Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:2257

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-05-2021
Datum publicatie
12-08-2021
Zaaknummer
20/00395 en 20/00396
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

Douanerecht; Aanvullende invoerrechten; ingevoerd pluimveevlees op de communautaire markt met verlies doorverkocht onder de representatieve prijs; verwerping cif-invoerprijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 13-8-2021
FutD 2021-2589
Douanerechtspraak 2021/105
NLF 2021/1641
DouaneUpdate 2021-0420
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerken 20/00395 en 20/00396

27 mei 2021

uitspraak van de meervoudige douanekamer

op het hoger beroep – na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden – van

[X B.V.] , gevestigd te [Z], belanghebbende,

gemachtigde: R.R. Ramautarsing (Deloitte)

tegen de uitspraak van 20 december 2013 in de zaak met kenmerken AWB 13/2604 en AWB 13/2722 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding voor verwijzing

1.1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 10 februari 2012 aan belanghebbende een uitnodiging tot betaling (hierna: utb 1) uitgereikt voor een bedrag van € 127.361,36 aan aanvullende invoerrechten. De aanvullende invoerrechten zijn nagevorderd op de aangiften voor producten van pluimveevlees, die in de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 maart 2009 door belanghebbende in het vrije verkeer zijn gebracht.

1.1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 17 mei 2013, het bezwaar afgewezen en utb 1 gehandhaafd.

1.2.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 6 april 2012 aan belanghebbende een uitnodiging tot betaling (hierna: utb 2) uitgereikt voor een bedrag van € 2.036.432,19 aan aanvullende invoerrechten. De aanvullende invoerrechten zijn nagevorderd op aangiften voor producten van pluimveevlees, die in de periode 1 april 2009 tot en met 30 juni 2010 door belanghebbende in het vrije verkeer zijn gebracht.

1.2.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 17 mei 2013, het bezwaar afgewezen en utb 2 gehandhaafd.

1.3.

Bij uitspraak van 20 december 2013 heeft de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de onder 1.1.2. en 1.2.2. genoemde uitspraken op bezwaar ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft bij uitspraak van 24 november 2015 (kenmerken 14/00065 en 14/00066, ECLI:NL:GHAMS:2015:5119) de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

1.5.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld bij de

Hoge Raad. Bij arrest van 23 februari 2018 (nr. 15/05977, ECLI:NL:HR:2018:265) heeft de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) verzocht een prejudiciële beslissing te geven over de in dat arrest geformuleerde vragen. Het HvJ EU heeft op 11 maart 2020 arrest gewezen (C-160/18, ECLI:EU:C:2020:190).

1.6.

Bij arrest van 10 juli 2020 (nr. 15/05977bis, ECLI:NL:HR:2020:1269; hierna: het verwijzingsarrest) heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie gegrond verklaard, de uitspraak van het Hof vernietigd en het geding verwezen naar het Hof ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest. Voorts heeft de Hoge Raad de Staatssecretaris van Financiën gelast het in cassatie betaalde griffierecht en de kosten van het geding in cassatie, vastgesteld op € 4.463, aan belanghebbende te vergoeden.

2 Loop van het geding na verwijzing

2.1.

Partijen zijn door de griffier van het Hof bij brief van 15 juli 2020 in de gelegenheid gesteld een schriftelijke reactie op dit arrest in te dienen. Belanghebbende heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 11 augustus 2020 en de inspecteur bij brief van 30 september 2020.

2.2.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2021. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

3 Feiten

3.1.

De Hoge Raad is in zijn arrest van 23 februari 2018 van de volgende feiten uitgegaan:

“2.1. Belanghebbende is groothandelaar in pluimveevlees(producten). Zij maakt deel uit van een internationaal concern. Tot dit concern behoort een in Brazilië gevestigde producent van pluimveevlees(producten). Aan deze Braziliaanse producent gelieerde ondernemingen - onder wie belanghebbende – kopen en verkopen pluimveevlees(producten) en bewerkstelligen zo de distributie van deze producten vanuit Brazilië naar de communautaire markt.

2.2.

Belanghebbende koopt uit Brazilië afkomstig bevroren pluimveevlees in bij [X Ltd] (hierna: [X Ltd]), een in Brazilië gevestigde en met belanghebbende verbonden onderneming. Belanghebbende verkoopt het pluimveevlees op de communautaire markt aan diverse afnemers, zowel aan met haar verbonden ondernemingen als aan onafhankelijke derden.

2.3.

Bevroren pluimveevlees wordt ingedeeld in postonderverdeling 0207 14 10 van de Gecombineerde Nomenclatuur (hierna: de GN). Het bij postonderverdeling 0207 14 10 van de GN behorende tarief aan douanerechten voorziet in heffing van een specifiek recht van € 102,40 per honderd kilogram.

Voor de invoer van pluimveevlees van postonderverdeling 0207 14 10 van de GN geldt bovendien een communautair stelsel van aanvullende invoerrechten (hierna: aanvullende rechten). Vanaf 1 juli 2008 tot en met 31 december 2013 was dit stelsel van aanvullende rechten gegrond op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007, Pb L 299 (hierna: de integrale-GMO-verordening). Voor de sector slachtpluimvee, waaronder worden begrepen pluimveevlees en eieren, alsmede ovalbumine, is het toepasselijke stelsel van aanvullende rechten uitgewerkt in Verordening (EG) nr. 1484/95 van de Commissie van 28 juni 1995, Pb L 145 (hierna: Vo. (EG) 1484/95).

Het in deze verordeningen neergelegde stelsel van aanvullende rechten houdt - kort gezegd - in dat aanvullende rechten kunnen worden verschuldigd indien de zogeheten cif-invoerprijs van pluimveevlees lager is dan de in artikel 141, lid 1, aanhef en letter a, van de integrale-GMO-verordening bedoelde reactieprijs, dat wil zeggen de prijs die de Gemeenschap aan de Wereldhandelsorganisatie heeft gemeld (hierna: de reactieprijs). Aanvullende rechten worden verschuldigd indien het verschil tussen de reactieprijs en de bij invoer opgegeven cif-invoerprijs meer dan tien percent van de reactieprijs bedraagt. Aanvullende rechten worden berekend naar een progressief tarief op basis van het verschil tussen de reactieprijs en de cif-invoerprijs.

2.4.

Blijkens een brief van 2 november 2006 aan de adviseur van belanghebbende (hierna: de brief) heeft de Inspecteur met belanghebbende afspraken gemaakt over de wijze waarop de douanewaarde moet worden berekend van pluimveevlees dat afkomstig is uit Brazilië en dat [XA SA], gevestigd in Brazilië, heeft verkocht aan de diverse met haar verbonden ondernemingen in de Unie, onder wie belanghebbende. Afgesproken is dat wordt uitgegaan van de prijs die [XA SA] aan deze ondernemingen in rekening brengt. Deze prijs, die voldoet aan de eisen die daaraan bij verbondenheid van ondernemingen volgens de Braziliaanse wetgeving worden gesteld, is samengesteld uit de kostprijs van het pluimveevlees(product), verhoogd met vijftien percent ter dekking van directe en indirecte nietproductiekosten en winst. In de brief is vastgelegd dat belanghebbende maandelijks deze prijs moet opstellen en uiterlijk tien dagen na afloop van de maand moet doorgeven aan de douaneautoriteiten.

Voorts heeft de Inspecteur in de brief te kennen gegeven dat deze wijze van vaststelling van de prijs aanvaardbaar is voor de berekening van de in Verordening (EG) nr. 493/1999 van de Commissie van 5 maart 1999, Pb L 59, gedefinieerde cif-invoerprijs. In de brief is verder opgenomen dat belanghebbende, indien zij gebruik wil maken van de in de brief neergelegde afspraken, bij elke invoer in de aangifte het kenmerk van de brief moet vermelden.

In de brief heeft de Inspecteur voorts vastgelegd dat hij zich het recht voorbehoudt om, indien blijkt dat de hiervoor bedoelde toestemming is gegeven op basis van onjuist verstrekte informatie en/of gegevens, die maatregelen te nemen die nodig worden geacht om tot een juiste vaststelling van de douanewaarde te komen.

Ten slotte vermeldt de brief het volgende:

“Tenslotte wil ik u erop wijzen dat van onze kant niet is bevestigd dat een importeur die van [XA SA] koopt de CIF-invoerprijs mag vaststellen op basis van de representatieve prijs wanneer de verrekenprijs lager is dan deze representatieve prijs (…). Dit zou zich kunnen voordoen in de situatie dat er voor de vaststelling van de douanewaarde een transactie wordt geaccepteerd, maar dat voor de berekening van het aanvullende invoerrecht nadere gegevens moeten worden verstrekt waarmee deze transactie dient te worden aangepast. Dit ter bepaling van de in Verordening (EG) nr. 493/1999 van 5 maart 1999 genoemde FOB-prijs in het land van oorsprong. Als belanghebbende vervolgens niet in staat blijkt te zijn om dergelijke nadere gegevens te verstrekken dan zal voor de berekening van het aanvullend invoerrecht worden uitgegaan van de op dat moment geldende representatieve prijs. Omdat in het geval van [XA SA] de gehanteerde verrekenprijs een FOB-prijs in het land van oorsprong betreft dient de CIF-prijs op […] basis van de verrekenprijs te worden vastgesteld.”

2.5.

Sinds de hiervoor in 2.4 vermelde afspraken zijn gemaakt, doet belanghebbende bij het invoeren van pluimveevlees een beroep daarop, ook bij de invoer van pluimveevlees dat zij van andere concernmaatschappijen dan [XA SA] heeft aangekocht. Dit is ook gebeurd bij de in totaal 709 aangiften voor het vrije verkeer die belanghebbende in de periode van 1 januari 2009 tot en met 30 juni 2010 heeft gedaan voor pluimveevlees van postonderverdeling 0207 14 10 van de GN. De bij de aangiften opgegeven cif-invoerprijzen waren voor alle zendingen hoger dan de reactieprijs die op grond van artikel 1, tweede alinea, van Vo. (EG) 1484/95, in samenhang gelezen met bijlage II daarvan, ten tijde van de aanvaarding van die aangiften in het Publicatieblad was bekendgemaakt.

De douaneautoriteiten hebben het pluimveevlees telkens zonder heffing van aanvullende rechten vrijgegeven voor het vrije verkeer. In afwijking van het bepaalde in artikel 3, leden 3 en 4, van Vo. (EG) 1484/95 hebben de douaneautoriteiten - vanwege de hiervoor in 2.4 bedoelde afspraken - niet geëist dat belanghebbende voor de vrijgave van het pluimveevlees zekerheid stelde en evenmin hebben zij van belanghebbende geëist dat zij na de vrijgave van het pluimveevlees binnen de daartoe gestelde termijnen bewijst dat het pluimveevlees is afgezet tegen voorwaarden waaruit blijkt dat de door belanghebbende opgegeven cifinvoerprijs juist is.

2.6.

In november 2011 heeft de Inspecteur een controle achteraf ingesteld naar de juistheid van de door belanghebbende opgegeven cif-invoerprijzen van het pluimveevlees dat met de hiervoor in 2.5 bedoelde aangiften in het vrije verkeer van de Unie is gebracht. Deze controle is telkens verricht aan de hand van de verkoopovereenkomst tussen belanghebbende en haar desbetreffende klant, de verkoopfactuur van belanghebbende aan die klant, en het bankafschrift van belanghebbende waaruit de ontvangst van het verkoopbedrag blijkt.

Bij de controle is vastgesteld dat het ingevoerde pluimveevlees door belanghebbende op de communautaire markt is verkocht aan verbonden ondernemingen en aan nietverbonden ondernemingen. Aan verbonden en nietverbonden afnemers werden gelijke prijzen in rekening gebracht. Bij de controle kwam voorts naar voren dat de door belanghebbende gehanteerde doorverkoopprijs (leveringsvoorwaarde: delivered duty paid) in nagenoeg alle gevallen lager was dan de opgegeven cif-invoerprijs vermeerderd met de specifieke rechten bij invoer en dat deze prijs telkens beneden de reactieprijs lag. Met betrekking tot vier aangiften voor het vrije verkeer is vastgesteld dat het desbetreffende pluimveevlees is doorverkocht voor een hogere prijs dan de cif-invoerprijs.

2.7.

Op basis van de hiervoor in 2.6 beschreven bevindingen heeft de Inspecteur zich voor 705 aangiften op het standpunt gesteld dat het pluimveevlees niet onder normale handelscondities is doorverkocht en dat daarom de door belanghebbende verstrekte cif-invoerprijzen niet aanvaardbaar zijn. Volgens de Inspecteur is belanghebbende ter zake van de invoer van dat pluimveevlees alsnog aanvullende rechten verschuldigd. De hoogte van de verschuldigde aanvullende rechten heeft hij met overeenkomstige toepassing van artikel 4 van Vo. (EG) 1484/95 berekend op basis van het verschil tussen de reactieprijs en de in artikel 141, lid 3, van de integrale-GMO-verordening in samenhang gelezen met artikel 2, lid 1, van Vo. (EG) 1484/95 bedoelde periodiek bepaalde representatieve prijs (hierna: de representatieve prijs). Het betreft voor de onderhavige 705 aangiften de representatieve prijs voor pluimveevlees van oorsprong uit Brazilië zoals die prijs voorafgaand aan de datum van aanvaarding van de desbetreffende aangiften door de Commissie is vastgesteld en bekend gemaakt in het Publicatieblad.

2.8.

De ontvanger heeft aan belanghebbende twee aanslagbiljetten uitgereikt met daarop in totaal 705 uitnodigingen tot betaling van aanvullende rechten tot in totaal een bedrag van € 2.163.793,55.”

3.2.

Het Hof gaat van dezelfde feiten uit. In aanvulling hierop voegt het Hof nog de volgende feiten toe.

Een brief van de inspecteur aan belanghebbende van 31 augustus 2007 vermeldt over de gemaakte afspraak onder meer het volgende:

“De Douane kan zich vinden in de door u samengevatte werkafspraken. Zoals ik u reeds telefonisch heb medegedeeld blijven, ook al is de verrekenprijs vastgesteld conform genoemde werkafspraken, de Verordeningen (EG) nr. 1484/1995 en nr. 493/1999 onverkort van toepassing. Dit houdt onder meer in dat de Douane zich het recht voorbehoudt de gehanteerde verrekenprijs (bijvoorbeeld op basis van de doorverkoop) te beoordelen”.

4 Het arrest van het HvJ EU en het verwijzingsarrest

4.1.

In het arrest van 23 februari 2018 heeft het HvJ EU voor recht verklaard:

“1) Artikel 3, lid 4, van verordening (EG) nr. 1484/95 van de Commissie van 28 juni 1995 houdende bepalingen voor de toepassing van de aanvullende invoerrechten in de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede voor ovalbumine, en houdende vaststelling van representatieve prijzen en intrekking van verordening nr. 163/67/EEG, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 248/2010 van de Commissie van 24 maart 2010, moet aldus worden uitgelegd dat de enkele omstandigheid dat in de Unie ingevoerde goederen met verlies zijn verkocht, namelijk tegen een lagere prijs dan de in de douaneaangifte vermelde cif-invoerprijs, niet volstaat om vast te stellen dat de cif-invoerprijs niet juist is gebleken, wanneer de importeur bewijst dat uit het geheel van voorwaarden waaronder deze goederenzending is afgehandeld, blijkt dat deze prijs juist is.

2) Artikel 3, lid 5, en artikel 4 van verordening nr. 1484/95, zoals gewijzigd bij verordening nr. 248/2010, moeten aldus worden uitgelegd dat, ingeval de importeur niet heeft kunnen bewijzen dat de in de douaneaangifte vermelde cif-invoerprijs juist is, de douaneautoriteiten deze prijs bij de heffing van aanvullende rechten buiten beschouwing moeten laten en gebruik moeten maken van de methoden voor de vaststelling van de douanewaarde van ingevoerde goederen die zijn neergelegd in de artikelen 29 tot en met 31 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 82/97 van het Europees Parlement en de Raad van 19 december 1996.”

4.2.

De Hoge Raad heeft in zijn verwijzingsarrest het volgende overwogen:

“2.1.1 Het geschil in deze zaak gaat over 705 aangiften voor het in het vrije verkeer brengen van pluimveevlees waarvan de doorverkoopprijzen van belanghebbende op de communautaire markt lager waren dan de geldende representatieve prijzen. Het Hof heeft aan die lagere doorverkoopprijzen de conclusie verbonden dat belanghebbende het pluimveevlees tegen zodanige condities heeft afgezet dat zij niet in overeenstemming met artikel 3, lid 4, van Vo. (EG) 1484/95 heeft bewezen dat de door haar in de douaneaangiften opgegeven cif-invoerprijzen juist zijn. Op die grond is belanghebbende naar het oordeel van het Hof aanvullende rechten verschuldigd. In het midden kan blijven, zo oordeelde het Hof, of die cif-invoerprijzen op juiste wijze zijn berekend.

2.1.2

Het Hof heeft verder geoordeeld dat de Inspecteur een juiste methode heeft gehanteerd voor de berekening van de hoogte van de verschuldigde aanvullende rechten, door artikel 4 van Vo. (EG) 1484/95 overeenkomstig toe te passen en de verschuldigde aanvullende rechten te berekenen op basis van het verschil tussen de reactieprijs en de in artikel 141, lid 3, van de integrale-GMO-verordening in samenhang gelezen met artikel 2, lid 1, van Vo. (EG) 1484/95 bedoelde, periodiek bepaalde representatieve prijs.

2.2.1

De hiervoor in 2.1.1 weergegeven oordelen van het Hof geven blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De enkele omstandigheid dat belanghebbende het door haar in de Unie ingevoerde pluimveevlees heeft doorverkocht tegen een prijs die lager is dan de representatieve prijs, brengt niet mee dat de in de douaneaangiften vermelde cif-invoerprijs niet overeenkomt met de werkelijke prijs.

2.2.2

Voor het geval de in de douaneaangiften opgegeven cif-invoerprijzen niet juist zijn en daarom voor de heffing van aanvullende rechten buiten beschouwing moeten worden gelaten, volgt uit het arrest van het Hof van Justitie dat de verschuldigde aanvullende rechten niet mogen worden berekend op basis van de representatieve prijs van pluimveevlees in de betrokken periode, maar dat de cif-invoerprijzen van het door belanghebbende ingevoerde pluimveevlees opnieuw moeten worden vastgesteld volgens de in het Communautair douanewetboek neergelegde regeling inzake de douanewaarde van goederen. Ook het hiervoor in 2.1.2 weergegeven oordeel van het Hof geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

2.3

Gelet op hetgeen hiervoor in 2.2.1 en 2.2.2 is overwogen, slagen de middelen 1 tot en met 5 in zoverre.

2.4

Gelet op hetgeen hiervoor in 2.3 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De middelen 1 tot en met 5 voor het overige en middel 6 behoeven geen behandeling. Verwijzing moet volgen voor een onderzoek van de zaak in volle omvang.”

5 Geschil in hoger beroep na verwijzing

5.1.

In geschil is of de bestreden utb’s terecht en voor de juiste bedragen aan aanvullend invoerrecht aan belanghebbende zijn uitgereikt, hetgeen de inspecteur stelt en belanghebbende betwist.

5.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in

de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd, wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

6 Beoordeling van het geschil

6.1.

In het eerste onderdeel van het hiervoor onder 4.1 opgenomen dictum heeft het HvJ EU geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat in de Unie ingevoerde goederen met verlies zijn verkocht, namelijk tegen een lagere prijs dan de in de douaneaangifte vermelde cif-invoerprijs, niet volstaat om vast te stellen dat de cif-invoerprijs niet juist is gebleken, wanneer de importeur bewijst dat uit het geheel van voorwaarden waaronder de desbetreffende goederenzending is afgehandeld, blijkt dat deze prijs juist is. Nu vaststaat dat belanghebbende de onderhavige zendingen alle met verlies heeft verkocht, dat wil zeggen tegen een lagere prijs dan de in de douaneaangiften vermelde cif-invoerprijs vermeerderd met de specifieke rechten bij invoer, rust op haar de last om aan de hand van de afzetvoorwaarden, te weten alle voorwaarden waaronder de goederen in de Unie zijn doorverkocht, met inbegrip van commerciële gegevens inzake de verliesgevende verkopen, aannemelijk te maken dat de cif-invoerprijs juist was.

6.2.

Belanghebbende heeft in algemene bewoordingen aangevoerd dat zij, als gevolg van de economische crisis van 2008, te maken had met een verslechterde afzetmarkt, waardoor zij zich genoodzaakt zag haar goederen met verlies te verkopen. Het tijdelijk staken van agrarische bedrijfsvoering in Brazilië, in afwachting van een herstel van de afzetmarkt, was niet mogelijk zonder deze bedrijfsvoering in gevaar te brengen, zo stelt belanghebbende.

De inspecteur betwist dat in 2009 en 2010 sprake was van een verslechterde afzetmarkt, omdat een verslechterde afzetmarkt ook invloed heeft op de prijzen die buiten de Unie gevestigde producenten voor hun producten krijgen en dus tot uiting zou moeten komen in een daling van zowel de representatieve prijs als de cif-invoerprijs. Naar ’s Hofs oordeel heeft belanghebbende, tegenover de betwisting door de inspecteur, niet aannemelijk gemaakt dat zij als gevolg van de economische crisis genoodzaakt was haar goederen met verlies te verkopen. Belanghebbende heeft hier geen, althans onvoldoende, bewijs van bijgebracht.

6.3.

Belanghebbende voert aan dat de berekening van de onderhavige cif-invoerprijzen onder meer is gebaseerd op Braziliaanse wetgeving inzake de vaststelling van verrekenprijzen en daardoor niet kan worden aangepast aan gewijzigde marktomstandigheden. Deze stelling kan, wat daar verder ook van zij, niet worden gevolgd omdat de heffing van het aanvullend invoerrecht voortvloeit uit het Unierecht, meer in het bijzonder uit Vo (EG) nr. 1484/95, en daarom niet afhankelijk kan worden gesteld van (de uitwerking van) Braziliaanse wetgeving.

6.4.

In de afspraak die belanghebbende en de inspecteur in 2006 hebben gemaakt over de te hanteren cif-invoerprijs heeft de inspecteur zich uitdrukkelijk het recht voorbehouden de gehanteerde verrekenprijs te beoordelen (bijvoorbeeld op basis van de bij de doorverkoop gehanteerde afzetvoorwaarden). De stelling van belanghebbende dat de inspecteur met deze afspraak al bij voorbaat de door haar gehanteerde cif-invoerprijs definitief heeft goedgekeurd, berust op een onjuiste lezing van deze afspraak. Het voorbehoud van de inspecteur is bovendien in overeenstemming met het hiervoor in onderdeel 4.1 opgenomen oordeel van het HvJ EU, dat belanghebbende - bij verkoop met verlies - de juistheid van de door haar gehanteerde cif-invoerprijs aannemelijk moet kunnen maken aan de hand van de omstandigheden rond haar verliesgevende verkopen. Dat belanghebbende de cif-invoerprijs consequent heeft berekend overeenkomstig de gemaakte afspraak, betekent niet dat die prijs niet te hoog kan zijn vastgesteld.

6.5.

De stelling van belanghebbende dat hoge productiekosten en een ongunstige wisselkoers de cif-invoerprijs juist opdreven, treft geen doel reeds omdat deze omstandigheden, wat daar verder ook van zij, geen betrekking hebben op de afzetvoorwaarden.

6.6.

Ook de door belanghebbende aangevoerde omstandigheid dat de verkoopprijzen bij de transacties met verbonden afnemers even hoog waren als de verkoopprijzen die zijn gerealiseerd bij transacties met niet verbonden afnemers, kan haar niet baten. Hieruit volgt immers geenszins dat de aangegeven cif-invoerprijs juist is.

6.7

Het Hof concludeert dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de op haar rustende last voor de onderwerpelijke 705 zendingen de juistheid van de cif-invoerprijs aannemelijk te maken aan de hand van de afzetvoorwaarden waaronder zij de goederen in de Unie heeft doorverkocht.

6.8.

Bij deze stand van het geding dient de inspecteur, overeenkomstig r.o. 57 en het tweede deel van het hiervoor onder 4.1 opgenomen dictum van het arrest van het HvJ EU, de cif-invoerprijs buiten beschouwing te laten voor de heffing van aanvullende invoerrechten. Hij dient de verschuldigde aanvullende invoerrechten te berekenen aan de hand van de waarde zoals vastgesteld met toepassing van de algemene bepalingen van het CDW die betrekking hebben op de methoden van de vaststelling van de douanewaarde.

6.9.

De inspecteur heeft in algemene bewoordingen gesteld dat hij de methoden voor het vaststellen van de douanewaarde van de artikelen 29 tot en met 31 van het CDW is langsgelopen en, toen waardering volgens een eerder genoemde methode niet mogelijk bleek, uiteindelijk de methode van de redelijke middelen van artikel 31 van het CDW heeft toegepast. Bij de toepassing van deze methode stelt de inspecteur rekening te hebben gehouden met de verkoopprijs van identieke dan wel soortgelijke goederen die zijn verkocht voor de uitvoer naar de EU en die op hetzelfde of nagenoeg hetzelfde tijdstip zijn uitgevoerd als de goederen waarvan de waarde hier moet worden bepaald. Hierbij is de inspecteur uitgekomen op de gemiddelde prijzen van deze identieke dan wel soortgelijke goederen, te weten de representatieve prijzen.

6.10.

Belanghebbende heeft in reactie op de toepassing van deze methode van waardebepaling voor de berekening van de verschuldigde aanvullende invoerrechten slechts gewezen op de juistheid van de door haar gehanteerde cif-invoerprijs en de omstandigheid dat de inspecteur vooraf heeft ingestemd met de wijze waarop zij deze cif-invoerprijs heeft berekend. Dit is evenwel onvoldoende om de door de inspecteur toegepaste waardebepalingsmethode succesvol te betwisten. Gelet op het hiervoor onder 6.1 tot en met 6.4 overwogene, heeft belanghebbende de juistheid van de door haar aangegeven cif-invoerprijs immers niet kunnen staven aan de hand van de afzetvoorwaarden, waardoor de inspecteur de cif-invoerprijs buiten beschouwing moet laten, zoals het HvJ EU heeft bepaald.

6.11.

Belanghebbende heeft niet gesteld - en het is het Hof ook niet gebleken - dat de inspecteur beschikt over informatie waarmee hij de waarde had kunnen (en dus moeten) vaststellen met toepassing van een andere methode, genoemd in artikel 29 of 30 van het CDW. Belanghebbende heeft evenmin dergelijke informatie verstrekt. Onder deze omstandigheden is de inspecteur terecht overgegaan tot toepassing van de methode van de ‘redelijke middelen’, als beschreven in artikel 31 CDW. De keuze van de inspecteur om aan deze ‘redelijke middelen’ invulling te geven door aan te sluiten bij de representatieve prijs kan het Hof in de gegeven omstandigheden billijken. Het Hof motiveert dit oordeel als volgt. De onderwerpelijke utb’s betreffen de periode van 1 januari 2009 tot 30 juni 2010. Tot 11 september 2009 werd de Europese Commissie elke week door de lidstaten voorzien van informatie over daadwerkelijk gerealiseerde prijzen van representatieve partijen (vgl. Vo (EG) nr. 1484/95, artikel 2, lid 2 - tekst tot 11 september 2009). Met ingang van 11 september 2009 is in artikel 2, lid 1 van Vo (EG) nr. 1484/95 bepaald dat de representatieve prijzen van de onderhavige producten regelmatig worden vastgesteld aan de hand van de (markt)gegevens die worden verzameld in het kader van het communautaire toezicht krachtens artikel 308 quinquies van het UCDW. Artikel 308 quinquies voorziet in het (ten minste) eenmaal per maand verstrekken van gegevens door de lidstaten aan de Europese Commissie. De door de inspecteur als grondslag voor de douanewaarde gehanteerde representatieve prijs berust dan ook niet op ‘willekeurig vastgestelde of fictieve waarden’ als bedoeld in artikel 31 lid 1, onder g, van het CDW en vormt ook overigens naar ’s Hofs oordeel een aanvaardbare invulling van de methode van de redelijke middelen.

6.12.

Gelet op het vorenoverwogene heeft de inspecteur de verschuldigde aanvullende invoerrechten naar ’s Hofs oordeel terecht en tot het juiste bedrag geheven.

6.13.

Bij deze stand van het geding stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de boeking achteraf van het aanvullend invoerrecht op grond van artikel 220, lid 2, onderdeel b, van het CDW, achterwege had moeten blijven. Zij had immers afspraken gemaakt met de inspecteur over de te hanteren cif-invoerprijzen en heeft die afspraken ook nageleefd. De inspecteur stelt daarentegen slechts akkoord te zijn gegaan met de door belanghebbende gehanteerde berekening van de cif-invoerprijzen onder het voorbehoud van de controle van deze cif-invoerprijzen aan de hand van bijvoorbeeld de doorverkoop. Naar het oordeel van het Hof kan de afspraak tussen belanghebbende en de inspecteur redelijkerwijs niet anders worden gelezen dan dat de inspecteur zich met zijn voorbehoud ook het recht heeft voorbehouden de cif-invoerprijs niet te accepteren voor de toepassing van Vo (EG) nr. 1484/95 en de verschuldigdheid van aanvullende invoerrechten. Het voorbehoud van de inspecteur, zoals weergegeven in zijn onder 3.1 opgenomen brief, komt inhoudelijk overeen met het onder 4.1 opgenomen oordeel van het HvJ EU, dat de juistheid van de cif-invoerprijs moet worden beoordeeld aan de hand van (onder meer) de voorwaarden waaronder de goederen in de EU zijn doorverkocht. Dit betekent dat, ook met inachtneming van het oordeel van het HvJ EU, geen sprake is van een vergissing van de inspecteur in de zin van artikel 220, lid 2, onder b, van het CDW.

6.14.

Indien al sprake zou zijn van een vergissing van de inspecteur, in die zin dat hij wel onvoorwaardelijk akkoord is gegaan met de door belanghebbende gehanteerde cif-invoerprijzen, dan had belanghebbende deze vergissing redelijkerwijze kunnen ontdekken, omdat een dergelijke afspraak duidelijk in strijd zou zijn met het controlemechanisme van artikel 3, Vo (EG) nr. 1484/95. Als ervaren marktdeelnemer kan belanghebbende niet vertrouwen op een afspraak met de inspecteur die haar in staat stelt om structureel met verlies en onder de reactieprijs door te verkopen, zonder een aanvullend invoerrecht verschuldigd te zijn. Bovendien wist belanghebbende zelf dat zij haar goederen vanaf enig moment met verlies doorverkocht en heeft zij de inspecteur hiervan niet op de hoogte gebracht. Onder deze gewijzigde omstandigheden kan geen sprake zijn van een vergissing van de inspecteur die belanghebbende redelijkerwijs niet kon ontdekken.

Slotsom

6.15.

Gelet op het vorenoverwogene is de slotsom dat het hoger beroep in beide zaken ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

7 Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 8:108 van die wet.

8 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. W.M.C. Schipper, voorzitter van de douanekamer, C.J. Hummel en B.A. van Brummelen, leden van de douanekamer, in tegenwoordigheid van

mr. A.H. van Dapperen, als griffier. De beslissing is op 27 mei 2021 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.

Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.

Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.

Per post procederen

Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.