Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1783

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-06-2021
Datum publicatie
16-06-2021
Zaaknummer
23-002230-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betrouwbare herkenningen door verbalisanten. Poging tot diefstal in vereniging. Geen valse sleutel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002230-20

datum uitspraak: 15 juni 2021

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 1 oktober 2020 in de strafzaak onder parketnummer 13-240705-20 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 1 juni 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 6 november 2019 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om in/uit een woning (gelegen aan de [adres 2]) een of meer goederen en/of een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer], weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik te brengen door middel van een valse sleutel, zich naar die woning heeft/hebben begeven en/of die woning is/zijn binnengegaan en/of die woning heeft/hebben doorzocht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en een andere kwalificatie komt dan de politierechter en de bewijsmiddelen in het vonnis van de politierechter niet zijn uitgewerkt.

Bewijsoverwegingen

De raadsman heeft verzocht de verdachte van het tenlastegelegde vrij te spreken bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. De aangifte, processen-verbaal van herkenning en stills van de camerabeelden in de woning van aangever zijn alle te herleiden naar één bron.

De gegevens zijn niet betrouwbaar en daarmee onbruikbaar voor het bewijs. In het dossier bevindt zich geen steunbewijs voor de aangifte, waaruit zou blijken dat de verdachte de persoon op de beelden is. Ook bestaat geen bewijs voor het medeplegen, omdat de persoon die in het dossier wordt aangeduid als ‘NN2’ niet is geïdentificeerd.

De politierechter heeft onterecht bewezenverklaard dat is gebruikgemaakt van een valse sleutel, omdat niet vaststaat dat er is ‘geflipperd’ om de woning van de aangever te betreden. Uit de camerabeelden kan niet worden opgemaakt dat de twee personen die daarop te zien zijn goederen wilden wegnemen, aldus de raadsman.

Het hof verwerpt de verweren en overweegt hiertoe als volgt.

Op 6 november 2019 omstreeks 13.25 uur ontvangt de aangever een melding van zijn camerasysteem op zijn telefoon, waaruit blijkt dat zich op dat moment twee mannen in zijn woning bevinden. Op (de stills van) de camerabeelden is te zien dat twee mannen de woning van aangever, zonder toestemming, binnengaan en aldaar zoekend rondkijken. Zij betreden meerdere ruimtes van de woning. Nadat de aangever de twee mannen via het camerasysteem heeft aangesproken, rennen zij de woning uit. ‘NN2’ is vervolgens kort daarna nog tweemaal de woning binnengegaan. Gelet op voornoemde gedragingen in combinatie met de aangifte stelt het hof vast dat op 6 november 2019 naar de uiterlijke verschijningsvorm een poging tot diefstal uit de woning van aangever heeft plaatsgevonden.

Verschillende verbalisanten hebben aan de hand van de camerabeelden, die naar het hof heeft vastgesteld van goede kwaliteit zijn, een van de twee personen, namelijk de persoon die in het dossier wordt aangeduid als ‘NN2’, herkend als zijnde de verdachte. Het hof heeft, gelet op hetgeen de verbalisanten hierover in hun proces-verbaal hebben gerelateerd, geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de herkenningen en stelt vast dat de verdachte een van de twee personen is geweest die zich op 6 november 2019 in de woning van aangever bevond. Het feit dat ‘NN1’ tot op heden onbekend is gebleven, leidt niet tot de conclusie dat geen sprake is van medeplegen.

Naar het oordeel van het hof is immers voldoende komen vast te staan dat de verdachte niet alleen heeft gehandeld, nu op de (stills van de) camerabeelden duidelijk is te zien dat zich, naast de verdachte, nog een persoon in de woning bevond waarmee hij nauw en bewust heeft samengewerkt. De twee daders zijn immers samen de woning van aangever ingegaan, hebben samen de woning doorzocht en hebben daarop samen de woning verlaten.

Blijkens de aangifte was de voordeur van de aangever dicht, maar niet afgesloten. Uit het dossier blijkt niet op welke wijze de verdachte en zijn mededader de woning hebben betreden. Het hof kan daarom niet vaststellen dat de verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de woning hebben verschaft door middel van een valse sleutel. De verdachte dient van dat onderdeel van de tenlastelegging te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 6 november 2019 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om uit een woning (gelegen aan de [adres 2]) goederen of een geldbedrag, toebehorende aan een ander dan aan verdachte en zijn mededader, te weten aan [slachtoffer], weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, zich naar die woning hebben begeven en die woning zijn binnengegaan en die woning hebben doorzocht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal in vereniging. Hij heeft, samen met een ander, de woning van [slachtoffer] betreden en daar zoekend rondgekeken totdat zij door de aangever (digitaal) werden betrapt. Het handelen van de verdachte leidt tot gevoelens van onveiligheid in de samenleving, en in het bijzonder bij het slachtoffer. Daarenboven veroorzaken dergelijke feiten overlast en hinder.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 18 mei 2021 is hij veelvuldig voor vermogensdelicten onherroepelijk veroordeeld tot onder meer onvoorwaardelijke gevangenisstraffen, hetgeen in zijn nadeel weegt. Gelet op dit uittreksel, in combinatie met de ernst van het feit (een poging tot diefstal uit een woning, in vereniging) is naar het oordeel van het hof geen plaats meer voor oplegging van een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstaf, zoals door de politierechter opgelegd en thans door de advocaat-generaal gevorderd. Dat is een gepasseerd station. Dat het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is, doet daaraan niet af.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.F.J.M. de Werd, mr. S.M.M. Bordenga en mr. F.A. Hartsuiker, in tegenwoordigheid van mr. S. den Hartog, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
15 juni 2021.

mr. S.M.M. Bordenga en mr. F.A. Hartsuiker zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]