Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1886

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-06-2021
Datum publicatie
05-07-2021
Zaaknummer
200.270.654/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Manoeuvre met een heftruck. Is de heftruckchauffeur geheel of gedeeltelijk schadeplichtig? Tussenarrest voor nader partijdebat. Echtgenote van de heftruckchauffeur. Hoofdelijke aansprakelijkheid ingevolge huwelijkse voorwaarden. Verjaring. Verknochtheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.270.654/01

zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/639001 / HA ZA 17-1207

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 22 juni 2021

inzake

[appellante] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. M.G. Jansen te Haarlem,

tegen

BEHEERMAATSCHAPPIJ GUNI GROEP B.V.,

gevestigd te Badhoevedorp,

geïntimeerde,

advocaat: mr. M.C.M. van Ruitenbeek-Kossen te Haarlem.

Partijen worden hierna [appellante] en Guni genoemd.

1 De zaak in het kort

In 2010 is bij Guni schade ontstaan bij een manoeuvre met een zware printer waarbij de echtgenoot van [appellante] betrokken was als heftruckchauffeur. In een zaak van Guni tegen de echtgenoot heeft de rechtbank de echtgenoot veroordeeld tot schadevergoeding. In deze zaak heeft de rechtbank [appellante] veroordeeld op grond van hoofdelijke aansprakelijkheid, gelet op een clausule in de huwelijkse voorwaarden. In dit hoger beroep is onder meer aan de orde of de rechtsvordering op [appellante] is verjaard en of de schuld aan de echtgenoot zodanig aan hem is verknocht dat die niet in de huwelijksgoederengemeenschap valt. Het hof wijst nu een tussenarrest. Partijen worden in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over diverse hypothetische situaties die verband houden met de uitgevoerde manoeuvre.

2 Het geding in hoger beroep

[appellante] is bij dagvaarding van 11 december 2018 in hoger beroep gekomen tegen vonnissen de rechtbank Amsterdam van 25 april 2018 en 12 september 2018, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen Guni als eiseres en [appellante] als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met producties.

Het hoger beroep is mondeling behandeld op 11 maart 2021. Bij die gelegenheid hebben partijen hun standpunten doen toelichten, [X] door mr. Jansen voornoemd, advocaat te Amsterdam, en Guni door mrs. L. van Leeuwen en J.J. van Deventer, advocaten te Haarlem, ieder aan de hand van pleitnotities waarvan exemplaren zijn overgelegd. Guni heeft nog een productie in het geding gebracht. Het hoger beroep werd gelijktijdig behandeld met dat van [X] in zijn zaak tegen Guni, zaaknummer 200.270.650/01.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellante] heeft geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en de vorderingen van Guni alsnog zal afwijzen en Guni zal veroordelen – uitvoerbaar bij voorraad – tot terugbetaling van hetgeen [appellante] ter voldoening aan het bestreden eindvonnis aan Guni heeft betaald, met rente en met veroordeling van Guni in de kosten van het geding in beide instanties, met nakosten en rente.

Guni heeft geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal bekrachtigen, met veroordeling – uitvoerbaar bij voorraad – van [appellante] in de kosten van (naar het hof begrijpt) het hoger beroep.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

3 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis van 12 september 2018 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen ook het hof tot uitgangspunt. Samengevat en aangevuld met andere vaststaande feiten komen de feiten op het volgende neer.

3.1

[appellante] is op 4 april 1975 in gemeenschap van goederen gehuwd met [X] (hierna: [X] ).

3.2

Op 16 december 2010 is bij Guni schade ontstaan bij een manoeuvre met een zware printer waarbij [X] betrokken was als heftruckchauffeur.

3.3

Bij beslagrekest van 25 januari 2011, gericht tegen Handelsonderneming [X] B.V. (hierna: [X] BV) en tegen [X] , heeft Guni verzocht om verlof voor het doen leggen van conservatoir beslag, onder meer op de toenmalige echtelijke woning van [X] en [appellante] aan de [adres] (hierna: de woning). Bij beschikking van 26 januari 2011 heeft de voorzieningenrechter het gevraagde verlof verleend ten laste van [X] BV, maar geweigerd ten laste van [X] , op de grond dat niet summierlijk was gebleken van de deugdelijkheid van de vordering op [X] . Bij dagvaarding van 17 februari 2011 heeft Guni vorderingen ingesteld tegen [X] BV en tegen [X] in verband met de gebeurtenis van 16 december 2010 (hierna: de zaak [X] ).

3.4

Tussen [appellante] en [X] zijn op 26 april 2011 huwelijksvoorwaarden staande huwelijk opgesteld, ten gevolge waarvan de huwelijksgoederengemeenschap is ontbonden en verdeeld. De slotbepalingen van de huwelijkse voorwaarden bepalen onder meer als volgt (hierna: de Dozy-clausule):

“Partijen bedingen over en weer onherroepelijk voor zich en ten behoeve van schuldeisers van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap dat zij zich ieder hoofdelijk aansprakelijk stellen voor alle schulden van de gemeenschap, en zij verbinden zich die schulden op eerste aanmaning te voldoen, onverminderd eventueel onderling verhaal”.

De akte huwelijksvoorwaarden staande huwelijk is op 29 april 2011 ingeschreven in het huwelijksregister. De woning, die tot dan toe in de huwelijksgoederengemeenschap viel, is aan [appellante] toebedeeld en op haar naam gesteld.

3.5

In de zaak [X] heeft de rechtbank tussenvonnissen uitgesproken, onder meer op 11 februari 2015. Tegen dat tussenvonnis zijn [X] en [X] BV in tussentijds appel gegaan bij dit hof. Bij arrest van 24 oktober 2017 heeft het hof dat tussenvonnis bekrachtigd en de zaak teruggewezen naar de rechtbank. Bij eindvonnis van 4 juni 2018 heeft de rechtbank de vorderingen tegen [X] BV afgewezen. De vorderingen tegen [X] heeft zij echter in zoverre toegewezen dat zij voor recht heeft verklaard dat [X] onrechtmatig jegens Guni heeft gehandeld, als gevolg waarvan Guni schade heeft geleden, waarvoor [X] aansprakelijk is, en dat zij [X] heeft veroordeeld tot betaling van de schade die begroot is op € 139.993,55, met diverse nevenvorderingen.

3.6

Op 18 mei 2017 heeft de advocaat van Guni kennis gekregen van de akte huwelijksvoorwaarden staande huwelijk.

3.7

Bij brief van 31 mei 2017 heeft de advocaat van Guni [appellante] aansprakelijk gesteld voor de schuld van [X] .

3.8

Op 26 oktober 2017 heeft Guni met verlof van de voorzieningenrechter conservatoir beslag ten laste van [appellante] doen leggen op de woning en op een banktegoed van ongeveer € 13.000 bij de Rabobank.

3.9

Bij vonnis van 6 februari 2019 heeft de rechtbank [X] BV in staat van faillissement verklaard. Daarna heeft Guni de executie van de echtelijke woning aangezegd aan [appellante] . [appellante] heeft de echtelijke woning verkocht en € 213.812 van de verkoopopbrengst afgedragen aan Guni.

4 Beoordeling

4.1

In dit geding heeft Guni, na vermindering van eis in eerste aanleg, (primair) betaling door [appellante] gevorderd van de bedragen die de rechtbank in de zaak [X] tegen [X] heeft toegewezen, met verdere kosten. De vordering is gebaseerd op de hoofdelijke aansprakelijkheid van [appellante] voor de schuld van [X] op grond van de Dozy-clausule. De rechtbank heeft de vordering toegewezen.

4.2

In de memorie van grieven heeft [appellante] onder 3.8 aangevoerd dat Guni een verkeerde opgave heeft gedaan van het gewicht van de printer, waardoor het niet mogelijk was om de kist te heffen met de 7-tons heftruck die [X] heeft gebruikt. Volgens [X] maakt het niet uit aan welke kant van de kist hij de last heeft “gevorkt”, dit vanwege de onjuiste opgave van het gewicht van de printer.

Met dit betoog heeft [appellante] voldoende kenbaar voor Guni en voor het hof tot uitdrukking gebracht dat zij in verband met de verkeerde opgave van het gewicht betwist dat [X] (geheel of gedeeltelijk) schadeplichtig is jegens Guni. Het staat haar vrij dit aan te voeren en het hof dient acht te slaan op dit betoog. [appellante] was geen partij in de zaak [X] . De rechterlijke oordelen in de zaak [X] binden haar niet.

4.3

Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten over het hiervoor in rov. 4.2 weergegeven betoog van [appellante] . Voor de beoordeling van dat betoog komt het met name aan op de vergelijking tussen de situatie zoals die zich in werkelijkheid heeft voorgedaan en de hypothetische situatie die zou hebben bestaan als Guni wel het juiste gewicht had opgegeven (en [X] zijn gedrag dus had kunnen afstemmen op de juiste gegevens). Hierbij is in elk geval wenselijk dat zij zich uitlaten over de vraag of er schade zou zijn ontstaan, en zo ja welke schade en op grond van welk scenario van verdere gebeurtenissen, in de hypothetische situaties:

a. dat tijdig vooraf het juiste gewicht van de printer en de bekisting aan [X] zou zijn meegedeeld, [X] een daarop afgestemde heftruck zou hebben gebruikt, maar [X] de kist had geheven vanaf de zijde waarop de aanduiding “do not fork this side” stond;

b. dat [X] de 7-tons heftruck zou hebben gebruikt die hij in werkelijkheid heeft gebruikt, maar de kist zou hebben geheven vanaf de zijde tegenover de zijde waarop de aanduiding “do not fork this side” stond (wellicht had de vrachtauto dan eerst andersom geparkeerd moeten worden, al dan niet op dezelfde plaats);

c. eventuele andere hypothetische situaties die partijen relevant achten.

Daarbij kunnen partijen ingaan op alle voor de schade relevante omstandigheden in de diverse scenario’s, zoals de positie van de kist in de truck en het zwaartepunt van de kist. Het is te verwachten dat een deskundigenbericht nodig zal zijn om deze en dergelijke vragen te beantwoorden. In hun akte dienen partijen zich daarom tevens uit te laten over de persoon van de mogelijk te benoemen deskundige en over de aan de deskundige te stellen vragen.

4.4

Grief I is gericht tegen de overweging van de rechtbank dat in het tussenvonnis van 11 februari 2015 zou zijn geoordeeld (i) dat [X] onrechtmatig heeft gehandeld en (ii) dat [X] BV geen wanprestatie heeft gepleegd. De grief is op zichzelf gegrond, want de rechtbank heeft deze oordelen niet gegeven in het tussenvonnis van 11 februari 2015, maar in een tussenvonnis van 16 november 2011 (rov. 5.1 en 5.5).

De grief faalt echter bij gebrek aan belang. [appellante] heeft niet betwist dat [X] de printer met bekisting heeft geheven vanaf de zijde waarop de aanduiding “do not fork this side” stond. In het licht daarvan heeft zij niet voldoende kenbaar betwist dat [X] onrechtmatig heeft gehandeld (ook niet onder 3.7 van de memorie van grieven). Verder heeft [appellante] niet voldoende kenbaar aangevoerd dat de vordering tegen [X] BV had moeten worden toegewezen (en wat het belang daarvan zou zijn voor dit geding).

4.5

Grief II is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de rechtsvordering niet is verjaard, omdat de verjaringstermijn van de rechtsvordering pas op 18 mei 2017 is aangevangen.

4.6

Ingevolge de Dozy-clausule is [appellante] na de ontbinding van de gemeenschap van goederen hoofdelijk aansprakelijk geworden jegens Guni voor de schuld van [X] aan Guni. Dit betekent dat Guni in elk geval niet eerder dan vanaf 29 april 2011 ‒ de datum van inschrijving van de akte huwelijksvoorwaarden ‒ [appellante] kon aanspreken tot betaling van de schuld van [X] . Anders gezegd: de rechtsvordering van Guni op [appellante] is in elk geval niet eerder ontstaan dan op 29 april 2011. Het ontstaansmoment van een rechtsvordering is echter iets anders dan het aanvangsmoment van de verjaringstermijn van die rechtsvordering.

4.7

Art 3:310 BW is (onder meer) van toepassing op rechtsvorderingen tot vergoeding van schade en heeft een ruime strekking. Het in die wetsbepaling neergelegde verjaringsregime is ook van toepassing op de rechtsvordering tegen [appellante] die ontstaan is op grond van de Dozy-clausule.

4.8

De zelfstandigheid van de vorderingsrechten van de schuldeiser jegens de hoofdelijke schuldenaren leidt ertoe dat verjaring van het vorderingsrecht jegens de ene hoofdelijke schuldenaar niet verjaring van het vorderingsrecht jegens de andere hoofdelijke schuldenaar meebrengt. Voor de vraag wanneer de verjaringstermijn van de rechtsvordering op [appellante] is aangevangen, is daarom niet van belang wanneer de verjaringstermijn van de rechtsvordering op [X] is aangevangen.

4.9

Op zichzelf terecht voert [appellante] aan dat Guni in 2011 wist dat [X] gehuwd was. Dat blijkt uit een bijlage bij het beslagrekest van Guni uit 2011. Dat is echter niet beslissend. Indien wordt aangenomen dat Guni in 2011 wist of had moeten weten dat het huwelijk van [X] en [appellante] in gemeenschap van goederen was aangegaan, dan volgt daaruit nog niet dat Guni eerder dan op 18 mei 2017 wist of had moeten weten dat [X] en [appellante] na 2011 huwelijkse voorwaarden waren aangegaan en wat de huwelijkse voorwaarden inhielden. Weliswaar mocht van Guni worden verwacht dat zij zich ten tijde van het beslagrekest uit 2011 zou verdiepen in het huwelijksregime van [X] , nu zij beslag wilde doen leggen op de echtelijke woning, maar niet mag van haar worden gevergd dat zij dit daarna periodiek zou blijven doen, in elk geval niet met het oog op de vraag of er een rechtsvordering van Guni op [appellante] zou ontstaan. Het beslagrekest uit 2011 was niet gebaseerd op een rechtsvordering op [appellante] , maar uitsluitend op rechtsvorderingen op [X] BV en op [X] .

4.10

Het verdraagt zich niet met de rechtszekerheid en de billijkheid, die het instituut van de verjaring mede beoogt te dienen, dat de benadeelde door het nalaten van een redelijkerwijs van hem te verlangen, eenvoudig uit te voeren onderzoek naar de identiteit van de aansprakelijke persoon, zou kunnen voorkomen dat de korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW een aanvang neemt (HR 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6241). In dit geval gaat het echter niet om een onderzoek naar de identiteit van [appellante] als aansprakelijke persoon, maar naar een onderzoek naar de vraag of er naast een vordering op [X] (en in de aanvankelijke visie van Guni: naast een vordering op [X] BV) een vordering op [appellante] is ontstaan vanwege een wijziging in de situatie dat [X] en [appellante] in algehele gemeenschap van goederen zijn gehuwd. Op een dergelijke wijziging behoefde Guni niet uit eigen beweging bedacht te zijn. Daarom kan niet worden geconcludeerd dat de verjaringstermijn eerder is gaan lopen dan op 18 mei 2017, toen de advocaat van Guni kennis kreeg van de akte huwelijksvoorwaarden staande huwelijk.

4.11

De rechtsvordering is dus niet verjaard. De grief faalt.

4.12

Grief III betoogt dat de schuld van [X] aan [X] is verknocht.

4.13

Het antwoord op de vraag of een schuld aan een van de echtgenoten is verknocht, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder met name de aard van die schuld, zoals deze mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald. Een schuld die is ontstaan door een onrechtmatige daad van een echtgenoot bij het uitvoeren van werkzaamheden in een professie waarbij de andere echtgenoot niet betrokken is, kan niet op deze enkele grond worden aangemerkt als een verknochte schuld. De onderhavige schuld is niet aan [X] verknocht. De grief faalt.

4.14

Grief IV is een restgrief zonder zelfstandige betekenis. Deze grief kan onbesproken blijven.

5 Beslissing

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 20 juli 2021 voor gelijktijdige akten aan beide zijden, waarna partijen in de gelegenheid zullen worden gesteld gelijktijdige antwoordakten in te dienen (zie rov. 4.3 hiervoor);

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, G.C.C. Lewin en J.W.M. Tromp en M. Bijkerk en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2021.