Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1787

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-06-2021
Datum publicatie
16-06-2021
Zaaknummer
23-001128-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hennepkwekerij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001128-18

datum uitspraak: 11 juni 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 28 maart 2018 in de strafzaak onder parketnummer 15-046294-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

adres: [woonplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

3 januari 2020 en 28 mei 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de politierechter in de rechtbank Noord-Holland vrijgesproken van hetgeen aan haar onder 2 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd - voor zover in hoger beroep nog aan de orde - dat:

1.
zij op of omstreeks 5 september 2016 te Heerhugowaard, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [straat] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 492 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de politierechter.

Bespreking van een gevoerd verweer

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat vraagtekens moeten worden gezet bij de betrouwbaarheid van de getuigen. [getuige 1] is duidelijk een katvanger en als je de verdachte kent, is het makkelijk een aantal uiterlijke kenmerken te noemen. Er is geen objectieve toets gedaan om vast te stellen of de getuigen de verdachte daadwerkelijk kennen. Ook zijn er geen camerabeelden en er is geen fotoconfrontatie geweest. Als de verdachte daadwerkelijk betrokken was geweest bij de hennepkwekerij, ligt het bepaald niet voor de hand dat zij haar eigen huisadres zou opgeven om de betaling van de huur te organiseren. Aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

Op 5 september 2016 wordt naar aanleiding van een melding van een inbraak het pand aan de [straat] doorzocht en wordt op de eerste etage, waar het bedrijf [bedrijf] is gevestigd, een hennepkwekerij aangetroffen. In de twee ruimtes zijn in totaal 492 planten aanwezig. De eigenaar van het pand heeft als verhuurder van de ruimte een vrouw genaamd [naam 1] opgegeven. De verhuurder heeft alle afspraken omtrent het pand met deze [naam 1] gemaakt, maar de overeenkomst zou door iemand anders zijn ondertekend. De verklaring van de getuige [getuige 1] bevestigt dit. Hij zou in opdracht van verdachte en tegen betaling de huurovereenkomst getekend hebben. De verhuurder heeft voorts verklaard dat hij meerdere malen de huur heeft opgehaald aan het adres [woonplaats] . Op dit adres is de verdachte woonachtig. De huurder van de benedenverdieping van het pand heeft verder verklaard dat van activiteiten in het pand geen sprake was.

De getuigen omschrijven de vrouw die zij bij het pand hebben gezien als een oudere dame, ongeveer 50 jaar oud, getatoeëerd en met hartproblemen waaraan zij is geopereerd. Bij de raadsheer-commissaris heeft de getuige [getuige 2] verklaard dat de huurder van het pand een wat oudere vrouw was, naar schatting halverwege de 50 jaar, die vertelde dat zij aan haar hart was geopereerd en dat zij een kastje op haar lichaam had. Hij meende zich te herinneren dat zij tatoeages had en hij heeft ook haar dochter gezien. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg, onder meer, verklaard dat zij tussen de 50 en 60 jaar is, dat zij een tatoeage ter hoogte van haar nek heeft en dat zij hartklachten en een dochter heeft. Bij de politie heeft de verdachte verklaard dat zij twee keer aan haar hart is geopereerd en dat zij een ICD en een pacemaker heeft. Het hof is van oordeel dat de omschrijving gegeven door de getuigen (sterke) overeenkomsten vertoont met de omschrijving van zichzelf die de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg en bij de politie heeft gegeven.

Ook in de verklaring van [getuige 1] , afgelegd bij de raadsheer-commissaris, vindt het hof bevestiging voor het oordeel dat de verdachte de materiële huurster van het pand was. [getuige 1] heeft immers verklaard dat [verdachte] hoorde dat hij geld nodig had en dat zij voorstelde dat hij een pandje op zijn naam zou zetten omdat zij dat niet kon. Hij is samen met [verdachte] naar het pand gegaan en hij heeft getekend. Hij zou iedere week € 50,00 van [verdachte] krijgen als vergoeding voor het feit dat hij dat pand op zijn naam had, maar hij heeft slechts twee keer € 50,00 van haar gehad. [verdachte] vertelde dat zij het niet aandurfde met het pand, omdat zij hartklachten had.

Gelet op het vorenstaande hecht het hof, net als de politierechter, geen geloof aan de verklaring van verdachte dat zij niet betrokken is geweest bij de aangetroffen hennepkwekerij. Het hof ziet in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid (van de verklaringen) van de getuigen te twijfelen. De verklaringen van meerdere getuigen wijzen immers in de richting van de verdachte. Dat in deze zaak geen camerabeelden zijn en geen fotoconfrontatie is geweest, acht het hof daarom niet van belang. Het feit dat volgens [naam 2] de huurster [naam 1] heette, acht het hof evenmin van belang. Hij noemt immers het adres van de verdachte als het adres van degene die de huur betaalde en hij geeft een omschrijving van de huurster die sterke overeenkomsten vertoont met de omschrijving die de verdachte van zichzelf geeft. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
zij op 5 september 2016 te Heerhugowaard, opzettelijk aanwezig heeft gehad, in een pand aan de [straat] , een hoeveelheid van in totaal 492 hennepplanten.

Hetgeen onder 1 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken voorwaardelijk en een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis.

De raadsman heeft aangevoerd dat voor de verdachte het niet onmogelijk maar wel lastig is om een taakstraf uit te voeren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van 492 hennepplanten. Verdovende middelen zijn schadelijk voor de volksgezondheid en leiden vaak tot verschillende vormen van criminaliteit.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 19 mei 2021 is zij eerder ter zake van een soortgelijk feit onherroepelijk veroordeeld.

Het hof heeft geconstateerd dat de inzendingstermijn is overschreden. Voorts is bij behandeling van deze zaak in hoger beroep de redelijke termijn overschreden. Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 duur passend en geboden. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn zal het hof de op te leggen taakstraf in die zin matigen dat deze 110 uren, subsidiair 55 dagen hechtenis bedraagt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 9, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 110 (honderdtien) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 55 (vijfenvijftig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E. van Die, mr. M. Jurgens en mr. P. Greve, in tegenwoordigheid van mr. S. Egidi, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 juni 2021.