiseres kennelijk heeft gesteld, tegen beter weten in de naheffingsaanslag heeft opgelegd, is het volgende van belang. Uit de aankondiging van de naheffingsaanslag blijkt dat de naheffingsaanslag is gegrond op het feit dat verweerder zich op het standpunt stelde dat eiser bij vaststelling van de werkelijke afschrijving is uitgegaan van een koerslijst van XRAY die betrekking heeft op een zogenaamde “marge-auto” terwijl voor de waardecalculatie de auto een “BTW-auto” zou zijn. Nadat het bezwaarschrift en de motivering van het bezwaarschrift waren ingediend, volgde (na enige tijd) de uitspraak op bezwaar waarbij de naheffingsaanslag werd vernietigd. De uitspraak op bezwaar verwijst ter motivering van de vernietiging uitsluitend naar “de onlangs verschenen arresten Hoge Raad en de recente aanpassing van het Kaderbesluit bpm”. Volgens het verweerschrift was er geen sprake van een flagrante strijd

met artikel 110 van het VWEU.

19. De arresten waarnaar verweerder in de uitspraak op bezwaar verwijst, omhelst wellicht het arrest van de Hoge Raad van 27 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:45. Deze zaak betrof de vraag of voor de BPM-berekening van koerslijsten voor margeauto’s of voor BTW-auto’s moet worden uitgegaan. Gelet op het voorgaande is aannemelijk dat dit arrest reden is geweest voor de vernietiging van de naheffingsaanslag.

20. Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat sprake is geweest van naheffing in strijd met het Europese recht. Dit enkele feit is op zichzelf echter onvoldoende om te kunnen oordelen dat verweerder ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag tegen beter weten in heeft gehandeld. Nu eiser heeft nagelaten om te preciseren waarom verweerder met het opleggen van de naheffingsaanslag tegen beter weten in zou hebben gehandeld, gaat de rechtbank hieraan voorbij.

Vergoeding van immateriële schade in beide beroepen

21. Eiseres heeft verzocht verweerder te veroordelen tot vergoeding voor immateriële schade, aangezien de redelijke termijn waarbinnen geschillen over de heffing van belastingen behoren te worden beslecht is overschreden.

22. Eiseres stelt dat tussen de voldoening en de naheffing geen samenhang bestaat voor de toekenning van een vergoeding voor immateriële schade. De rechtbank verwerpt deze stelling op de grond dat beide zaken van eiser betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, namelijk de voldoening van BPM en de naar aanleiding daarvan opgelegde naheffingsaanslag, beide ter zake van dezelfde auto, ten aanzien waarvan nagenoeg dezelfde grieven zijn aangevoerd.

23. De pro forma bezwaarschriften zijn op 18 december 2013 door verweerder ontvangen. Eiseres heeft bij brief van 8 oktober 2015 de gronden van deze bezwaarschriften ingediend. Bij afzonderlijke uitspraken op bezwaar, gedateerd 4 mei 2017 heeft verweerder op de bezwaarschriften beslist. De beroepschriften hiertegen zijn op 8 juni 2017 door de rechtbank ontvangen. De rechtbank doet op 7 juni ] 2019 uitspraak.

24. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat er in de onderhavige zaken bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die aanleiding geven om de redelijke termijn te verlengen.

Hij heeft in dit verband betoogd dat de aanvang van de redelijke termijn niet moet worden bepaald op de datum van het pro-formabezwaarschrift maar op de datum waarop de motivering van de bezwaar van eiseres is ontvangen. De rechtbank ziet geen reden verweerder hierin te volgen. Het is aan verweerder om de indiener van een onvoldoende gemotiveerd bezwaarschrift een termijn te stellen voor het indienen van een motivering, zoals vereist in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb. Indien bezwaarmaker daaraan niet voldoet kan verweerder het bezwaar met toepassing van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren. Nu verweerder heeft verzuimd de regie over de bezwaarprocedure te behouden en de duur ervan met toepassing van dit wettelijk

instrumentarium te beperken kunnen de gevolgen daarvan niet voor rekening van eiseres worden gebracht. Dit brengt met zich dat de redelijke termijn met (afgerond) 3 jaar en 6 maanden is overschreden, waarbij een periode van minder dan 6 maanden wordt vastgesteld op 6 maanden. Aldus heeft eiseres recht op een vergoeding voor immateriële schade, berekend over 7 keer een halfjaar, dat wil zeggen (7 x€ 500 ) €3.500. Deze overschrijding is geheel toe te rekenen aan de bezwaarfase, zodat de rechtbank verweerder zal veroordelen tot vergoeding voor immateriële schade tot een bedrag van € 3.500.

Proceskosten en griffierecht

25. De veroordeling tot vergoeding van de immateriële schade is aanleiding verweerder op de voet van artikel 8:74, tweede lid, van de Awb en artikel 8:75 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten.

26. De rechtbank verwijst naar de overwegingen 18 en verder over de proceskosten in

de uitspraak van deze rechtbank van 30 oktober 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:9620 en stelt

de vergoeding van proceskosten vast op € 200.

27. Andere kosten zijn niet gesteld en zijn de rechtbank ook niet gebleken.

28. De besluiten waarop de uitspraken op bezwaar betrekking hebben zijn samenhangende besluiten als bedoeld in artikel 8:41, derde lid, van de Awb. Dat betekent dat inzake het instellen van beroep tegen deze besluiten slechts eenmaal griffierecht is verschuldigd. Dat wordt niet anders door de door de rechtbank aangebrachte splitsing van dit beroep in twee beroepen/zaaknummers. Nu ter zake van deze beroepen tweemaal griffierecht is geheven, dient het griffierecht in én beroep door de rechtbank aan eiseres te worden terugbetaald.”

5 Beoordeling van het geschil

Toepassing Unierecht

5.1.

Het betoog van belanghebbende, inhoudende dat het Hof – of meer algemeen: de Nederlandse rechter – niet bevoegd is het Unierecht zelf uit te leggen, miskent de werking van het Unierecht en de rol die het stellen van prejudiciële vragen daarin speelt. De nationale rechter is juist gehouden het Unierecht zelf toe te passen. Het standpunt dat de Nederlandse belastingrechtspraak in dezen in strijd handelt met het verbod op uitleg van het Unierecht berust op een onjuiste lezing van het CILFIT-arrest. In genoemd arrest is het leerstuk van de ‘acte éclairé’ juist verruimd en is voor het eerst uitdrukkelijk de toepassing van de leer van de ‘acte clair’ erkend door het Hof van Justitie. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat de belastingrechter op grond van het CILFIT-arrest verplicht is een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie in alle gevallen waarin de belanghebbende stelt dat sprake is van een onjuiste uitleg van het Unierecht, vindt dit standpunt geen steun in genoemd arrest, noch elders in het recht. Het Hof verwijst in dit verband naar de conclusie van AG Wattel van 28 februari 2020, nr. 19/02693, ECLI:NL:PHR:2020:184, onderdeel 7.2. Tot slot zij opgemerkt dat tegen beslissingen van het Hof cassatieberoep openstaat, zodat het Hof wel bevoegd maar niet verplicht is om prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie (art. 267 VWEU).

Niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen voldoening op aangifte

5.2.

De rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende zich bij de voldoening op aangifte heeft laten bijstaan door een professionele partij en dat de kennis van deze professionele partij (Importautos.nl BV) – waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat deze op de hoogte is van de bezwaartermijn – aan belanghebbende wordt toegerekend, zodat belanghebbende niet met vrucht een beroep kan doen op het bepaalde in artikel 6:11 Awb op de enkele grond dat de inspecteur haar niet heeft gewezen op de mogelijkheid om binnen zes weken bezwaar te maken tegen de voldoening op aangifte. Dit oordeel van de rechtbank is juist (vgl. Hoge Raad 5 december 2014, nr. 13/05778, ECLI:NL:HR:2014:3441). Nu belanghebbende ook anderszins geen gronden heeft aangevoerd die de conclusie kunnen dragen dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, heeft de rechtbank het tegen de voldoening op aangifte gerichte bezwaarschrift op goede gronden niet-ontvankelijk verklaard.

Hoorgesprek

5.3.

Het Hof verwerpt het standpunt van belanghebbende dat zij in haar bezwaar tegen de naheffingsaanslag ten onrechte niet is gehoord. De naheffingsaanslag is door de inspecteur vernietigd in zijn uitspraak op bezwaar. De inspecteur is in dat geval noch op grond van de Awb noch op grond van het Unierecht gehouden belanghebbende te horen (vgl. HR 25 oktober 2019, nr. 18/04694, ECLI:NL:HR:2019:1619). De hoorplicht heeft, zo volgt uit dit arrest, geen betrekking op nevenvorderingen, zoals vorderingen tot vergoeding van proceskosten en immateriële schade.

5.4.

Indien er al van moet worden uitgegaan dat ook in een situatie zoals hier aan de orde, waarin pas in de loop van de procedure tegen de naheffingsaanslag bezwaar is gemaakt tegen het op aangifte voldane bedrag aan belasting, op een moment dat de termijn voor het daartegen instellen van bezwaar reeds ver is overschreden, de inspecteur het bezwaar niet niet-ontvankelijk mag verklaren voordat hij de belanghebbende in de gelegenheid heeft gesteld zich uit te laten over de eventuele verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding, ziet het Hof desalniettemin - voor zover nodig met toepassing van art. 6:22 Awb - geen aanleiding de uitspraak op bezwaar waarin belanghebbende met toepassing van art. 7:3, aanhef en onderdeel a, Awb zonder te worden gehoord niet-ontvankelijk is verklaard, te vernietigen. Van de zijde van belanghebbende is namelijk in geen enkele fase van het geding een omstandigheid gesteld op grond waarvan redelijkerwijs zou kunnen worden geoordeeld dat zij met betrekking tot de termijnoverschrijding niet in verzuim is en een dergelijke omstandigheid is het Hof ook niet gebleken. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat belanghebbende zich bij het doen van de aangifte heeft laten bijstaan door een professional en de kennis van deze professional (over de bezwaartermijn) aan haar wordt toegerekend. Het is dan ook aannemelijk dat belanghebbende door de omstandigheid dat zij niet is gehoord en haar niet is gevraagd zich uit te laten over de eventuele verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding, niet is benadeeld.

Dubbel griffierecht

5.5.

Belanghebbende heeft op zichzelf met juistheid betoogd dat de rechtbank ten onrechte tweemaal griffierecht heeft geheven. Tot een gegrondverklaring van het hoger beroep kan dit evenwel niet leiden, nu de rechtbank in het beroep met zaaknummer HAA 17/2849 de griffier heeft opgedragen het griffierecht terug te betalen en in het beroep met zaaknummer HAA 17/2850 de inspecteur heeft opgedragen het betaalde griffierecht aan belanghebbende te vergoeden (zie 1.4).

Vergoeding immateriële schade

5.6.

Het Hof verwerpt het betoog van belanghebbende dat de rechtbank haar voor beide zaken (voldoening en naheffing) een vergoeding voor immateriële schade had moeten toekennen. Zowel de inspecteur als de rechtbank heeft de zaken gezamenlijk behandeld en de zaken zijn in bezwaar en beroep in hoofdzaak op hetzelfde onderwerp en feitencomplex gebaseerd. Indien zaken vanwege hun samenhang gezamenlijk worden behandeld en beslist, moet bij overschrijding van de redelijke termijn per fase van de procedure eenmaal € 500 per half jaar als vergoeding van immateriële schade worden toegekend (vgl. Hoge Raad 3 april 2020, nr. 19/00744, ECLI:NL:HR:2020:586). De rechtbank heeft de door de inspecteur te vergoeden immateriële schade op het juiste bedrag vastgesteld.

5.7.

De onderwerpelijke uitspraak is gedaan binnen twee jaar na indiening van het hogerberoepschrift, zodat van een overschrijding van de behandeltermijn in hoger beroep geen sprake is.

Rentevergoeding

5.8.

Het standpunt van belanghebbende dat bij teruggaven van bpm wegens strijd met het Unierecht door de inspecteur ambtshalve rente dient te worden vergoed en dat de Nederlandse wettelijke regeling (artikel 28c Invorderingswet) die bepaalt dat een belanghebbende om rentevergoeding dient te verzoeken bij de ontvanger daarom in strijd is met het Unierecht, vindt geen steun in het recht (vgl. Hoge Raad 3 maart 2017, 16/01176, ECLI:NL:HR:2017:341, Hoge Raad 28 september 2018, nr. 17/01724, ECLI:NL:HR:2018:1790 en Hof van Justitie 23 april 2020, gevoegde zaken C‑13/18 en C‑126/18, ECLI:EU:C:2020:292, rechtsoverweging 67). In hetgeen belanghebbende in hoger beroep hiertegen heeft aangevoerd ziet het Hof geen aanleiding om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie.

Proceskostenvergoeding

5.9.

De rechtbank heeft belanghebbende, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) een vergoeding toegekend voor het beroep in eerste aanleg van € 200. De aanleiding voor deze afwijking van de forfaitaire bedragen van het Besluit en de wijze waarop het bedrag van € 200 is vastgesteld, heeft de rechtbank gemotiveerd.

Naar het oordeel van het Hof is terecht toepassing gegeven aan artikel 2 lid 3 van het Besluit. In de onderhavige zaak en in een zeer groot aantal (vele tientallen) andere zaken waarin dezelfde gemachtigde optreedt, worden – naast argumenten die inzoomen op individuele kenmerken van de desbetreffende zaak – telkens en in hoofdzaak dezelfde (deels zuiver juridische) geschilpunten aangevoerd. Daarbij komen de door de gemachtigde met betrekking tot deze punten gebruikte argumenten in al deze zaken in belangrijke mate met elkaar overeen.

Indien hiermee, en met de hieruit voor de gemachtigde optredende positieve synergie, geen rekening wordt gehouden en bij de bepaling van de omvang van de vergoeding onverkort voor elke zaak wordt vastgehouden aan een kostenvergoeding op basis van artikel 2 lid 1, aanhef en onderdeel a, van het Besluit, leidt dit tot een totale vergoeding die de in redelijkheid gemaakte kosten verre overtreft. In het licht daarvan is sprake van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2 lid 3 van het Besluit en is de door de rechtbank in deze zaak met toepassing van het Besluit toegekende kostenvergoeding van € 200 niet te laag.

5.10.

Het verzoek van belanghebbende om een integrale vergoeding van de kosten ter zake van beroepsmatig verleende rechtsbijstand wegens schending van het Unierecht wordt door het Hof verworpen. Zo al sprake is van een schending van het Unierecht vormt deze omstandigheid op zichzelf geen grond voor een integrale proceskostenvergoeding (vgl. Hoge Raad 17 december 2004, nr. C03/114HR, ECLI:NL:HR:2004:AQ3810, Hoge Raad 7 oktober 2005, nr. 35729, ECLI:NL:HR:2005:AU3929, en Hoge Raad 13 mei 2016, nr. 15/02138, ECLI:NL:HR:2016:833). Ook anderszins zijn geen bijzondere omstandigheden komen vast te staan die aanleiding vormen om een hogere vergoeding.

5.11.

Anders dan belanghebbende betoogt is het toekennen van een andere dan integrale proceskostenvergoeding niet in strijd met het Unierecht (vgl. Hoge Raad 17 december 2004, C03/114HR, De Haan/Staat, BNB 2005/239 en Hoge Raad 3 mei 2016, nr. 15/02138, ECLI:NL:HR:2016:833).

5.12.

Al hetgeen belanghebbende overigens in dit geding heeft aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.

Slotsom

5.13.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6 Kosten

Het Hof vindt geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet.

7 Beslissing

Het Hof:

- bevestigt de uitspraak van de rechtbank;

- veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de wettelijke rente over de door de rechtbank aan belanghebbende toegekende vergoeding van griffierecht, immateriële schade en proceskosten vanaf vier weken na de datum waarop de uitspraak van de rechtbank is gedaan tot aan de dag van algehele voldoening.

De uitspraak is gedaan door mrs. B.A. van Brummelen, voorzitter, F.J.P.M. Haas en C.J. Hummel, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen, als griffier. De beslissing is op 24 juni 2021 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.

Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.

Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.

Per post procederen

Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.