Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:2074

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-07-2021
Datum publicatie
09-08-2021
Zaaknummer
200.291.889/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Gezamenlijk gezag; vraag of man toestemming aan vrouw heeft gegeven voor verhuizing; toetsingskader; kort geding leent zich niet voor grondig onderzoek en/of uitgebreide bewijslevering; belangenafweging;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer : 200.291.889/01 SKG

zaaknummer rechtbank : C/15/311572 / KG ZA 20-725

arrest van de meervoudige familiekamer van 6 juli 2021

inzake

[de man] ,

wonende te [plaats A] ,

appellant,

advocaat: mr. J. el Hannouche te Utrecht,

tegen:

[de vrouw] ,

wonende te [plaats B] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.S. Vos te Alkmaar.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna de man en de vrouw genoemd.

De man is bij dagvaarding van 16 maart 2021 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, van 18 februari 2021, in kort geding gewezen tussen de man als eiser in conventie tevens verweerder in reconventie, en de vrouw als gedaagde in conventie tevens eiseres in reconventie. De appeldagvaarding bevat de grieven.

De man heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - opnieuw rechtdoende - (kort gezegd) de vrouw zal gelasten om binnen vier weken met de kinderen terug te verhuizen naar de echtelijke woning te [plaats A] , onder verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag of dagdeel dat de vrouw in gebreke blijft aan (naar het hof begrijpt) het door het hof te wijzen arrest te voldoen, althans een door het hof te bepalen dwangsom, tot een maximum van € 10.000,-, alsmede haar zal veroordelen in de kosten van deze procedure inclusief wettelijke rente en nakosten.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 3 juni 2021 doen bepleiten door hun advocaten.

Tot slot is arrest gevraagd.

2 Feiten

De voorzieningenrechter heeft in het vonnis onder 2.1 en 2.2 de feiten opgesomd die hij bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3 Beoordeling

3.1.

Het gaat in dit geding – kort gezegd – om het volgende.

3.2.

Partijen zijn [in] 2011 te [plaats C] gehuwd. Zij zijn de ouders van [kind 1] , geboren [in] 2013 te [geboorteplaats] , en [kind 2] , geboren [in] 2014 te [geboorteplaats] , en hebben samen het gezag over de kinderen.

3.3.

Partijen hebben tot medio 2019 in Noord-Holland gewoond, eerst in [plaats C] en vanaf 2012 in [plaats D] , waarna zij zijn verhuisd naar [plaats A] . In juni 2020 is duidelijk geworden dat het huwelijk tussen partijen geen stand hield. De vrouw is op 10 juli 2020 met de kinderen naar haar ouders in [plaats E] (regio [plaats B] ) verhuisd. Inmiddels woont de vrouw met de kinderen bij haar broer in [plaats B] . De kinderen gaan met ingang van het schooljaar 2020-2021 weer naar dezelfde school, als die waar zij voor hun vertrek naar [plaats A] stonden ingeschreven.

3.4.

Partijen verschillen van mening over de vraag of de man toestemming heeft gegeven voor de verhuizing. De man heeft in kort geding gevorderd te bepalen dat de vrouw dient terug te verhuizen met de kinderen naar [plaats A] , de vrouw heeft in reconventie gevorderd om haar vervangende toestemming te verlenen om met de kinderen te verhuizen naar [plaats B] en te bepalen dat deze toestemming in de plaats treedt van de benodigde toestemming van de man. De voorzieningenrechter heeft zowel de vordering in conventie als die in reconventie afgewezen. Daartoe heeft de voorzieningenrechter – kort samengevat - overwogen dat partijen van mening verschillen over de vraag of de man al dan niet heeft ingestemd met de verhuizing en dat, gezien de verschillen van inzicht van partijen over diverse (andere) onderwerpen, de uiteindelijke beslissing over de woonplaats van de kinderen moet worden genomen in de bodemprocedure, die reeds is gestart, na een gedegen onderzoek en zorgvuldige afweging naar mogelijkheden en belangen. In het kader van dit kort geding bestaat geen aanleiding – aldus de voorzieningenrechter - om daarop vooruit te lopen.

3.5.

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt de man in hoger beroep onder aanvoering van een grief. Volgens de man is de voorzieningenrechter met zijn oordeel dat hij niet vooruit wil lopen op de uiteindelijke beslissing over de woonplaats van de minderjarigen, eraan voorbij gegaan dat hier sprake is van een noodsituatie, waarin een onmiddellijke voorziening is vereist. Immers, de vrouw is zonder de vereiste toestemming van de man ver weg verhuisd met de kinderen, waardoor de vrouw zonder reden een grote afstand heeft gecreëerd tussen de man en de kinderen. De vrouw kan niet zo maar voor eigen rechter spelen en de man opzadelen met de gevolgen van haar keuze. Ter verduidelijking van dit standpunt heeft de man ter zitting in hoger beroep aangevoerd dat de vrouw op enig moment heeft aangegeven ‘ik ga drie weken naar mijn ouders op vakantie en dan is de intentie om terug te komen’, maar dat zij vervolgens niet wilde terugkomen. Zij nam wat kleren mee voor drie weken, ook van de kinderen, niet alles. De man was in de veronderstelling dat de vrouw zou terugkomen als hij het op een rustige manier zou brengen. De vrouw was heel kwaad dat het huwelijk ten einde was en reageerde op een hele emotionele manier. De man is daarmee heel volwassen en rustig omgegaan, maar hoe meer dergelijke stappen hij nam, hoe meer duidelijk werd dat de vrouw echt niet terug wilde. De man wenst – zoals hij ook reeds in eerste aanleg heeft gesteld – betrokken te blijven bij de verzorging en opvoeding van de kinderen, zoals hij dat tijdens het huwelijk ook was. Het onaangekondigde vertrek van de vrouw heeft echter ertoe geleid dat de omgang tussen de man en de kinderen ernstig wordt belemmerd, hetgeen niet in het belang van de kinderen is. Daarbij heeft de vrouw – aldus de man – de verhuizing niet doordacht en voorbereid: partijen hebben destijds bewust ervoor gekozen om in de regio van [plaats F] te gaan wonen en de minderjarigen zijn geworteld in hun vertrouwde omgeving in de buurt van [plaats F] . Volgens de man is het niet in hun belang om hierin een wijziging te brengen. Ook de toepassing van de overige criteria die gelden in verhuiszaken leidt tot de conclusie dat de vrouw met de kinderen zal moeten terugverhuizen, aldus nog steeds de man.

3.6.

De vrouw heeft ter zitting aangevoerd dat partijen hun hele huwelijk in de regio [plaats B] hebben gewoond. De man heeft daar – aldus de vrouw – zelfs meer dan 13 jaar gewoond. Ook de kinderen zijn daar geboren, zijn daar naar school gegaan en zijn daar geworteld. Vervolgens heeft het gezin één jaar in [plaats A] gewoond. Dat jaar is niet bepaald gelukkig verlopen. De hoop was gevestigd op een verbetering van het huwelijk, maar dat is niet gebeurd. De vrouw stelt zich in dit verband op het standpunt dat partijen, toen in juni 2020 duidelijk werd dat het huwelijk geen stand hield, hebben besloten dat de vrouw naar de voor haar en de kinderen vertrouwde omgeving van [plaats B] zou teruggaan. De vrouw betwist dat zij maar voor drie weken zou weggaan. De man is volgens de vrouw getuige geweest van alle koffers en verhuisdozen die in haar auto pasten. De vrouw is 10 juli 2020 met de kinderen vertrokken, de man bleef achter in de woning in [plaats A] . Na drie weken heeft de man de vrouw een bericht gestuurd dat hij de kinderen wilde zien. Daarop zijn de kinderen (een kleine) week bij de man geweest, waarna elke twee weken omgang heeft plaatsgevonden (en plaatsvindt). De man heeft de vrouw op geen enkel moment berichten gestuurd dat zij terug moest komen, hij is niet naar de politie gegaan om aangifte te doen van onttrekking aan het gezamenlijk gezag. Pas toen namens de vrouw een verzoek om een voorlopige voorziening werd ingediend, omdat de man niet bereid was alimentatie te betalen, is de man naar een advocaat gegaan en heeft hij zich - in december 2020 - op het standpunt gesteld dat, wanneer de vrouw niet zou instemmen met een ruimere omgangsregeling, hij een procedure zou starten om de kinderen terug te krijgen, aldus nog steeds de vrouw.

3.7.

Het hof dient, evenals de voorzieningenrechter, in dit kort geding te beoordelen of een ordemaatregel noodzakelijk is, in die zin dat de vrouw met de kinderen terug naar [plaats A] dient te verhuizen, totdat hierover door de bodemrechter, voor zover daar om is of wordt verzocht, een beslissing is gegeven. Naar het oordeel van het hof dient hierbij een belangenafweging te worden gemaakt. Het hof richt zich daarbij op het belang van de kinderen en op het belang van de man bij contact met de kinderen. Daarbij kan naar het oordeel van het hof in het midden blijven of sprake was van een (al dan niet impliciete) toestemming van de man voor de verhuizing van de vrouw met de kinderen. Partijen verschillen hierover van mening en het kort geding leent zich niet voor grondig onderzoek en/of uitgebreide bewijslevering. Om diezelfde reden zal het hof in deze procedure ook niet de criteria die gelden in zogenaamde verhuiszaken verder toepassen.

3.8.

Zoals de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis heeft overwogen, is het meest in het belang van de kinderen dat er rust en stabiliteit voor hen is, waarbij zij een goed contact kunnen onderhouden met beide ouders, die elkaar in de uitvoering van de zorgregeling ondersteunen. Op grond van de stellingen van partijen ter zitting in hoger beroep is voor het hof duidelijk geworden dat van een dergelijke situatie nog immer geen sprake is. Partijen twisten over vele zaken, waaronder de omgangsfrequentie alsmede de vraag wie de kinderen moet halen en/of brengen. Wel staat vast dat de kinderen al geruime tijd - vanaf het einde van de zomervakantie - een weekend in de veertien dagen bij de man verblijven en dat de kinderen tijdens de kerstvakantie een week bij de man hebben verbleven. Daarnaast heeft de man veelvuldig contact met de kinderen via Whatsapp en/of FaceTime. Hoewel kan worden aangenomen dat het contact tussen de man en de kinderen thans dus beperkter is dan toen partijen nog in [plaats A] woonden, is het hof vooralsnog van oordeel dat de huidige omgangsregeling voldoende recht doet aan het belang van de man en de kinderen om een regelmatig en intensief contact met elkaar te hebben. Van een ernstige belemmering, zoals de man stelt, is het hof in ieder geval niet gebleken. Dat de omgang thans extra (reis)kosten voor de man met zich brengt, kwalificeert naar het oordeel van het hof niet als een dergelijke belemmering, al was het alleen maar om het feit dat de man kennelijk in staat is de kinderen ondanks deze extra kosten nog steeds op te halen en weg te brengen. De man stelt in dit verband verder nog dat de kinderen geworteld zijn in de omgeving [plaats F] waar zij hun vrienden, sport en dergelijke hebben, doch feit is ook dat de kinderen thans weer wonen in de regio [plaats B] , alwaar zij - voordat het gezin naar [plaats A] vertrok medio 2019 - reeds vele jaren gewoond hadden, en dat zij thans weer naar dezelfde school gaan als waar zij eerder stonden ingeschreven. Ook anderszins is naar het oordeel van het hof niet gebleken van een noodsituatie, zoals de man stelt, althans van omstandigheden waardoor de belangen van de kinderen of het belang van de man bij contact met de kinderen onaanvaardbaar zijn geschaad door de verhuizing.

3.9.

Daar staat tegenover dat toewijzing van de vordering van de man tot terug verhuizing ertoe leidt dat de kinderen - zoals de voorzieningenrechter reeds heeft overwogen - na twee eerdere verhuizingen in relatief korte tijd, wederom moeten verhuizen met het risico dat aan de vrouw uiteindelijk alsnog vervangende toestemming wordt gegeven om met de kinderen naar de regio [plaats B] te verhuizen. Een dergelijke situatie kan zeker niet in het belang van de kinderen worden geacht en dient in ieder geval voorkomen te worden.

3.10.

Het hof is dan ook – evenals de voorzieningenrechter – van oordeel dat in het kader van dit kort geding geen aanleiding bestaat om vooruit te lopen op de (eventuele) beslissing in de bodemprocedure. Daarbij heeft het hof zeker oog voor de angst van de man dat het verstrijken van de tijd in het voordeel van de vrouw zal werken, omdat de kinderen steeds meer zullen wortelen in de regio [plaats B] . Een weloverwogen beslissing verdient echter de voorkeur en dit zal slechts één van de mee te wegen factoren (mogen) zijn.

3.11.

Op grond van het hiervoor overwogene zal het hof het bestreden vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof voorgelegd, bekrachtigen. Het hof ziet in het (gewezen) huwelijk tussen partijen aanleiding om de proceskosten in het hoger beroep te compenseren.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof voorgelegd;

compenseert de kosten van het geding aldus, dat iedere partij de eigen kosten van het hoger beroep draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.R. Sturhoofd, C.M.J. Peters en J. Kloosterhuis en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2021.