Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1936

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-06-2021
Datum publicatie
06-07-2021
Zaaknummer
23-000933-20
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omvang van het hoger beroep. Volmacht rechtsmiddel. Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 8.40 Wet milieubeheer. Veranderde regelgeving. Valsheid in geschrift. Feitelijk leidinggeven. Verwerping AVAS-verweer. Voortgezette handeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000933-20

datum uitspraak: 23 juni 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Amsterdam van 18 maart 2020 in de strafzaak onder parketnummer 13-994052-19 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1977,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
9 juni 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte en het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Omvang van het hoger beroep

Blijkens de akte instellen rechtsmiddel d.d. 26 maart 2020 heeft de officier van justitie tegen het voornoemde vonnis onbeperkt hoger beroep ingesteld. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal het standpunt ingenomen dat het hoger beroep zich niet richt tegen de door de rechtbank gegeven beslissing tot vrijspraak ten aanzien van feit 2. Gelet op het voorgaande zal het hof de officier van justitie wegens gebrek aan belang niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven beslissing ten aanzien van feit 2.

De verdachte heeft volgens de akte instellen rechtsmiddel d.d. 6 april 2020 onbeperkt hoger beroep ingesteld. Dit berust op een klaarblijkelijke vergissing, want uit de aan de akte gehechte volmacht volgt dat slechts volmacht was verleend voor het instellen van hoger beroep tegen de door de rechtbank gegeven beslissing ten aanzien van feit 1. Het hof zal de akte verbeterd lezen, zodat het hoger beroep van de verdachte slechts is gericht tegen de veroordeling voor feit 1.

Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging van de tenlastelegging is – voor zover thans nog inhoudelijk aan de orde – aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1.
[BV 1] BV in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2017 te Bunnik, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk, bij de ondergrondse combitank, die aanwezig was binnen haar inrichting aan de [adres], althans een opslagtank als bedoeld in het eerste lid van artikel 3.35 Activiteitenregeling milieubeheer, niet jaarlijks een controle heeft laten plaatsvinden van de lekdetectie van de dubbelwandige opslagtank en de dubbelwandige leidingen, zulks terwijl hij, verdachte, als leidinggevende van [BV 1] BV toen en daar (telkens) tot vorenomschreven feit opdracht heeft gegeven en/of (telkens) aan die verboden gedraging(en) feitelijk leiding heeft gegeven.


3.
[BV 1] BV in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 17 april 2018 te Bunnik, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen:

- Inspectierapport met inspectiedatum 10-07-2008 en/of

- Inspectierapport met inspectiedatum 07-07-2009 en/of

- Inspectierapport met inspectiedatum 13-07-2010 en/of

- Inspectierapport met inspectiedatum 20-08-2011 en/of

- Inspectierapport met inspectiedatum 15-06-2012 en/of

- Inspectierapport met inspectiedatum 11-07-2013 en/of

- Inspectierapport met inspectiedatum 28-08-2014 en/of

- Inspectierapport met inspectiedatum 26-08-2015 en/of

- Inspectierapport met inspectiedatum 07-07-2016 en/of

- Inspectierapport met inspectiedatum 23-08-2017,

(elk) zijnde (een) geschrift(en) die/dat bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat [BV 1] BV en/of haar mededader(s):

- de inspectierapporten met inspectiedatum 10-07-2008 en/of 07-07-2009 en/of 13-07-2010 en/of 20-08-2011 en/of 15-06-2012 in strijd met de waarheid heeft opgemaakt als zijnde opgemaakt door [instantie] met het logo van [instantie], terwijl in werkelijkheid [instantie] geen controle van het lekdetectiesysteem althans van de lek controle bescherming had verricht en/of laten ondertekenen door inspecteur [naam], terwijl deze in werkelijkheid niet werkzaam was bij [instantie],

en/of

- de inspectierapporten met inspectiedatum 11-07-2013 en/of 28-08-2014 en/of 26-08-2015 en/of 07-07-2016 en/of 23-08-2017 in strijd met de waarheid heeft opgemaakt als zijnde opgemaakt door [BV 2] BV met het logo van [BV 2] BV, terwijl in werkelijkheid [BV 2] BV geen controle van het lekdetectiesysteem althans van de lek controle bescherming had verricht en/of laten ondertekenen door inspecteur [naam] vermeld, terwijl deze in werkelijkheid niet werkzaam was bij [BV 2] BV, zulks terwijl hij, verdachte, als leidinggevende van [BV 1] BV toen en daar (telkens) tot vorenomschreven feit opdracht heeft gegeven en/of (telkens) aan die verboden gedraging(en) feitelijk leiding heeft gegeven.

4.
[BV 1] BV in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 17 april 2018 te Bunnik, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen (telkens) opzettelijk gebruik heeft/hebben gemaakt van (een) vals(e) of vervalst(e) geschrift(en), te weten:

- Inspectierapport met inspectiedatum 10-07-2008 en/of

- Inspectierapport met inspectiedatum 07-07-2009 en/of

- Inspectierapport met inspectiedatum 13-07-2010 en/of

- Inspectierapport met inspectiedatum 20-08-2011 en/of

- Inspectierapport met inspectiedatum 15-06-2012 en/of

- Inspectierapport met inspectiedatum 11-07-2013 en/of

- Inspectierapport met inspectiedatum 28-08-2014 en/of

- Inspectierapport met inspectiedatum 26-08-2015 en/of

- Inspectierapport met inspectiedatum 07-07-2016 en/of

- Inspectierapport met inspectiedatum 23-08-2017,

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen als ware dat/die geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat: genoemde rapporten werden overgelegd ten behoeve van het bewijs van uitgevoerde gecertificeerde controles van het lekdetectiesysteem en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat (telkens) opzettelijk:

- de inspectierapporten met inspectiedatum 10-07-2008 en/of 07-07-2009 en/of 13-07-2010 en/of 20-08-2011 en/of 15-06-2012 valselijk en/of in strijd met de waarheid waren opgemaakt als zijnde opgemaakt door [instantie] met het logo van [instantie], terwijl in werkelijkheid [instantie] geen controle van het lekdetectiesysteem althans van de lek controle bescherming had verricht en/of waren ondertekenen door inspecteur [naam], terwijl deze in werkelijkheid niet werkzaam was bij [instantie],

en/of

- de inspectierapporten met inspectiedatum 11-07-2013 en/of 28-08-2014 en/of 26-08-2015 en/of 07-07-2016 en/of 23-08-2017 2012 valselijk en/of in strijd met de waarheid waren opgemaakt als zijnde opgemaakt door [BV 2] BV met het logo van [BV 2] BV, terwijl in werkelijkheid [BV 2] BV geen controle van het lekdetectiesysteem althans van de lek controle bescherming had verricht en/of waren ondertekenen door inspecteur [naam] vermeld, terwijl deze in werkelijkheid niet werkzaam was bij [BV 2] BV,

en/of

(telkens) opzettelijk de bovengenoemde, vervalste documenten voor gebruik voor handen heeft gehad, terwijl [BV 1] BV en/of haar mededader(s), wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die/dat document(en) bestemd was/waren voor zodanig gebruik als echt en onvervalst, zulks terwijl hij, verdachte, als leidinggevende van [BV 1] BV toen en daar (telkens) tot vorenomschreven feit opdracht heeft gegeven en/of (telkens) aan die verboden gedraging(en) feitelijk leiding heeft gegeven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat de tenlastelegging in hoger beroep is gewijzigd, en het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Toepasselijke regelgeving feit 1

[BV 1] BV (hierna: het bouwbedrijf) is een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, lid 1 Wet milieubeheer. Binnen deze inrichting worden in een ondergrondse tank brandbare vloeistoffen opgeslagen. Bij het in gebruik hebben van een dergelijke ondergrondse opslagtank moet worden voldaan aan de eisen die gesteld zijn bij de Activiteitenregeling milieubeheer (artikel 3.30 Activiteitenbesluit milieubeheer).

Voor de periode van 1 januari 2008 tot 1 december 2013 is in de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer opgenomen dat de termijn voor een beoordeling en goedkeuring van een opslagtank door een instelling die beschikt over een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit respectievelijk 15 jaar (staal) en 10 jaar (kunststof) is. In afwijking hiervan bedraagt de termijn 20 jaar respectievelijk 15 jaar indien de tank (onder meer) tenminste eens per jaar wordt beoordeeld en goedgekeurd door een gecertificeerde installateur (overeenkomstig BRL K903). Voor een ondergrondse opslagtank in een waterwingebied geldt een termijn van 10 jaren. In deze periode bestond dus geen wettelijke verplichting om jaarlijks een controle door een gecertificeerde installateur te laten uitvoeren. Een jaarlijkse controle door een gecertificeerde installateur was slechts een voorwaarde om de termijn voor goedkeuring van de tank te kunnen verlengen in situaties waarin de tank niet in een waterwingebied lag.

In artikel 3.35, eerste lid, van de Activiteitenregeling milieubeheer (hierna: Armb) is vanaf 1 december 2013 opgenomen dat controles van een ondergrondse opslagtank als de onderhavige worden verricht door een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit.

Bewijsmotivering feit 1

De tenlastelegging is klaarblijkelijk toegesneden op de regelgeving die vanaf 1 december 2013 heeft gegolden. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, moet de tekst van de tenlastelegging tegen de achtergrond van deze regelgeving worden uitgelegd. Onder “controle van de lekdetectie van de dubbelwandige opslagtank en de dubbelwandige leidingen” moet aldus worden verstaan controle door een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging aangevoerd dat bij de verdachte het ten laste gelegde opzet heeft ontbroken, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

De verdachte heeft verklaard dat in de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2017 jaarlijks een controle van het lekdetectiesysteem van de op het bedrijfsterrein aanwezige ondergrondse opslagtank is uitgevoerd door een werknemer van het bouwbedrijf, te weten [naam]. [naam] beschikte niet over een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit. Dit betekent dat de jaarlijkse controles door [naam] vanaf 1 december 2013 niet voldeden aan de door de Armb gestelde eisen. Gelet op het voorgaande heeft het bouwbedrijf opzettelijk jaarlijks geen controle van het lekdetectiesysteem in de zin van de Armb laten verrichten. Het feit dat het bouwbedrijf niet op de hoogte was van de precieze inhoud van de wettelijke verplichting kan aan die conclusie niet afdoen, nu de wet geen ‘boos opzet’, ofwel opzet op het wederrechtelijke karakter van de handeling of het nalaten vereist. Het verweer wordt verworpen.

Bewijsmotivering feiten 3 en 4

De raadsman heeft bepleit dat de ten laste gelegde documenten niet valselijk zijn opgemaakt nu in één opslag duidelijk is dat de documenten niet zijn opgemaakt door [instantie] of [BV 2] B.V. (hierna: [BV 2]), dat daarmee de bewijsbestemming van de documenten ontbreekt en dat de verdachte bovendien geen opzet heeft gehad op het valselijk opmaken van inspectierapporten.

Uit het dossier blijkt dat aan [BV 3] B.V. (hierna: [BV 3]) een aantal documenten zijn overhandigd (p. 70 t/m 79 van het dossier) nadat [BV 3] in verband met de herkeuring van de ondergrondse opslagtank had verzocht om een overzicht van de bij het bouwbedrijf uitgevoerde inspecties en controles. De verdachte heeft deze documenten opgemaakt na 1 januari 2017 en naar [BV 3] gestuurd. De documenten zijn ieder genaamd ‘inspectierapport’ en zijn voorzien van logo’s van [instantie] of [BV 2]. De rapporten zijn door de verdachte getekend en vermelden naast de inspectiedatum als naam van de inspecteur: ‘[naam]’. Verder bevatten de ‘rapporten’ onder het kopje ‘bevindingen lek controle bescherming’ allen een tabel met gelijkluidende controleresultaten die overeenkomt met een tabel uit het inspectierapport van [BV 2] uit 2018 waarin bevindingen met betrekking tot de kathodische bescherming worden gerapporteerd. Voorts wordt in de rapporten als ‘opdrachtgever’ ‘[BV 1]’ vermeld en bevatten de rapporten handgeschreven opmerkingen, zoals in het ‘rapport’ met datum 10-7-2008 waarin onder ‘opmerkingen’ is vermeld dat ‘de klant’ bekend is met de alarmwerking.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij op verzoek van [BV 3] een overzicht wilde maken van de uitgevoerde controles, dat [naam] geen inspecteur bij [instantie] of [BV 2] is, maar een werknemer van het bouwbedrijf en dat [instantie] en [BV 2] geen controles van het lekdetectiesysteem hebben uitgevoerd.

Door de verdediging is aangevoerd dat, zo begrijpt het hof, de documenten geen bewijsbestemming hebben. Gelet op de lay-out van de documenten is volgens de verdediging in één oogopslag duidelijk dat deze niet zijn opgemaakt door [instantie] of [BV 2] en dat ze geen bewijsbestemming hebben. Dit verweer wordt verworpen. De documenten zijn opgesteld en toegestuurd aan [BV 3] nadat bleek dat de eerder door het bouwbedrijf toegezonden kladjes niet goed waren. Aan de getekende documenten met meetresultaten en voorzien van logo’s van inspectiebedrijven pleegt in het maatschappelijk verkeer betekenis te worden toegekend voor het bewijs van uitgevoerde inspecties.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat het bouwbedrijf valselijk inspectierapporten heeft opgemaakt. Daarmee heeft het bouwbedrijf kennelijk de indruk willen wekken dat jaarlijks (ook) lekdetectiecontroles in de zin van de Armb zijn verricht. De documenten zijn opgestuurd naar [BV 3] om als bewijs te dienen voor de stelling dat de rechtens vereiste controles over de jaren 2008 tot en met 2017 hadden plaatsgehad. Daarmee heeft het bouwbedrijf opzettelijk gebruik gemaakt van de rapporten en deze tevens voorhanden gehad.

Feitelijk leidinggeven

Het hof stelt voorop dat pas nadat is vastgesteld dat een verboden gedraging aan de rechtspersoon kan worden toegerekend, de vraag aan de orde komt of kan worden bewezen dat de verdachte daaraan feitelijk leiding heeft gegeven. Bij de beoordeling daarvan dient niet uitsluitend te worden betrokken de juridische positie, maar ook de feitelijke positie van de verdachte bij de rechtspersoon en het gedrag dat de verdachte heeft vertoond of nagelaten op grond waarvan hij geacht moet worden aan die verboden gedraging feitelijk leiding te hebben gegeven.

In het – het bouwbedrijf betreffende - arrest van 23 juni 2021 is geoordeeld dat de verboden gedragingen die ten grondslag liggen aan de feiten 1, 3 en 4 aan de rechtspersoon kunnen worden toegerekend. De verdachte is middellijk bestuurder van het bouwbedrijf en heeft leiding gegeven aan de dagelijkse werkzaamheden. Hij heeft nagelaten om jaarlijks controles van lekdetectiesysteem uit te laten voeren door een gecertificeerd bedrijf en hij heeft in verband met de herkeuring van de opslagtank valse documenten opgemaakt en gebruikt. Gelet hierop heeft de verdachte feitelijk leiding gegeven aan de feiten 1, 3 en 4.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
[BV 1] B.V. in de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2017 te Bunnik, opzettelijk, bij de ondergrondse combitank, die aanwezig was binnen haar inrichting aan de [adres], een opslagtank als bedoeld in het eerste lid van artikel 3.35 Activiteitenregeling milieubeheer, niet jaarlijks een controle heeft laten plaatsvinden van de lekdetectie van de dubbelwandige opslagtank en de dubbelwandige leidingen, zulks terwijl hij, verdachte, als leidinggevende van [BV 1] B.V. toen en daar aan die verboden gedraging feitelijk leiding heeft gegeven.

3.
[BV 1] B.V. in de periode van 1 januari 2018 tot en met 17 april 2018 te Bunnik:

- Inspectierapport met inspectiedatum 10-07-2008 en

- Inspectierapport met inspectiedatum 07-07-2009 en

- Inspectierapport met inspectiedatum 13-07-2010 en

- Inspectierapport met inspectiedatum 26-08-2011 en

- Inspectierapport met inspectiedatum 15-06-2012 en

- Inspectierapport met inspectiedatum 11-07-2013 en

- Inspectierapport met inspectiedatum 26-08-2014 en

- Inspectierapport met inspectiedatum 26-08-2015 en

- Inspectierapport met inspectiedatum 07-07-2016 en

- Inspectierapport met inspectiedatum 23-08-2017,

elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken, bestaande die valsheid hierin dat [BV 1] B.V.:

- de inspectierapporten met inspectiedatum 10-07-2008 en 07-07-2009 en 13-07-2010 en 26-08-2011 en 15-06-2012 in strijd met de waarheid heeft opgemaakt als zijnde opgemaakt door [instantie] met het logo van [instantie], terwijl in werkelijkheid [instantie] geen controle van het lekdetectiesysteem, althans van de lekcontrolebescherming had, verricht, en

- de inspectierapporten met inspectiedatum 11-07-2013 en 26-08-2014 en 26-08-2015 en 07-07-2016 en 23-08-2017 in strijd met de waarheid heeft opgemaakt als zijnde opgemaakt door [BV 2] B.V. met het logo van [BV 2] B.V., terwijl in werkelijkheid [BV 2] B.V. geen controle van het lekdetectiesysteem, althans van de lekcontrolebescherming, had verricht,
zulks terwijl hij, verdachte, als leidinggevende van [BV 1] B.V. toen en daar telkens aan die verboden gedragingen feitelijk leiding heeft gegeven.

4.
[BV 1] B.V. in de periode van 1 januari 2018 tot en met 17 april 2018 te Bunnik opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse geschriften, te weten:

- Inspectierapport met inspectiedatum 10-07-2008 en

- Inspectierapport met inspectiedatum 07-07-2009 en

- Inspectierapport met inspectiedatum 13-07-2010 en

- Inspectierapport met inspectiedatum 26-08-2011 en

- Inspectierapport met inspectiedatum 15-06-2012 en

- Inspectierapport met inspectiedatum 11-07-2013 en

- Inspectierapport met inspectiedatum 26-08-2014 en

- Inspectierapport met inspectiedatum 26-08-2015 en

- Inspectierapport met inspectiedatum 07-07-2016 en

- Inspectierapport met inspectiedatum 23-08-2017,

elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen als ware dat geschrift telkens echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat genoemde rapporten werden overgelegd ten behoeve van het bewijs van uitgevoerde gecertificeerde controles van het lekdetectiesysteem en bestaande die valsheid hierin dat opzettelijk:

- de inspectierapporten met inspectiedatum 10-07-2008 en 07-07-2009 en 13-07-2010 en 26-08-2011 en 15-06-2012 valselijk en in strijd met de waarheid waren opgemaakt als zijnde opgemaakt door [instantie] met het logo van [instantie], terwijl in werkelijkheid [instantie] geen controle van het lekdetectiesysteem, althans van de lekcontrolebescherming had verricht en

- de inspectierapporten met inspectiedatum 11-07-2013 en 26-08-2014 en 26-08-2015 en 07-07-2016 en 23-08-2017 valselijk en in strijd met de waarheid waren opgemaakt als zijnde opgemaakt door [BV 2] B.V. met het logo van [BV 2] B.V., terwijl in werkelijkheid [BV 2] B.V. geen controle van het lekdetectiesysteem, althans van de lekcontrolebescherming, had verricht en telkens opzettelijk de bovengenoemde, valse documenten voor gebruik voorhanden heeft gehad, terwijl [BV 1] B.V. wist dat die documenten bestemd waren voor zodanig gebruik als echt en onvervalst,
zulks terwijl hij, verdachte, als leidinggevende van [BV 1] B.V. toen en daar telkens aan die verboden gedragingen feitelijk leiding heeft gegeven.

Hetgeen onder 1, 3 en 4 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Standpunt van de verdediging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging ten aanzien van feit 1 bepleit dat nu de onderhavige verplichting slechts bestond sinds de wijziging van de Armb per 1 december 2013, de verdachte van een gedeelte van de ten laste gelegde (en thans bewezen verklaarde) periode – te weten de periode vanaf 1 januari 2008 tot 1 december 2013 – dient te worden vrijgesproken.

Oordeel van het hof

Zoals hiervoor overwogen, bestond vóór de wijziging in de regelgeving van 1 december 2013 geen wettelijke verplichting om het lekdetectiesysteem van een ondergrondse opslagtank jaarlijks te laten controleren door een erkende persoon of instelling. Dergelijke controles werden in eerdere versies van de Armb slechts genoemd in een specifiek verband, te weten in het kader van de mogelijkheid om herkeuringstermijnen te verlengen en de noodzaak om aan de opslagtank een inwendige keuring te laten plaatsvinden. Bij deze stand van zaken, kan het gedeelte van de bewezenverklaring dat ziet op de periode van 1 januari 2008 tot 1 december 2013 niet (als strafbaar feit) worden gekwalificeerd. Daarom zal het hof de verdachte in zoverre ontslaan van alle rechtsvervolging.

Voor het overige is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 3 en 4 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

feitelijk leidinggeven aan overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 8.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.

Het onder 3 en 4 bewezenverklaarde levert op:

feitelijk leidinggeven aan
de voortgezette handeling vanvalsheid in geschrift,

meermalen gepleegd

en

het opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst,

meermalen gepleegd,

en

het opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voorhanden hebben, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst,

meermalen gepleegd,

begaan door een rechtspersoon.

Strafbaarheid van de verdachte

Standpunt van de verdediging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging ten aanzien van feit 1 beargumenteerd dat het bouwbedrijf en de verdachte verschoonbaar hebben gedwaald ten aanzien van de wettelijke verplichting – na 1 december 2013 – de jaarlijkse controle van het lekdetectiesysteem te laten uitvoeren door een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit, zodat de verdachte in die zin geen verwijt kan worden gemaakt. In dat kader is aangevoerd dat de verdachte informatie heeft ingewonnen bij experts ([instantie], [BV 3] en [BV 4] B.V.) en dat deze nooit hebben meegedeeld dat de inspecties niet door het bouwbedrijf zelf konden worden verricht.

Oordeel van het hof

Het verweer wordt verworpen. Van degenen die zich bewegen op het terrein van milieuwetgeving mag worden verwacht dat zij van de relevante wet- en regelgeving op de hoogte zijn – ook (en juist) als die complex is en frequent wordt gewijzigd – en dat daartoe de nodige inspanningen worden verricht. Onder omstandigheden kan worden geoordeeld dat de verdachte ten aanzien van illegaal handelen of nalaten geen verwijt kan worden gemaakt indien hij omtrent dat handelen of nalaten inlichtingen heeft ingewonnen bij een instantie aan wie als zodanig zoveel gezag valt toe te kennen dat de verdachte ook in redelijkheid op de deugdelijkheid van die inlichtingen mocht vertrouwen. Dat de verdachte op enig moment in 2018 advies heeft ingewonnen bij installatie- en inspectiebedrijven kan hem niet vrijpleiten voor de periode voorafgaand aan die adviesinwinning, te weten vanaf 1 december 2013 tot en met 31 december 2017. Voor zover de verdediging met haar verwijzing naar ‘instanties’ het oog heeft gehad op de omgevingsdienst regio Utrecht (ODRU) die blijkens een in het dossier aanwezig rapport in 2014 bij het bouwbedrijf inspecties heeft verricht, is van belang dat in dat rapport niets wordt gerelateerd over het lekdetectiecontrolesysteem. Niet is komen vast te staan dat de omgevingsdienst dat systeem of de wijze van controle heeft geïnspecteerd. Verder kan aan het feit dat bepaalde milieuovertredingen niet zijn gehandhaafd niet het gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat bepaald handelen of nalaten niet strafbaar is. Dat bij het bouwbedrijf in de ten laste gelegde periode een werkwijze is ontstaan die niet door instanties is gecorrigeerd, maakt het voorgaande niet anders. Ook dat ontslaat de verdachte als feitelijk leidinggever niet van de op hem rustende verplichting er voor te zorgen dat de rechtspersoon voldoet aan geldende wet- en regelgeving en zich daaromtrent te laten informeren.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep op de afwezigheid van alle schuld niet slaagt. Ook voor het overige is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1, 3 en 4 bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke geldboete van € 2.000,- subsidiair
30 dagen hechtenis met een proeftijd van 2 jaar.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder de feiten 1, 3 en 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 80 uur subsidiair 40 dagen hechtenis, waarvan 40 uur subsidiair 20 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft feitelijke leiding gegeven aan een bedrijf dat een ondergrondse tank waarin brandstof wordt opgeslagen niet jaarlijks overeenkomstig de regelgeving door een daartoe gecertificeerde instantie heeft laten inspecteren op een goed functionerend lekdetectiesysteem. Verder heeft hij feitelijk leiding gegeven aan het opstellen van valse inspectierapporten. Juist in het milieu- en ordeningsrecht, waarin normen worden gehandhaafd door middel van toezicht en inspecties, is van belang dat kan worden vertrouwd op de juistheid van metingen en bevindingen die in inspectierapporten zijn neergelegd. Het hof vindt het bijzonder kwalijk dat de verdachte, die belast was met de dagelijkse leiding, heeft toegestaan dat dergelijke strafbare feiten door het bedrijf werden begaan.

Het hof acht, alles afwegende, een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 51, 56, 57, 63 en 225 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 3.35 van de Activiteitenregeling milieubeheer.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde onder feit 1, voor zover dat ziet op de periode van 1 januari 2008 tot
1 december 2013, niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Verklaart het onder 1, 3 en 4 overigens bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 5.000,00 (vijfduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige economische kamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Lolkema, mr. A.P.M. van Rijn en mr. P.C. Römer, in tegenwoordigheid van
mr. M.E. van Rijn, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
23 juni 2021.

Mr. M. Lolkema en mr. A.P.M. van Rijn zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]