Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1935

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-05-2021
Datum publicatie
05-07-2021
Zaaknummer
23-002370-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Diefstal. Belediging ambtenaar in functie. Oplegging ISD-maatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002370-20

datum uitspraak: 31 mei 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 21 oktober 2020 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-186610-20 en 13-185268-20 en 13-233056-19 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1976,

adres: [adres],

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Zaanstad te Westzaan.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 mei 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

Zaak met parketnummer 13-186610-20 (hierna: zaak A):

hij op of omstreeks 17 juli 2020 te Amsterdam, althans in Nederland, een flesje parfum (merk Van Gils), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [winkel 1], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Zaak met parketnummer 13-185268-20 (gevoegd, hierna: zaak B):

hij op of omstreeks 14 juli 2020 te Amsterdam, althans in Nederland, een hoeveelheid toiletpapier en/of koffie (cups), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [winkel 2], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Zaak met parketnummer 13-233056-19 (gevoegd, hierna: zaak C):

hij op of omstreeks 28 september 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk een ambtenaar, te weten [verbalisant], surveillant van politie eenheid Amsterdam, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, in zijn/haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar de woorden toe te voegen: "Je kanker moeder, je moeder werkt op de wallen, ik heb je moeder geneukt" en/of "Je moeder is een hoer die werkt op de wallen, kankerlijers met je fucking ID", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere strafoplegging komt dan de rechtbank en voorts een andere bewijs- en strafmotivering zal bezigen.

Bewijsmotivering

Standpunt van de verdediging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging vrijspraak van het aan de verdachte in zaak B tenlastegelegde bepleit. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte een aantal contra-indicaties niet of onvoldoende heeft meegewogen in haar oordeel dat de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht waren op het wegnemen van de het wc-papier en de koffiecups. Zo heeft de verdachte een plausibele verklaring voor zijn gedrag, inhoudende dat hij voornemens was de goederen af te rekenen bij de servicebalie, welke verklaring wordt gestaafd door het feit dat de goederen niet aan het zicht waren onttrokken, dat de ruimte van de zelfscankassa’s niet was afgesloten, dat de verdachte naar de servicekassa’s toeliep en dat de verdachte geen vluchtpoging heeft gedaan.

Oordeel van het hof

Vooreerst wordt opgemerkt dat de verdediging heeft aangegeven zich te kunnen verenigen met de bewezenverklaring in de zaken A en C, zodat het hof die zaken thans niet verder zal bespreken.

Ten aanzien van zaak B wordt als volgt overwogen.

Op 14 juli 2020 is door de heer [aangever] namens winkelketen [winkel 2] aangifte gedaan van diefstal van wc-papier en koffiecups. In het proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 juli 2020 wordt beschreven dat op camerabeelden te zien is dat de verdachte een donker doosje (het hof begrijpt: de koffiecups) uit het schap pakt en vervolgens met op zijn rechterarm een pak wc-papier via een op een kier staand poortje de ruimte van de zelfscankassa’s verlaat. De verdachte heeft daaromtrent op zitting in hoger beroep verklaard dat hij niet de intentie had om de goederen te stelen, maar van plan was te betalen bij de servicebalie, omdat hij geen bonuskaart bij zich had en toch wilde profiteren van de aangeboden korting. Het hof stelt voorop dat in het maatschappelijk verkeer als bekend mag worden verondersteld dat de poortjes bij de zelfscankassa’s slechts opengaan nadat voor de winkelgoederen is betaald en vervolgens een bon wordt gescand. De poortjes trachten immers te voorkomen dat klanten zonder te betalen goederen meenemen. Klanten die zich met producten voorbij die poortjes begeven, worden geacht te hebben betaald. Uit het voorgaande volgt dat de verdachte, door zich via een op een kier staand poortje in de ruimte voorbij die poortjes te begeven met goederen, zijn aanwezigheid daar en zijn handelen de schijn van legaliteit heeft gegeven.

Anders dan de raadsvrouw, is het hof van oordeel dat de verdachte de goederen zodoende buiten de beschikkingsmacht van de winkel heeft gebracht. Indien de verdachte daadwerkelijk enkel zijn bonuskaart was vergeten, had het op zijn weg gelegen om bij de zelfscankassa’s om assistentie te vragen of aan winkelpersoneel, dat volgens de verdachte dichtbij stond, te vragen alsnog een bonuskaart te scannen dan wel voordat hij door het poortje liep, te zeggen dat hij bij de servicebalie wilde afrekenen. De verdachte heeft dit nagelaten. Daarbij betrekt het hof voorts dat de verdachte ten tijde van zijn aanhouding volgens winkelpersoneel heeft verklaard dat hij naar de servicebalie ging omdat hij het wc-papier daar wilde omruilen voor geld. Op grond van het voorgaande komt het hof tot het oordeel dat de verdachte het opzet had zich de goederen wederrechtelijk toe te eigenen. Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaken A, B en C tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak met parketnummer 13-186610-20 (zaak A):

hij op 17 juli 2020 te Amsterdam een flesje parfum (merk Van Gils) dat toebehoorde aan [winkel 1], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Zaak met parketnummer 13-185268-20 (zaak B, gevoegd):

hij op 14 juli 2020 te Amsterdam een hoeveelheid toiletpapier en koffiecups die toebehoorden aan [winkel 2], heeft weggenomen met het oogmerk om zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Zaak met parketnummer 13-233056-19 (zaak C, gevoegd):

hij op 28 september 2019 te Amsterdam opzettelijk een ambtenaar, te weten [verbalisant], surveillant van politie eenheid Amsterdam, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: "Je kanker moeder, je moeder werkt op de wallen, ik heb je moeder geneukt" en "Je moeder is een hoer die werkt op de wallen, kankerlijers met je fucking ID", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Hetgeen in de zaken A, B en C meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in de zaken A, B en C bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in de zaken A en B bewezenverklaarde levert op:

telkens:

diefstal.

Het in zaak C bewezenverklaarde levert op:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in de zaken A, B en C bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van de ISD-maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar met een tussentijds toetsingsmoment na zes maanden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een tweetal diefstallen en de belediging van een politieambtenaar. Diefstal is een ergerlijk en overlast veroorzakend feit. Delicten gepleegd tegen gezagsdragers hebben tot gevolg dat zij worden gehinderd in het uitvoeren van hun publieke taak. Dit rekent het hof de verdachte aan.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 10 mei 2021 is hij bovendien vele malen eerder voor zowel vermogensdelicten als delicten tegen gezagsdragers onherroepelijk veroordeeld. Verder is aan de verdachte reeds driemaal de ISD-maatregel opgelegd. Vooralsnog heeft niets geholpen om het criminele gedragspatroon van de verdachte te doorbreken.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging beargumenteerd dat aan de verdachte niet wederom de ISD-maatregel dient te worden opgelegd, nu die maatregel geldt als een ultimum remedium en de verdachte gedesillusioneerd is geraakt door de vorige ISD-trajecten waarbij aan hem gedane toezegging over hulp en ondersteuning niet werden nagekomen.

De verdediging heeft het hof primair verzocht ambtshalve een zorgmachtiging – in het kader van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg – af te geven, zodat de verdachte in een zorgkader dat meer vrijheid en vrijwilligheid toelaat, kan werken aan de bij hem spelende verslavings- en persoonlijkheidsproblematiek, bij voorkeur in de dubbele diagnosekliniek te Poortugaal.

Subsidiair heeft de verdediging een aantal verzoeken gedaan, respectievelijk dat het hof de zaak aanhoudt om kennis te kunnen nemen van de zorgmachtigingsstukken, meer subsidiair dat slechts straf wordt opgelegd zodat de verdachte zelf in staat is om een zorgmachtiging aan te vragen, nog meer subsidiair dat de ISD-maatregel voorwaardelijk wordt opgelegd of uiterst subsidiair dat bij oplegging van de maatregel na zes maanden een tussentijds beoordelingsmoment zal plaatsvinden en dat de tijd die de verdachte reeds heeft vastgezeten van de duur van de maatregel wordt afgetrokken.

Het hof heeft acht geslagen op het rapport d.d. 17 september 2020 van Inforsa reclassering waaruit volgt dat bij de verdachte een bipolaire stoornis en (verdere) persoonlijkheids- en verslavingsproblematiek is vastgesteld. Voorts wordt geconstateerd dat sprake is van een zeer hoog recidiverisico, nu het criminele gedrag van de verdachte voornamelijk lijkt voort te komen uit de stoornissen in de persoonlijkheidsstructuur van de verdachte. In het rapport wordt ingegaan op de zorgmachtiging als alternatief voor de ISD-maatregel en wordt geoordeeld dat, nu zorg in het kader van een zorgmachtiging primair inzet op reguliere geestelijke gezondheidszorg (bij voorkeur door middel van ambulante behandeling), de forensische persoonlijkheids- en verslavingsproblematiek van de verdachte niet voldoende zou worden geadresseerd. Er wordt gevreesd dat de behandeling van de verdachte voortijdig zal worden beëindigd vanwege gedragsontsporing bij de verdachte, waardoor hij wederom onbegeleid op straat zou komen te staan. In het rapport wordt geconcludeerd dat oplegging van de ISD-maatregel de enige reële kans vormt voor de verdachte om passende zorg te ontvangen en voorts om de maatschappij te vrijwaren van diens criminele gedrag. Oplegging van de ISD-maatregel zou bovendien geen herhaling van zetten zijn als deze wordt ingevuld met een alternatief behandelplan, bestaande uit een behandeling binnen een Forensische Psychiatrische Kliniek en toeleiding naar begeleide woonzorg. Enige herhaling zou de responsiviteit van de verdachte juist positief kunnen beïnvloeden, aldus het rapport.

Het hof stelt voorop dat aan de zogenoemde ‘harde’ en ‘zachte’ criteria voor oplegging van de ISD-maatregel is voldaan. Immers blijkt uit het voornoemde uittreksel uit de Justitiële Documentatie dat de verdachte in de vijf jaar voorafgaand aan de door hem gepleegde feiten tenminste drie maal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel of een taakstraf en dat de onderhavige feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van (enkele van) deze straffen/maatregelen. Het hof heeft voorts acht geslagen op het feit dat in het hiervoor besproken reclasseringsrapport wordt gesproken van een ‘zeer hoog recidiverisico’. De veiligheid van personen of goederen vereist het opleggen van deze maatregel, gezien de ernst en de veelheid van door de verdachte begane soortgelijke feiten, zodat aan alle eisen uit artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht is voldaan. In de tweede plaats voldoet de verdachte bovendien aan de door het openbaar ministerie gehanteerde definitie van een ‘zeer actieve veelpleger’ (conform de Richtlijn strafvordering meerderjarige veelplegers): de verdachte zag over een periode van vijf jaar processen-verbaal tegen zich opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit.

Voorts overweegt het hof als volgt. In het onderhavige geval is niet in geschil dat de verdachte hulp nodig heeft bij het doorbreken van bepaalde gedragspatronen die zich hebben gevormd onder invloed van stoornissen in diens persoonlijkheidsstructuur en een bij hem spelende psychiatrische- en verslavingsproblematiek. Medicijngebruik heeft voorts (nog) niet, althans niet duurzaam, het beoogde effect gehad. Het hof overweegt dat het hoofddoel van een strafrechtelijke reactie thans moet zijn gelegen in de behandeling van de verdachte op de daarvoor meest geschikte plek. Het hof gaat er daarbij van uit dat de behandeling van de verdachte kan plaatsvinden in de Forensisch Psychiatrische Kliniek te Poortugaal, zowel in het geval aan die behandeling een civielrechtelijke titel, als wanneer daaraan een strafrechtelijke titel ten grondslag ligt. Het verschil in titel maakt de behandeling op zichzelf niet anders. Echter, gelet op de inmiddels langlopende criminele carrière van de verdachte, de vaak afgebroken hulptrajecten en de constatering in het reclasseringsrapport dat het bij de verdachte ontbreekt aan (voldoende) ziekte-inzicht, acht het hof oplegging van de ISD-maatregel voor de duur van – in beginsel – twee jaar passend en geboden. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat bij behandeling in het kader van de ISD-maatregel sprake is van een grotere mate van dwang dan bij behandeling in het kader van een zorgmachtiging, hetgeen de verdachte juist als steun in de rug kan dienen nu ook de zelfbepalendheid van de verdachte hem steeds parten lijkt te spelen. Voorts biedt het ISD-traject meer mogelijkheden op het gebied van nazorg, bijvoorbeeld in de vorm van begeleid wonen.

Aan de andere kant wordt (tegelijk) ook de maatschappij beveiligd tegen recidive door de verdachte door oplegging van de maatregel. Echter, nu de verdachte al enige tijd in detentie verblijft, is het doel van maatschappijbeveiliging thans reeds voor een deel bereikt, zodat het hof de duur van de maatregel zal beperken tot 18 maanden. Zodoende is het zaak de behandeling van de verdachte zo spoedig mogelijk te laten aanvangen, zodat die binnen de looptijd van de maatregel kan worden afgerond. Het hof ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht in mindering te brengen op de duur van de (al in tijd beperkte) maatregel, omdat in dat geval te weinig tijd zou overblijven om die maatregel doeltreffend ten uitvoer te leggen.

Het hof ziet ten slotte aanleiding om uiterlijk 9 maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel, de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel te toetsen. Binnen 6 maanden zal het behandeltraject naar verwachting van start zijn gegaan, maar het hof heeft geen aanleiding om te veronderstellen dat binnen een halfjaar het traject al zo ver is gevorderd dat de noodzaak van voortzetting dient te worden getoetst. Op die manier kan een tussenstand worden opgemaakt en wordt voorkomen dat de verdachte, ondanks eventuele vooruitgang, onnodig blijft vastzitten en daarmee de prikkel om aan zichzelf te werken, wordt ontnomen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n, 57, 63, 266, 267 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaken met parketnummer 13-186610-20 (zaak A), met parketnummer 13-185268-20 (zaak B) en met parketnummer 13-233056-19 (zaak C) tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaken met parketnummer 13-186610-20 (zaak A), met parketnummer 13-185268-20 (zaak B) en met parketnummer 13-233056-19 (zaak C) bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Vernietigt de uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 7 oktober 2019 onder CJIB-nummer 4132542003727636.

Legt op de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Bepaalt dat het openbaar ministerie binnen 9 (negen) maanden na het onherroepelijk worden van dit arrest zal berichten over de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P. Greve, mr. J.J.J. Schols en mr. A. Dantuma-Hieronymus, in tegenwoordigheid van mr. M.E. van Rijn, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 31 mei 2021.

Mr. J.J.J. Schols en mr. A. Dantuma-Hieronymus zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]