Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1969

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-06-2021
Datum publicatie
06-08-2021
Zaaknummer
200.283.908/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Geen ouderschapsonderzoek, gezamenlijk gezag, zorgregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.283.908/01

Zaaknummer rechtbank: C13/662292 / FARK 19-1080 (ED/MH)

Beschikking van de meervoudige kamer van 22 juni 2021 inzake

[de moeder] ,

wonende te [plaats A] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.M. Schoots te Amsterdam,

en

[de vader] ,

wonende te [plaats B] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. S. Luyt te Amsterdam.

Als belanghebbende is aangemerkt de minderjarige [dochter] (hierna te noemen: [de minderjarige] ).

In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, locatie Amsterdam,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 1 juli 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De moeder is op 30 september 2020 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 1 juli 2020.

2.2

De vader heeft op 3 november 2020 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof is voorts een journaalbericht van de zijde van de moeder van 12 februari 2021 met bijlage ontvangen.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 22 februari 2021 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat. Voor de vader is de heer P. Cuijpers opgetreden als tolk in de Engelse taal;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw D.M. van Dijk.

2.5

Ter zitting heeft het hof partijen zijn beslissing medegedeeld dat de bijlage bij het journaalbericht van de zijde van de moeder van 12 februari 2021 wegens strijd met de twee-conclusieregel en de beginselen van een goede procesorde niet toelaatbaar is en buiten beschouwing wordt gelaten.

3 De feiten

Uit de in 2018 verbroken relatie van de moeder en de vader is [in] 2015 [de minderjarige] geboren. De vader heeft [de minderjarige] erkend. De moeder oefende tot de bestreden beschikking alleen het gezag uit over [de minderjarige] .

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, bepaald dat de moeder en de vader gezamenlijk met het gezag over [de minderjarige] worden belast, voor zover de bevoegdheid daartoe niet door een eerdere rechterlijke beslissing is uitgesloten. Voorts is een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vastgesteld, die inhoudt dat met ingang van de datum van die beschikking de vader [de minderjarige] om de week van vrijdag uit school tot zondag om 18.00 uur bij zich heeft, waarbij hij [de minderjarige] op vrijdag uit school haalt en partijen om de beurt zorg zullen dragen voor het vervoer van [de minderjarige] op zondag. Daarnaast is de verdeling van de schoolvakanties tussen de ouders bij helfte bepaald, waarbij voor de kerstvakantie geldt dat [de minderjarige] in de oneven jaren de eerste week van de kerstvakantie bij de vader en de tweede week van de kerstvakantie bij de moeder zal verblijven en in de even jaren andersom. Tot slot is bepaald dat de vader toestemming heeft om vier keer per jaar met [de minderjarige] naar zijn ouders in Groot-Brittannië te reizen.

Deze beslissing is gegeven in overeenstemming met het - gewijzigde - verzoek van de vader, met dien verstande dat de vader had verzocht te bepalen dat [de minderjarige] één weekend in de veertien dagen van vrijdag 17.00 uur dan wel 12.00 uur tot zondag 18.00 uur bij hem verblijft, waarbij voor het jaar 2020 de data van de omgangsweekenden worden vastgelegd volgens het door hem overgelegde overzicht.

De moeder had in eerste aanleg verzocht om afwijzing van de verzoeken van de vader. Zij had bij zelfstandig verzoek primair verzocht:

- de vader te gebieden zijn directe medewerking te verlenen aan deelname aan het traject “Ouderschap Blijft”, georganiseerd door Dock, en zich te houden aan de opdrachten en tijden die door Dock worden opgedragen, althans een raadsonderzoek te gelasten naar het uitoefenen van het ouderlijk gezag van partijen, waarbij zal worden gekeken of het door de ouders uit te oefenen gezag in het belang van [de minderjarige] is, althans een bijzondere curator te benoemen teneinde te adviseren omtrent de vraag of en, zo ja, in hoeverre het gezamenlijk gezag van de ouders over [de minderjarige] in haar belang kan worden geacht;

- te bepalen dat [de minderjarige] eenmaal in de veertien dagen van vrijdag 17.00 uur tot zondag 18.00 uur en vanaf oktober 2019 vanaf einde schooldag tot zondag 18.00 uur bij de vader verblijft;

- een verdeling van de vakanties bij helfte vast te stellen, in onderling overleg overeen te komen;

- te bepalen dat de zomervakantie op grond van een week om week regeling in onderling overleg wordt verdeeld, waarbij partijen de reguliere omgangsregeling aanhouden indien de vader geen gebruik wenst te maken van een volledige vakantieweek;

- te bepalen dat [de minderjarige] ieder jaar op kerstavond bij de vader verblijft, mits zij na het eten bij de moeder terugkomt.

Subsidiair had de moeder verzocht te bepalen dat [de minderjarige] op kerstavond en eerste kerstdag bij haar is en op tweede kerstdag vanaf 9.00 uur bij de vader.

4.2

De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking:

primair:

- overeenkomstig punt 34 tot en met 37 van het beroepschrift een ouderschapsonderzoek te gelasten, door op grond van artikel 194 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een forensische mediator (geregistreerd bij de Stichting Forensische Mediation) te benoemen, bij voorkeur een psycholoog of meerdere psychologen;

- te bepalen dat partijen de kosten van voormelde deskundige gelijkelijk dienen te voldoen;

- iedere definitieve beslissing over het gezag en de zorgregeling aan te houden in afwachting van het deskundigenbericht, alsmede de reacties van partijen daarop;

en subsidiair, voor zover het hof het primaire verzoek van de moeder afwijst:

- het verzoek van de vader om partijen gezamenlijk met het gezag over [de minderjarige] te belasten alsnog af te wijzen;

- een zorgregeling vast te stellen, die inhoudt dat de vader [de minderjarige] om de week op vrijdag om 15.15 uur op [plaats A] Centraal Station ophaalt en haar op die plaats op zondag om 17.00 uur weer terugbrengt;

- de schoolvakanties tussen partijen bij helfte te verdelen, waarbij voor de kerstvakantie geldt dat [de minderjarige] in de oneven jaren op 24 december en eerste kerstdag bij de vader verblijft en op tweede kerstdag vanaf 12.00/14.00 uur bij de moeder en in de even jaren andersom.

4.3

De vader verzoekt de verzoeken van de moeder af te wijzen, dan wel haar in deze verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, met veroordeling van de moeder in de kosten van de procedure in beide instanties.

5 De motivering van de beslissing

Forensische mediation

5.1

De moeder verzoekt een ouderschapsonderzoek te gelasten en de behandeling van de zaak in afwachting van de uitkomst aan te houden. Partijen zullen op ouderniveau moeten gaan samenwerken, maar de vader is niet bereid aan verbetering van de ouderrelatie te werken. Een verplicht mediationtraject (ouderschapsonderzoek) is op zijn plaats om de bestaande impasse in de communicatie tussen partijen te doorbreken en hen te helpen zich bewust te worden van elkaars houding en de effecten die hun (non)communicatie op [de minderjarige] heeft, zodat hun houding ten opzichte van elkaar, hun onderlinge communicatie en de door hen te maken afspraken de ontwikkeling van [de minderjarige] ten goede zullen komen.

5.2

De vader meent dat de zaak zich niet leent voor een ouderschapsonderzoek. De moeder heeft het verleden nog niet kunnen afsluiten, zodat zij geen ruimte heeft voor een nieuwe invulling van de relatie met de vader als ex-partner en ouder. De communicatie tussen partijen is niet optimaal, maar zij zijn er desondanks wel in geslaagd om belangrijke beslissingen ten aanzien van [de minderjarige] gezamenlijk te nemen en de omgang vorm te geven. Niet valt in te zien waarom het zware middel van een ouderschapsonderzoek moet worden ingezet. Minder zware middelen, zoals het gelasten van een raadsonderzoek of de benoeming van een bijzondere curator, heeft de rechtbank niet nodig geacht.

5.3

De raad acht een ouderschapsonderzoek niet nodig. Om te voorkomen dat [de minderjarige] op termijn schade zal ondervinden van het gebrek aan communicatie tussen partijen en dan tussen hen klem en verloren zal raken, moeten zij wel met elkaar in gesprek gaan, om te beginnen over de (beëindiging van de) relatie van partijen en vervolgens over het op een verantwoorde wijze invullen van het ouderschap. Partijen moeten in de vorm van een ouderschapsplan afspraken met elkaar gaan maken.

5.4

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep blijkt dat de houding van de vader ten opzichte van de moeder en de wijze waarop partijen uit elkaar zijn gegaan de moeder psychisch en emotioneel heeft geraakt en nog steeds lijkt te raken. De moeder lijkt erkenning te zoeken voor de psychische en emotionele schade die zij door de relatiebreuk heeft ondervonden. De vader heeft ter zitting in hoger beroep erkend dat hij de relatie niet op de juiste wijze heeft beëindigd en realiseert zich dat de moeder het hiermee moeilijk heeft (gehad). De niet gecommuniceerde emoties hebben in het verleden geleid tot spanningen en escalaties tussen partijen. Dit heeft eraan in de weg gestaan dat partijen tot overeenstemming over een ouderschapsplan kunnen komen. De door hen ondernomen pogingen om in het kader van mediation en het traject ‘Ouderschap Blijft’ hun onderlinge communicatie te verbeteren zijn gestrand en hebben niet tot een verandering van de situatie geleid. Het hof acht het in het belang van [de minderjarige] dat het vertrouwen tussen partijen wordt hersteld, hun onderlinge verstandhouding wordt genormaliseerd en zij aan hun ouderrelatie gaan werken, zodat zij in staat zijn op een behoorlijke wijze op ouderniveau met elkaar over de opvoeding en ontwikkeling van [de minderjarige] te communiceren en tot afspraken over het gezamenlijk ouderschap komen. Het hof is met de raad van oordeel dat hiervoor nodig is dat partijen ook de (wijze van) beëindiging van hun relatie onder begeleiding van een derde gaan bespreken en een plek gaan geven, omdat anders het risico bestaat dat [de minderjarige] door de slechte onderlinge verstandhouding en communicatie wordt beschadigd. De moeder heeft ter zitting in hoger beroep te kennen gegeven dat zij inmiddels vooruitgang heeft geboekt in het herstel van de gevolgen van de relatiebreuk, zodat de ouders voortaan mogelijk wel met elkaar kunnen gaan samenwerken. De vader ziet het belang van een goede communicatie met de moeder over [de minderjarige] op ouderniveau.

Bij deze stand van zaken is een ouderschapsonderzoek niet een geëigend middel. Daarbij komt dat het voor alle betrokkenen van belang is dat er duidelijkheid komt over de gezags- en omgangssituatie. Het hof acht zich op grond van de stukken en wat op de zitting in hoger beroep is besproken voldoende voorgelicht om te beslissen. Het verzoek van de moeder om een ouderschapsonderzoek te gelasten zal dan ook worden afgewezen.

Gezag

5.5

Ter beoordeling ligt aan het hof de vraag voor of de ouders gezamenlijk met het ouderlijk gezag moeten worden belast.

5.6

Op grond van artikel 1:253c, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken om de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Dit verzoek wordt op grond van het tweede lid van artikel 1:253c BW slechts afgewezen indien a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

5.7

Volgens de moeder heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat zij onvoldoende zwaarwegende en concrete feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht om aan te kunnen nemen dat er sprake is van ernstige contra-indicaties voor gezamenlijk gezag. Daarmee heeft de rechtbank miskend dat de slechte verstandhouding tussen partijen en het door de moeder als zeer spanningsvol ervaren contact met de vader niet in het belang van [de minderjarige] zijn. [de minderjarige] heeft hiervan last. Zij is vaak angstig, heeft nachtmerries en begint steeds meer te stotteren. De door de ouders gevolgde mediationtrajecten en het traject ‘Ouderschap Blijft’ hebben niet tot het gewenste resultaat geleid. De moeder voorziet grote problemen in de uitvoering van het gezag, met ernstige gevolgen voor de psychische en lichamelijke ontwikkeling van [de minderjarige] . De ouders zijn niet in staat om met elkaar op een behoorlijke manier te communiceren en het is niet te verwachten dat zij zonder begeleiding in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond [de minderjarige] kunnen voordoen, zodanig dat zij niet klem of verloren raakt tussen de ouders.

5.8

De vader voert hiertegen het volgende aan. De mediation is eind 2018 op niets uitgelopen, omdat de moeder wilde praten over de (verbroken) relatie van partijen, terwijl de vader juist wilde bespreken hoe hun relatie als ex-partners en ouders invulling zou moeten krijgen. Dat de vader zijn nieuwe partner bij [de minderjarige] wilde introduceren heeft veel spanning in de communicatie tussen de ouders veroorzaakt. In het kader van het traject ‘Ouderschap Blijft’ heeft slechts één gesprek plaatsgevonden, omdat beide partijen er de voorkeur aan gaven eerst de door de rechtbank vastgestelde voorlopige omgangsregeling uit te voeren. Het begin 2020 gevolgde mediationtraject heeft vanwege de coronamaatregelen tot niets geleid. De vader verzet zich tegen het beeld dat de moeder van hem schetst. De moeder heeft haar stelling dat gezamenlijk gezag ernstige gevolgen heeft voor de psychische en lichamelijke ontwikkeling van [de minderjarige] niet onderbouwd. Het gaat goed met [de minderjarige] en zij heeft een goede band met beide ouders. De vader is zeer goed in staat om op verantwoorde en behoorlijke wijze het gezamenlijk gezag uit te oefenen.

5.9

De raad adviseert de bestreden beschikking op dit punt te bekrachtigen, in welk verband wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder 5.3 is vermeld.

5.10

Het hof overweegt als volgt. Uitgangspunt van de wetgever is dat beide ouders van een kind gezamenlijk het gezag hebben. Voor gezamenlijk gezag is echter wel vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over het kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen, zodanig dat het kind niet klem of verloren raakt tussen de ouders. Uit het bovenstaande volgt dat een gebrekkige communicatie tussen ouders in beginsel geen beletsel hoeft te vormen voor een gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag, zolang dit maar niet ten koste gaat van, of schadelijk is voor de minderjarige.

5.11

Hoewel partijen (nog) niet in staat zijn gebleken om op een constructieve wijze op ouderniveau met elkaar te communiceren en zij er (nog) niet in zijn geslaagd om onder begeleiding van de hulpverlening afspraken over [de minderjarige] te maken, is het hof van oordeel dat onvoldoende gronden aanwezig zijn voor de conclusie dat zij niet in staat zullen zijn om (op termijn) in gezamenlijk overleg beslissingen van enig belang over [de minderjarige] te kunnen nemen. [de minderjarige] heeft een goede band met beide ouders. De moeder stemt in met gezamenlijk gezag, mits de vader bereid is te investeren in een verbetering van de onderlinge communicatie tussen partijen. De vader wil als ouder een belangrijke rol in het leven van [de minderjarige] spelen en heeft laten zien dat hij bereid is om de communicatie tussen partijen te verbeteren. De communicatie tussen partijen zal, om strubbelingen te voorkomen, de komende tijd uitsluitend op de invulling van hun gezamenlijk ouderschap betrekking moeten hebben. Het hof benadrukt dat de vader zich in het belang van [de minderjarige] voortaan moet onthouden van uitlatingen die de persoon van de moeder betreffen. Het is in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk dat partijen onder professionele begeleiding (weer) met elkaar in gesprek gaan en leren samen te werken.

Partijen zijn in de afgelopen periode in staat gebleken om in onderling overleg afspraken over de omgang tussen de vader en [de minderjarige] te maken. Daarnaast heeft de vader onweersproken gesteld dat hij de moeder heeft ondersteund in haar beslissing om naar [plaats A] te verhuizen en dat partijen overleg hebben gevoerd over de schoolkeuze van [de minderjarige] . Gesteld noch gebleken is dat de vader, als er belangrijke beslissingen over [de minderjarige] moeten worden genomen, niet bereid is tot overleg met de moeder en tot het verlenen van de benodigde toestemming. Verder is gebleken dat [de minderjarige] zich goed ontwikkelt. Weliswaar heeft de moeder gesteld dat [de minderjarige] angstig is en stottert, maar het hof acht niet aannemelijk geworden dat dit komt door de problemen die er zijn in de onderlinge communicatie van partijen, dan wel dat die problemen een zodanig negatieve weerslag op [de minderjarige] hebben dat afwijzing van het verzoek in haar belang noodzakelijk is. De moeder heeft gesteld dat de ouders discussies voeren over zaken die de omgang en de opvoeding en verzorging van [de minderjarige] betreffen, maar dit zijn nu juist kwesties waarvoor het zo belangrijk is om als ouders te leren in het belang van [de minderjarige] op ouderniveau te communiceren. Gelet op het voorgaande zal de beschikking waarvan beroep op het punt van het gezamenlijk gezag worden bekrachtigd.

Zorgregeling

eindtijd omgang en haal- en brengregeling

5.12

De moeder verzoekt een zorgregeling vast te stellen, die inhoudt dat de vader [de minderjarige] om de week op vrijdag om 15.15 uur op station [plaats A] ophaalt en haar op die plaats op zondag om 17.00 uur weer terugbrengt. Zij stelt dat de rechtbank er geen rekening mee heeft gehouden dat de eindtijd van de omgang op zondag om 18.00 uur voor een schoolgaand kind van de leeftijd van [de minderjarige] veel te laat is. Als [de minderjarige] bij de moeder in [plaats A] eet, kan zij op zijn vroegst om 20.30 uur naar bed, terwijl [de minderjarige] bij een eindtijd van 18.00 uur in [plaats B] te weinig tijd heeft om thuis te acclimatiseren en zij pas om 20.30/21.00 uur gaat slapen. Zij moet uitgerust aan de komende schoolweek kunnen beginnen. Voorts stelt de moeder zich op het standpunt dat met de overweging in de bestreden beschikking dat het redelijk is dat partijen om de beurt op zondag zorgdragen voor het vervoer in het kader van de zorgregeling is miskend dat de vader buiten de zorgregeling om niets voor [de minderjarige] hoeft te regelen, terwijl de moeder als hoofdverzorger van [de minderjarige] alles voor haar regelt (zoals het brengen naar en halen van school, zwemles, dokter et cetera). Verder is er in de bestreden beschikking geen rekening mee gehouden dat er geen vaste plek voor de overdracht van [de minderjarige] is. De overdracht kan op station [plaats A] plaatvinden; [de minderjarige] reist met de trein van en naar [plaats B] en [plaats A] .

5.13

De vader brengt hiertegen het volgende in. Doordat [de minderjarige] ouder wordt en haar bedtijd verschuift, lost de kwestie rond het eindtijdstip zich vanzelf op. Het overdrachtsmoment op zondag is overigens meestal rond 16.00 uur. Ten aanzien van het halen en brengen voert de vader aan dat de moeder er zelf voor kiest om alles voor [de minderjarige] te doen. De vader heeft aangeboden [de minderjarige] vaker bij zich te hebben, maar de moeder wil hier niets van weten. In het ene omgangsweekend brengt de vader [de minderjarige] naar het station in [plaats A] , waar de moeder haar komt ophalen en in het andere omgangweekend haalt de moeder [de minderjarige] op op station [station 1] of [station 2] . Een enkele keer spreken de ouders een andere overdrachtslocatie af.

5.14

De raad heeft geadviseerd dat de ouder waar [de minderjarige] op dat moment verblijft haar naar de andere ouder brengt, zodat [de minderjarige] emotionele toestemming kan ervaren om van de ene naar de andere ouder te gaan. Het is daarnaast in haar belang dat de overdracht plaatsvindt op het woonadres van de moeder. Volgens de raad kan [de minderjarige] bij haar vader eten, voordat zij op zondag weer naar haar moeder teruggaat.

5.15

Het hof overweegt dat tussen partijen niet (langer) in geschil is dat de vader [de minderjarige] om de week op vrijdag uit school haalt. Daarnaast ziet het hof in het door de moeder gestelde geen aanleiding om de eindtijd van de omgang op zondag al om 17.00 uur te bepalen. Partijen zijn in staat gebleken met elkaar over de eindtijd op zondag te overleggen. De vader heeft onweersproken gesteld dat hij [de minderjarige] op zondag meestal al om 16.00 uur of 17.00 uur naar de moeder terugbrengt. Ter zitting is gebleken dat beide partijen zich erin kunnen vinden dat [de minderjarige] op zondag bij haar vader eet, alvorens zij naar haar moeder teruggaat. Zodoende heeft [de minderjarige] voldoende tijd om bij haar moeder te acclimatiseren en kan zij uitgerust aan een nieuwe schoolweek beginnen. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat partijen om de beurt moeten zorgdragen voor het vervoer op zondag. Dat de moeder, zoals zij stelt, als hoofdverzorger van [de minderjarige] alles voor haar regelt, maakt dit niet anders, nu de vader het vervoer op de vrijdag voor zijn rekening neemt en de moeder niet heeft weersproken dat de vader heeft aangeboden de zorg voor [de minderjarige] wat vaker op zich te nemen, maar zij dit zelf niet wil. Het hof zal de bestreden beschikking in zoverre bekrachtigen.

de kerstdagen

5.16

De moeder verzoekt te bepalen dat voor de kerstvakantie geldt dat [de minderjarige] in de oneven jaren op 24 december en eerste kerstdag bij de vader verblijft en op tweede kerstdag vanaf 12.00/14.00 uur bij de moeder en in de even jaren andersom. Zij stelt dat de rechtbank in de bestreden beschikking heeft miskend dat het kerstfeest in Groot-Brittannië op kerstavond (24 december) en 25 december wordt gevierd. Dit betekent dat de familie aan vaderszijde voldoende de gelegenheid heeft om met [de minderjarige] een traditie en band op te bouwen zonder dat dit afbreuk hoeft te doen aan de tradities van de moeder en de band die [de minderjarige] met de moeder en haar familie heeft. Het is voor [de minderjarige] niet belastend om tijdens de kerst (en de kerstvakantie een paar keer) van de ene naar de andere ouder te reizen. De vluchttijd van [plaats C] naar [plaats B] is nog geen uur en de reistijd van het vliegveld naar het huis van de ouders van de vader is een half uur, derhalve totaal anderhalf uur.

5.17

Volgens de vader snijdt hetgeen de moeder heeft aangevoerd geen hout en hij betwist dat Groot-Brittannië geen tweede kerstdag kent.

5.18

Volgens de raad verzet het belang van [de minderjarige] zich er niet tegen dat zij om het jaar afwisselend bij ieder van de ouders verblijft tijdens de kerstdagen.

5.19

Het hof overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de kerstvakantie bij helfte tussen partijen wordt verdeeld, in die zin dat [de minderjarige] in de oneven jaren de eerste week van de kerstvakantie bij de vader en de tweede week van de kerstvakantie bij de moeder verblijft en in de even jaren andersom. Het verzoek van de moeder om te bepalen dat voor de dagen rond kerst geldt dat [de minderjarige] in de oneven jaren op 24 december en eerste kerstdag bij de vader verblijft en op tweede kerstdag vanaf 12.00/14.00 uur bij de moeder en in de even jaren andersom leidt ertoe dat [de minderjarige] in de kerstvakantie meer dan één keer zou moeten wisselen tussen haar ouders en vier keer zou moeten vliegen, mogelijk als unaccompanied minor, hetgeen voor haar mede gelet op de reistijd (waaronder begrepen het voortransport en de wachttijd) belastend is. Bovendien zou [de minderjarige] dan niet een aaneengesloten periode van een week met haar grootouders in Groot-Brittannië kunnen doorbrengen. De vader wenst, net als tijdens de relatie van partijen, de kerst bij zijn familie in Groot-Brittannië door te brengen. Dat de relatie tussen de ouders is beëindigd heeft als - voor de moeder onwenselijke, maar gelet op het belang van [de minderjarige] onvermijdelijke - consequentie dat zij [de minderjarige] niet meer ieder jaar met kerst bij zich kan hebben. Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking ook in zoverre bekrachtigen.

Proceskosten

5.20

De vader verzoekt de moeder te veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties. De moeder verzoekt te bepalen dat ieder van partijen de eigen proceskosten zal dragen. Het hof ziet, gelet op de aard van de procedure, geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt in familiezaken dat elk van partijen de eigen kosten draagt en zal beslissen als hierna wordt vermeld.

5.21

Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

gelast de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Amsterdam, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het openbaar register;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in die zin dat elk van partijen de eigen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.F. Miedema, mr. A.V.T. de Bie en mr. J.A. van Keulen, in tegenwoordigheid van de griffier, en is op 22 juni 2021 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.