Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:2227

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-08-2021
Datum publicatie
16-08-2021
Zaaknummer
200.286.749/01 NOT
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:TNORDHA:2020:18
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klacht tegen een notaris. Vervaltermijn art. 99 lid 21 Wna. De notaris heeft de vereffening van de nalatenschap niet voortvarend opgepakt.

Klacht gegrond. Schorsing van vier weken opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2021-0238
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.286.749/01 NOT

nummer eerste aanleg : 19-65

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 10 augustus 2021

inzake

[klager] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

gemachtigde: [gemachtigde] , oud-notaris te [plaats] ,

tegen

[notaris] ,

notaris te [plaats] ,

geïntimeerde.

Partijen worden hierna klager en de notaris genoemd

1 De zaak in het kort

De notaris is benoemd als vereffenaar van de nalatenschap van de moeder van klager. De nalatenschap is bijna tien jaren na het overlijden van moeder nog steeds niet volledig afgewikkeld. Klager verwijt de notaris dat deze de vereffening niet voortvarend heeft aangepakt en onzorgvuldig is geweest.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Klager heeft op 3 december 2020 een beroepschrift bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag (hierna: de kamer) van 6 november 2020 (ECLI:NL:TNORDHA:2020:18). Aanvullende gronden zijn op 25 januari 2021 bij het hof ingediend.

2.2.

De notaris heeft geen verweerschrift bij het hof ingediend, ondanks dat het hof de notaris daartoe in de gelegenheid heeft gesteld.

2.3.

Het hof heeft de stukken van de eerste aanleg van de kamer ontvangen.

2.4.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 27 mei 2021. Klager, vergezeld van zijn gemachtigde, en de notaris zijn verschenen en hebben het woord gevoerd; de gemachtigde van klager aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota met bijlagen die zich ook bij de stukken bevonden.

3 Feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen die vaststelling geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

De feiten komen neer op het volgende.

3.1.

Op 8 december 2011 is de moeder van klager (hierna te noemen: erflaatster), overleden. Klager en zijn zuster waren de enig erfgenamen. Zij hebben beiden de nalatenschap beneficiair aanvaard.

3.2.

Bij testament heeft erflaatster klager benoemd tot executeur.

3.3.

Klager en zijn zuster hebben onenigheid gekregen over de afwikkeling van de nalatenschap. Om uit de impasse te geraken heeft klager de rechtbank verzocht om een onafhankelijke vereffenaar te benoemen.

3.4.

Bij beslissing van de rechtbank Den Haag van 27 februari 2014 is Stichting [X] (hierna te noemen: de Stichting) benoemd tot vereffenaar. De notaris heeft als bestuurder van de Stichting de taak van vereffenaar op zich genomen.

4 Standpunt van klager

Klager verwijt de notaris dat er na veertien maanden nauwelijks voortgang was geboekt in de vereffening. Klager heeft vervolgens een advocaat, een financieel adviseur en een oud-notaris ingeschakeld om de afwikkeling vlot te trekken. Daarnaast heeft klager zich tot de rechter moeten wenden om de notaris in beweging te krijgen. Voor dit alles heeft klager veel kosten moeten maken.

Klager verwijt de notaris – zakelijk samengevat – het volgende:

1) Een onthutsend slechte start van de vereffening in 2014 en een dramatisch vervolg tot en met het eerste kwartaal van 2016. Een aantal zaken die in die periode niet goed is gegaan, is van invloed geweest op de definitieve boedelbeschrijving van 2017. Uiteindelijk heeft de vereffening bijna vier jaar geduurd, en daarin heeft de notaris in periodes van bijna één jaar vrijwel niets gedaan;

2) Vrijwel alle wettelijke taken van de vereffenaar zoals bedoeld in artikel 4:211 en volgende Burgerlijk Wetboek zijn niet uitgevoerd. Van enig beheer was geen sprake. Effecten zijn uiteindelijk verkocht zonder overleg met de erfgenamen. Er is geen rekening en verantwoording aan de erfgenamen afgelegd;

3) De notaris heeft het vereffeningsproces niet professioneel en zeer onzorgvuldig behandeld. In de definitieve boedelbeschrijving uit 2017 zijn twaalf posten uit de vermogensopstelling met een waarde van ongeveer € 150.000,- niet opgenomen;

4) De notaris bleek noch integer, noch betrouwbaar. De notaris heeft meer gedeclareerd dan was overeengekomen.

5 Beoordeling

5.1.

De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klager tegen de notaris gegrond verklaard, hem de maatregel van berisping opgelegd en in de kosten veroordeeld.

Vervaltermijn

5.2.

Ingevolge artikel 99 lid 21 Wna kan een klacht slechts worden ingediend binnen drie jaar na de dag waarop de tot klachtgerechtigde van het handelen of nalaten van een notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven kennis heeft genomen. Indien de klacht wordt ingediend na verloop van drie jaar na de dag waarop de klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de notaris waarop de klacht betrekking heeft, wordt de klacht niet-ontvankelijk verklaard.

De wettelijke driejaarstermijn begint te lopen op de dag waarop de klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de (kandidaat) notaris waarop de klacht betrekking heeft. Niet is vereist dat klager ook bekend is met de juridische (of tuchtrechtelijke) beoordeling van dat handelen of nalaten.

De beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring blijft achterwege indien de gevolgen van het handelen of nalaten redelijkerwijs pas later bekend zijn geworden. In dat geval verloopt de termijn voor het indienen van een klacht een jaar na de datum waarop de gevolgen redelijkerwijs als bekend geworden zijn aan te merken.

5.3.

De klacht van klager is ingediend op 24 juni 2019. Een deel daarvan ziet op handelen en nalaten van de notaris in de periode van het tweede kwartaal van 2014 tot 24 juni 2016. De vervaltermijn is in het tweede kwartaal van 2014 gaan lopen, omdat klager toen al kennis heeft genomen van verweten handelen en nalaten van de notaris.

Zo is uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep gebleken dat klager al in het tweede kwartaal 2014 kennis heeft genomen van wat klager noemt “een onthutsend slechte start van de vereffening in 2014 en een dramatisch vervolg tot en met het eerste kwartaal van 2016”. Ter zitting heeft klager verklaard dat hij al na een paar maanden na de benoeming van de notaris als vereffenaar in 2014 ontdekte dat de notaris niet of laat reageerde op correspondentie en er door de notaris nog geen enkele actie was ondernomen. Daarna is dit gewraakte handelen en nalaten van de notaris volgens klager doorgegaan blijkens zijn stellingen.

5.4.

Omdat de klacht is ingediend na het verstrijken van de vervaltermijn is klager te laat met zijn klacht over het handelen en nalaten van de notaris in de periode van het tweede kwartaal van 2014 tot 24 juni 2016. Dit betekent dat de klacht, voor zover die ziet op die periode, niet-ontvankelijk is.

Beoordeling handelen en nalaten vanaf 24 juni 2016

5.5.

Gelet op hetgeen hiervoor in 5.2. tot en met 5.4. over de vervaltermijn uiteen is gezet, kan slechts een inhoudelijk oordeel worden gegeven over het handelen en nalaten van de notaris vanaf 24 juni 2016; drie jaar vóór het indienen van de klacht op 24 juni 2019. Klager heeft in dat kader ter zitting in hoger beroep aangevoerd, kort samengevat, dat het verweten handelen en nalaten van de notaris, verricht vóór de vervaltermijn, zich tot op heden voortsleept. De notaris heeft hiertegen geen verweer gevoerd. Aldus staat tussen partijen vast dat vanaf 2014 sprake is van doorlopend falen van de notaris, dus ook in de hier aan de orde zijnde periode.

Evenals de kamer is het hof van oordeel dat de verwijten van klager – die er in essentie op neerkomen dat de notaris slecht met klager heeft gecommuniceerd, hem ontijdig heeft geïnformeerd en op onderdelen onjuist en/of onzorgvuldig heeft gehandeld – terecht zijn. Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft de notaris erkend dat hij de vereffening niet voortvarend heeft opgepakt. De notaris heeft ook geen verweer gevoerd tegen het verwijt van klager dat de notaris vrijwel alle wettelijke taken van de vereffenaar – zoals voorgeschreven in de artikelen 4:211 e.v. BW – heeft verzaakt, zodat ook van de juistheid van dat verwijt kan worden uitgegaan.

Daarnaast heeft klager de notaris vanaf januari 2018 diverse malen verzocht om een rekening en verantwoording aan welk verzoek pas op 9 februari 2021 gehoor is gegeven, terwijl reeds in eerste aanleg bij dupliek van 13 april 2020 door de notaris is erkend dat die eerder had moeten zijn ingediend en toegezegd daarvoor alsnog zorg te dragen. Ter zitting in hoger beroep is naar voren gekomen dat de rekening en verantwoording volgens klager niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen en de notaris heeft voorgesteld dat partijen daarover nog eens met elkaar om tafel gaan zitten. De nalatenschap van erflaatster is tot op heden dus nog steeds niet volledig afgewikkeld, ondanks de door klager veelvuldig ondernomen pogingen de notaris in beweging te krijgen.

De klacht van klager zal dan ook gegrond worden verklaard.

Conclusie en maatregel

5.6.

Van een notaris die, al dan niet als vereffenaar, bij de afwikkeling van een nalatenschap betrokken is, mag worden verwacht dat hij de belangen van de erfgenamen met de grootst mogelijke zorgvuldigheid behartigt en dat hij daarbij in de gegeven omstandigheden voldoende voortvarend handelt. Uit het voorgaande volgt dat de notaris aan een en ander niet heeft voldaan. Zorgvuldigheid is één van de kernwaarden van het notariaat en de notaris heeft deze bij voortduring geschonden. Het hof neemt bij de bepaling van soort en hoogte van de maatregel in aanmerking dat de notaris sinds 2014 faalt in zijn dienstverlening richting klager. De notaris heeft klager gedurende inmiddels meer dan zeven jaar het bos in gestuurd door niet, te laat of niet naar behoren te reageren op correspondentie van klager en de afwikkeling van de nalatenschap op zijn beloop te laten. Daarbij duurt het falen van de notaris voort, want de nalatenschap is tot op heden nog steeds niet volledig afgewikkeld. Het hof rekent dit de notaris zeer aan. De notaris heeft weliswaar meermaals excuses aan klager aangeboden, maar dit heeft niet geleid tot daden van zijn kant. Voorts wordt meegewogen dat aan de notaris ter zake van een eerder tuchtrechtelijk verwijt de maatregel van waarschuwing is opgelegd.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat niet met de door de kamer opgelegde maatregel – berisping – kan worden volstaan. Het hof acht de maatregel van schorsing in de uitoefening van het ambt voor de duur van vier weken passend en geboden. Ingevolge artikel 105 Wna is het aan de kamer om te bepalen op welke datum de aan de notaris opgelegde maatregel van schorsing in de uitoefening van het ambt voor de duur van vier weken van kracht wordt en dit bij aangetekende brief aan de notaris mee te delen. Voor een overzicht van de werkzaamheden die de notaris wel en niet mag verrichten gedurende zijn schorsing verwijst het hof naar overweging 6.15 van zijn beslissing van 14 januari 2020 (ECLI:NL:GHAMS:2020:137).

Kostenveroordeling

5.7.

In verband met de wijziging van de Wna per 1 januari 2018 heeft dit hof per die datum de Tijdelijke richtlijn kostenveroordeling notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer Gerechtshof Amsterdam (Staatscourant 2017, nr. 75085; hierna: de richtlijn) vastgesteld. De looptijd van deze richtlijn is verlengd tot in beginsel 1 januari 2021 (Staatscourant 2019, nr. 61782). Aangezien het beroepschrift voor 1 januari 2021 bij het hof is ingediend, is de richtlijn van toepassing.

5.8.

Omdat het hof de klacht grotendeels gegrond verklaart, dient de notaris het door klager betaalde griffierecht in hoger beroep van € 50,- aan hem te vergoeden.

5.9.

Aangezien het hof de notaris ook een maatregel oplegt, wordt de notaris verder veroordeeld in de volgende kosten in hoger beroep:

a. a) € 50,- kosten van klager;

b) € 500,- kosten van klager in verband met door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

c) € 3.000,- kosten van behandeling van de klacht door het hof.

Er zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken die aanleiding geven tot een andere beslissing.

5.10.

De notaris dient het griffierecht in hoger beroep en de kosten van klager in hoger beroep binnen vier weken na deze uitspraak aan klager te voldoen. Klager geeft hiervoor een rekeningnummer op aan de notaris.

5.11.

De notaris dient de kosten van behandeling van de klacht in hoger beroep te voldoen aan het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (hierna: LDCR). De termijn waarbinnen en de wijze waarop de kosten moeten worden voldaan, worden door het LDCR schriftelijk aan de notaris meegedeeld.

6 Beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden beslissing met uitzondering van de proceskostenveroordeling;

en, in zoverre opnieuw beslissende:

- verklaart de klacht voor zover deze betrekking heeft op handelen in de periode van het tweede kwartaal van 2014 tot 24 juni 2016 niet-ontvankelijk;

- verklaart de klacht voor het overige gegrond;

- legt aan de notaris de maatregel van schorsing in de uitoefening van het ambt op voor de duur van vier weken;

- veroordeelt de notaris tot betaling aan klager van zijn kosten in hoger beroep, bestaande uit € 50,- aan griffierecht, € 50,- aan kosten klager en € 500,- aan kosten rechtsbijstand, in totaal € 600,- binnen vier weken na vandaag;

- veroordeelt de notaris tot betaling van € 3.000,- aan kosten van behandeling van de klacht in hoger beroep, te betalen aan het LDCR op de wijze en binnen de termijn als door het LDCR aan de notaris wordt meegedeeld.

Deze beslissing is gegeven door mrs. J.W.M. Tromp, A.D.R.M. Boumans en M. Bijkerk en in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2021 door de rolraadsheer.