Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1804

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-06-2021
Datum publicatie
05-10-2021
Zaaknummer
200.281.362/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appel van ECLI:NL:RBNHO:2020:2917. Burengeschil. Contact- en locatieverbod. Vordering tot verwijderen vlag en houten hok/berghok alsnog toegewezen. Toewijzing van vordering tot ondoorzichtig en vast maken venster etc. bekrachtigd. Artikel 5:51 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.281.362/01

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/291755/HA ZA 19-500

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 15 juni 2021

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

advocaat: mr. J. de Haan te Alkmaar,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal appel,

appellant in incidenteel appel,

advocaat: mr. K. Dirlik te Alkmaar.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 3 juli 2020 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 15 april 2020, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en [appellant] als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met producties;

- memorie van antwoord in incidenteel appel, met producties.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft in principaal appel geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog de vorderingen van [geïntimeerde] zal afwijzen, met beslissing over de proceskosten.

[geïntimeerde] heeft in principaal appel geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep met rente. In incidenteel appel heeft [geïntimeerde] samengevat geconcludeerd tot gedeeltelijke vernietiging van het bestreden vonnis en dat het hof - uitvoerbaar bij voorraad - :

1. [appellant] zal veroordelen het berghok tegen de muur van [geïntimeerde] te verwijderen of te verplaatsen (tot een afstand van minimaal twee meter van de zijmuur van [geïntimeerde] ), op straffe van verbeurte van een dwangsom;

2 [appellant] zal gebieden het perceel en de opstallen aan [adres] en aan de [adres 2] te ontruimen en ontruimd te houden met een locatieverbod voor [appellant] tot een straal van één kilometer, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

3 [appellant] zal veroordelen in de kosten van het hoger beroep met rente.

In incidenteel appel heeft [appellant] geconcludeerd tot afwijzing en veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten daarvan.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis als feiten vastgesteld dat [geïntimeerde] eigenaar is van het perceel met opstallen aan [adres] , [appellant] eigenaar van twee percelen met opstallen gelegen aan de [adres 2] en dat de percelen van hen aan elkaar grenzen. Hiertegen zijn geen grieven gericht zodat dit vaststaat. Ook het hof zal daarvan in hoger beroep uitgaan. Hieraan kan als vaststaand worden toegevoegd dat partijen in een burenconflict verzeild zijn geraakt, waarbij het uiteindelijk niet is gelukt over diverse geschilpunten afspraken te maken. Een aantal van die geschilpunten is onderwerp van deze procedure in hoger beroep.

3 Beoordeling

3.1

In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] vorderingen ingesteld tegen [appellant] die zagen op een contactverbod, een locatieverbod, een verbod om te vernielen, het beëindigen van onrechtmatige hinder, het ondoorzichtig maken van een venster, het ladderrecht, vergoeding van schade en van buitengerechtelijke kosten. De rechtbank heeft de vorderingen voor het grootste deel toegewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld. Tegeneen deel van deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met zijn grieven op. In incidenteel appel richt [geïntimeerde] zich met twee grieven tegen een ander deel van het vonnis van de rechtbank.

In een executiegeschil naar aanleiding van het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter op 13 juli 2020 vonnis gewezen. In het tegen dat vonnis ingestelde hoger beroep (zaaknummer 200.283.185/01 KG) wordt heden ook uitspraak gedaan.

Principaal appel

3.2

De eerste grief in principaal appel houdt in dat [geïntimeerde] ten onrechte ontvankelijk is verklaard in zijn vordering tegen [appellant] voor zover die ziet op kwesties die een eigenaar van een pand aangaan. In dit geval gaat het dan om de vordering ten aanzien van het tijdig vast en ondoorzichtig maken van het venster in de westelijke zijmuur van de opstal van [appellant] , die niet zijn opstal is maar die van zijn zoon [zoon appellant] . De dwangsommen die ter zake zijn verbeurd worden ten onrechte bij [appellant] geïnd. Ter toelichting voert [appellant] aan dat het perceel aan [adres] , waarop de opstal zich bevindt, niet langer aan [appellant] , maar sinds 17 oktober 2013 aan zijn zoon toebehoort. Als [geïntimeerde] wil dat er wat aan dat pand verandert moet hij bij de zoon, de eigenaar, zijn. Niet bij [appellant] , want die is alleen gebruiker. Dat volgt ook uit het Kadaster.

3.3

Het hof oordeelt als volgt. [appellant] heeft geen grieven gericht tegen de feitenvaststelling van de rechtbank, onder meer inhoudend dat hij eigenaar is van twee percelen met opstallen gelegen aan de [adres 2] . In eerste aanleg heeft hij in de conclusie van antwoord in incident diverse malen gesproken over “zijn grond” en dat hij opkomt voor “zijn eigendom, althans dat van zijn zoon, want die is thans juridisch eigenaar”. Dit in aanmerking genomen en in het licht van het verweer van [geïntimeerde] (onder meer inhoudend dat [appellant] in diverse bezwaarprocedures heeft aangegeven dat de schuur waarin hij woont een bijgebouw is van de woning aan de [adres 2] en geen eigen voorzieningen heeft, dat hij die schuur zelf heeft gebouwd en daarin het venster heeft geplaatst, [appellant] juridisch eigenaar is van het hoofdgebouw en feitelijk en economisch eigenaar is van de schuur en zijn zoon, die in een instelling verblijft, ter zake gebruikt als stroman) heeft [appellant] onvoldoende onderbouwd dat hij niet kan worden gezien als degene tegen wie een vordering als de onderhavige kan worden ingesteld. Dat zijn zoon juridisch eigenaar van de schuur is doet daar in de gegeven omstandigheden niet aan af. [appellant] heeft zich altijd als heer en meester van die schuur gedragen. De grief faalt.

3.4

Grief 2 in principaal appel houdt in dat de rechtbank [appellant] ten onrechte heeft veroordeeld het genoemde venster vast en ondoorzichtig te maken en ten onrechte aan [appellant] dwangsommen heeft opgelegd van € 500,- per dag met een maximum van € 25.000,-, omdat die bedragen veel te hoog zijn in verhouding tot het ongemak van [geïntimeerde] . Als toelichting stelt [appellant] dat zowel hij als [geïntimeerde] uitkeken op een blinde muur, die [geïntimeerde] echter zelf heeft verlaagd. Het voor de volle mep innen van dwangsommen is voorts volgens [appellant] onterecht nu partijen alleen nog verdeeld zijn over de vraag of het venster al dan niet goed door [appellant] was dichtgemaakt. De folie die hij op dat venster had aangebracht was in elk geval afdoende om het ondoorzichtig te maken. Een dwangsom van € 500,- per dag is bij deze stand van zaken veel te hoog. Bovendien is ook [geïntimeerde] zelf debet aan het de strijd tussen partijen.

3.5

De rechtbank heeft [appellant] in 6.4 aanhef en onder c van het dictum veroordeeld het venster vast en ondoorzichtig te maken. Daaraan heeft zij, in 6.7 van het dictum, een dwangsom van € 500,- per dag verbonden met een maximum van € 25.000,-. [appellant] heeft niet bestreden dat hij het venster niet geheel heeft dichtgemaakt. Hij zegt immers zelf bij grief 3: “ [appellant] had een zodanig raampje dat uitsluitend een klein beetje open kon (ca. 5 centimeter) om te kunnen ventileren na het douchen”. Artikel 5:51 BW is in deze situatie echter absoluut. Een raam zoals dit met zicht op ramen binnen twee meter van de erfgrens mag niet worden geplaatst voor zover het open kan en doorzichtig is. Er is daarbij geen ruimte om argumenten af te wegen waarom het tegendeel toch nuttig of gerechtvaardigd zou zijn. Dat [geïntimeerde] de muur zou hebben verlaagd doet daar niet aan af omdat niet valt in te zien waarom hij dat niet zou mogen doen. De stellingen van [appellant] impliceren niet dat het venster vóór de gestelde verlaging van de muur door [geïntimeerde] alleen uitzicht had op de muur en niet mede op ramen in de woning van [geïntimeerde] , die ook een bovenverdieping heeft. De dwangsom die de rechtbank aan deze veroordeling heeft verbonden acht het hof alleszins redelijk voor de situatie toen. Gelet op de verhoudingen tussen partijen moest er immers een sterke prikkel zijn om veroordelingen na te komen. Inmiddels is gebleken dat de dwangsom en het daaraan (in het dictum onder 6.7) verbonden maximum zelfs niet hoog genoeg is geweest. [geïntimeerde] heeft immers onvoldoende gemotiveerd betwist aangevoerd dat het maximum van € 25.000,- al is bereikt en [appellant] nog niet volledig aan het vonnis heeft voldaan. De voorzieningenrechter in het executiegeschil heeft daarin aanleiding gezien om [appellant] (opnieuw) te veroordelen het venster vast en ondoorzichtig te maken, op straffe van verbeurte van een dwangsom van 500,- voor iedere dag of gedeelte ervan dat hij nalaat aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 50.000,-. In het heden te wijzen arrest in het executiegeschil zal deze veroordeling, met de dwangsom en het daaraan verbonden maximum, worden bekrachtigd. Voor matiging van de dwangsom is geen plaats.

3.6

Met grief 3 in principaal appel betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de noodzaak een badkamer te kunnen ventileren, door te oordelen dat het raam vast moet worden gemaakt. Ter toelichting stelt hij dat de bepaling van artikel 5:51 BW vooral bedoeld is voor de privacy en dat het bewuste venster slechts een klein stukje open kon en geen uitzicht gaf op het perceel van [geïntimeerde] . Er is geen hinder jegens [geïntimeerde] veroorzaakt.

3.7

Het hof verwijst naar hetgeen het hiervoor heeft opgemerkt. Het is aan [appellant] om de badkamer op een andere manier te ventileren dan door het venster te openen. Daarvoor zijn tegenwoordig gelukkig diverse (technische) oplossingen.

De rechtbank heeft [appellant] terecht veroordeeld het venster vast en ondoorzichtig te maken.

Incidenteel appel

3.8

[geïntimeerde] voert als grief 1 in incidenteel appel aan dat de rechtbank ten onrechte heeft verzuimd te oordelen dat ook het houten hok (en niet alleen de metalen buizen en de vlag) door [appellant] verwijderd moesten worden. Voor zoveel nodig vordert hij die verwijdering alsnog. Ter toelichting stelt [geïntimeerde] dat de plaatsing van dit hok alleen is gebeurd om de vlag te kunnen plaatsen en daarom van de vlagconstructie deel uitmaakte. Bovendien veroorzaakt het hok nu hinder in de vorm van schimmel en schade aan het eigendom van [geïntimeerde] .

3.9

Het hof overweegt als volgt. In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] voor zover hier van belang gevorderd dat [appellant] zal worden geboden de vlag/het bouwwerk te verwijderen. Hij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat [appellant] een vlag/bouwwerk heeft geplaatst voor het raam van [geïntimeerde] , waardoor hij werd belemmerd in zijn uitzicht. Bij conclusie van antwoord heeft [appellant] zich onder meer aldus verweerd (cva randnummer 10): “De houten constructie, wat [geïntimeerde] een bouwwerk noemt, staat op de grond van [appellant] en tegen het bestaan ervan kan, gezien de geringe omvang en grootte, geen bezwaar worden opgeworpen.” In rov. 5.5.1. heeft de rechtbank vervolgens overwogen “dat de vordering om het bouwwerk/de constructie met de vlag te verwijderen toewijsbaar is.” In 6.4 aanhef en onder a van het dictum is [appellant] onder meer veroordeeld “de constructie met vlag (…) te verwijderen (…)”. Op grond hiervan vermoedt het hof dat de rechtbank heeft bedoeld dat [appellant] het gehele bouwwerk, dus ook het houten hok, zijnde een onderdeel van de vlagconstructie, diende te verwijderen. Dat was een terechte overweging. Immers, nu dit hok is geplaatst toen de constructie met de vlag al was opgezet en met deze constructie verbonden was, terwijl [appellant] evenmin heeft toegelicht welk ander rechtens te respecteren belang dit houten hok daar op die plaats had, is ook het hof van oordeel dat dit hok onderdeel uitmaakte van de constructie met de vlag, die slechts bedoeld is geweest om onrechtmatige hinder aan [geïntimeerde] toe te brengen. De enkele omstandigheid dat [appellant] het houten hok na het bestreden vonnis, zonder enige toelichting, is gaan omschrijven als ‘berghok’ doet hieraan niet af.

De rechtbank heeft echter in het bestreden vonnis nagelaten in haar overwegingen en het dictum duidelijk tot uitdrukking te brengen dat de veroordeling onder 6.4 aanhef en onder a mede het oog had op de verwijdering van het houten hok. Bij deze stand van zaken is het hof van oordeel dat het verwijderen van het houten hok geacht moet worden door de rechtbank te zijn afgewezen onder 6.11 van het bestreden vonnis. De grief slaagt. [appellant] zal het houten hok/berghok alsnog moeten verwijderen.

3.10

Aan de desbetreffende veroordeling zal, zoals [geïntimeerde] heeft gevorderd, een dwangsom worden verbonden van € 500,- per dag. Aan die dwangsom zal een substantieel maximum worden verbonden. Zoals hiervoor is overwogen is het maximum van de dwangsom van € 25.000,-, zoals bepaald in het bestreden vonnis onder 6.7 van het dictum, bereikt zonder dat [appellant] aan alle hoofdveroordelingen waarop dat maximum zag had voldaan. Deze zaak betreft een slepend burenconflict. Gelet op de gespannen situatie tussen partijen is het noodzakelijk dat [appellant] een sterke prikkel ervaart om veroordelingen volledig na te komen. Het hof heeft er geen vertrouwen in dat [appellant] dat zal doen zonder extra hoge financiële prikkel. Het maximum van de dwangsom zal dan ook worden bepaald op € 50.000,-. Dit maximum beoogt de noodzakelijke financiële prikkel aan [appellant] te geven, waarbij hij het zelf in de hand heeft of dat maximum wordt bereikt.

3.11

Met grief 2 in incidenteel appel betoogt [geïntimeerde] dat [appellant] het perceel en de opstallen aan [adres] en aan de [adres 2] moet ontruimen en ontruimd houden en een locatieverbod moet krijgen tot een straal van één kilometer (het hof begrijpt vanaf het eigendom van [geïntimeerde] ), op straffe van verbeurte van een dwangsom. Ter toelichting voert hij aan dat [appellant] zich niet volledig aan het vonnis heeft gehouden en dat toen [geïntimeerde] het vonnis ging executeren [appellant] hem en zijn advocaat heeft bedreigd (zoals blijkt uit een e-mail van 25 mei 2020 van mr. K. Dirlik) en [geïntimeerde] is gaan bespieden. Ook de redenen die hij heeft aangevoerd in de conclusie van eis in reconventie in het door [appellant] aangespannen executiegeschil (zaaknummer 200.283.185/01 KG) liggen aan de vordering ten grondslag. Daarin heeft [geïntimeerde] naast hetgeen hiervoor is weergegeven het volgende aangevoerd. Op foto’s is te zien dat [appellant] rond de woning van [geïntimeerde] hangt en naar binnen gluurt. Een foto toont hoe [appellant] een geweer naast zijn deur heeft geplaatst zodat [geïntimeerde] dat goed kan zien. Samengevat moet de vordering worden toegewezen omdat [appellant] zelf aangeeft geen eigendomsbelang te hebben bij de schuur, hij grotendeels in Oostenrijk woont en dus ook onvoldoende woonbelang heeft om in de schuur te wonen die overigens ook geen zelfstandige woonruimte is. De belangen van [geïntimeerde] om verschoond te blijven van de pogingen van [appellant] om hem het leven zuur te maken moeten zwaarder wegen. Volgens [geïntimeerde] komt daarbij dat [appellant] bij de gemeente het perceel van [geïntimeerde] voor zijn zoon heeft geprobeerd te claimen en ID-fraude pleegt en ook de ouders van [geïntimeerde] worden getroffen omdat [appellant] bestuursrechtelijk dwarsboomt dat zij een nieuw huis realiseren nabij hun bedrijf.

3.12

Het hof overweegt als volgt. Ontegenzeggelijk is de gespannen situatie tussen partijen voor [geïntimeerde] en zijn familie zeer belastend. En het is voldoende aannemelijk dat het gedrag van [appellant] escalerend werkt. Terwijl partijen met elkaar procederen vanwege overlast en ontoelaatbaar gedrag is het door hem rondhangen bij de woning van [geïntimeerde] , maar zeker het plaatsen van een geweer bij zijn voordeur volkomen uit den boze. Dat geldt ook voor het doen van uitlatingen tegenover de advocaat van [geïntimeerde] dat het niet goed met hem zal aflopen en dat [geïntimeerde] binnen drie maanden zijn woning zal verlaten. [appellant] heeft onvoldoende betwist dat deze voorvallen zich hebben voorgedaan. Het hof heeft daar geen goed woord voor over. Daaraan doet niet af dat het hof wil aannemen dat ook [geïntimeerde] een rol heeft in het tussen partijen bestaande conflict. Een vordering tot ontruiming gaat het hof op dit moment echter te ver, waarbij niet is gezegd dat een ontruiming niet aan de orde kan zijn indien het gedrag van [appellant] niet verandert. Alles afwegend is hetgeen [geïntimeerde] echter nu aan de vordering ten grondslag heeft gelegd nog onvoldoende om de zwaarwegende consequentie te rechtvaardigen dat [appellant] zijn eigendommen moet ontruimen. Het hof betrekt daarbij dat dit arrest in laatste feitelijke instantie aan [appellant] ook duidelijk beoogt te maken dat hij zijn gedrag jegens [geïntimeerde] moet aanpassen omdat anders financiële of andere consequenties volgen. Het hof gaat er vanuit dat die boodschap wordt begrepen en dat de status quo die daarmee wordt gecreëerd de nodige rust tussen partijen zal brengen. Het hof acht het van belang dat deze tussenstap eerst wordt gezet voordat, indien geen gedragsverandering optreedt, ontruiming aan de orde komt.

3.13

De grieven 1 tot en met 3 in principaal appel falen en in het verlengde daarvan ook de tegen de proceskostenveroordeling gerichte grief 4. Voor het overige heeft [appellant] geen grieven aangevoerd tegen het bestreden vonnis. In principaal hoger beroep bestaat derhalve geen grond voor vernietiging van enig onderdeel van het bestreden vonnis. [appellant] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in principaal appel.

In incidenteel appel slaagt grief 1 en faalt grief 2. [appellant] zal worden veroordeeld op straffe van verbeurte van een dwangsom ook het houten hok/berghok tegen de zijmuur van [geïntimeerde] te verwijderen en tot een afstand van minimaal twee meter van de zijmuur van [geïntimeerde] verwijderd te houden. Hij zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij ook de kosten van het incidenteel appel moeten dragen. Voor bewijslevering is geen plaats omdat geen bewijs is aangeboden van concrete feiten en omstandigheden die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden.

4 Beslissing

Het hof:

rechtdoende in principaal en incidenteel appel:

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover daarbij de vordering tot het, op straffe van verbeurte van een dwangsom, verwijderen en verwijderd houden van het houten hok/berghok tegen de zijmuur van [geïntimeerde] onder 6.11 van het dictum is afgewezen

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellant] om binnen veertien dagen na betekening van dit arrest het houten hok/ berghok tegen de zijmuur van [geïntimeerde] te verwijderen en tot een afstand van minimaal twee meter van de zijmuur van [geïntimeerde] verwijderd te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag of gedeelte daarvan dat [appellant] niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 50.000,-;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in principaal en incidenteel hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 332,- aan verschotten en € 1.114,- voor salaris in principaal appel en op € 557,- voor salaris in incidenteel appel en te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.A.J. Dun, C. Uriot en R.J.Q. Klomp en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2021.