Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:2035

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-06-2021
Datum publicatie
12-07-2021
Zaaknummer
23-002660-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens mishandeling. Bewijsoverweging (geen opzet). TUL. Oplegging TS 30 uren / 15 dagen m.a. vw. met een PT van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002660-18

datum uitspraak: 24 juni 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 juli 2018 in de strafzaak onder de parketnummers 13-198302-17 en 23-001635-15 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1970,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

10 juni 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van hetgeen aan hem onder feit 2 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, voor zover inhoudelijk aan het oordeel van het hof onderworpen, tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 2 februari 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door zijn, verdachte's, nagel(s) in het gezicht van voornoemde [slachtoffer] te drukken en/of met zijn, verdachte's, nagel(s) over/in het gezicht van voornoemde [slachtoffer] te krabben/krassen en/of een arm van voornoemde [slachtoffer] op een deurstijl te zetten en/of op deze arm te drukken (alsof hij, verdachte, deze arm wilde breken) en/of voornoemde [slachtoffer] heeft geslagen en/of gestompt;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte van de ten laste gelegde mishandeling moet worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat de verdachte geen opzet heeft gehad op het toebrengen van letsel. Het is wel mogelijk dat de verdachte per ongeluk met zijn nagels het gezicht van de aangever heeft geraakt toen hij hem uit de auto probeerde te krijgen. De verdachte heeft ook de arm van de aangever niet opzettelijk tegen de deurstijl van de auto gezet of gedrukt; er was sprake van over en weer duwen en trekken.

Het hof stelt voorop dat het geen reden heeft te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de inhoud van de aangifte van [slachtoffer] (hierna: aangever), mede omdat deze steun vindt in de letselverklaring en de verklaring van getuige [getuige] . Op grond van deze bewijsmiddelen neemt het hof het volgende als vaststaand aan.

Op 2 februari 2017 wachtte aangever in zijn auto voor de winkel van de verdachte om met hem over een financiële kwestie te praten. De verdachte kwam vanuit zijn winkel naar de auto van aangever en trok het bestuurdersportier open. De verdachte was boos en schreeuwde naar en schold op aangever. Hij drukte zijn nagels in het gezicht van aangever, die daardoor hevige pijn voelde en verschillende kraswonden (verspreid over voorhoofd, linker wang, hals en achter rechter oorschelp) opliep. Vervolgens pakte de verdachte de linker arm van aangever vast en probeerde hem aan deze arm uit de auto te trekken; dit terwijl aangever zijn gordel nog om had. Ook zette de verdachte de arm van aangever op de deurstijl van de auto, met als gevolg een (kleine) bloeduitstorting aan de buitenzijde van de elleboog. Toen de verdachte wegliep, vroeg aangever aan getuige [getuige] de politie te bellen, hetgeen deze ook onmiddellijk heeft gedaan.

Uit het voorgaande volgt dat de verdachte, kennelijk uit boosheid wegens een (financieel) geschil met aangever, zijn nagels in diens gezicht heeft gedrukt en, terwijl aangever met de gordel om in zijn auto zat, aangever aan zijn arm uit de auto wilde trekken en die arm tegen een deurstijl heeft aangezet. Deze gedragingen leveren naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans op dat degene tegen wie deze gedragingen gericht zijn daardoor pijn en/of letsel zal bekomen. Het handelen van de verdachte kan ook niet anders worden geduid dan dat hij deze aanmerkelijke kans ook willens en wetens heeft aanvaard. Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte minst genomen voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van pijn en/of letsel.

Het bovenstaande brengt mee dat het hof voorbij gaat aan de verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij mogelijk per ongeluk met zijn nagels het gezicht van aangever heeft geraakt en dat ook het letsel aan de elleboog niet opzettelijk is toegebracht. Daarvoor is mede van belang dat de verdachte zowel over de achtergrond van het geschil als over de toedracht van het (gewelds)incident zelf ten overstaan van de politie, de rechtbank en het hof wisselend heeft verklaard. Het hof hecht reeds daarom geen geloof aan de lezing van de verdachte. Daarbij komt dat die lezing moeilijk te rijmen valt met het gegeven dat aangever het incident kennelijk dermate ernstig vond, dat hij terstond de politie liet bellen.

Het tot vrijspraak strekkende verweer wordt dan ook verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij op 2 februari 2017 te Amsterdam [slachtoffer] heeft mishandeld door zijn nagels in het gezicht van [slachtoffer] te drukken en een arm van [slachtoffer] op een deurstijl te zetten.

Hetgeen onder 1 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder feit 1 bewezenverklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen vervangende hechtenis met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van twee jaren. Daarbij zijn diverse algemene en bijzondere voorwaarden gesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder feit 1 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen vervangende hechtenis, waarvan 30 uren, subsidiair 15 dagen vervangende hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De raadsman heeft het hof in het kader van de strafmaat verzocht rekening te houden met het werk en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Ter zitting heeft de verdachte verklaard dat hij op het punt staat te remigreren naar zijn geboorteland [geboorteland] . Het stellen van bijzondere voorwaarden is volgens de raadsman niet nodig omdat de verdachte geen agressief persoon is. Verzocht is om bij een veroordeling een voorwaardelijke taakstraf aan de verdachte op te leggen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich op de openbare weg schuldig gemaakt aan mishandeling van het slachtoffer door zijn nagels in het gezicht van het slachtoffer te drukken en de arm van het slachtoffer tegen een deurstijl van diens auto te drukken. Het slachtoffer heeft hierdoor pijn geleden en letsel bekomen. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Bovendien kunnen dergelijke feiten bijdragen aan gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. Het hof neemt dit de verdachte kwalijk.

Blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 2 juni 2021 is de verdachte bovendien eerder ter zake van geweldsfeiten onherroepelijk veroordeeld, hetgeen het hof meeweegt in het nadeel van de verdachte.

In strafmatigende zin neemt het hof mee dat het incident zich inmiddels 4,5 jaar geleden heeft afgespeeld en het (zakelijke) conflict met aangever kennelijk is bijgelegd. Ook is acht geslagen op het ten behoeve van de zitting in eerste aanleg gegeven reclasseringsadvies.

Het hof acht gelet op het voorgaande een voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur passend en geboden. Het hof ziet thans geen aanleiding aan deze voorwaardelijke straf bijzondere voorwaarden te verbinden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 2 augustus 2017 opgelegde voorwaardelijke geldboete van € 500,00. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerlegging zal worden toegewezen.

Het hof zal de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen nu gebleken is dat de pleegdatum van het onderhavige feit (2 februari 2017) buiten de looptijd van de proeftijd van de voorwaardelijke veroordeling (17 augustus 2017 – 17 augustus 2019) valt.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder feit 2 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor het overige en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Amsterdam van 12 juni 2018, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 2 augustus 2017, parketnummer 23-001635-15, voorwaardelijk opgelegde geldboete van € 500,00.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.M.J. Quaedvlieg, mr. A.M.P. Geelhoed en mr. A. Dantuma-Hieronymus, in tegenwoordigheid van mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 juni 2021.

mr. A.M.P. Geelhoed en mr. A. Dantuma-Hieronymus zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.