Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:2158

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
06-08-2021
Zaaknummer
200.273.814/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoeker niet-ontvankelijk in wrakingsverzoek nu het verzoek te laat is ingediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

zaaknummer : 200.273.814/01

rekestnummer hoofdzaak : 000621-19

beslissing van de wrakingskamer van 4 mei 2021

inzake het op 29 november 2019 ingediende wrakingsverzoek van

[verzoeker],

geboren te [geboortedatum],

adres: [adres],

hierna: de verzoeker.

1 Het geding

1.1

De verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 21 december 2018 waarin is beslist op een verzoek tot toekenning van een schadevergoeding wegens ondergane vervangende/voorlopige hechtenis. De zaak met nummer 000621-19 (hierna: de hoofdzaak) is in hoger beroep op 21 november 2019 in raadkamer behandeld.

1.2

De verzoeker heeft op 29 november 2019 schriftelijk de wraking verzocht van de voorzitter, mr. R.D. van Heffen (hierna ook: de raadsheer). Op 4 december 2019 is in de hoofdprocedure een tussenbeschikking gewezen. Tevens heeft de verzoeker per e-mailberichten van 4 december 2019 de gronden van het wrakingsverzoek aangevuld. De raadsheer heeft op 15 april 2020 – nadat de mondelinge behandeling wegens COVID-19 was uitgesteld – schriftelijk meegedeeld niet te berusten in het wrakingsverzoek en een reactie op het verzoek gegeven.

1.3

De verzoeker heeft de wrakingskamer die het wrakingsverzoek tegen de raadsheer zou behandelen –bestaande uit mrs. Quaedvlieg, Plaisier en Aalders – op 25 mei 2020 gewraakt. De behandeling van dit wrakingsverzoek is door het gerechtshof Amsterdam – op verzoek van de verzoeker – doorverwezen naar het gerechtshof Den Haag. Op 11 augustus 2020 hebben de gewraakte raadsheren laten weten niet te berusten in het verzoek. De wrakingskamer van het gerechtshof Den Haag heeft op 18 augustus 2020 beslist het wrakingsverzoek buiten behandeling te laten.

1.4

Op 2 oktober 2020 is de behandeling van het wrakingsverzoek tegen de raadsheer voortgezet door de wrakingscombinatie, opnieuw bestaande uit mrs. Quaedvlieg, Plaisier en Aalders. De verzoeker is bij de mondelinge behandeling verschenen. Tijdens deze behandeling heeft de verzoeker opnieuw een wrakingsverzoek ingediend tegen mrs. Quaedvlieg, Plaisier en Aalders. De gewraakte wrakingskamer heeft per brief van 3 november 2020 te kennen gegeven niet te berusten in het wrakingsverzoek en een reactie op het verzoek gegeven.

1.5

De wrakingskamer van het gerechtshof Amsterdam, in een andere samenstelling dan de gewraakte kamer, heeft het wrakingsverzoek van de wrakingskamer ditmaal zelf in behandeling genomen. De wrakingskamer heeft bij beslissing van 22 februari 2021 bepaald dat het verzoek tot wraking van mrs. Quaedvlieg, Plaisier en Aalders buiten behandeling wordt gelaten en dat een volgend (wrakings-)verzoek van de verzoeker niet in behandeling zal worden genomen.

1.6

De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek tegen de raadsheer is opnieuw gepland op 21 april 2021. Voorafgaand aan de behandeling van het wrakingsverzoek heeft de verzoeker te kennen gegeven in het buitenland te verblijven en niet fysiek te zullen verschijnen. De wrakingskamer heeft de verzoeker de gelegenheid geboden zijn wrakingsverzoek via een digitale of inbelverbinding toe te lichten en aan de verzoeker per e-mail van 15 april 2021 inloggegevens verstrekt om op een dergelijke wijze aan de behandeling van het wrakingsverzoek deel te nemen. De verzoeker is niet fysiek verschenen en heeft evenmin digitaal deelgenomen aan de behandeling van het wrakingsverzoek op

21 april 2021. Tijdens de mondelinge behandeling is wel verschenen mr. A.C. Bijlsma, advocaat-generaal bij het gerechtshof Amsterdam, die – onder verwijzing naar zijn schriftelijke reactie van 19 april 2021 – het woord heeft gevoerd en primair heeft geconcludeerd dat het verzoek wegens evident misbruik van de wrakingsbevoegdheid buiten behandeling dient te worden gelaten. Subsidiair heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het wrakingsverzoek dient te worden afgewezen. De raadsheer is niet ter terechtzitting verschenen.

2 Het wrakingsverzoek

2.1

Blijkens het e-mailbericht van 29 november 2019 en de aanvulling van gronden van 4

december 2019 komt het verzoek tot wraking – in de kern – op het volgende neer:

i. de verzoeker heeft geen inzage gehad in (de inhoud van) het dossier.

ii) tijdens de behandeling in raadkamer op 21 november 2019 is het verzoek tot schadevergoeding in verband met onrechtmatig gelegd beslag op een groot geldbedrag onder de verzoeker geheel buiten beschouwing gelaten.

iii) de wens van de verzoeker voorafgaand en ter zitting van 21 november 2019 om de zaak aan te houden, is niet gehonoreerd.

iv) in de tussenbeschikking van 4 december 2019 staat ten onrechte vermeld dat op 21 november 2019 de behandeling is gesloten en dat een beslissing zal worden gegeven op

5 december 2019.

v) tijdens de behandeling van 21 november 2019 is gebleken dat de raadsheer op de hoogte was van de strafzaak tegen de verzoeker, waarin deze een vrijheidsbeperkende maatregel is opgelegd. Nu de verzoeker zelf (nauwelijks) wetenschap heeft van deze procedure, wijst dit op vooringenomenheid van de raadsheer.

vi) de raadsheer heeft miskend dat de verzoeker ook de rechter die in eerste aanleg beschikte op het verzoek tot schadevergoeding heeft gewraakt, zodat de beschikking door die rechter (nog) niet kon worden gegeven.

vii) de raadsheer heeft in de correspondentie met de verzoeker over diens hoger beroep aanvankelijk twee wetsartikelen genoemd waarop verzoekers verzoek tot schadevergoeding was gestoeld, te weten artikel 89 Sv en artikel 38ij Sr. Later, in de aanloop naar de behandeling van 21 november 2019, is daarvan alleen artikel 38ij Sr overgebleven.

viii) de raadsheer heeft de verzoeker voorafgaand aan de behandeling van 21 november 2019 in raadkamer laten weten dat de ontvankelijkheid van zijn hoger beroep bij de behandeling van 21 november 2019 aan de orde zal komen en die is toen ook aan de orde gesteld, terwijl de rechtbank onder haar beschikking van 21 december 2018 de beroepsmogelijkheid expressis verbis heeft vermeld.

3.2

Bij de behandeling van het wrakingsverzoek op 2 oktober 2020 heeft de verzoeker het

wrakingsverzoek (deels) nader toegelicht.

3.3

De raadsheer is van mening dat de aangevoerde gronden voor de wraking niet kunnen leiden tot gegrondverklaring van het wrakingsverzoek. Hij heeft hiertoe in zijn schriftelijke reactie – voor zover betrekking hebbende op het wrakingsverzoek – ten aanzien van de door de verzoeker aangevoerde gronden het volgende naar voren gebracht:

i. Ik verwijs naar mijn bericht aan verzoeker van 19 november 2019, bijlage 2. Daarbij zij

opgemerkt dat het Amsterdamse hof al geruime tijd (in elk geval sinds oktober 2018) in rekestzaken de ingekomen stukken louter digitaal vastlegt en slechts bij uitzondering print.

ii) De rechtbank Amsterdam heeft een desbetreffend klaagschrift ex art. 552a Sv van verzoeker tegen dit beslag niet-ontvankelijk en/of ongegrond verklaard. Daartegen heeft verzoeker beroep in cassatie ingesteld. Ook dit bleek uit de vele berichten met bijlagen die verzoeker voorafgaand de zitting van 21 november 2019 aan het hof had gezonden. Herhaaldelijk heeft ondergetekende tijdens de gewraakte zitting aan verzoeker gevraagd wat de stand van zaken was in die cassatieprocedure, maar daarop kwam geen antwoord; zie het proces-verbaal van de zitting van 21 november 2019.

iii) Ik verwijs naar het proces-verbaal van de zitting van 21 november 2019 en, voor wat betreft het verzoek tot aanhouding voorafgaand aan die zitting, naar bijlage 2.

iv) Ik verwijs naar het proces-verbaal van de zitting van 21 november 2019, in het bijzonder naar de passages waarin verzoeker aangeeft te overwegen het hof te wraken, maar dat niet doet.

v) In zaken waarin vergoeding van schade of kosten wordt verzocht laat het hof zich steeds voorzien van informatie omtrent openstaande opeisbare geldvorderingen van de Staat op verzoeker uit strafrechtelijke en/of strafvorderlijke titel. Op grond van artikel 90 lid 3 Sv (in casu van overeenkomstige toepassing op grond van art. 38ij Sr) is de rechter die een schadevergoeding toekent immers gehouden die met dergelijke openstaande vorderingen te verrekenen. Ongeveer een week voor de raadkamerzitting ontvangt het hof daartoe van het OM een overzicht openstaande zaken/geldvorderingen (OOZ) van het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB). Om de juistheid/actualiteit van dat OOZ te kunnen controleren ontvangt het hof tevens een recent uittreksel uit de Justitiële Documentatie (UJD) van de betrokkene. Mochten deze stukken aanleiding geven tot verrekening, dan stuurt de griffie afschrift daarvan aan de advocaat van verzoeker, zodat deze daarop desgewenst voor of tijdens de zitting kan reageren. Ook in casu heeft het hof die stukken ontvangen en digitaal opgeslagen. Daaruit bleken geen verrekenbare vorderingen zodat geen noodzaak bestond ze aan verzoeker (die geen advocaat had/heeft) te sturen. Intussen stond de informatie uit het recente UJD, waaronder die omtrent het verdere verloop van de betreffende strafzaak na het PR-vonnis, het hof en ondergetekende ter beschikking - geheel legitiem.

vi) Verzoeker heeft bij zijn vele e-mails aan het hof voorafgaand aan 21 november 2019 meermalen een pdf-document als bijlage gevoegd; de derde pagina daarvan is een incomplete beslissing van de wrakingskamer van de rechtbank Amsterdam, kennelijk op het door verzoeker bedoelde wrakingsverzoek.. Uit dit incomplete stuk (bijlage 5, onder andere gevoegd bij de e-mail van verzoeker aan het hof van 3 september 2019), in samenhang met het gegeven dat de betrokken rechter op 21 december 2019 dadelijk uitspraak heeft gedaan en de wraking pas daarna is verzocht, volgt dat dit wrakingsverzoek niet anders dan niet-ontvankelijk verklaard of afgewezen kan zijn. Tegen een beslissing van een wrakingskamer staat geen (gewoon) rechtsmiddel open.

Ten overvloede: verzoeker kende de beschikking van de wrakingskamer van de rechtbank blijkbaar, want hij stuurde die (zij het incompleet) mee met zijn e-mails aan het hof. Bovendien: verzoeker heeft tegen de beschikking van 21 december 2018 hoger beroep ingesteld; dat getuigt er niet van dat hij toen nog op een beslissing van de wrakingskamer van de rechtbank wachtte.

vii) Volgens artikel 38ij Sr kan de betrokkene een verzoek tot vergoeding van schade indienen voor de tijd die hij ten onrechte in vervangende hechtenis heeft doorgebracht na een vrijheidsbeperkende maatregel. In art. 38ij Sr zijn delen van art. 89 Sv e.v. van overeenkomstige toepassing verklaard. Welke artikelen in de correspondentie/oproepingen worden vermeld is niet relevant, als het verzoek tot vergoeding van schade maar (in hoger beroep) wordt behandeld. In elk geval valt uit het niet vermelden van artikelen geen (schijn van) vooringenomenheid van het hof/ondergetekende af te leiden.

viii) (met verwijzing naar mijn reactie onder 7. hierboven): in artikel 38ij Sr wordt de

beroepsmogelijkheid (ex art. 91 Sv) nu juist niet van overeenkomstige toepassing verklaard.

De rechtbank kan zich op dit punt hebben vergist en bovendien: de ontvankelijkheid van een verzoek of hoger beroep dient - ook in een raadkamerprocedure - steeds (ambtshalve) aan de orde te komen.

3 Beoordeling van het wrakingsverzoek

3.1

Op grond van artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Ingevolge artikel 513 Sv – voor zover hier van belang – moet het verzoek tot wraking worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden die aanleiding vormen voor het verzoek tot wraking aan de verzoeker bekend zijn geworden.

De wrakingskamer overweegt met betrekking tot de tijdigheid van het wrakingsverzoek als volgt.

3.2

De behandeling van de procedure in de hoofdzaak heeft plaatsgevonden op 21 november

2019. Per e-mail van 29 november 2019 heeft de verzoeker verzocht om de wraking van mr.

Van Heffen en heeft hij wrakingsgronden ingediend. Op 4 december 2019 heeft de verzoeker

aanvullende wrakingsgronden kenbaar gemaakt.

3.3

Hieruit volgt dat geruime tijd is verstreken tussen de behandeling van de hoofdzaak en het

indienen van het wrakingsverzoek, te weten acht dagen. Aan een procespartij die het indienen

van een wrakingsverzoek overweegt, moet enige bedenktijd worden gegund, bijvoorbeeld om

onderzoek te doen en/of juridisch advies in te winnen. Van een voldoende rechtvaardiging

voor het ruime tijdsverloop tussen het tijdstip dat de verzoeker bekend is geworden met de door hem voor wraking relevant geachte feiten of omstandigheden en de indiening van het

wrakingsverzoek is echter niet gebleken.

3.4

De wrakingskamer is dan ook van oordeel dat het wrakingsverzoek gelet op het bepaalde in artikel 513, eerste lid, Sv, te laat is ingediend. De wrakingskamer zal de verzoeker daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek.

Om die reden komt de wrakingskamer niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek tot wraking.

4 De beslissing

De wrakingskamer:

- verklaart de verzoeker niet-ontvankelijk in het wrakingsverzoek tegen mr. Van Heffen.

Deze beslissing is gegeven door mrs. H.M.J. Quaedvlieg, J.F. Aalders en S.M.M. Bordenga, in tegenwoordigheid van mr. D. Boessenkool, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 mei 2021.