Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1955

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-06-2021
Datum publicatie
02-08-2021
Zaaknummer
200.287.700/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Wijziging gezag bekrachtigd. Gelet op de problematiek van het kind en van de moeder, ligt het perspectief van het kind niet bij de moeder, hetgeen de moeder ook beseft. In deze situatie zijn de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing niet meer de geëigende maatregelen. Deze maatregelen dragen naar hun aard immers een tijdelijk karakter. De huidige stand van zaken verzet zich tegen verlenging van deze maatregelen omdat daarmee de onzekerheid over het toekomstperspectief voor het kind blijft voortduren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.287.700/01

Zaaknummer rechtbank: C/13/679815 / FA RK 20/735

Beschikking van de meervoudige kamer van 15 juni 2021 inzake

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.H. Aalmoes te Amsterdam,

en

de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Amsterdam,

gevestigd te Den Haag,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als belanghebbenden zijn in deze zaak aangemerkt:

  • -

    [de minderjarige] , geboren [in] 2018 te [geboorteplaats] ;

  • -

    de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam (hierna: de voogdes);

  • -

    [pleegmoeder 1] en [pleegmoeder 2] (hierna te noemen: de pleegmoeders).

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 30 september 2020 uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De moeder is op 28 december 2020 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 30 september 2020.

2.2

De voogdes heeft op 12 februari 2021 een verweerschrift ingediend.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 15 april 2021 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de raad, vertegenwoordigd door R.N. Planting;

- de voogdes, vertegenwoordigd door een jeugdzorgwerker;

- de pleegmoeders.

3. De feiten

3.1

[de minderjarige] (hierna te noemen: [de minderjarige] ), geboren [in] 2018 te [geboorteplaats] , is de zoon van de moeder. Zij oefende tot de bestreden beschikking alleen het gezag uit over hem.

3.2

Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank van 24 oktober 2018 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de William Schrikker Stichting, voor de duur van een jaar.

3.3

Bij die beschikking van 24 oktober 2018 is een machtiging verleend tot plaatsing van [de minderjarige] in een pleeggezin, met ingang van 24 oktober 2018 tot 24 januari 2019. De ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing zijn nadien verlengd, laatstelijk tot 24 oktober 2020.

3.4

[de minderjarige] verblijft sinds 1 november 2018 bij de huidige pleegmoeders, een medisch pleeggezin.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is op verzoek van de raad het gezag van de moeder over [de minderjarige] beëindigd en is de William Schrikker Stichting belast met de voogdij over [de minderjarige] . Voorts is bepaald dat de moeder omgang heeft met [de minderjarige] tenminste eenmaal per drie weken gedurende maximaal twee uur onder de regie en volgens de aanwijzingen van de voogdes en na overleg met de pleegmoeder.

4.2

De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het inleidende verzoek van de raad tot beëindiging van het gezag van de moeder alsnog af te wijzen en – na wijziging van het verzoek ter zitting – een omgangsregeling tussen de moeder en [de minderjarige] vast te stellen van twee uur per week, zonder begeleiding van de voogdes.

4.3

De raad verzoekt afwijzing van de verzoeken van de moeder en bekrachtiging van de bestreden beschikking.

5 De motivering van de beslissing

Gezag

5.1

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:266 lid 1 sub a Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn.

5.2

De moeder stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte haar gezag heeft beëindigd. Ter zitting in hoger beroep heeft zij aangegeven dat het goed gaat met [de minderjarige] bij de pleegmoeders. Zij wil [de minderjarige] daar laten wonen. Haar grief dat eerst een nader onderzoek naar haar vaardigheden moet plaatsvinden, handhaaft zij niet langer. Wel wil zij in staat blijven beslissingen over [de minderjarige] te nemen. In het verleden heeft de voogdes de moeder niet betrokken bij belangrijke beslissingen, zoals medische beslissingen en de keuze van de opvang, is zij niet betrokken bij het behandelplan en is zij niet geïnformeerd over het verloop van de ziekte en bijvoorbeeld ziekenhuisbezoek. Onder invloed van dit hoger beroep is er beter en meer met de moeder gecommuniceerd. De moeder wil intensief betrokken blijven bij [de minderjarige] en wil daarom het gezag behouden. Ook is het niet noodzakelijk en proportioneel het gezag bij de moeder weg te halen. De moeder betwist de verblijfplaats van [de minderjarige] niet en er is geen sprake van een loyaliteitsconflict bij [de minderjarige] . De aanvaardbare termijn speelt gelet op de leeftijd van [de minderjarige] nog geen rol. Ook betwist de moeder de over [de minderjarige] genomen beslissingen niet en gaat zij het conflict niet aan. De administratieve handelingen die bij handhaving van het gezag komen, zoals de zittingen voor het verlengen van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, zijn niet zo bezwarend, dat daarom het gezag van de moeder beëindigd zou moeten worden. De moeder is een gezonde doorsnee moeder. Zij heeft inmiddels een eigen woning, gaat naar school (opleiding dienstverlening, zorg & welzijn niveau 2) en wil stagelopen in een kinderdagverblijf. Voorts krijgt zij schuldhulp en krijgt zij één keer in de week begeleiding. Al met al is er geen contra-indicatie om het gezag te handhaven.

5.3

De raad is van mening dat de rechtbank terecht heeft besloten tot beëindiging van het gezag van de moeder. [de minderjarige] is een kwetsbaar kind, dat medisch gespecialiseerde zorg nodig heeft. Wanneer die zorg niet geborgd is, is er sprake van een acute dreiging voor [de minderjarige] . De raad meent dat de moeder onvoldoende inzicht heeft in de zorg die [de minderjarige] nodig heeft en ook onvoldoende in staat is datgene te bieden dat [de minderjarige] nodig heeft. De moeder heeft zelf hulp nodig bij het organiseren van haar dagelijkse leven. Nu de moeder zich niet langer verzet tegen de plaatsing van [de minderjarige] bij de pleegmoeders en het opvoedperspectief van [de minderjarige] duidelijk is, acht de raad een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing geen passende maatregel meer.

5.4

De voogdes wijst erop dat [de minderjarige] prematuur geboren is. Hij heeft specifieke en intensieve zorg nodig die de moeder niet kan bieden. De moeder heeft een beneden gemiddelde intelligentie en psychische beperkingen. Tijdens de begeleide bezoeken is duidelijk geworden dat de moeder niet altijd de juiste keuzes voor [de minderjarige] maakt. Bij het voeden van [de minderjarige] is het moeilijk voor de moeder haar geduld te bewaren. Er is sprake van een verzwaarde opvoedingssituatie, wat extra vaardigheden vraagt van de opvoeder. De pleegmoeders zijn beide verpleegkundige en [de minderjarige] krijgt van hen vaste structuur en begeleiding. [de minderjarige] heeft hier veel baat bij en ontwikkelt zich naar zijn mogelijkheden. Omdat [de minderjarige] een jong kwetsbaar kind is, dient de aanvaardbare termijn zo kort mogelijk te zijn. [de minderjarige] dient duidelijkheid te krijgen ten aanzien van de plek waar hij opgroeit, zodat hij zich verder kan hechten en ontwikkelen.

5.5

De pleegmoeders hebben ter zitting in hoger beroep verklaard dat zij een medisch pleeggezin zijn. Hoewel [de minderjarige] zich goed ontwikkelt, kan zijn situatie plotseling omslaan en acuut worden. Zij hebben meegemaakt dat de moeder niet altijd bereikbaar was. Overigens hebben de pleegmoeders, omdat zij medisch onderlegd zijn, vaker een ziekenhuisopname van [de minderjarige] kunnen vermijden.

5.6

Uit de stukken en het ter zitting in hoger beroep verhandelde is onder meer het volgende gebleken. De moeder heeft zich bij hulpverlening gemeld toen zij 20 weken zwanger was. Zij was toen dakloos. [de minderjarige] is na een zwangerschap van 25 weken geboren. Na zijn geboorte heeft hij ruim drie maanden ademhalingsondersteuning nodig gehad. [de minderjarige] heeft daardoor Bronchopulmonale dysplasie (BPD) ontwikkeld, waardoor hij extra gevoelig is voor longinfecties. Zijn ogen zijn gelaserd en hij is aan één oor doof. [de minderjarige] heeft eet- en drinkproblemen doordat hij zolang beademd is. Hij raakt gauw overprikkeld en heeft veel rust en een voorspelbare leefomgeving nodig. Hij gaat naar een medisch kinderdagverblijf. Hij heeft een sterk vertraagde ontwikkeling en laat gedragsproblemen zien, zoals een korte aandachtsspanne en een lange verwerkingstijd.

Na het verblijf van [de minderjarige] in het ziekenhuis is hij geplaatst bij de pleegmoeders, omdat er zorgen over hem waren, maar ook over de moeder en over de opvoedings- en verzorgingsvaardigheden van de moeder.

Ook de moeder is kwetsbaar. Zij heeft vermoedelijk een benedengemiddelde intelligentie, heeft ADD en ook is er sprake van trauma- en hechtingsproblematiek. Ten tijde van de geboorte van [de minderjarige] was zij dakloos. Vanuit onder andere Streetcornerwerk en Timon heeft de moeder daarna begeleiding gekregen en is het haar gelukt een woning te vinden, een opleiding te beginnen en schuldhulp in te schakelen. De moeder doet haar best om zich staande te houden in de huidige situatie. Inmiddels zijn er positieve veranderingen in het gedrag van de moeder. Zij vraagt vaker om hulp en geeft aan wanneer het haar teveel wordt.

5.7

Het hof overweegt voorts dat [de minderjarige] specifieke en intensieve zorg nodig heeft in een schone, gestructureerde en veilige leefomgeving. De pleegmoeders zijn medisch onderlegd en kunnen direct optreden wanneer zich gezondheidsproblemen voordoen. Zij kunnen [de minderjarige] de stabiele opvoedomgeving bieden die hij nodig heeft. Dankzij de in de afgelopen periode bij de pleegmoeders ingezette intensieve zorg op allerlei gebieden, is - zoals de moeder ook onderkent - inmiddels sprake van een (voorzichtig) positieve ontwikkeling bij [de minderjarige] . Naar het oordeel van het hof heeft [de minderjarige] groot belang bij voortzetting daarvan en daarvoor is duidelijkheid over zijn toekomstperspectief een vereiste. Gelet op de problematiek van [de minderjarige] en de speciale zorg die hij nodig heeft enerzijds en de persoonlijke problematiek van de moeder en het gegeven dat zij hulp en steun nodig heeft anderzijds, ligt het perspectief van [de minderjarige] niet bij de moeder, hetgeen de moeder ook beseft. De zorg die [de minderjarige] nodig heeft, is daarvoor gewoonweg te zwaar. Met de raad is het hof van oordeel dat in deze situatie de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing niet meer de geëigende maatregelen zijn om de belangen van [de minderjarige] te beschermen. Deze maatregelen dragen naar hun aard immers een tijdelijk karakter. De huidige stand van zaken verzet zich tegen verlenging van deze maatregelen omdat daarmee de onzekerheid over het toekomstperspectief voor [de minderjarige] blijft voortduren. Bovendien acht het hof het niet wenselijk dat hij nog tot zijn meerderjarigheid jaarlijks met de onrust van verlengingszittingen te maken krijgen. Op voorhand valt niet uit te sluiten dat hij last zal krijgen van de onzekerheid die gepaard gaat met die verlengingen, zeker niet wanneer hij ouder wordt.

Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat aan de gronden in artikel 1:266 lid 1 sub a BW is voldaan en zal de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen.

Omgang

5.8

De moeder voert aan dat de rechtbank uitbreiding van de omgang tussen [de minderjarige] en haar van belang heeft geacht, maar dat desondanks nog geen uitbreiding van de omgang heeft plaatsgevonden. De moeder ziet [de minderjarige] nu eens in de drie weken ongeveer twee uur, afhankelijk van wat [de minderjarige] die dag aankan. De moeder zou graag vaker omgang met [de minderjarige] hebben, bijvoorbeeld één keer per week twee uur. [de minderjarige] is in de zorginstelling, die de pleegmoeders runnen, gewend verschillende gezichten te zien en gaat daarnaast ook naar een medisch kinderdagverblijf. De moeder verzoekt daarom een wekelijkse omgangsregeling. Ter zitting in hoger beroep heeft zij aangegeven dat zij begrijpt dat [de minderjarige] op dit moment niet een weekend bij haar kan verblijven, maar dat zij hoopt dat dit op termijn wel mogelijk is.

5.9

De raad meent dat een uitbreiding van de omgang niet in het belang van [de minderjarige] is. Zijn draagkracht is beperkt en de therapie en zijn verblijf bij het kinderdagverblijf vergen al veel van hem. De moeder lijkt niet te beseffen hoe kwetsbaar [de minderjarige] is.

5.10

De voogdes voert aan dat de moeder [de minderjarige] nu eens per drie weken ziet en daarnaast tijdens het overleg dat eens per drie maanden plaatsvindt. Van de afgelopen zeven geplande begeleide bezoeken was de moeder er drie ziek en gingen de bezoeken niet door. Op 8 januari 2021 is de pleegmoeder met [de minderjarige] op bezoek geweest bij de moeder, maar dit is niet goed verlopen. De afgelopen periode heeft de voogdes de omgang geobserveerd om de mogelijkheden van uitbreiding te onderzoeken. Op dit moment is de voogdes van mening dat uitbreiding niet mogelijk is; dit wordt wellicht anders als [de minderjarige] wat ouder is. Ook is het in de toekomst misschien mogelijk dat de moeder omgang met [de minderjarige] heeft bij Heliomare. Door de maatregelen in verband met de coronapandemie is dit echter nu nog niet mogelijk.

5.11

De pleegmoeders benadrukken dat de moeder belangrijk is voor [de minderjarige] . [de minderjarige] is echter kwetsbaar en heeft specifieke aandacht nodig. De moeder heeft moeite deze aandacht te geven. Zo krijgt zij bij het voeden van [de minderjarige] snel stress en vraagt zij de pleegmoeders de voeding over te nemen. Ook was de moeder vaak druk met [de minderjarige] , waardoor hij uitgeput raakte van de omgang. Omdat de moeder aanwijzingen van de pleegmoeders niet opvolgde, hebben de pleegmoeders de voogdes gevraagd de omgang te observeren en te begeleiden. Sindsdien gaat het beter. De moeder is nu rustiger tijdens de omgang met [de minderjarige] . De huidige omgangsregeling is echter voldoende voor [de minderjarige] .

5.12

Met betrekking tot de door de moeder verzochte uitbreiding van de omgang overweegt het hof als volgt. Uit het raadsrapport van 3 februari 2020 blijkt dat de moeder liefdevol en emotioneel betrokken is bij [de minderjarige] en dat zij tijdens de omgangsmomenten erg haar best doet, oogcontact met [de minderjarige] maakt en met hem praat. In die periode had de moeder echter ook moeite met het oppakken van bepaalde signalen van [de minderjarige] en sloot zij niet altijd goed bij hem aan. Zij had veel sturing nodig in het contact met [de minderjarige] en toonde zich beperkt leerbaar. Na de bezoeken was [de minderjarige] erg moe en nam ook de aandachtsspanne van de moeder af. Na het verschijnen van het raadsrapport is er een evaluatie van de omgang geweest en is de omgang uitgebreid naar eens per drie weken twee uur (voorheen was sprake van omgang één keer per maand twee uur). Tijdens de zitting in hoger beroep is gebleken dat een twee uur durende omgang op dit moment nog steeds het maximum is dat [de minderjarige] aankan. Wel is duidelijk dat [de minderjarige] zich positief ontwikkelt. Zijn laatste ziekenhuisopname dateert van januari 2020. De pleegmoeders geven de moeder instructies en de moeder is nu rustiger en herkent de signalen van [de minderjarige] beter. Nu de moeder bovendien het perspectief van [de minderjarige] bij de pleegmoeders erkent en zich lijkt in te zetten voor een ongestoorde hechting van [de minderjarige] aan de pleegmoeders, acht het hof het in het belang van de relatie tussen [de minderjarige] en de moeder om vanaf september 2021 de omgang beperkt uit te breiden naar eenmaal per twee weken gedurende twee uur. De komende periode tot september 2021 kan worden gebruikt om naar de (beperkte) uitbreiding toe te werken.

Een verdere uitbreiding van de omgang zoals door de moeder verzocht, acht het hof, gelet op het vorenstaande, thans niet in het belang van [de minderjarige] . Voorts acht het hof het van belang dat de omgang onder de regie en volgens de aanwijzingen van de voogdes en na overleg met de pleegmoeders zal blijven plaatshebben, zodat een gedegen monitoring en mogelijke sturing van de omgang is geborgd.

5.13

Op grond van het bovenstaande beslist het hof aldus. Het hof zal voor de duidelijkheid de beschikking waarvan beroep met betrekking tot de omgangsregeling vernietigen en de nieuwe omgangsregeling vastleggen. Dit leidt tot de volgende beschikking.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep

vernietigt de bestreden beschikking ten aanzien van de daarin bepaalde omgangsregeling;

bepaalt dat de moeder tot 1 september 2021 eenmaal per drie weken en vanaf 1 september 2021 eenmaal per twee weken gedurende maximaal twee uur omgang heeft met [de minderjarige] onder de regie en aanwijzingen van de voogdes en na overleg met de pleegmoeders;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

gelast de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Amsterdam, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het openbaar register;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.T. Hoogland, mr. M.C. Schenkeveld en mr. A.E. Oderkerk, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 15 juni 2021 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.