Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:2224

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-08-2021
Datum publicatie
16-08-2021
Zaaknummer
23-003661-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling tankpasfraude. Bewijsoverweging periode en (wederrechtelijkheid) transacties. Handel brandstof. Schatting materiele schade vordering benadeelde partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003661-19

datum uitspraak: 2 augustus 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 26 september 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-082699-19 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortedatum],

adres: [woonplaats].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

19 juli 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 19 november 2018 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse of vervalste betaalpas, waardekaart of enige andere voor het publiek beschikbare kaart, te weten een tankpas met nummer 3060040306513701684 bestemd voor het verrichten of verkrijgen van betalingen of andere prestaties langs geautomatiseerde weg, als ware deze echt en onvervalst, door met deze tankpas brandstof te tanken;

2.
hij op of omstreeks 19 november 2018 te Amsterdam meermalen tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, brandstof, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [benadeelde 1], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen brandstof onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van valse sleutel, door met een valse/vervalste tankpas het tankproces vrij te geven;


3.
hij in of omstreeks de periode van 16 februari 2018 tot en met 19 november 2018 te Amsterdam meermalen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse of vervalste betaalpas, waardekaart of enige andere voor het publiek beschikbare kaart, te weten een of meerdere tankpas(sen) bestemd voor het verrichten of verkrijgen van betalingen of andere prestaties langs geautomatiseerde weg, als ware deze echt en onvervalst, door met deze tankpas(sen) brandstof te tanken;

4.
hij in of omstreeks de periode van 16 februari 2018 tot en met 19 november 2018 te Amsterdam meermalen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, brandstof, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan (onder meer) [benadeelde 1], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen brandstof onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van valse sleutel, door (telkens) met een valse/vervalste tankpas het tankproces vrij te geven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Het hof begrijpt de tenlastelegging voor wat betreft de aldaar genoemde data – in het licht van de stukken in het dossier – aldus dat onder 1 en 2 aan de verdachte wordt verweten zich op

19 november 2018 rond 15.45 uur tezamen en in vereniging met medeverdachte [medeverdachte] schuldig te hebben gemaakt aan het gebruik van een valse tankpas en diefstal van (de waarde van) de getankte brandstof en dat de feiten 3 en 4 zien op soortgelijke misdrijven in de periode voorafgaand aan dat tijdstip (waaronder begrepen twee keer op 19 november 2018 met telkens een andere medeverdachte dan [medeverdachte]).

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen en overwegingen komt.

Bewijsoverweging

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft (partiële) vrijspraak bepleit van de onder 3 en 4 tenlastegelegde feiten op grond van het volgende.

De verdachte heeft de (valse) tankpas en de mobiele telefoon (Samsung) die op 19 november 2018 onder hem in beslag zijn genomen pas eind oktober 2018 in zijn bezit gekregen. Dat betekent dat de met die telefoon gevoerde WhatsApp-gesprekken niet aan de verdachte kunnen worden toegeschreven voor zover die gesprekken dateren van vóór eind oktober 2018. Bovendien hielden ook anderen zich bezig met feiten als die welke aan de verdachte zijn tenlastegelegd, zo blijkt uit camerabeelden van tankmomenten die worden gerelateerd aan andere verdachten, terwijl andere verdachten ook daadwerkelijk zijn aangehouden. Het zou dan te kort door de bocht zijn aan te nemen dat de verdachte gedurende de gehele tenlastegelegde periode degene is geweest die het desbetreffende nummer met bijbehorende telefoon heeft gebruikt.

Daar komt nog bij dat transacties op het overzicht van [benadeelde 1] voor wat betreft het daarin genoemde kenteken niet te herleiden zijn tot de verdachte, tot zijn Samsung of tot camerabeelden in het dossier. Ook staan op dat overzicht tankmomenten tussen

4 en 11 november 2018 waarvan de wederrechtelijkheid niet vaststaat en die niet zijn te koppelen aan de telefoon die aan de verdachte wordt toegeschreven.

Met betrekking tot het door [benadeelde 1] aangeleverde overzicht is onduidelijk waarom de aangekruiste tankmomenten niet kloppen (het hof begrijpt: wederrechtelijk zouden zijn) en lijken slecht enkele van die tankmomenten aan te sluiten bij de aangetroffen WhatsApp-gesprekken. Voorts zijn van die tankmomenten geen camerabeelden beschikbaar waaruit kan blijken dat de verdachte met een geskimde pas van [benadeelde 1] die wederrechtelijke transacties heeft verricht, terwijl die pas van [benadeelde 1] ook niet is aangetroffen onder hem of in zijn woning.

Oordeel van het hof

De verdachte en de medeverdachte, [medeverdachte], zijn op 19 november 2018 aangehouden om 15.50 uur – kort nadat zij bij tankstation [benadeelde 1] aan de [pleegplaats] hadden getankt met de door [medeverdachte] gebruikte Mercedes – op verdenking van frauduleus gebruik van een tankpas. Onder de verdachte is toen een tankpas in beslag genomen die volgens de gegevens op de magnetische strip bleek te horen bij een voertuig met kenteken [kenteken] dat in gebruik was bij [benadeelde 2], in dienst bij [benadeelde 1]. Op camerabeelden is te zien dat op 19 november 2018 om 15.45 uur de verdachte en [medeverdachte] in een Mercedes bij [benadeelde 1] komen aanrijden, waarna de verdachte twee maal de (geskimde) tankpas in de betaalterminal invoert en [medeverdachte] eerst de tank van de Mercedes en daarna een lege jerrycan vult. [benadeelde 2] heeft aangifte gedaan namens [benadeelde 1] en van de door [benadeelde 1] als frauduleus bestempelde transacties zijn twee overzichten in het geding gebracht.

Het is juist dat, zoals de raadsvrouw heeft aangevoerd, een van die twee overzichten betrekking heeft op een ander kenteken dan [kenteken] en dus hoogstwaarschijnlijk op het gebruik van een andere tankpas dan die welke onder de verdachte is aangetroffen – het hof neemt aan dat [benadeelde 1] in zoverre per abuis onvolledige informatie heeft verschaft – maar dat laat onverlet dat de tankpas waarvan de gegevens behoorden bij de pas van het voertuig met kenteken [kenteken] bij de verdachte is aangetroffen kort na de twee op camerabeelden waargenomen tankbeurten.

Het hof neemt daarbij voorts, naast de aangifte van [benadeelde 2] en het [benadeelde 1]-overzicht ten aanzien van frauduleuze transacties (m.b.t. kenteken [kenteken]) van 4 t/m 11 november 2018, in aanmerking dat de verdachte en [medeverdachte] ook op 16 november 2018 met de Mercedes van [medeverdachte] hebben getankt (en toen tevens twee jerrycans hebben gevuld), dat de verdachte op 19 november 2018 om 13.37 en om 14.25 uur met telkens een andere auto en, naar het zich laat aanzien met andere medeverdachten, telkens twee keer heeft getankt en betaald bij dezelfde [benadeelde 1], dat de verdachte in die periode met anderen diverse WhatsApp-gesprekken heeft gevoerd over de brandstof die hij voor die anderen kon regelen en dat er geen enkele aanwijzing is – de verdachte heeft daaromtrent ook niets aangevoerd – dat hij in die periode brandstof betaalde met een andere pas dan bedoelde geskimde pas van [benadeelde 1].

De onder de verdachte inbeslaggenomen Samsung-telefoon is op 16 februari 2018 geactiveerd. Op die telefoon zijn vele WhatsApp-gesprekken aangetroffen tussen de gebruiker van de telefoon en diverse personen die onmiskenbaar betrekking hebben op de verweving/levering van brandstof. Een WhatsApp-gesprek op 19 november 2018 met “[namen]” – die sinds begin maart 2018 via WhatsApp communiceerden – komt ook voor in de telefoon van de [medeverdachte], als een tussen hem en ‘[naam]’ gevoerd gesprek voorafgaand aan het moment dat zij op camerabeelden worden waargenomen bij de Texaco. Het hof gaat er dan ook van uit dat de [medeverdachte] vanaf begin maart 2018 met de gebruiker van de telefoon van de verdachte Whatsapp-berichten heeft uitgewisseld, welke gebruiker in de telefoon van [medeverdachte] [naam] als contactnaam heeft. [naam] is ook de naam waarmee [medeverdachte] in zijn verhoor de verdachte heeft aangeduid.

Het dossier behelst geen enkele aanwijzing dat de verdachte aan de WhatsApp-gesprekken pas is gaan deelnemen na eind oktober 2018, als ware hij in de plaats gekomen van ‘een andere [naam]’ die voordien de gesprekspartner van [medeverdachte] was. Ook overigens is het hof niet gebleken van duidelijke aanwijzingen dat het berichtenverkeer met de Samsung-telefoon van de verdachte vanaf oktober 2018 wijst op het gebruik door een ander dan vóór oktober 2018. De op geen enkele wijze nader geconcretiseerde stelling van de verdachte dat hij pas vanaf eind oktober 2018 de gebruiker van de Samsung (en bijbehorende simkaart) was, wordt dan ook door het hof gepasseerd.

[benadeelde 1] heeft aangifte gedaan van fraude met 12 tankpassen in de periode van 1 augustus 2017 t/m

30 juni 2018, waaronder een Multi Tank Card die op 20 maart 2018 is geblokkeerd. Op de telefoon van de verdachte is een foto aangetroffen van een geweigerde transactie met diezelfde Multi Tank Card. De verdachte heeft deze foto met drie andere personen gedeeld en daarbij aan deze onderscheiden personen medegedeeld dat hij over zes weken een nieuwe pas zou hebben, dat hij een nieuwe pas aan het regelen was respectievelijk (op 9 april 2018) dat hij inmiddels weer een nieuwe pas had. Verder zijn een aantal met die tankpas verrichte transacties te koppelen aan (tijdstippen van) WhatsApp-gesprekken die de verdachte heeft gevoerd met anderen over de brandstof die hij kon regelen.

Uit het voorgaande leidt het hof af dat de verdachte zich op grote schaal en op professionele wijze bezig hield met het frauduleus gebruik van tankpassen en dat in ieder geval kan worden bewezen dat de verdachte in de periode van 16 februari 2018 tot 20 maart 2018 een geskimde tankpas van [benadeelde 1] heeft gebruikt om brandstof te tanken en dat hij dat in november 2018 meermalen heeft gedaan met een geskimde tankpas van [benadeelde 1].

De verweren worden dan ook verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op 19 november 2018 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vervalste betaalpas, te weten een tankpas met nummer 3060040306513701684 bestemd voor het verrichten van betalingen langs geautomatiseerde weg, als ware deze echt en onvervalst, door met deze tankpas brandstof te tanken;

2.
hij op 19 november 2018 te Amsterdam meermalen tezamen en in vereniging met een ander enig goed (brandstof), dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en zijn mededader toebehoorde, te weten aan [benadeelde 1], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader die weg te nemen brandstof onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door met een vervalste tankpas het tankproces vrij te geven;

3.
hij in de periode van 16 februari 2018 tot en met 19 november 2018 te Amsterdam meermalen tezamen en in vereniging met telkens een of meer anderen opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vervalste betaalpas, te weten een tankpas bestemd voor het verrichten van betalingen langs geautomatiseerde weg, als ware deze echt en onvervalst, door met deze tankpassen brandstof te tanken;

4.
hij in de periode van 16 februari 2018 tot en met 19 november 2018 te Amsterdam meermalen tezamen en in vereniging met een of meer anderen enig goed (brandstof), dat geheel of ten dele aan een ander dan aan [benadeelde 1] post- en koeriersdiensten, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders die weg te nemen brandstof onder hun bereik hebben gebracht door middel van valse sleutel, door telkens met een vervalste tankpas het tankproces vrij te geven.

Hetgeen onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vervalste pas als bedoeld in artikel 232, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware deze echt en onvervalst.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vervalste pas als bedoeld in artikel 232, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware deze echt en onvervalst, meermalen gepleegd.

Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die strafbaarheid ten aanzien van het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis, waarvan 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie dagen en een taakstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

De raadsvrouw heeft verzocht de door de advocaat-generaal gevorderde taakstraf in duur te beperken.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich samen met zijn mededaders meermalen schuldig gemaakt aan de diefstal van een geldbedrag, zijnde de waarde van de getankte brandstof, door met gebruikmaking van vervalste tankpassen brandstof te tanken. Door aldus te handelen heeft de verdachte blijk gegeven van gebrek aan respect voor het eigendomsrecht van anderen en heeft hij overlast en financiële schade bij de gedupeerde bedrijven veroorzaakt. Daarnaast wordt door het tanken met een vervalste tankpas het vertrouwen ondermijnd dat in het betaalnetwerk moet kunnen worden gesteld.

Het hof weegt in het nadeel van de verdachte, die blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 6 juli 2021 eerder ter zake van vermogensdelicten onherroepelijk is veroordeeld, mee dat de stelselmatige en professionele werkwijze, onder andere bestaande uit het met behulp van een klantenbestand actief benaderen/bedienen van potentiële klanten, erop duidt dat de verdachte zich langere tijd met gebruikmaking van vervalste tankpassen bezig heeft gehouden met de handel in brandstof.

Het hof is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de vordering van de advocaat-generaal voor wat betreft de duur van de gevorderde taakstraf geen recht doet aan de ernst van de feiten. De persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die door de verdachte en zijn raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht, geven geen aanleiding tot een ander oordeel. Voorts is het hof van oordeel dat de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf van drie dagen moet worden opgelegd, die overigens al door de verdachte in voorlopige hechtenis zijn doorgebracht.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf en taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.451,61. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 202,49. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 202,49.

De raadsvrouw heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, primair gelet op de door haar bepleite vrijspraak en subsidiair op de grond dat de vordering onvoldoende is onderbouwd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 en 4 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreekse schade heeft geleden tot na te melden bedrag.

Het hof gaat er, zoals reeds hiervoor overwogen, van uit dat de benadeelde partij voor wat betreft de frauduleuze transacties op 19 november 2018 per abuis een overzicht van transacties met een andere tankpas in het geding heeft gebracht. Het hof acht niettemin ten aanzien van de waarde van de getankte brandstof met een vervalste [benadeelde 1]-tankpas, gelet op de in 2018 gangbare prijzen van benzine (op zijn minst € 1,50 per liter) een bedrag van (tenminste) € 150,00 als redelijke schatting van het schadebedrag voor toewijzing vatbaar, nu uit de inhoud van het dossier is gebleken dat de verdachte op

19 november 2018 met gebruikmaking van de tankpas drie keer een voertuig en/of (een) jerrycan(s) met brandstof heeft gevuld, hetgeen het hof waardeert op (tenminste) drie keer € 50,00.

De verdachte is op grond van artikel 6:166 van het Burgerlijk Wetboek samen met zijn mededaders hoofdelijk aansprakelijk voor de schade en dus tot vergoeding daarvan gehouden, behalve voor zover de schade al door de mededaders, voor zover die daarvoor aansprakelijk is, is vergoed. Die hoofdelijke aansprakelijkheid ziet op € 50,00 voor wat betreft het tanken met [medeverdachte] op 19 november 2018 rond 15.45 uur en op € 100,00 voor wat betreft het tanken op diezelfde dag (19 november 2018) op twee eerdere tijdstippen met een of meer anderen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] .

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.428,75. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering.

De raadsvrouw heeft verzocht de vordering af te wijzen of de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren, op de grond dat de vordering onvoldoende is onderbouwd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 4 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag.

Het hof stelt vast dat uit het door de benadeelde partij overgelegde transactieoverzicht van de tankpas blijkt dat in de bewezenverklaarde periode een groot aantal transacties, in sommige gevallen kort na elkaar, hebben plaatsgevonden bij dezelfde tankstations die, gelet op de hoeveelheid getankte brandstof en het aantal gereden kilometers, feitelijk niet mogelijk zijn wanneer alleen door de rechtmatige eigenaar van de tankpas gebruik zou zijn gemaakt. Daarnaast zijn, zoals reeds hiervoor overwogen, een aantal van die transacties te koppelen aan door de verdachte gevoerde WhatsApp-gesprekken over brandstof. Het totale bedrag van deze transacties sluit aan bij het door de benadeelde partij gevorderde bedrag van

€ 1.428,75 aan materieel geleden schade. Het hof in dan ook, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat de vordering in voldoende mate is onderbouwd en dat de vordering kan worden toegewezen.

De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 47, 57, 232 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 2 en 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 150,00 (honderdvijftig euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk (telkens voor een derde van het gehele bedrag) aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1], ter zake van het onder 2 en 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 150,00 (honderdvijftig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 3 (drie) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 19 november 2018.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.428,75 (duizend vierhonderdachtentwintig euro en vijfenzeventig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.428,75 (duizend vierhonderdachtentwintig euro en vijfenzeventig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 24 (vierentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 20 maart 2018.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. A.M. van Woensel en mr. J.W.P. van Heusden, in tegenwoordigheid van mr. L. van Dijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 augustus 2021.

Mr. M.J.A. Duker is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[… 2]