Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:2021

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-06-2021
Datum publicatie
09-07-2021
Zaaknummer
23-004025-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gewoonteheling fietsen. Voorwaardelijk opzet bestond sinds de verdachte werd geconfronteerd met dat één van de fietsen die hij van medeverdachte kocht, een lokfiets betrof. Overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004025-17

datum uitspraak: 28 juni 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 2 november 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-226968-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 14 juni 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij, op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 augustus 2014 tot en met 22 maart 2016, in Zaandam en/of Koog aan de Zaan, althans in het arrondissement Noord-Holland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van opzetheling, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) na te melden goederen verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die goederen (telkens) wist(en) dat het door misdrijf verkregen goederen betrof: 1. een fiets, (merk Giant, type Boulder, framenummer [nummer 1]), 2. een fiets, (merk Giant, type Jubilee, framenummer [nummer 2]), 3. een fiets, (merk Giant, type Darwin, framenummer [nummer 3]), 4. een fiets, (merk Batavus, type Cayuca, framenummer [nummer 4]), 5. een fiets, (merk RIH, type 2700, framenummer [nummer 5]), 6. een fiets, (merk Gazelle, type Impala, framenummer [nummer 6]), 7. een fiets, (merk Gazelle, type Primeur, framenummer [nummer 7]), 8. een fiets, (merk Gazelle, type Furore, framenummer [nummer 8]), 9. een fiets, (merk Locomotief, type Populair, framenummer [nummer 9]), 10. een fiets, (merk Gazelle, type Primeur, framenummer [nummer 10]), 11. een fiets, (merk Gazelle, type Grenoble, framenummer [nummer 11]), 12. een fiets, (merk Sparta, type Delpi, framenummer [nummer 12]), 13. een fiets, (merk Giant, type Tourer, framenummer [nummer 13]), 14. een fiets, (merk Gazelle, type Impale, framenummer [nummer 14]), 15. een fiets, (merk Gazelle, type Melbourne, framenummer [nummer 15]), 16. een fiets, (merk RIH, type Delta, framenummer [nummer 16]), 17. een fiets, (merk Batavus, type Torino, framenummer [nummer 17]), 18. een fiets, (merk Gazelle, type Davos, framenummer [nummer 18]), 19. een fiets, (merk Zwaluw, type Alu, framenummer [nummer 19]), 20. een fiets, (merk Giant, type Custum super light, framenummer [nummer 20]), 21. een fiets, (merk Gazelle, type Medeo, framenummer [nummer 21]), 22. een fiets, (merk Gazelle, type Furore, framenummer [nummer 22]), 23. een fiets, (merk Gazelle, type Laguna, framenummer [nummer 23]), 24. een fiets, (merk Batavus, type Crescendo, framenummer [nummer 24]), 25. een fiets, (merk Gazelle, type Grenoble, framenummer [nummer 25]), 26. een fiets, (merk Batavus, type Padova, framenummer [nummer 26]), 27. een fiets, (merk Gazelle, type Orange, framenummer [nummer 27]), 28. een fiets, (merk Batavus, type Lecco, framenummer [nummer 28]), 29. een fiets, (merk Gazelle, type Medeo, framenummer [nummer 29]), 30. een fiets, (merk Gazelle, type Davos, framenummer [nummer 30]), 31. een fiets, (merk Gazelle, type Arosa, framenummer [nummer 31]), 32. een fiets, (merk Gazelle, type Orange, framenummer [nummer 32]) en/of 33. een fiets, (merk Batavus, type Monaco, framenummer [nummer 33]);

subsidiair

hij, in of omstreeks de periode van 29 augustus 2014 tot en met 22 maart 2016, te Zaandam, gemeente Zaanstad, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal telkens een of meer goederen, te weten: 1. een fiets, (merk Giant, type Boulder, framenummer [nummer 1]), 2. een fiets, (merk Giant, type Jubilee, framenummer [nummer 2]), 3. een fiets, (merk Giant, type Darwin, framenummer [nummer 3]), 4. een fiets, (merk Batavus, type Cayuca, framenummer [nummer 4]), 5. een fiets, (merk RIH, type 2700, framenummer [nummer 5]), 6. een fiets, (merk Gazelle, type Impala, framenummer [nummer 6]), 7. een fiets, (merk Gazelle, type Primeur, framenummer [nummer 7]), 8. een fiets, (merk Gazelle, type Furore, framenummer [nummer 8]), 9. een fiets, (merk Locomotief, type Populair, framenummer [nummer 9]), 10. een fiets, (merk Gazelle, type Primeur, framenummer [nummer 10]), 11. een fiets, (merk Gazelle, type Grenoble, framenummer [nummer 11]), 12. een fiets, (merk Sparta, type Delpi, framenummer [nummer 12]), 13. een fiets, (merk Giant, type Tourer, framenummer [nummer 13]), 14. een fiets, (merk Gazelle, type Impale, framenummer [nummer 14]), 15. een fiets, (merk Gazelle, type Melbourne, framenummer [nummer 15]), 16. een fiets, (merk RIH, type Delta, framenummer [nummer 16]), 17. een fiets, (merk Batavus, type Torino, framenummer [nummer 17]), 18. een fiets, (merk Gazelle, type Davos, framenummer [nummer 18]), 19. een fiets, (merk Zwaluw, type Alu, framenummer [nummer 19]), 20. een fiets, (merk Giant, type Custum super light, framenummer [nummer 20]), 21. een fiets, (merk Gazelle, type Medeo, framenummer [nummer 21]), 22. een fiets, (merk Gazelle, type Furore, framenummer [nummer 22]), 23. een fiets, (merk Gazelle, type Laguna, framenummer [nummer 23]), 24. een fiets, (merk Batavus, type Crescendo, framenummer [nummer 24]), 25. een fiets, (merk Gazelle, type Grenoble, framenummer [nummer 25]), 26. een fiets, (merk Batavus, type Padova, framenummer [nummer 26]), 27. een fiets, (merk Gazelle, type Orange, framenummer [nummer 27]), 28. een fiets, (merk Batavus, type Lecco, framenummer [nummer 28]), 29. een fiets, (merk Gazelle, type Medeo, framenummer [nummer 29]), 30. een fiets, (merk Gazelle, type Davos, framenummer [nummer 30]), 31. een fiets, (merk Gazelle, type Arosa, framenummer [nummer 31]), 32. een fiets, (merk Gazelle, type Orange, framenummer [nummer 32]) en/of 33. een fiets, (merk Batavus, type Monaco, framenummer [nummer 33]); heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en zijn mededaders ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die fiets(en) wist(en) dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en een andere strafoplegging komt dan de politierechter.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft verzocht de verdachte integraal vrij te spreken, nu hij niet wist of had moeten weten dat de fietsen die hij inkocht van [naam] gestolen waren en derhalve het opzet niet kan worden bewezen. Hij heeft daartoe – kort samengevat – aangevoerd, dat de verdachte een zorgvuldige inkoopprocedure volgde om te voorkomen dat hij van diefstal afkomstige fietsen kocht en zich daarbij strikt hield aan de toen geldende regels. Bovendien kocht en verkocht de verdachte met zijn bedrijf veel meer dan alleen fietsen, en met die andere goederen was nooit iets aan de hand. Daarnaast bleken van de 131 fietsen die de verdachte van [naam] kocht, er maar 33 gestolen te zijn. Een redelijke kansberekening maakt daarom in dit geval evenmin dat de verdachte wist of had moeten weten dat de fietsen gestolen waren. De verdachte handelde te goeder trouw, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

De verdachte handelde ten tijde van het ten laste gelegde met zijn bedrijf [bedrijf] (onder andere) in tweedehands fietsen. Een professionele inkoper van fietsen als de verdachte wordt geacht te weten dat in Nederland -en in (de omgeving van) Amsterdam in het bijzonder- veel gestolen fietsen in omloop zijn. Van de verdachte mag dan ook worden verwacht dat hij voorafgaand aan de inkoop van fietsen onderzoek doet naar de herkomst ervan. De verdachte kocht vanaf 2014 veelvuldig fietsen van

[naam]. Volgens de verdachte kocht [naam] deze fietsen op zijn beurt in bij de gemeentewerf in Zaandam. [naam] heeft in de tenlastegelegde periode echter nooit aankoopbewijzen van de door hem aangeboden fietsen getoond, ook niet toen de verdachte hem hierom vroeg. De verdachte kocht de fietsen van [naam] in voor een bedrag dat gemiddeld genomen veel lager lag dan de geschatte waarde volgens de aangifte. Op 11 juni 2015 werd de verdachte ermee geconfronteerd dat hij een gestolen lokfiets van [naam] had ingekocht. De verdachte werd hierop door de politie aangesproken. In de periode daarna tot aan het einde van de tenlastegelegde periode heeft de verdachte nog negen fietsen van [naam] gekocht die van diefstal afkomstig waren.

De vraag is of de verdachte op het moment dat hij de fietsen van [naam] verwierf willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat die fietsen van diefstal afkomstig waren. Het hof beantwoordt die vraag bevestigend ten aanzien van de door de verdachte van [naam] gekochte fietsen in de periode na de aankoop van de gestolen lokfiets op 11 juni 2015. Tot dat moment had de verdachte in weerwil van zijn onderzoeksplicht nog kunnen denken dat [naam] de fietsen legaal verwierf. Door echter na 11 juni 2015, wetende dat [naam] hem een gestolen fiets had aangeboden, van [naam] fietsen onder de geschatte marktwaarde te blijven kopen, terwijl [naam] geen aankoopbewijzen van de fietsen liet zien, heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat die fietsen van diefstal afkomstig waren. Nu dit over een periode van ongeveer een half jaar meermalen en onder min of meer dezelfde omstandigheden heeft plaatsgevonden, kan worden gesproken van gewoonteheling.

Het hof zal de verdachte vrijspreken van (gewoonte)heling van de fietsen die de verdachte van [naam] heeft gekocht in de periode vóór 11 juni 2015.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij, in de periode van 11 juni 2015 tot en met 22 maart 2016, in Zaandam, een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van opzetheling, immers heeft de verdachte telkens na te melden goederen verworven, en voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die goederen telkens wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof:

- een fiets, (merk Gazelle, type Grenoble, framenummer [nummer 25]),

- een fiets, (merk Batavus, type Padova, framenummer [nummer 26]),

- een fiets, (merk Gazelle, type Orange, framenummer [nummer 27]),

- een fiets, (merk Batavus, type Lecco, framenummer [nummer 28]),

- een fiets, (merk Gazelle, type Medeo, framenummer [nummer 29]),

- een fiets, (merk Gazelle, type Davos, framenummer [nummer 30]),

- een fiets, (merk Gazelle, type Arosa, framenummer [nummer 31]),

- een fiets, (merk Gazelle, type Orange, framenummer [nummer 32]) en

- een fiets, (merk Batavus, type Monaco, framenummer [nummer 33]).

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

van het plegen van opzetheling een gewoonte maken.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van 180 uren, subsidiair te vervangen door 90 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, waarvan 60 uren voorwaardelijk, subsidiair 30 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaar.

De raadsman heeft verzocht, indien het hof tot een bewezenverklaring komt, de verdachte een geheel voorwaardelijke straf op te leggen, gelet op de lange tijd die is verstreken sinds de aanhouding van de verdachte, zijn proceshouding en zijn persoonlijke omstandigheden.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich als fietsenhandelaar schuldig gemaakt aan gewoonteheling van een aanzienlijk aantal fietsen. Door aldus te handelen heeft de verdachte bijgedragen aan het in stand houden van een afzetmarkt voor gestolen goederen. De verdachte heeft kennelijk uit winstbejag gehandeld en daarbij alleen oog gehad voor zijn eigen financiële belangen. Hoewel het hof tot een geringere bewezenverklaring komt dan de advocaat-generaal ziet het in de ernst van het feit aanleiding om in beginsel een hogere straf dan gevorderd op te leggen, te weten een taakstraf van 160 uren, subsidiair te vervangen door 80 dagen hechtenis, waarvan voorwaardelijk 60 uren, subsidiair te vervangen door 30 dagen hechtenis, passend en geboden.

Overschrijding redelijke termijn

Het hof stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, van het EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht.

Als uitgangspunt heeft in deze zaak voorts te gelden dat in de regel sprake is van overschrijding van de redelijke termijn indien de stukken van het geding meer dan acht maanden na het instellen van het hoger beroep ter griffie van de appelrechter zijn binnengekomen.

Het hof overweegt met betrekking tot het totale procesverloop in deze zaak het volgende. Het vonnis waarvan beroep is gewezen op 2 november 2017. Het dossier in deze strafzaak is vervolgens bij het hof pas binnengekomen op 23 april 2020.

Het hof is gelet op genoemd procesverloop van oordeel, dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden en dat dit matiging van de op te leggen taakstraf tot gevolg moet hebben. Daarom zal het hof de voornoemde taakstraf matigen tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair te vervangen door 60 dagen hechtenis, waarvan voorwaardelijk 60 uren, subsidiair te vervangen door 30 dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 60,00, bestaande uit materiële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij heeft zich op 18 mei 2020 opnieuw gevoegd in hoger beroep. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof, indien het hof tot een bewezenverklaring komt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Het toe te wijzen bedrag zal - als gevorderd - worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade. Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 250,00, bestaande uit materiële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich op 18 mei 2020 in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De raadsman heeft verzocht de vordering wederom niet-ontvankelijk te verklaren, omdat nog steeds onduidelijk is of de benadeelde partij daadwerkelijk schade heeft geleden. Immers, niet is uit te sluiten dat de politie de fiets van de benadeelde partij in beslag heeft genomen en weer heeft teruggegeven.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Uit pagina 34 van het politiedossier blijkt immers dat de fiets van de benadeelde partij een waarde had van € 150,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Dat de benadeelde partij de fiets heeft teruggekregen is niet aannemelijk geworden.

Voor het overige is uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is in zoverre niet tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering voor het overige zal worden afgewezen.

Het toe te wijzen bedrag zal - als gevorderd - worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade. Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep in het strafproces gevoegd op 7 mei 2021 met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 850,00, bestaande uit materiële schade. Het hof is van oordeel dat haar vordering in deze strafzaak te laat is ingediend. De benadeelde partij kan daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof zal de vordering van de advocaat-generaal tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel afwijzen, nu de verdachte wordt vrijgesproken van de heling van de fiets van [benadeelde 3].

Beslag

Het hof is van oordeel dat de volgende in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen dienen te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende: één herenfiets (beslagnummer 584125).

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 63 en 417 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

1 STK Fiets Heren (584125).

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 60,00 (zestig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1], ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 60,00 (zestig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 4 februari 2016.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 150,00 (honderdvijftig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2], ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 150,00 (honderdvijftig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 3 (drie) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 1 februari 2016.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.F.J.M. de Werd, mr. M.L.M. van der Voet en mr. R.A.E. van Noort, in tegenwoordigheid van R.J. den Arend, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 28 juni 2021.

De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]