Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:2054

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-07-2021
Datum publicatie
19-07-2021
Zaaknummer
200.035.584/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Effectenlease. Toepassing van de hofformule en onaanvaardbaar zware financiële last. Verwijzing naar eerdere jurisprudentie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.035.584/01

zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam: 772672 DX EXPL 06-249

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 13 juli 2021

inzake

DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Dexia en [geïntimeerde] genoemd.

Dexia is bij dagvaarding van 19 november 2008 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 27 augustus 2008, onder bovengenoemd zaak- en rolnummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en Dexia als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, tevens akte wijziging van eis, met producties;

- memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep, met productie;

- akte [geïntimeerde] , met producties;

- antwoordakte Dexia.

Bij tussenarrest van 4 oktober 2016 is een regiecomparitie gelast voor 188 Dexia-zaken waarin de problematiek van de onaanvaardbaar zware financiële last aan de orde is, waaronder de onderhavige zaak. Deze comparitie heeft op 12 december 2016 plaatsgevonden en daarvan is een proces-verbaal opgemaakt.

Dexia heeft in het principaal hoger beroep geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad:

i. i) de schadevergoedingsplicht van Dexia jegens [geïntimeerde] op grond van het hofmodel zal bepalen op (maximaal) € 17.051,86;

ii) de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling van hetgeen Dexia ter voldoening aan het bestreden vonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan; en

iii) [geïntimeerde] zal veroordelen in de kosten van beide instanties en in de nakosten.

[geïntimeerde] heeft in het principaal hoger beroep geconcludeerd tot verwerping daarvan, met veroordeling van Dexia in de kosten van het principaal hoger beroep. In het incidenteel hoger beroep heeft [geïntimeerde] geconcludeerd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad,

primair: zal verklaren voor recht dat het beroep op dwaling c.q. bedrog met betrekking tot de leaseovereenkomsten gegrond is;

subsidiair: zal verklaren voor recht dat Dexia jegens [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld zoals in zijn memorie is vermeld;

meer subsidiair: zal verklaren voor recht dat [geïntimeerde] terecht de leaseovereenkomsten ontbonden heeft wegens wanprestatie door Dexia; alsmede,

zowel primair als subsidiair als meer subsidiair: Dexia zal veroordelen aan [geïntimeerde] te voldoen al hetgeen hij aan Dexia heeft betaald onder de leaseovereenkomsten, met veroordeling van Dexia in de kosten van het geding.

In het incidenteel hoger beroep heeft Dexia geconcludeerd tot verwerping daarvan, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

2.1

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof deze feiten als vaststaand zal aannemen. Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.2

[geïntimeerde] heeft met Dexia de volgende leaseovereenkomsten gesloten, waarop hij alleen dan wel tezamen met zijn partner als lessee is vermeld:

Nr.

Contractnr.

Datum

Naam contract

Leasesom

Looptijd

1.

[nummer]

15-4-1998

Triple Effect

€ 12.561,88

36 maanden

2.

[nummer]

2-7-1999

WinstVerDriedubbelaar

€ 34.571,63

36 maanden

3.

[nummer]

19-7-2000

Profit Effect

€ 49.479,34

120 maanden

Leaseovereenkomst 2 had in eerste instantie een looptijd van 36 maanden. Per 2 juli 2002 is de leaseovereenkomst verlengd voor nogmaals een periode van 36 maanden.

2.3

Dexia heeft met betrekking tot de leaseovereenkomsten de volgende eindafrekeningen opgesteld (waarbij, anders dan de kantonrechter heeft overwogen, overeenkomst 1 niet met een restschuld, maar met een positief resultaat is geëindigd):

Nr.

Datum eindafrekening

Resultaat

Voldaan aan

1.

18-4-2001

€ 387,30

Voldaan aan [geïntimeerde]

2.

18-7-2003

-/- € 6.977,11

Voldaan aan Dexia

3.

18-7-2003

-/- € 19.274,36

Voldaan aan Dexia

2.4

Bij beschikking van 25 januari 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) heeft dit hof op de voet van artikel 7:907, eerste lid, BW een WCAM-overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard voor de kring van gerechtigden als bedoeld in artikel 2 van die WCAM-overeenkomst. [geïntimeerde] heeft tijdig een opt out-verklaring uitgebracht, zodat de WCAM-overeenkomst hem niet bindt.

3 Beoordeling

3.1

De onderhavige zaak betreft een effectenleasezaak. De Hoge Raad heeft in zijn arresten van 5 juni 2009 (De Treek/Dexia (ECLI:NL:HR:2009:BH2815), Levob/Bolle c.s. (ECLI:NL:HR:2009:BH2811) en Stichting GeSp/Aegon (ECLI:NL:HR:2009:BH2822)) algemene maatstaven en beoordelingskaders aanvaard met betrekking tot de behandeling en beslissing van effectenleasezaken waarop de WCAM-overeenkomst niet van toepassing is. Vervolgens heeft dit hof op
1 december 2009 vier zogenoemde richtinggevende arresten gewezen (Dexia/Van der Heijden (ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4978), Dexia/Bouwhuis (ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4981), Dexia/Madarie (ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4982) en Dexia/Wijbenga (ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4983)), waarbij is voortgebouwd op de uitgangspunten en het beoordelingskader blijkend uit de overwegingen en de beslissingen van de Hoge Raad in zijn arresten van 5 juni 2009. Aan de arresten van het hof is een breed gevoerd debat vooraf gegaan, waarin Dexia en belangenbehartigers van groepen van afnemers uitvoerig hun standpunten naar voren hebben gebracht. Tegen twee arresten van
1 december 2009 is cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft bij arresten van 29 april 2011 (Van der Heijden/Dexia (ECLI:NL:HR:2011:BP4003) en Bouwhuis/Dexia (ECLI:NL:HR:2011:BP4012)) het cassatieberoep tegen die arresten verworpen.

3.2

Vervolgens heeft dit hof in de zaken die hebben geleid tot de arresten van 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135 en 1136) ten aanzien van onder meer (i) beleggingstechnische gebreken, (ii) dwaling, (iii) bedrog, (iv) misbruik van omstandigheden en (v) eigen schuld onvoldoende redenen aanwezig geacht om terug te komen van eerdere jurisprudentie. Met die eerdere jurisprudentie doelt het hof in het bijzonder op de hiervoor genoemde richtinggevende arresten van dit hof van 1 december 2009. Tegen de arresten van 1 april 2014 is geen cassatieberoep ingesteld.

3.3

In de hiervoor onder 2.4 genoemde WCAM-beschikking heeft dit hof op basis van het door de AFM op 9 november 2006 uitgebrachte deskundigenrapport geoordeeld dat er onvoldoende reden is om de feitelijke verwerving en het daarop volgende behoud door Dexia van de effecten, die onderwerp zijn van de door Dexia gesloten leaseovereenkomsten, in twijfel te trekken. In onder andere de arresten van 29 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1523 en ECLI:NL:GHAMS:2014:1533), die zien op opt out-gevallen, is dit hof tot eenzelfde oordeel gekomen. Het in de laatstgenoemde zaak tegen dat oordeel aangevoerde cassatiemiddel is door de Hoge Raad met toepassing van artikel 81 RO afgewezen (HR 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2822).

3.4

Verder geldt op grond van (onder meer) de hiervoor bedoelde rechtspraak als vaste jurisprudentie dat:

- leaseovereenkomsten moeten worden aangemerkt als overeenkomsten van koop op afbetaling (huurkoop);

- rechterlijke uitspraken die zien op overeenkomsten van effectenlease van overeenkomstige toepassing zijn op overeenkomsten die zien op de lease van certificaten;

- de in het rapport van prof. dr. [X] aangehaalde beleggingstechnische gebreken afdoende kenbaar zijn uit de leaseovereenkomsten en de Bijzondere Voorwaarden. De afnemer had deze gebreken bij raadpleging daarvan kunnen kennen in geval hij, zoals hij ook gehouden was te doen, de moeite had gedaan de hem verstrekte informatie met de vereiste oplettendheid en zorg te lezen en zich redelijke inspanning had getroost om de leaseovereenkomsten te begrijpen, en in geval van onduidelijkheid vragen te stellen;

- het beroep op dwaling en bedrog van een afnemer van de producten van Dexia moet worden afgewezen;

- de door Dexia ter hand gestelde informatie voor de gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone consument niet misleidend was;

- op Dexia een tweeledige zorgplicht heeft gerust: een verplichting om degene met wie zij een leaseovereenkomst aanging, tevoren indringend en in niet mis te verstane bewoordingen te waarschuwen voor het risico dat de verkoopopbrengst van de geleasde effecten bij (tussentijdse) beëindiging van de leaseovereenkomst niet toereikend zou zijn voor de terugbetaling van het geleende bedrag, in welk geval een restschuld zou overblijven, alsmede een verplichting om alvorens de leaseovereenkomst aan te gaan inlichtingen in te winnen over de inkomens- en vermogenspositie van haar beoogde wederpartij teneinde na te gaan of deze naar redelijke verwachting de uit de leaseovereenkomst voorvloeiende financiële verplichtingen zou kunnen dragen;

- Dexia wegens schending van de zorgplicht twee derde deel van de restschuld als schade aan de afnemer dient te vergoeden. Een derde deel van de restschuld blijft op grond van aan hem zelf toe te rekenen omstandigheden (eigen schuld) voor rekening van de afnemer. Als de leaseovereenkomst bij het aangaan daarvan naar redelijke verwachting leidde tot een onaanvaardbaar zware financiële last, worden rente, aflossing en kosten volgens dezelfde maatstaf tussen de afnemer en Dexia verdeeld; en

- voor de beoordeling van de vraag of leaseovereenkomsten op afnemers mogelijk een onaanvaardbaar zware financiële last legden door dit hof de hofformule is ontwikkeld. Aan de hand daarvan mag de financiële ruimte van de afnemer worden getoetst, mits die formule voldoende ruimte laat om ook met individuele omstandigheden van de afnemer rekening te houden.

Voor zover Dexia en [geïntimeerde] omtrent de hierboven genoemde onderwerpen andersluidende stellingen hebben ingenomen, ziet het hof daarin geen aanleiding om in het voorliggende geval anders te oordelen. De daarop gebaseerde vorderingen van Dexia en/of [geïntimeerde] zullen daarom worden afgewezen.

3.5

In hoger beroep is uitsluitend nog aan de orde of de betalingsverplichtingen van de onder 2.2 genoemde leaseovereenkomst 3 naar redelijke verwachting op [geïntimeerde] een onaanvaardbaar zware financiële last legde. Leaseovereenkomst 1 is niet geëindigd met een restschuld ten laste van [geïntimeerde] en zal hierna verder buiten beschouwing worden gelaten. Tussen partijen is voorts niet in geschil dat leaseovereenkomst 2 geen onaanvaardbaar zware financiële last vormde voor [geïntimeerde] , zodat Dexia met betrekking tot deze overeenkomst uitsluitend twee derde van de restschuld dient te vergoeden.

3.6

Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat het hof voor de beoordeling of een leaseovereenkomst een onaanvaardbaar zware financiële last oplevert volgens vaste jurisprudentie de hofformule hanteert. De factoren die bij de toepassing van de hofformule in het voorliggende geval een rol spelen, worden hierna besproken. Daarbij baseert het hof zich op de over en weer ingenomen stellingen en de overgelegde stukken.

3.7

Ook ten aanzien van de factoren die bij de toepassing van de hofformule een rol spelen gaat het hof uit van de vaste jurisprudentie daaromtrent. Als vaste jurisprudentie kan onder andere worden genoemd dat:

- ter bepaling van het in aanmerking komende inkomen in beginsel een ‘Biljet van een proces’ of een ander stuk in het geding dient te worden gebracht waaruit het inkomen blijkt in het jaar waarin de betreffende leaseovereenkomst(en) is (zijn) gesloten;

- bij het vaststellen van het netto gezinsinkomen in beginsel naast de inkomsten uit loondienst de (negatieve) bedrijfsinkomsten in aanmerking worden genomen, als de afnemer mede heeft gewerkt als zelfstandig ondernemer (hof Amsterdam 18 oktober 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:4185 (Klein/Dexia) en hof Amsterdam 26 juli 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:3068 (Dexia/Kroon));

- het netto-inkomen bij loonvormende arbeid in beginsel wordt bepaald door het brutoloon te verminderen met de ingehouden loonbelasting en premie volksverzekeringen (zie onder andere hof Amsterdam 10 september 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:2830 en HR 2 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2749 (Groeneveld/Dexia)). De procentuele premie Ziekenfondswet wordt niet in mindering gebracht op het besteedbaar maandinkomen;

- als een lijfrenteproduct wordt gebruikt om vermogen op te bouwen, de premie buiten de berekening van de hofformule wordt gehouden. Als uitzondering daarop geldt dat als het product is gesloten in verband met de aankoop van de eigen woning de premie wel in de berekening wordt meegenomen. Pensioenpremies worden buiten beschouwing gelaten bij de berekening volgens de hofformule (hof Amsterdam 10 juni 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:2211, onder 3.10); en

- de kosten van kinderopvang in beginsel niet als bijzondere last in de hofformule worden meegenomen (hof Amsterdam 3 december 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:4475).

Voor zover Dexia en [geïntimeerde] hieromtrent andersluidende stellingen hebben ingenomen, ziet het hof daarin geen aanleiding om in het voorliggende geval anders te oordelen.

Hofformule

3.8

In de hofformule wordt de Nibud basisnorm in aanmerking genomen als een absoluut minimum. Daarbij wordt uitgegaan van 110% van de Nibud basisnorm en wordt een opslag toegepast ter grootte van 15% van het verschil tussen de basisnorm en het netto-inkomen.

3.9

Partijen verschillen van mening over de hoogte van de factoren X, V, W, A en C uit de hofformule.

Netto-maandinkomen (factor X)

3.10

Uit het door partijen overgelegde biljet van een proces over 2000 blijkt dat [geïntimeerde] in 2000 een brutoloon had van ƒ 68.492 en dat daarvan ƒ 21.455 als loonbelasting/premie volksverzekeringen is ingehouden. Zijn nettoloon was aldus ƒ 47.037. Ten aanzien van het loon van de partner van [geïntimeerde] heeft Dexia het in het biljet onder ‘partners arbeidsinkomen huwelijkse periode’ genoemde bedrag van ƒ 28.979 meegenomen in de berekening. Dit is echter het brutoloon. Uit de stukken die door [geïntimeerde] in eerste aanleg zijn overgelegd, volgt dat het nettoloon van de partner van [geïntimeerde] in 2000 ƒ 21.995,69 bedroeg. Anders dan [geïntimeerde] stelt, wordt volgens vaste rechtspraak de premie Ziekenfondswet niet op het besteedbaar inkomen in mindering gebracht. Het gezinsinkomen was daarmee ƒ 69.032,69. Het in aanmerking te nemen netto-inkomen per maand in euro bedraagt aldus € 2.610,47.

Vermogen (factor V)

3.11

Dexia gaat uit van een beginvermogen van € 56.314, dat na aftrek van de vrijstelling van € 10.000 en gedeeld door de looptijd van de leaseovereenkomst in maanden neerkomt op een als factor V in de berekening te betrekken bedrag van € 385,95. [geïntimeerde] betwist dat dit bedrag als vermogen in aanmerking moet worden genomen. Voor zover Dexia het door haar genoemde bedrag heeft gebaseerd op de post ‘rente op giro bankrekeningen etc’ van € 1.689,42 (ƒ 3.723), meent [geïntimeerde] dat dit bedrag niet beschouwd kan worden als vermogen omdat het betrekking heeft op een bouwdepot waartegenover een schuld staat. [geïntimeerde] stelt dat hij in 2000 een vermogen had van € 846,75 (ƒ 1.866, het bedrag dat vermeld is in het biljet van een proces onder ‘totaalbedrag saldi rekeningen’).

3.12

Het hof overweegt als volgt. Dexia heeft niet concreet onderbouwd hoe zij tot het door haar gestelde bedrag aan vermogen komt. [geïntimeerde] heeft daarentegen wel gemotiveerd aangevoerd dat het bedrag dat kennelijk tot uitgangspunt heeft gediend voor de berekening van Dexia niet behoort tot zijn vermogen. Uit productie 2i bij memorie van antwoord blijkt afdoende dat [geïntimeerde] en zijn partner in 1999 een hypothecaire geldlening zijn aangegaan waarvan een bedrag in depot werd gehouden en waarover een depotrente werd uitgekeerd. Dit is geen vrij besteedbaar vermogen. Het door [geïntimeerde] genoemde bedrag van € 846,75 behoort wel tot zijn vermogen. Omdat dit bedrag de drempel van € 10.000 niet haalt, wordt dit verder buiten beschouwing gelaten.

Verplichtingen uit de leaseovereenkomst (factor A)

3.13

Ten aanzien van factor A geldt dat Dexia kennelijk is uitgegaan van een totale leasesom van € 48.657,82, terwijl de leaseovereenkomst een leasesom van € 49.479,34 vermeldt, die ook door [geïntimeerde] in zijn berekening is toegepast. Het hof sluit zich bij het laatste aan en gaat uit van een factor A van € 412,33.

Woonlasten (factor W) en andere kredieten (factor C)

3.14

Ten aanzien van de woonlasten gaat [geïntimeerde] uit van maandelijkse lasten van € 697,27 en een Nibud woonlastennorm van € 158,-, zodat de woonlasten voor een bedrag van € 539,27 boven de Nibud-norm uitkomen. Dexia lijkt in haar berekening uit te gaan van werkelijke woonlasten van € 454,18 en een Nibud-norm van € 162,-. Dit betekent dat volgens Dexia de woonlasten voor een bedrag van € 292,18 boven de Nibud-norm uitkomen.

3.15

Ten aanzien van de verplichtingen van [geïntimeerde] uit andere kredietovereenkomsten voert Dexia een bedrag aan van € 58,11. [geïntimeerde] stelt in dit kader geen verplichtingen te hebben gehad in 2000.

3.16

Op welke bedragen de bovenstaande twee factoren moeten worden vastgesteld, kan in dit geval in het midden blijven. Zowel in het voor [geïntimeerde] meest ongunstige scenario (het besteedbaar inkomen wordt slechts verminderd met € 292,18 aan woonlasten) als in het voor Dexia meest ongunstige scenario (het besteedbaar inkomen wordt verminderd met € 539,27 aan woonlasten en € 58,11 voor overige kredieten) komt het besteedbaar inkomen volgens de hofformule uit op een lager bedrag dan de bestedingsnorm.

Berekening volgens de hofformule

3.17

Uitgaande van de door het hof vastgestelde bedragen, beide scenario’s als hiervoor beschreven onder 3.16 en de overige beschikbare gegevens, komt het besteedbaar inkomen in 2000 uit op een lager bedrag dan de bestedingsnorm. Dit betekent dat de verplichtingen uit leaseovereenkomst 3 naar redelijke verwachting een onaanvaardbaar zware financiële last op [geïntimeerde] legden. In dat geval moet Dexia, naast twee derde deel van de restschuld, ook twee derde deel van de rente, aflossing en kosten als schade aan [geïntimeerde] vergoeden.

Vergoedingsplicht Dexia

3.18

Ten aanzien van leaseovereenkomst 2 geldt dat alleen twee derde van de restschuld in aanmerking komt voor vergoeding. Dat betreft een bedrag van € 4.651,41. [geïntimeerde] heeft in januari 2004 de gehele restschuld van € 6.977,11 aan Dexia betaald, zodat Dexia nu gehouden is om aan [geïntimeerde] een bedrag in hoofdsom van € 4.651,41 te betalen.

3.19

Volgens opgave van Dexia heeft [geïntimeerde] ten aanzien van leaseovereenkomst 3 € 7.395,48 aan rente, aflossing en kosten betaald en € 1.740,76 aan dividenden ontvangen, zodat de netto-inleg € 5.654,72 bedraagt. Daarvan komt twee derde deel (€ 3.769,81) voor vergoeding door Dexia in aanmerking. [geïntimeerde] heeft in januari 2004 de gehele restschuld van € 19.274,36 aan Dexia betaald. Twee derde deel van de restschuld (€ 12.849,57) komt voor rekening van Dexia. De totale vergoeding met betrekking tot leaseovereenkomst 3 bedraagt derhalve € 16.619,38.

3.20

Met betrekking tot het deel van de vergoeding dat ziet op de betaalde restschuld is Dexia wettelijke rente verschuldigd vanaf de dag van betaling door [geïntimeerde] (28 januari 2004) tot aan de dag van de algehele voldoening. Voor wat betreft het deel van de vergoeding die ziet op de betaalde inleg is Dexia wettelijke rente verschuldigd telkens vanaf het moment waarop het desbetreffende deel van de inleg daadwerkelijk is voldaan, tot aan de dag van de algehele voldoening (HR 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1198).

Slotsom

3.21

Gelet op de uitkomst van de zaak zijn de grieven I en II van Dexia in het principaal hoger beroep terecht voorgesteld. Grief III van Dexia faalt. De grieven van [geïntimeerde] in het incidenteel hoger beroep falen eveneens.

3.22

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en de hiervoor genoemde bedragen zullen worden toegewezen. De door Dexia ingestelde restitutievordering van € 36.902,18 met 1 oktober 2008 als ingangsdatum van de wettelijke rente is door [geïntimeerde] niet bestreden, zodat deze zal worden toegewezen.

3.23

Het hof ziet in deze uitkomst in het licht van het partijdebat in eerste aanleg toereikende grond om de kosten in eerste aanleg tussen partijen te compenseren, zodat iedere partij de eigen kosten daarvan draagt. [geïntimeerde] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het principaal en incidenteel hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

in principaal en incidenteel hoger beroep:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt Dexia om ter zake van leaseovereenkomst 2 aan [geïntimeerde] (terug) te betalen een bedrag van € 4.651,41, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2004 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt Dexia om ter zake van de betaalde restschuld van leaseovereenkomst 3 aan [geïntimeerde] (terug) te betalen een bedrag van € 12.849,57, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 januari 2004 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt Dexia om ter zake van de betaalde inleg van leaseovereenkomst 3 aan [geïntimeerde] (terug) te betalen een bedrag van € 3.769,81, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de data waarop betreffende gedeelten van de inleg daadwerkelijk aan Dexia zijn voldaan tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] om aan Dexia (terug) te betalen een bedrag van € 36.902,18, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2008 tot aan de dag van de algehele voldoening;

compenseert de proceskosten in eerste aanleg aldus dat iedere partij de eigen kosten daarvan draagt;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in principaal en incidenteel hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Dexia begroot op € 347,44 aan verschotten, € 1.114 voor salaris in het principaal hoger beroep en € 721 voor salaris in het incidenteel hoger beroep, en op € 163 voor nasalaris, te vermeerderen met € 85 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot in het geval betekening van dit arrest plaatsvindt;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Hoekzema, G.C.C. Lewin en J.W.M. Tromp en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2021.