Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:2221

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-08-2021
Datum publicatie
16-08-2021
Zaaknummer
23-003019-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging ISD-maatregel 1 jaar met tussentijdse toets na 6 maanden. Ongewenst vreemdeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003019-20

datum uitspraak: 2 augustus 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 24 december 2020 in gevoegde strafzaken onder de parketnummers

13-226130-20 en 13-198822-20 en 13-222837-20, alsmede 13-221800-19 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1980,

thans gedetineerd in Detentiecentrum Schiphol te Badhoevedorp.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

19 juli 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde maatregel. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.

Hetgeen in hoger beroep ten aanzien van het bewijs is aangevoerd, vindt reeds zijn weerlegging in de bewijsvoering van de rechtbank.

Oplegging van maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in de zaak met parketnummer

13-226130-20, in de zaak met parketnummer 13-198822-20 en in de zaak met parketnummer

13-222837-20 bewezen verklaarde veroordeeld tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde maatregel als door de rechter in eerste aanleg is opgelegd, met dien verstande dat de ISD-maatregel wordt opgeheven op het moment dat de daadwerkelijke uitzetting van de verdachte naar Algerije kan plaatsvinden.

De raadsman van de verdachte heeft verzocht te volstaan met oplegging van een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest. Hij heeft daartoe primair aangevoerd dat de oplegging van de ISD-maatregel zich niet verhoudt tot de status van de verdachte als ongewenst vreemdeling en feitelijk neerkomt op vreemdelingenbewaring. Hij heeft subsidiair naar voren gebracht dat de oplegging van de voornoemde maatregel, mede gelet op de geringe ernst van de feiten, opportuun noch proportioneel is.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de diefstal van een lokfiets, het bezit van verdovende middelen, de belediging van een politieambtenaar en schennis van de eerbaarheid. Hij heeft daarmee blijk gegeven weinig respect te hebben voor andermans eigendom en het door de politie vertegenwoordigde gezag. Daarnaast kan het onzedelijk handelen van de verdachte worden ervaren als kwetsend, hinderlijk en aanstootgevend. Bovendien gaat het bezit van verdovende middelen vaak gepaard met overlast voor en criminele activiteiten in de maatschappij.

Het hof heeft kennisgenomen van de door mevrouw [naam 1] opgestelde adviesrapporten van Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering van 17 november 2020 en 5 juli 2021. Uit deze rapporten komt onder meer het volgende naar voren. De verdachte is vanaf 2004 veelvuldig in aanraking gekomen met justitie, is op 17 mei 2005 tot ongewenst vreemdeling verklaard en heeft in 2017 reeds eerder een ISD-maatregel opgelegd gekregen. De persoonlijke omstandigheden van de verdachte houden sterk verband met zijn status als ongewenst vreemdeling. Hij heeft geen vaste verblijfplek, werk en inkomsten en kan maar zeer beperkt aanspraak maken op sociale voorzieningen en structurele hulpverlening. In zekere zin is er sprake van een vicieuze cirkel die niet eenvoudig kan worden doorbroken. Zolang de verdachte in Nederland verblijft, zal zijn toekomstperspectief uitzichtloos zijn en zal het recidiverisico onverminderd hoog blijven.

Door de Dienst Terugkeer & Vertrek (hierna: DT&V) is vastgesteld dat de verdachte afkomstig is uit Algerije. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij nog steeds gemotiveerd is om terug te keren naar Algerije, maar niet vanuit detentie of een ISD-maatregel. De terugkeer van de verdachte wordt daarentegen bemoeilijkt doordat de verdachte niet over brondocumenten, zoals een geboorteakte, beschikt. Een eerdere poging door de heer [naam 2] van DT&V om de verdachte voorafgaand aan zijn huidige detentie te begeleiden bij het verkrijgen van de benodigde documenten ten behoeve van zijn terugkeer naar Algerije door hem onderdak en leefgeld te bieden, is echter niet succesvol gebleken, met name omdat adequate hulp bij zijn verslavingsproblematiek niet gerealiseerd kon worden vanwege zijn status als ongewenst vreemdeling.

De reclassering is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de oplegging van de ISD-maatregel voor ongewenst vreemdelingen, de zogeheten VRIS-ISD, het meest passend is. Het voornaamste doel van deze maatregel is repatriëring naar het land van herkomst. Daarbij wordt, indien de verdachte gemotiveerd is om terug te keren naar zijn land van herkomst, nauw samengewerkt met DT&V. Daarnaast biedt de maatregel zorg en structuur en bestaan er behandelmogelijkheden voor ongewenst vreemdelingen met verslavingsproblematiek. De maatregel voorkomt tevens recidive en overlast voor de duur van de maatregel.

Het hof stelt vast dat ten aanzien van de bewezen geachte feiten aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Uit een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 6 juli 2021 blijkt dat de verdachte gedurende vijf jaar voorafgaand aan het plegen van de onderhavige feiten tenminste driemaal ter zake van een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl de in dit arrest bewezen verklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapporten van de reclassering, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Verder eist de veiligheid van personen en goederen het opleggen van deze maatregel, gezien de aard en het aantal van de door de verdachte begane soortgelijke strafbare feiten.

Het hof is, alles afwegende, van oordeel dat de oplegging van een ISD-maatregel passend en geboden is. Dat er gedurende de looptijd van de ISD-maatregel in samenwerking met DT&V getracht zal worden de verdachte terug te laten keren naar Algerije en dat er rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat terugkeer niet mogelijk zal blijken te zijn, onder andere gelet op het ontbreken van brondocumenten, doet aan de noodzakelijkheid van de oplegging van de ISD-maatregel niet af. De ISD-maatregel strekt immers volgens de bewoordingen van het tweede lid van artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht zowel tot beveiliging van de maatschappij als tot beëindiging van de recidive door de verdachte. Bovendien kan de verdachte binnen de ISD-maatregel in enige mate gebruik maken van de behandelmogelijkheden voor zijn verslavingsproblematiek.

Het hof ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de door het hof beoogde proportionaliteit aanleiding om de duur van de ISD-maatregel te beperken tot een jaar en om uiterlijk zes maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel te toetsen. Het hof is van oordeel dat getoetst dient te worden wat er zowel door DT&V als de verdachte tegen die tijd is ondernomen, of dat redelijkerwijs kan worden aangemerkt als voldoende inspanning en wat er nog nodig is om terugkeer van de verdachte naar Algerije mogelijk te maken en in het bijzonder of met inachtneming van een en ander voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel nog is gerechtvaardigd.

Het hof ziet geen aanleiding om de vordering van de advocaat-generaal tot opheffing van de ISD-maatregel zodra de verdachte kan worden uitgezet, te honoreren, niet in de laatste plaats omdat artikel 6:2:20 Sv de bevoegdheid voor de Minister bevat om de maatregel te allen tijde te beëindigen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 38m, 57, 239, 266, 267 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde maatregel en doet in zoverre opnieuw recht.

Legt op de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 1 (één) jaar.

Bepaalt dat het openbaar ministerie binnen 6 (zes) maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel de rechtbank zal berichten over de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.W.P. van Heusden, mr. C.J. van der Wilt en mr. M.J.A. Duker in tegenwoordigheid van mr. L. van Dijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

2 augustus 2021.

Mr. C.J. van der Wilt en mr. M.J.A. Duker zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]