Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1865

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-06-2021
Datum publicatie
29-06-2021
Zaaknummer
23-000254-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Openbaar ministerie ontvankelijk in het hoger beroep ondanks twee dagen te laat indienen van de appelschriftuur. Bevestiging van het vonnis met uitzondering van de betalingsverplichting gelet op de overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000254-17

datum uitspraak: 29 juni 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 17 januari 2017 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 15-973046-11 tegen de betrokkene

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974,

adres: [adres]

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 716.602,66.

De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 31 mei 2016 veroordeeld ter zake van - kort gezegd - medeplegen van een feit bedoeld in artikel 10, vijfde lid, van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, zichzelf of een ander gelegenheid en middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit verschaffen en voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit in de periode van 12 april 2012 tot en met 14 januari 2014, handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III op 14 januari 2014, medeplegen van aangifte doen dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is op 24 november 2013 en medeplegen van het opzettelijk overtreden van een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod, meermalen gepleegd in de periode van 25 oktober 2012 tot en met 21 mei 2013.

Voorts heeft de rechtbank Noord-Holland bij vonnis van 17 januari 2017 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 779.000 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Door het openbaar ministerie en namens de betrokkene is hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.

De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 21 mei 2019 veroordeeld ter zake van - kort gezegd - medeplegen van een feit bedoeld in artikel 10, vijfde lid, van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen door zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit te verschaffen en voorwerpen, een vervoermiddel en gelden voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit in de periode van 12 april 2012 tot en met 14 januari 2014, medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd in de periode van 20 augustus 2010 tot en met 11 november 2010, handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III op 14 januari 2014, aangifte doen dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is op 24 november 2013 en medeplegen van het opzettelijk overtreden van een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod, meermalen gepleegd in de periode van 25 oktober 2012 tot en met 21 mei 2013.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 30 maart 2021 en 18 mei 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de betrokkene en de raadsman naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in het hoger beroep

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het hoger beroep nu de appelschriftuur te laat is ingestuurd.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gesteld dat bij het indienen van de appelschriftuur weliswaar sprake is geweest van een termijnoverschrijding, maar dat dit in deze zaak niet hoeft te leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in het hoger beroep. De reden voor de late indiening van de appelschriftuur is dat de medewerker die de appelschriftuur zou insturen op vakantie was. Er is sprake geweest van een administratieve vergissing waardoor de appelschriftuur twee dagen later is ingestuurd. Het gaat in de onderhavige zaak over een aanzienlijk bedrag verdient uit illegale handel in drugs. Deze drugs is de maatschappij in gegaan en de betrokkene heeft hier geld aan verdiend. Alles afwegende moet het maatschappelijk belang bij behandeling van het appel in deze zaak zwaarder wegen dan de beperkte overschrijding van de termijn voor indiening van de appelschriftuur, aldus de advocaat-generaal.

Het oordeel van het hof

De officier van justitie heeft op 30 januari 2017 hoger beroep ingesteld tegen het bovengemeld vonnis van de rechtbank Noord-Holland. De appelschriftuur houdende grieven is eerst op 15 februari 2017, derhalve 2 dagen te laat, ingediend.

Niet alleen het niet indienen, maar ook het niet tijdig en niet op de voorgeschreven wijze indienen van een appelschriftuur kan tot niet-ontvankelijkheid in het hoger beroep leiden. De wetgever heeft het aan de rechter overgelaten te beoordelen of de omstandigheid dat niet of niet tijdig of niet op de voorgeschreven wijze een appelschriftuur is ingediend, in concreto tot niet-ontvankelijkheid dient te leiden.

De omstandigheid dat de schriftuur niet tijdig is ingediend hoeft in deze zaak niet te leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie. De betrokkene was op de hoogte van het appel en er is slechts sprake van een geringe termijnoverschrijding. Daarnaast is niet gebleken dat de betrokkene door de overschrijding enig nadeel heeft ondervonden en hij is door de gang van zaken niet in enig belang geschaad. Dat de appelschriftuur betrekkelijk summier is, zoals de raadsman heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Het hof zal daarom het belang van een inhoudelijke beoordeling van deze zaak in hoger beroep laten prevaleren boven het belang van een scherpe sanctionering van het door het openbaar ministerie begane verzuim.

Het openbaar ministerie is ontvankelijk in het hoger beroep.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, met uitzondering van het bedrag waarop de betalingsverplichting van de veroordeelde aan de Staat wordt vastgesteld, aangezien het hof in hoger beroep rekening zal houden met de overschrijding van de redelijke termijn als hierna vermeld. Daarnaast bepaalt het hof de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd.

Redelijke termijn

Het hof constateert dat in deze zaak de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In eerste aanleg is de ontnemingszaak aangevangen met een schriftelijke vordering van het openbaar ministerie op 22 februari 2016 – welke datum het hof als aanvang neemt voor de beoordeling van de (redelijke) termijn in de ontnemingszaak – en afgerond met een eindbeslissing op 17 januari 2017. Op 18 januari 2017 is namens de betrokkene hoger beroep ingesteld tegen voornoemde beslissing van de rechtbank. Het hof spreekt het arrest op 29 juni 2021 uit. Daarmee is de redelijke termijn bij de behandeling in hoger beroep met ruim 2 jaar en 5 maanden overschreden. De procedure als geheel heeft een periode van ruim 5 jaar en 4 maanden bestreken. Het hof ziet in deze overschrijding aanleiding de betalingsverplichting te matigen met € 5.000,00.

Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 774.000,00.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover daarin aan de betrokkene de verplichting is opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 779.000,00 ter ontneming van door hem wederrechtelijk verkregen voordeel.

Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 774.000 (zevenhonderdvierenzeventigduizend euro).

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.R.O. Mooy, mr. P.C. Römer en mr. E. van Die, in tegenwoordigheid van mr. B. van Vliet, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 29 juni 2021.

Mr. A.R.O. Mooy is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]