Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1994

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-06-2021
Datum publicatie
06-08-2021
Zaaknummer
200.290.248/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2020:9710
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging gezagsbeëindiging en aanvulling omgangsregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.290.248/01

Zaaknummers rechtbank: C/15/301131/ FA RK 20/1597 (beëindiging gezag)

C/15/303606/ JU RK 20/1119 (wijziging omgangsregeling)

Beschikking van de meervoudige kamer van 29 juni 2021 inzake

[de moeder] Boom,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. L.M. Wagemaker te Hoorn,

en

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als belanghebbenden zijn mede aangemerkt:

- de minderjarige [zoon] (hierna te noemen: [de minderjarige] );

- de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (hierna te noemen: de GI).

Als informant is aangemerkt:

- [de gezinshuisouder] (hierna te noemen: de gezinshuisouder).

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de rechtbank), van 20 november 2020, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De moeder is op 12 februari 2021 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 20 november 2020.

2.2

De raad heeft op 2 april 2021 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de moeder van 23 maart 2021 met bijlagen, ingekomen op 24 maart 2021;

- het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg, ingekomen op 24 maart 2021 per e-mailbericht van de administratie van de rechtbank.

2.4

Het hof heeft [de minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 7 mei 2021 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat (via een telefonische verbinding) en vergezeld door [begeleidster] , ambulant begeleidster vanuit BuroFlo (onderdeel van Leekerweide);

- de raad, vertegenwoordigd door de heer Daalderop;

- de GI, vertegenwoordigd door de gezinsvoogd en een collega;

De gezinshuisouder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2.6

Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [de minderjarige] het hof een brief heeft geschreven, maar dat het hof deze niet heeft ontvangen. Nadien is met toestemming van het hof de brief van [de minderjarige] van 18 april 2021, via de GI, alsnog binnengekomen op 27 mei 2021.

2.7

Het hof heeft de moeder bij brief van 15 juni 2021 een korte en zakelijke weergave van de brief van [de minderjarige] toegestuurd en haar in de gelegenheid gesteld om hier schriftelijk op te reageren.

De moeder heeft hier bij journaalbericht van 20 juni 2021, bij het hof ingekomen op 21 juni 2021, op gereageerd.

3 De feiten

3.1

Verzoekster is de moeder van [de minderjarige] , geboren [in] 2009 te [geboorteplaats] . De moeder oefende alleen het gezag uit over [de minderjarige] . Sinds de datum van de bestreden beschikking, die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, oefent de GI het gezag uit over [de minderjarige] .

3.2

Bij beschikking van 4 december 2013 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld. Op 3 mei 2016 is [de minderjarige] uit huis geplaatst. Deze maatregelen zijn telkens verlengd.

De maatregelen werden eerst uitgevoerd door de Jeugd & Gezinsbeschermers. Op 2 december 2019 heeft de GI het overgenomen.

3.3

[de minderjarige] verblijft sinds 1 maart 2019 in een perspectief biedend gezinshuis van Leekerweide dat in mei 2020 van [plaats a] naar [plaats b] is verhuisd.

3.4

Bij beschikking van 25 juni 2019 van de kinderrechter in de rechtbank is met ingang van augustus 2019 de volgende omgangsregeling vastgesteld:

- er vindt eenmaal per twee weken onder begeleiding van een professional omgang plaats tussen de moeder en [de minderjarige] , afwisselend op woensdagmiddag en zaterdag;

- de ene keer vindt gedurende drie uur omgang plaats in (de omgeving van) het gezinshuis waar [de minderjarige] verblijft en de andere keer vindt gedurende vier uur omgang plaats bij de moeder thuis, waarbij de moeder [de minderjarige] haalt en brengt.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, op daartoe strekkend verzoek van de raad, het ouderlijk gezag van de moeder over [de minderjarige] beëindigd en is de GI benoemd tot voogdes over hem.

Daarnaast is, met wijziging van de beschikking van (naar het hof begrijpt:) 25 juni 2019, de volgende omgangsregeling vastgesteld: de moeder en [de minderjarige] hebben iedere maand twee keer omgang met elkaar, in beginsel op vrijdag, gedurende drie uur bij de moeder thuis, onder begeleiding van een professional van Leekerweide. Deze professional is eveneens verantwoordelijk voor het vervoer van [de minderjarige] naar de moeder en terug naar het gezinshuis.

4.2

De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende een omgangsregeling te bepalen inhoudende dat [de minderjarige] één weekend per 14 dagen van vrijdag 12.00 uur tot zondag 19.00 uur bij de moeder verblijft, waarbij [de minderjarige] bij de moeder wordt gebracht en weer wordt opgehaald en met betrekking tot de vakanties en feestdagen te bepalen dat [de minderjarige] :

a. tijdens de zomervakantie een week bij de moeder verblijft;

b. tijdens de overige schoolvakanties steeds één dag bij de moeder verblijft;

c. in de kerstvakantie tijdens de oneven jaren op eerste kerstdag en tijdens de even jaren op tweede kerstdag bij de moeder verblijft;

d. een dag tijdens het weekend omstreeks de verjaardag van de moeder bij de moeder verblijft;

e. mag worden bezocht door de moeder op haar verjaardag;

dan wel een regeling die het hof in het belang van [de minderjarige] acht.

4.3

De raad verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

Gezag

5.1

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:266 lid 1, aanhef en onder a, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn.

5.2

De moeder betoogt dat de rechtbank ten onrechte haar gezag over [de minderjarige] heeft beëindigd en stelt daartoe het volgende. Het is niet terecht dat de zorgen over [de minderjarige] volledig aan de moeder worden verweten. Zij heeft medio 2016 op eigen initiatief hulp gezocht voor [de minderjarige] , maar hij heeft daarna veel te lang moeten wachten op passende hulpverlening. Verder wordt steeds verwezen naar verouderde informatie, maar inmiddels zijn de omstandigheden gewijzigd. Zo is de moeder verhuisd om afstand te kunnen nemen van negatieve contacten uit haar oude buurt en heeft ze de afgelopen jaren zonder problemen voor haar dochter gezorgd. De moeder is daarom van mening dat zij in staat is om ook de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] op enig moment weer op zich te nemen. Zij wil graag laten zien dat zij dit kan, maar dit is niet mogelijk door de minimale omgangsregeling die er nu is.

Ter zitting in hoger beroep heeft de moeder verklaard dat zij kan accepteren dat het perspectief van [de minderjarige] in het gezinshuis ligt en dat zij zich bij de gezagsbeëindiging zou kunnen neerleggen, ook al doet dit haar veel verdriet, maar dat zij wel betrokken en gezien wil blijven als de moeder van [de minderjarige] en daarom vooral veel moeite heeft met de beperkte omgangsregeling.

In haar reactie op het verslag van de na de zitting ingekomen brief van [de minderjarige] geeft de moeder aan een reële band te willen opbouwen met [de minderjarige] en bij hem betrokken te willen blijven door belast te blijven met het ouderlijk gezag.

5.3

De raad is van mening dat het gezag van de moeder over [de minderjarige] terecht is beëindigd en voert daartoe het volgende aan. Er bestaan al jaren zorgen over de opvoedsituatie en die zorgen zijn er nog steeds. De moeder blijft [de minderjarige] belasten met haar wens dat hij weer thuis komt wonen, ook al ziet zij dat hij op zijn plek zit in het gezinshuis. Ook de opvoeding van de (nu meerderjarige) zus van [de minderjarige] is niet zonder zorgen verlopen. Ook hier is sprake geweest van een ondertoezichtstelling en behoefde de moeder steun van (gespecialiseerde) hulpverlening. Naast de zorgen over de opvoedvaardigheden van de moeder speelt ook de eigen problematiek van [de minderjarige] een rol. [de minderjarige] is gediagnosticeerd met ADHD en PTSS wat maakt dat hij veel van een opvoeder vraagt. Gelet op de beperkte leerbaarheid en draagkracht van de moeder moet geconcludeerd worden dat zij (nog steeds) niet in staat is om [de minderjarige] de thuissituatie te bieden die hij nodig heeft en bestaat het risico dat hij bij thuisplaatsing opnieuw zal worden blootgesteld aan de situatie die destijds heeft geleid tot de beschermingsmaatregelen. Dit maakt een gezagsbeëindiging noodzakelijk. Daarnaast is het voor [de minderjarige] , die soms het gevoel heeft klem te zitten en te moeten kiezen, van belang dat hij duidelijkheid krijgt over zijn perspectief.

5.4

Het hof overweegt als volgt.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat al jarenlang hulpverlening bij het gezin betrokken is. De moeder, die functioneert op moeilijk lerend niveau, heeft nog twee meerderjarige dochters die beiden geruime tijd onder toezicht hebben gestaan en uit huis zijn geplaatst. Eind 2013 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld in verband met gedragsproblemen, waaronder agressiviteit, grof taalgebruik, zelfbepalend gedrag en hyperactiviteit, waartegen de moeder niet was opgewassen. In mei 2016 is [de minderjarige] uit huis geplaatst. Hierna zijn de zorgen over de thuissituatie van de moeder toegenomen. Bij de politie zijn veelvuldig meldingen binnengekomen op het adres van de moeder van overlast, mishandelingen en prostitutie (waar [de minderjarige] soms getuige van is geweest). De moeder is in februari 2017 mishandeld in haar huis en er is in de woning geschoten. Daarop is het Landelijk Expertise Team ingeschakeld. Ook is de omgang tussen [de minderjarige] en de moeder bij de moeder thuis tijdelijk stopgezet, omdat dit niet langer veilig werd geacht, en hebben de behandelaars van [de minderjarige] aangegeven dat hij niet meer bij de moeder mag overnachten, omdat dit bestaande en nieuwe trauma’s bij [de minderjarige] oproept. [de minderjarige] is laag begaafd en gediagnosticeerd met PTSS, ADHD, waardoor hij extra structurering en begeleiding nodig heeft en meer van een opvoeder vraagt. Sinds maart 2019 verblijft [de minderjarige] in het huidige perspectief biedende gezinshuis, waar hij zich goed ontwikkelt. Wel wordt gezien dat [de minderjarige] last heeft van gemengde signalen van de moeder over de plaatsing in het gezinshuis waardoor hij soms het gevoel heeft klem te zitten. Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de moeder inmiddels meer rust in haar leven heeft, dat zij ziet dat [de minderjarige] het goed heeft in het gezinshuis en dat de samenwerking met de huidige gezinsvoogd goed verloopt.

5.5

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat voldoende is gebleken dat de moeder niet, althans onvoldoende in staat is om de dagelijkse verzorging en opvoeding van [de minderjarige] op zich te nemen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van [de minderjarige] aanvaardbaar te achten termijn. De uithuisplaatsing van [de minderjarige] duurt inmiddels vijf jaar en hij verblijft nu ruim twee jaar in het huidige gezinshuis, waar hij het goed doet. Hoewel de moeder veel van [de minderjarige] houdt en het beste met hem voor heeft, leiden de specifieke opvoedbehoeftes van [de minderjarige] in combinatie met de beperkte leerbaarheid en opvoedvaardigheden van de moeder tot de conclusie dat een thuisplaatsing van [de minderjarige] niet meer aan de orde is en dat zijn perspectief in het gezinshuis ligt. Naar het oordeel van het hof is het in het belang van [de minderjarige] dat de stabiliteit in de huidige opvoedsituatie behouden blijft, dat onzekerheid over zijn toekomstperspectief wordt weggenomen en dat duidelijk wordt wie de opvoedbeslissingen over hem neemt. Dit belang weegt zwaarder dan het belang van de moeder om betrokken te blijven bij de gezagsbeslissingen over [de minderjarige] . Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat aan de gronden voor een gezagsbeëindiging is voldaan en dat deze ook nodig is. Het hof zal de bestreden beschikking op dit punt derhalve bekrachtigen.

5.6

Ten overvloede overweegt het hof dat de beëindiging van het gezag van de moeder niet betekent dat de band tussen de moeder en [de minderjarige] wordt verbroken of dat de moeder geen rol van betekenis meer in het leven van [de minderjarige] heeft. De moeder blijft recht houden op informatie over de ontwikkeling [de minderjarige] en op contact met hem. Zij blijft altijd de moeder van [de minderjarige] en heeft als zodanig een belangrijke rol in zijn leven.

Omgangsregeling

5.7

Ingevolge artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een beslissing inzake de omgang wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Niet in geschil is dat aan de voorwaarde om tot wijziging van de in de beschikking van 25 juni 2019 vastgestelde omgangsregeling te kunnen overgaan, is voldaan.

5.8

Ter zitting in hoger beroep is tussen de moeder en de GI overeenstemming bereikt over een regeling voor de verjaardagen van [de minderjarige] , zijn zussen, de moeder en de oma moederszijde, inhoudende dat deze verjaardagen samen worden gevierd op of omstreeks de betreffende data, nader te bepalen in het driemaandelijkse overleg van de moeder met de GI en Leekerweide. Het hof komt hetgeen de moeder en de GI zijn overeengekomen niet als strijdig met het belang van [de minderjarige] voor en zal dienovereenkomstig beslissen.

Aan het hof liggen vervolgens nog voor de verzoeken van de moeder tot uitbreiding van de basisregeling en ten aanzien van de vakanties en kerstdagen.

5.9

De moeder wenst uitbreiding van de omgangsregeling. Ook [de minderjarige] zou zijn moeder graag vaker willen zien. Door de wijziging die de rechtbank heeft bepaald zijn weliswaar een aantal praktische bezwaren opgelost, maar de omgang is nog steeds zeer minimaal. Deze beperkte omgangsregeling maakt inbreuk op artikel 8 EVRM. De moeder is zo niet in staat om een goede band met [de minderjarige] op te bouwen en zij merkt dat [de minderjarige] steeds meer van haar en de familie moederszijde vervreemdt.

Ter zitting in hoger beroep heeft de moeder verklaard te begrijpen dat niet direct hele grote stappen gezet kunnen worden, maar dat zij wel graag zicht zou willen hebben op meer tijd en betrokkenheid bij [de minderjarige] . Zij voelt zich niet altijd gezien als de moeder van [de minderjarige] . In overleg met de GI mag de moeder inmiddels wel af en toe extra tijd met [de minderjarige] doorbrengen in het gezinshuis, ter compensatie voor verloren tijd bij de tweewekelijkse omgangsmomenten door uitloop van school of drukte in het verkeer.

In haar reactie op het verslag van de na de zitting ingekomen brief van [de minderjarige] geeft de moeder aan te begrijpen dat [de minderjarige] met het pleeggezin mee op vakantie wil en dat het aan de GI is om de gemiste tijd voor en/of na de vakantie in te halen. Hoewel de moeder twijfelt of [de minderjarige] zijn mening vrijuit heeft durven uiten nu de brief samen met het pleeggezin is geschreven, onderschrijft zij de wens van [de minderjarige] om zijn moeder meer te willen zien.

5.10

De raad acht het belangrijk dat de band tussen [de minderjarige] en zijn moeder en familie blijft bestaan. Het is aan de GI om hier op een veilige manier invulling aan te geven. Zo bekijkt de GI nu of en zo ja, hoe geregeld zou kunnen worden dat [de minderjarige] verjaardagen bij zijn familie doorbrengt. Een overnachting bij de moeder is echter geen optie, gelet op de eigen beperkingen van de moeder. Haar situatie is niet stabiel en zij heeft al moeite om de omgang van drie uur goed in te vullen. En hoewel [de minderjarige] graag bij zijn moeder is, maakt hij zich ook zorgen om haar.

5.11

De GI heeft ter zitting in hoger beroep gemeld dat de huidige omgangsregeling goed verloopt, maar uitbreiding van de regeling is vooralsnog niet mogelijk. Voor een overnachting zijn er op dit moment nog teveel zorgen. Het risico bestaat dat zonder toezicht dingen zullen gebeuren die schadelijk zijn voor het welzijn van [de minderjarige] . Zo heeft de moeder weleens met [de minderjarige] in de auto gereden terwijl zij geen rijbewijs had. Over dergelijke gebeurtenissen kan [de minderjarige] zich veel zorgen maken, waardoor hij niet kan slapen en nog dagen last heeft. Daarnaast is het voor

de moeder al moeilijk om de huidige drie uren goed in te vullen en de activiteiten worden altijd gezamenlijk met Leekerweide opgezet. Mocht de GI in de toekomst wel mogelijkheden voor uitbreiding zien, dan kan dit besproken worden in het driemaandelijkse overleg tussen de GI en Leekerweide, waarbij ook altijd de moeder en haar ambulant begeleidster aanwezig zijn. Op feestdagen en in vakanties worden in het gezinshuis vaak ook dingen ondernomen. Het is belangrijk dat [de minderjarige] daarbij aanwezig is, omdat zijn opgroeiperspectief in het gezinshuis ligt.

5.12

De ambulant begeleidster van de moeder heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat het voor de moeder belangrijk is dat nu wordt gekeken naar wat wel mogelijk is en dat daar duidelijkheid over komt. De laatste jaren is steeds meer van haar afgenomen en nu tot slot ook het gezag, wat haar veel verdriet doet, maar het is voor haar vooral belangrijk dat zij betrokken blijft bij [de minderjarige] en dat zij gezien blijft worden als zijn moeder. Van een overnachting kan nu nog geen sprake zijn, gelet op het impulsieve karakter van de moeder waarbij zij niet altijd goed de gevolgen overziet, maar bij de evaluatiemomenten komen ook geen hele ernstige zorgen naar voren over de moeder tijdens de omgangsmomenten. De begeleiding loopt goed en het contact met de huidige gezinsvoogd is prettig. Wellicht kan worden bekeken wat onder deze omstandigheden nog meer mogelijk is, zoals uitbreiding van het aantal uren van de omgang.

5.13

Het hof overweegt als volgt.

Gebleken is dat de huidige regeling, waarbij de moeder en [de minderjarige] iedere maand twee keer omgang met elkaar hebben voor de duur van drie uur bij de moeder thuis en onder begeleiding van een professional van Leekerweide, goed verloopt. Ook [de minderjarige] ervaart de bezoeken aan zijn moeder als fijn en leuk, zo blijkt uit de brief die hij aan het hof heeft geschreven. Uitbreiding van deze basisregeling, naar een weekendregeling met overnachting of op enige andere wijze, of onbegeleid contact acht het hof op dit moment echter niet mogelijk. Gebleken is dat tijdens de contacten nog begeleiding nodig wordt geacht vanwege zorgen over het risico op incidenten die hun weerslag hebben op [de minderjarige] . Daarnaast heeft de moeder nog moeite om de huidige drie uren goed in te vullen en behoeft zij hierbij nog hulp. Verder neemt het hof in aanmerking dat [de minderjarige] vanwege zijn eigen problematiek een specifieke opvoedbehoefte heeft. Daarom zal het hof het verzoek van de moeder tot uitbreiding van de basisregeling afwijzen en de regeling zoals die nu loopt, inclusief de recent afgesproken extra tijd in het gezinshuis ter compensatie van gemiste contacturen, vastleggen. Het hof begrijpt de wens van de moeder om zicht te hebben op uitbreiding van het contact met [de minderjarige] en hierover duidelijkheid te krijgen, maar het hof acht het niet raadzaam om op voorhand een stappenplan hiervoor op te stellen omdat het belang van [de minderjarige] hierin steeds leidend moet zijn en dat vergt flexibiliteit. Het contact tussen de moeder en de GI is goed en zij kunnen altijd opnieuw met elkaar in overleg gaan over uitbreiding van de omgang als de betrokken hulpverlening daartoe mogelijkheden ziet.

Wat betreft de vakanties zal het hof bepalen dat in de kerstvakantie één extra contactmoment tussen de moeder en [de minderjarige] zal zijn. Voor het overige zal het hof de verzoeken van de moeder afwijzen. Gebleken is dat [de minderjarige] tijdens de vakanties met het gezinshuis op vakantie gaat of andere activiteiten onderneemt. Nu het opgroeiperspectief van [de minderjarige] in het gezinshuis ligt, acht het hof het belangrijk dat [de minderjarige] hierbij -evenals bij de feestdagen- aanwezig kan zijn. Dit zal niet goed mogelijk zijn als hij in de vakanties steeds één of meerdere dagen bij zijn moeder zou verblijven. Hierbij neemt het hof mede in aanmerking dat [de minderjarige] in zijn brief aan het hof heeft aangegeven in de vakanties graag in het gezinshuis te zijn zodat hij mee op vakantie kan gaan en de moeder in haar reactie hierop heeft aangegeven dit te begrijpen en hieraan niet in de weg te zullen staan.

5.14

Het beroep van de moeder op artikel 8 EVRM slaagt niet, gelet op het vooroverwogene. Het hof is van oordeel dat de genoemde -beperkte- omgangsregeling noodzakelijk is in het belang van [de minderjarige] en tevens proportioneel. De belangen van [de minderjarige] rechtvaardigen de onderhavige inbreuk op het recht op ‘family life’ en er is voldaan aan de vereisten die de wet daaraan stelt.

5.15

Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover daarbij het ouderlijk gezag van de moeder over [de minderjarige] is beëindigd en de GI is belast met de voogdij over [de minderjarige] ;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het openbaar register;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover daarbij een omgangsregeling tussen de moeder en [de minderjarige] is vastgesteld, en stelt in aanvulling daarop, met wijziging van de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, van 25 juni 2019, de volgende omgangsregeling vast:

- de moeder mag [de minderjarige] af en toe, op in overleg met de GI te bepalen momenten en voor in overleg met de GI te bepalen duur, bezoeken in het gezinshuis ter compensatie van gemiste uren omgang;

- de verjaardagen van [de minderjarige] , zijn zussen, de moeder en de oma moederszijde worden gevierd op of omstreeks de betreffende data, nader te bepalen in het driemaandelijkse overleg tussen de GI met de moeder en Leekerweide;

- in de kerstvakantie is er één extra contactmoment tussen de moeder en [de minderjarige] ;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.F.G.H. Beckers, J.M.C. Louwinger-Rijk en J. Kloosterhuis, in tegenwoordigheid van mr. J. van den Wildenberg als griffier, en is op 29 juni 2021 in het openbaar uitgesproken door de jongste raadsheer, mr. J. Kloosterhuis.