Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:19

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-01-2021
Datum publicatie
01-02-2021
Zaaknummer
200.245.332/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroep op civielrechtelijke rechtvaardigingsgrond. Steekpartij in familiaire sfeer. In de strafzaak is in hoger beroep het beroep op noodweer gehonoreerd. Aan die uitspraak komt vrije bewijskracht toe. Het hof acht voorshands bewezen dat twee geweldsincidenten hebben plaatsgevonden en dat uit noodweer is gehandeld. Gelegenheid tot het leveren van tegenbewijs door getuigenverhoor.

Art. 6:162 BW, 161 Rv

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0113
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.245.332/01

zaaknummer rechtbank Noord-Holland : C/15/226139 / HA ZA 15-309

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 12 januari 2021

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

appellant,

advocaat: mr. J. van Rhijn te Alkmaar,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. M.J.R. Roethof te Arnhem.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 8 februari 2017 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 9 november 2016, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde.

Op 16 oktober 2017 heeft [appellant] een herstelexploot uitgebracht.

Bij arrest van 2 oktober 2018 heeft het hof een comparitie van partijen bepaald, die op 29 januari 2019 heeft plaatsgevonden. Van de comparitie is een proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met producties;

- akte uitlating producties van de zijde van [appellant] ;

- antwoordakte tevens akte inbrengen producties van de zijde van [geïntimeerde] ;

- akte uitlating producties van de zijde van [appellant] .

Partijen hebben de zaak ter zitting van 25 november 2020 doen bepleiten door de in de kop van dit arrest genoemde advocaten. Mr. Van Rhijn heeft zich daarbij bediend van een pleitnotitie die is overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog de in eerste aanleg door [appellant] ingestelde vorderingen zal toewijzen en de reconventionele vorderingen van [geïntimeerde] zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot, kort gezegd, bekrachtiging van het bestreden vonnis, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellant] in de kosten van - begrijpt het hof - het geding in hoger beroep.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.5 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Grief I houdt onder meer in - naar het hof begrijpt - dat de rechtbank onder 2.2 ten onrechte heeft vastgesteld dat er de bewuste avond twee geweldsincidenten waren. De juistheid van deze vaststelling staat dus niet tussen partijen vast. Voor het overige zijn de vastgestelde feiten in hoger beroep niet in geschil en dienen zij derhalve ook het hof als uitgangspunt. De feiten behelzen, waar nodig aangevuld met feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, het volgende.

2.2.

[appellant] heeft een relatie met [A] (hierna: [A] ), een dochter van [geïntimeerde] . [appellant] en [A] hebben samen een zoon, [B] , en een dochter, [C] .

2.3.

Op 2 februari 2015 heeft in de woning van [geïntimeerde] het verjaardagsfeest van [geïntimeerde] kleinzoon [D] plaatsgevonden. Hierbij waren (op enig moment) aanwezig [appellant] , [geïntimeerde] , [A] , [B] , [C] , [E] (de andere dochter van [geïntimeerde] en moeder van [D] ), [F] en [G] . Laatstgenoemden zijn geen familieleden. In ieder geval omstreeks 1.32 uur heeft een geweldsincident tussen [geïntimeerde] en [appellant] plaatsgevonden. Hierbij is [appellant] ernstig gewond geraakt doordat [geïntimeerde] hem met een mes heeft gestoken. Van dit incident is [B] , toen zeven jaar oud, getuige geweest.

2.4.

Bij vonnis van 12 mei 2015 heeft de rechtbank Noord-Holland, sectie straf, bewezen verklaard dat [geïntimeerde] op 2 februari 2015 ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om [appellant] opzettelijk van het leven te beroven met een mes in de buik van [appellant] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid (hierna: ‘poging tot doodslag’). Het beroep van [geïntimeerde] op noodweer is verworpen. De rechtbank heeft [geïntimeerde] veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf en een taakstraf van 240 uren. Tegen dit vonnis heeft [geïntimeerde] hoger beroep ingesteld.

2.5.

In hoger beroep heeft dit hof bij arrest van 28 augustus 2015 (hierna: het arrest van 28 augustus 2015) poging tot doodslag eveneens bewezen verklaard. Echter, het hof heeft geconcludeerd dat [geïntimeerde] in noodweer heeft gehandeld. Het hof heeft het bewezen verklaarde niet strafbaar verklaard en [geïntimeerde] ter zake ontslagen van alle rechtsvervolging. Het hof heeft met betrekking tot het beroep op noodweer het volgende overwogen:

Tussen de verdachte en zijn schoonzoon hebben zich in de woning van de verdachte aan het einde van een verjaardagsfeestje waarbij door alle volwassenen veel alcohol was genuttigd twee geweldsincidenten voorgedaan. Het eerste incident vond na een verbale ruzie rond 1 uur ’s nachts plaats in de hal van het huis van de verdachte. De verdachte is hierbij geduwd en geslagen door zijn schoonzoon. Door een vuistslag in het gezicht heeft de verdachte letsel opgelopen. De verdachte is vervolgens onderuit gegaan en tegen een ruitje van de deur gevallen, dat als gevolg daarvan is gebroken. Niet duidelijk is geworden wat precies de aanleiding is geweest tot dit verbale en nadien fysieke geweld tussen de verdachte en zijn schoonzoon. Wel staat vast dat de schoonzoon op dat moment zeer agressief was.

Na dit eerste incident is de verdachte allereerst naar zijn slaapkamer gegaan, maar omdat hij zich niet goed voelde is hij voor enige tijd naar buiten gegaan en later, vanwege de kou en langs een andere weg weer naar binnen gegaan.

Volgens de verdachte was hij op dat moment in de veronderstelling dat zijn schoonzoon, het latere slachtoffer [appellant] , inmiddels was vertrokken en is hij in de woonkamer gaan zitten in de betreffende zitkuil aldaar. Vervolgens heeft zich een tweede incident voorgedaan en werd de verdachte opnieuw aangevallen door zijn schoonzoon, die hem opnieuw heeft geslagen. De verdachte bevond zich bij deze tweede aanval naar eigen zeggen in een hoek van de zitkuil, waar hij niet uit kon komen zonder langs zijn schoonzoon te gaan. Hij heeft van de tafel voor hem een mes gepakt en daarmee gestoken.

[F] heeft tegenover de politie verklaard dat zij de verdachte na dit tweede incident heeft horen zeggen dat hij weer tegen zijn slaap was geslagen door zijn schoonzoon. Kleinzoon [B] , die als enige het incident tussen zijn opa en vader heeft gezien, heeft verklaard dat zijn vader (de schoonzoon van verdachte) en zijn opa (verdachte) ruzie kregen, dat zijn opa nadat hij een klap van zijn vader had gekregen een mes pakte en zijn vader in zijn buik stak.

Het hof leidt uit deze verklaringen in combinatie met voornoemde feiten en omstandigheden af dat de verdachte zich bij het tweede geweldsincident in een noodweersituatie bevond.

Proportionaliteit en subsidiariteit van de verdediging

Het hof acht het aannemelijk dat de verdachte, zoals deze ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard, door de eerste aanval in paniek is geraakt en bij de tweede aanval geen andere uitweg zag, anders dan zijn schoonzoon met een toevallig voorhanden liggend mes op een tafeltje in de zitkuil ter afwering te steken. Het hof overweegt dat ten tijde van de eerste aanval getuigen [F] en [A] zich in het incident hebben gemengd om het latere slachtoffer [appellant] te kalmeren. Getuige [F] heeft verklaard dat [appellant] te agressief was om te benaderen. Vastgesteld kan worden dat zich op het moment van de tweede aanval geen volwassenen in de buurt van de verdachte en het latere slachtoffer bevonden.

Er is geen aanwijzing dat de verdachte het mes anders dan ter verdediging heeft gehanteerd. Geenszins is aannemelijk geworden dat de verdachte zich aan de situatie heeft kunnen onttrekken door te vluchten nu hij geen uitweg uit die zitkuil zag anders dan voorbij te gaan aan zijn schoonzoon. Evenmin is aannemelijk geworden dat de verdachte met een minder ingrijpend verdedigingsmiddel heeft kunnen volstaan, waarbij het hof in aanmerking neemt het grote leeftijdsverschil tussen de verdachte en het latere slachtoffer. Het hof is dan ook van oordeel dat is voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.

2.6.

Op enig moment heeft [appellant] conservatoir beslag doen leggen op de woning van [geïntimeerde] .

3 Beoordeling

3.1.

[appellant] heeft in eerste aanleg (in conventie) gevorderd:

i. een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] jegens [appellant] volledig aansprakelijk is voor alle schade die [appellant] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het steekincident op 2 februari 2015;

ii. [geïntimeerde] te veroordelen om aan [appellant] te betalen een bedrag van € 19.840,- (als voorschot op zijn schade), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

iii. [geïntimeerde] te veroordelen om aan [appellant] te vergoeden de volledige door [appellant] ten gevolge van het steekincident van 2 februari 2015 geleden en te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de onrechtmatige daad tot aan de dag van algehele voldoening;

iv. [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten, waaronder de kosten van het conservatoir beslag.

3.2.

[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd tegen de vorderingen van [appellant] en geconcludeerd tot afwijzing van deze vorderingen. In reconventie heeft [geïntimeerde] , voor zover in hoger beroep nog van belang, gevorderd te verklaren voor recht dat [appellant] aansprakelijk is voor de door [geïntimeerde] geleden immateriële en materiële gezondheidsschade als gevolg van de mishandeling door [appellant] , alsmede [appellant] te veroordelen in de proceskosten in conventie en in reconventie.

3.3.

In het bestreden vonnis heeft de rechtbank in conventie, samengevat, het volgende overwogen. Indien het beroep van [geïntimeerde] op noodweer slaagt, komt het onrechtmatige karakter van de poging tot doodslag te vervallen. Noodweer levert immers een rechtvaardigingsgrond op als bedoeld in artikel 6:162 lid 2 BW. Het bestaan van de rechtvaardigingsgrond dient in het onderhavige civiele procedure door [geïntimeerde] te worden bewezen. Hierbij komt aan het arrest van 28 augustus 2015 vrije bewijskracht toe. Door [appellant] is onvoldoende betwist dat hij tijdens het (door de rechtbank vastgestelde) eerste geweldsincident, dat rond 1.00 uur plaatsvond, de agressor was en dat hij [geïntimeerde] tegen de grond heeft geslagen, zoals in de strafzaak door de rechtbank en het hof is vastgesteld. [geïntimeerde] heeft hierdoor een hoofdwond opgelopen en heeft in zijn val een ruit van een deur geraakt die daardoor is gebroken. Het tweede geweldsincident dat ergens tussen 1.00 uur en 1.32 uur heeft plaatsgevonden, kan niet los worden gezien van het eerste incident. Vast staat dat [geïntimeerde] voordat hij stak opnieuw door [appellant] is geslagen. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van het lijf door [appellant] waartegen [geïntimeerde] zich met een mes heeft verdedigd. Tussen het aangerande belang van [geïntimeerde] en de wijze van verdediging bestaat geen wanverhouding. Die verdediging was noodzakelijk (mede in het licht van het eerste geweldsincident) en het middel (het mes) was geboden omdat [geïntimeerde] snel moest handelen en fysiek niet opgewassen was tegen [appellant] . Gelet op een en ander kan de vraag wat de exacte positie van [geïntimeerde] in de zitkuil was en of [geïntimeerde] het mes al dan niet in zijn handen had, in het midden blijven. Het beroep op noodweer slaagt. Dat betekent dat [geïntimeerde] niet onrechtmatig tegenover [appellant] heeft gehandeld. De rechtbank heeft de vorderingen in conventie afgewezen. In reconventie heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep nog van belang, overwogen dat vast staat dat [appellant] [geïntimeerde] heeft mishandeld door hem te slaan en dat aannemelijk is dat [geïntimeerde] door dat handelen schade kan hebben geleden. Op die grond heeft de rechtbank de door [geïntimeerde] gevorderde verklaring voor recht gegeven. De rechtbank heeft de proceskosten in conventie en in reconventie, gelet op de tussen [appellant] en [geïntimeerde] bestaande familierelatie, gecompenseerd.

3.4.

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met vier grieven op. De grieven I tot en met III komen in de kern erop neer dat de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot wat zich in de nacht van 2 februari 2015 vanaf omstreeks 1.00 uur tot omstreeks 1.32 uur tussen [geïntimeerde] en [appellant] heeft afgespeeld en het daarop gebaseerde oordeel van de rechtbank, in het bijzonder over de vraag of [geïntimeerde] aangaande het steekincident een beroep op noodweer toekomt, als bedoeld in 6:162 lid 2 BW onjuist zijn. Met grief IV betwist [appellant] dat hij [geïntimeerde] heeft mishandeld en aldus onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, alsmede - naar het hof begrijpt - dat [geïntimeerde] als gevolg daarvan schade heeft geleden.

3.5.

De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Op grond van artikel 6:162 lid 1 BW is degene die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden. Volgens lid 2 worden als onrechtmatige daad aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond. Lid 3 bepaalt dat een onrechtmatige daad aan de dader kan worden toegerekend, indien zij te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak welke krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt.

3.6.

Niet in geschil is dat [geïntimeerde] - behoudens de aanwezigheid van na te melden rechtvaardigingsgrond - jegens [appellant] een onrechtmatige daad heeft gepleegd. [geïntimeerde] beroept zich op noodweer, een civielrechtelijke rechtvaardigingsgrond. Het bestaan van een dergelijke rechtvaardigingsgrond ontneemt het onrechtmatige karakter aan het in beginsel onrechtmatige handelen. Uitgangspunt is dat de bewijslast van feiten en omstandigheden die een rechtvaardigingsgrond, in dit geval noodweer, opleveren op [geïntimeerde] rust, omdat deze zich daarop heeft beroepen en [appellant] de door [geïntimeerde] gestelde rechtvaardigingsgrond gemotiveerd heeft betwist. Het hof overweegt, evenals de rechtbank, dat volgens artikel 161 Rv een in kracht van gewijsde gegaan, op tegenspraak gewezen vonnis waarbij de Nederlandse strafrechter bewezen heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan, dwingend bewijs oplevert van dat feit. Het oordeel van de strafrechter, dat een beroep op noodweer slaagt, wordt echter niet door artikel 161 Rv bestreken. Dat oordeel maakt immers geen deel uit van de bewezenverklaring. Het heeft betrekking op de strafbaarheid van de daad (artikel 350 Sv). De aanvaarding van een beroep op noodweer door de strafrechter laat de vrijheid in de bewijswaardering van de burgerlijke rechter dan ook onverlet. Aan het arrest van 28 augustus 2015 komt op dit punt wel vrije bewijskracht toe. Het hof is van oordeel dat op grond van hetgeen in het arrest van 28 augustus 2015 is overwogen en geoordeeld, zoals hiervoor onder 2.5 geciteerd, voorshands bewezen moet worden geacht dat op 2 februari 2015 i) omstreeks 1.00 uur zich een geweldsincident tussen [geïntimeerde] en [appellant] heeft voorgedaan waarbij [geïntimeerde] is geslagen en geduwd door [appellant] en waarbij [geïntimeerde] door een vuistslag in het gezicht letsel heeft opgelopen en ii) [geïntimeerde] omstreeks 1.32 uur uit noodweer heeft gehandeld toen hij [appellant] met een mes stak nadat hij (opnieuw) door [appellant] was geslagen. Zoals door hem aangeboden, zal [appellant] worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs door middel van het horen van getuigen. [appellant] zal in de gelegenheid worden gesteld bij akte de namen van de door hem gewenste te horen getuigen alsmede de verhinderdata (van partijen en de te horen getuigen) op te geven.

3.7.

Voor het geval na de bewijslevering zal worden geoordeeld dat het door [geïntimeerde] gedane beroep op noodweer (alsnog) moet worden verworpen, overweegt het hof dat [geïntimeerde] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die zouden leiden tot het oordeel dat de door hem jegens [appellant] begane onrechtmatige daad hem (op grond van noodweerexces) niet kan worden toegerekend. Het desbetreffende subsidiaire verweer van [geïntimeerde] wordt daarom verworpen.

3.8.

Aangezien [appellant] het door hem gevorderde voorschot op zijn schade ad € 19.840,- niet met nadere (bewijs)stukken heeft onderbouwd, ligt deze vordering - ongeacht de resultaten van de bewijslevering - als onvoldoende concreet onderbouwd voor afwijzing gereed.

3.9.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden, in het bijzonder met betrekking tot het door [geïntimeerde] in appel gedane beroep op art. 6:101 BW.

4 Beslissing

Het hof:

laat [appellant] toe tot het leveren van tegenbewijs met betrekking tot de voorshands bewezen geachte stellingen van [geïntimeerde] dat op 2 februari 2015 i) omstreeks 1.00 uur zich een geweldsincident tussen [geïntimeerde] en [appellant] heeft voorgedaan waarbij [geïntimeerde] is geslagen en geduwd door [appellant] en waarbij [geïntimeerde] door een vuistslag in het gezicht letsel heeft opgelopen en ii) [geïntimeerde] omstreeks 1.32 uur uit noodweer heeft gehandeld toen hij [appellant] met een mes stak nadat hij (opnieuw) door [appellant] was geslagen;

bepaalt dat de getuigenverhoren zullen plaatsvinden voor mr. R.J.M. Smit, daartoe als raadsheer-commissaris benoemd, in het Paleis van Justitie, IJdok 20 te Amsterdam, op een nader door de raadsheer-commissaris te bepalen dag en uur;

verwijst de zaak naar de rolzitting van dinsdag 26 januari 2021 voor opgave door de advocaat van [appellant] van de te horen getuigen en van de verhinderdata van partijen en de getuigen in de maanden februari 2021 tot en met april 2021;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.A. Haanappel-van der Burg, R.J.M. Smit en A.C.M. Kuypers en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2021.