Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1779

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-06-2021
Datum publicatie
15-06-2021
Zaaknummer
23-001130-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte in een drugszaak uit 2012 (onderzoek Hyena) veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden.

Het hof acht bewezen dat de verdachte met twee mededaders deel heeft uitgemaakt van een criminele organisatie die het plegen van drugsgerelateerde feiten ten doel had. Eén van die feiten betreft het voorbereiden van de invoer van ongeveer 7 kilo cocaïne vanuit Peru in twee invoertrajecten. De verdachte had als Schipholmedewerker de taak om de cocaïne, die zou worden ingevoerd uit Peru, tijdens zijn werkzaamheden op Schiphol van de bagageband te halen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001130-16

datum uitspraak: 11 juni 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 11 maart 2016 in de strafzaak onder parketnummer 15-740198-13 tegen

[verdachte 3] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1973,

adres: [woonadres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12, 13, 14, 19 en 22 april 2021 en 28 mei 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep tegen voormeld vonnis ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 3 is ten laste gelegd. De verdachte heeft het hoger beroep onbeperkt ingesteld en dit is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak.

Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg toegelaten nadere omschrijving van de tenlastelegging ingevolge artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering is aan de verdachte, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, ten laste gelegd dat:

1

hij in of omstreeks de periode van 01 november 2012 tot en met 02 januari 2013 (zd 02A) en/of

in of omstreeks de periode van 05 januari 2013 tot en met 15 januari 2013 (zd 02B)

te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer, en/of Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, en/of Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of Uithoorn, in elk geval in Nederland, en/of in Peru en/of in Colombia (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een aantal kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

voor te bereiden en/of te bevorderen, (telkens)

- ( een) ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of te doen plegen en/of mede te plegen en/of uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- ( een) voorwerp(en) en/of (een) vervoermiddel(en) en/of (een) stof(fen) en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk (telkens)

- een of meer vliegtickets aangeschaft voor een of meer reizen vanuit Nederland naar Zuid-Amerika (Peru en Colombia) (en terug) en/of

- één of meer telefoongesprekken gevoerd en/of één of meer SMS-en/of Pin(g)berichten verzonden en/of uitgewisseld en/of één of meer afspra(a)k(en) gemaakt omtrent

* (heimelijke) instructies voor hetgeen in Peru besproken diende te worden en/of

* het tijdstip, waarop en/of de termijn, waarbinnen de hoeveelheid cocaïne in Peru zou (moeten) worden overgedragen en/of afgeleverd en/of vervoerd (naar Nederland), en/of

* het (met elkaar) in contact brengen van personen in Peru en/of

* de prijs van de hoeveelheid cocaïne en/of

* de geldbedragen die dienden te worden overgemaakt naar en/of vanuit Peru en/of

* de containers/bergplaats(en) waarin zich de hoeveelheid/hoeveelheden cocaïne zouden moeten bevinden en/of

* het in ontvangst nemen van de hoeveelheid/hoeveelheden cocaïne in Nederland (op de luchthaven Schiphol) en/of

* het ontvangen en/of geven van een of meer geldbedragen en/of beloningen (borg) en/of

* dienstroosters en/of werktijden (van een of meer luchthavenmedewerker(s)),

waarbij en/of waarna

- verdachte en/of zijn mededader(s) een of meer geldbedragen heeft / hebben overgemaakt naar Peru en/of vanuit Peru en/of

- ( één of meer van) zijn mededader(s), zich opzettelijk (per vliegtuig) naar Zuid-Amerika (Peru en/of Colombia) heeft/hebben begeven teneinde aldaar één of meer persoonlijke ontmoetingen te hebben met één of meer (andere) mededader(s) en/of

- ( één of meer van) zijn mededader(s), zich opzettelijk (per vliegtuig) vanuit Zuid-Amerika (Peru en/of Colombia) naar Nederland (Schiphol) heeft/hebben begeven en/of

- verdachte en/of zijn mededader(s) één of meermalen in een of meer systeem/systemen heeft/hebben gezocht naar de aankomst / locatie van container(s) / bergplaats(en) van de hoeveelheid/hoeveelheden verzonden cocaïne en/of

- verdachte en/of zijn mededader(s), zich opzettelijk naar de luchthaven Schiphol heeft/hebben begeven teneinde aldaar één of meer malen te kijken of de hoeveelheid/hoeveelheden cocaïne aangekomen was/waren;

2

hij in of omstreeks de periode van 04 april 2012 tot en met 12 maart 2013 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer, en/of Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer en/of Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of Purmerend en/of Oosthuizen, gemeente Zeevang, in elk geval in Nederland en/of in Peru en/of in Zweden heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het meermalen, althans eenmaal, opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

- het meermalen, althans eenmaal, opzettelijk verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt en een andere bewijsconstructie hanteert dan de rechtbank.

Bewijsoverwegingen

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het medeplegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet en van deelname aan een criminele organisatie gericht op het in- en uitvoeren van verdovende middelen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft op gronden als nader verwoord in de pleitnotities bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem onder 1 betreffende zaaksdossier 2A is ten laste gelegd, omdat de betrokkenheid van de verdachte bij dit feit slechts heeft bestaan uit het verstrekken van zijn werkrooster en het op afroep beschikbaar zijn, welke handelingen niet als medeplegen kunnen worden gekwalificeerd.

Ten aanzien van hetgeen de verdachte onder 1 betreffende zaaksdossier 2B is ten laste gelegd, is betoogd dat de verdachte enkel tussen 6 en 8 januari 2013 in strafrechtelijk relevante zin betrokken is geweest bij de voorbereidingshandelingen van de invoer. De betaling van € 5.000 aan de verdachte door [verdachte 1] op 11 maart 2013 kan volgens de verdediging niet als sluitstuk van de voorbereiding worden beschouwd, omdat voordien al duidelijk was dat het transport niet doorging, zodat deze betaling niet kan hebben bijgedragen aan de voorbereiding of bevordering van de invoer.

Ten slotte is verzocht de verdachte vrij te spreken van de onder 3 ten laste gelegde deelneming aan een criminele organisatie. Van een duurzaam samenwerkingsverband met een min of meer vaste structuur is in het onderhavige geval geen sprake en, voor het geval dat wel als vaststaand moet worden aangenomen, heeft de verdachte daar geen enkele betrokkenheid bij of wetenschap van gehad. De gestelde deelname van de verdachte is in de kern bovendien beperkt gebleven tot het op afroep beschikbaar zijn in zaaksdossier 2A en, wat betreft zaaksdossier 2B, tot het verrichten van gedragingen op 6 en 7 januari 2013 en het onderhouden van contact met [verdachte 1] . De verdachte kende niemand anders dan [verdachte 1] en zijn bijdrage aan het delict is van korte duur geweest, terwijl zijn medeverdachten daarna zonder hem zijn doorgegaan. Dat [verdachte 1] zou hebben verklaard dat de verdachte het al driemaal eerder had gedaan, wordt niet ondersteund door enig ander bewijs.

Het oordeel van het hof

Algemene overwegingen

Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting zijn de volgende telefoonnummers en ping- en/of bijnamen aan de hierna te noemen personen toe te schrijven:

- [verdachte 1] maakte gebruik van de telefoonnummers [A-telefoonnummer] , [B-telefoonnummer] , [C-telefoonnummer] en [D-telefoonnummer] en kan gekoppeld worden aan de pingnamen ‘ [pingnaam A verdachte 1] ’, ‘ [pingnaam B verdachte 1] ’, ‘ [pingnaam C verdachte 1] ’, ‘ [pingnaam D verdachte 1] ’, ‘ [voornaam verdachte 1] ’ en ‘ [pingnaam E verdachte 1] ’.

- [verdachte 2] maakte gebruik van de telefoonnummers [J-telefoonnummer] en [K-telefoonnummer] en had als pingnamen ‘ [pingnaam A verdachte 2] ’ en ‘ [pingnaam B verdachte 2] ’, in een aantal varianten.

  • -

    [verdachte 4] maakte gebruik van de telefoonnummers [N-telefoonnummer] en [O-telefoonnummer] en de pingnaam ‘ [pingnaam verdachte 4] ’.

  • -

    [verdachte 3] maakte gebruik van het telefoonnummer [P-telefoonnummer] en had als pingnaam ‘ [pingnaam verdachte 3] ’.

  • -

    [betrokkene 5] maakte gebruik van het telefoonnummer [S-telefoonnummer] .

Redengevende feiten en omstandigheden

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen, die in de bijlage bij dit arrest zijn opgenomen, stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

Begin november 2012 werd [verdachte 3] , bagagemedewerker bij de Koninklijke Luchtvaart Maatschappij (KLM) op Schiphol, benaderd door [pingnaam betrokkene 6] (geïdentificeerd als [betrokkene 6] ) met de vraag of hij tegen betaling op Schiphol bagage met daarin cocaïne uit een bagagecontainer wilde halen. [verdachte 3] ging akkoord, waarna een ontmoeting tussen [verdachte 3] , [betrokkene 6] en [verdachte 1] heeft plaatsgevonden. Tijdens die ontmoeting heeft [verdachte 1] aan [verdachte 3] een BlackBerry-telefoon (hierna: BlackBerry) gegeven met daarin de pingnaam [pingnaam verdachte 3] . Via deze telefoon zouden zij contact hebben. [verdachte 1] zou [verdachte 3] € 5.000 per kilo ingevoerde cocaïne betalen en er is afgesproken dat [verdachte 3] € 5.000 zou krijgen als de invoer van de cocaïne niet zou lukken. [verdachte 3] heeft zijn werkrooster doorgegeven. [verdachte 3] heeft verklaard dat [verdachte 1] aan de hand van zijn werkrooster de afspraken met de verzenders van de cocaïne in Peru zou maken; hij moest immers aan het werk zijn als de cocaïne op Schiphol aankwam. [verdachte 3] heeft ook een lijst gemaakt van luchthavens in Zuid-Amerika en op de Nederlandse Antillen met de vluchtnummers en aankomsttijden in Amsterdam van vluchten vanaf die luchthavens in de periode van maandag tot en met zondag.

Uit pingcontacten tussen [verdachte 3] en [verdachte 1] op 24 november 2012 volgt dat [verdachte 1] met [verdachte 3] afstemde wanneer de cocaïne kon worden verzonden (‘gezet’) en dat zij het over de betaling aan [verdachte 3] hadden. [verdachte 1] vroeg aan [verdachte 3] of hij door kon geven dat ze konden komen, waarop [verdachte 3] antwoordde dat het op maandag kon, maar dat hij dan wel vandaag bij [verdachte 1] zijn geld wilde halen. ‘s Avonds liet [verdachte 1] weten dat het op maandag niet zou lukken en vroeg aan [verdachte 3] wat de volgende optie zou zijn. [verdachte 3] gaf door dat zaterdag een optie was en vroeg wanneer [verdachte 1] het geld kwam brengen; hij had geen zin het steeds te moeten vragen. [verdachte 1] vroeg hem een beetje geduld te hebben, hij zou het hem geven.

Vanaf half december 2012 hadden [verdachte 3] en [pingnaam betrokkene 6] pingcontact waarbij zij bespraken dat zij klaar waren met [verdachte 1] omdat hij zijn afspraken niet nakwam. Op 16 december 2012 heeft tussen [verdachte 1] en [verdachte 3] een pinggesprek plaatsgevonden waaruit volgt dat een transport niet meer doorging en dat het een fout van [verdachte 1] was. [verdachte 1] verontschuldigde zich bij [verdachte 3] voor zijn laksheid en slechte afspraken, maar het probleem laatst was dat een koerier was gepakt met iets in zijn tas en dat het toen blauw zag van de politie. [verdachte 3] wilde het nog wel een kans geven, waarop [verdachte 1] antwoordde dat het weer kon en dat het dus goed zou komen. De volgende dag om 05:55 uur en 06:22 uur informeerde [verdachte 3] [verdachte 1] dat hij net had gekeken en dat er één doos/box kwam. Om 06:24 uur pingde [verdachte 3] naar [pingnaam betrokkene 6] dat er geen ‘ontbijtservices’ waren vandaag en om 06:26 uur naar [verdachte 1] dat hij er klaar mee was, ze konden het gewoon niet en het duurde te lang. Kennelijk is ook dit transport niet doorgegaan.

Uit telefoongesprekken tussen [verdachte 1] en [betrokkene 5] op 18 en 19 december 2012 volgt dat een ticket was gekocht voor ‘de jongen’. Op zaterdag 22 december 2012 is [verdachte 4] met een vlucht van Air France via Parijs naar Lima in Peru gereisd. [verdachte 1] heeft verklaard dat ‘de jongen’ [verdachte 4] is, dat hij hem heeft gevraagd naar Peru te gaan en dat [betrokkene 5] het ticket heeft betaald. [verdachte 1] gaf [verdachte 4] tijdens zijn reis via pingcontact de instructies dat hij een pen en papier moest regelen omdat hij hem informatie zou geven die hij in het vliegtuig uit zijn hoofd moest leren, dat hij moest zeggen dat hij de vlucht van Madrid had gemist en toen via Parijs was gekomen, dat hij bij de reden van zijn bezoek aan Peru op het formulier ‘familie en plezier’ moest invullen en dat hij in Lima zou worden opgehaald door een vriend van hem die gewoon Nederlands sprak ( [betrokkene 14] ). Ook droeg [verdachte 1] hem op elke keer de pinggesprekken te wissen. [verdachte 4] was in Lima nodig voor de communicatie: hij moest aan de verzenders van de cocaïne de datum doorgeven waarop [verdachte 3] aan het werk was en een BlackBerry en € 4.000 overhandigen aan [verdachte 2] , die op dinsdag vanuit Colombia in Lima zou arriveren. [verdachte 1] had [verdachte 2] gevraagd naar Lima te gaan om voor hem te communiceren. [betrokkene 14] en [betrokkene 15] , vrienden van [betrokkene 5] , zouden de cocaïne regelen. Toen bleek dat [verdachte 2] niet naar Peru zou komen, heeft [verdachte 4] de BlackBerry en het geld aan [betrokkene 14] overhandigd.

Op 23 december 2012 pingde [verdachte 1] met [verdachte 3] met de mededeling dat hij goed nieuws had waarna hij met zowel [verdachte 3] in Purmerend als met [pingnaam betrokkene 6] in Hoorn een ontmoeting heeft gehad.

Op maandag 24 december 2012 zocht [verdachte 1] via de BlackBerry van [verdachte 4] (met pingnaam [pingnaam verdachte 4] ) contact met [betrokkene 14] en vroeg hem of zij dinsdag, woensdag of donderdag zouden kunnen. Zijn man, [verdachte 3] , kon alleen die drie dagen, want daarna had hij vakantie. Uit het gesprek volgt dat [betrokkene 14] dacht dat het wel zou lukken en dat hij het de volgende dag zou laten weten. [betrokkene 14] vroeg [verdachte 1] naar de betaling. [betrokkene 5] zou nog geld sturen voor twee kilo, waarop [verdachte 1] antwoordde dat [betrokkene 14] nu € 4.000 had en dat morgen de rest van het geld zou worden geregeld. Volgens [betrokkene 14] kostten die twee kilo $ 10.500 en moest er dus nog € 5.500 komen.

Later die dag liet [betrokkene 14] aan [verdachte 1] weten dat het akkoord was om de cocaïne op dinsdag vanuit Lima te verzenden zodat het op woensdag in Amsterdam zou aankomen. Ook gaf [betrokkene 14] vijf namen van personen in Peru aan [verdachte 1] door naar wie hij geld kon verzenden. Vervolgens heeft [verdachte 1] aan verschillende personen in Nederland opdracht gegeven geld te verzenden naar de door [betrokkene 14] opgegeven personen in Peru. Uit diverse pingberichten blijkt dat er problemen waren met deze betalingen vanuit Nederland: het was Kerstavond en de kantoren van Western Union bleken gesloten te zijn. [betrokkene 14] liet [verdachte 1] weten dat de verzending van de cocaïne op dinsdag, zonder dat er was betaald, niet zou lukken; er waren harde afspraken gemaakt. Uiteindelijk belde [verdachte 1] op dinsdag 25 december 2012 met het GWK Western Union op Schiphol. Dit kantoor bleek wel geopend te zijn, waarna diezelfde dag in opdracht van [verdachte 1] door vier personen een totaalbedrag van € 4.043 is overgemaakt naar vier personen in Peru, onder wie [verdachte 4] . Uiteindelijk was het verschuldigde geldbedrag niet op tijd in Peru en ging de zending met cocaïne niet door.

Een nieuwe datum werd afgesproken: de cocaïne zou op donderdag 27 december 2012 worden verzonden en op vrijdag 28 december 2012 op Schiphol aankomen. [verdachte 4] moest daarom langer in Lima blijven. [verdachte 1] beloofde [betrokkene 14] meer geld te sturen. [betrokkene 14] had nog $ 1.900 nodig. In opdracht van [verdachte 1] heeft [betrokkene 14] de vertrekdatum van het ticket van [verdachte 4] gewijzigd naar een later moment en hebben twee personen in Nederland via het GWK Western Union in totaal € 1.469,22 naar twee personen in Peru verzonden, onder wie [verdachte 4] . Op 28 december 2012 zaten [verdachte 1] en [verdachte 3] in Nederland klaar om de zending te ontvangen, maar wederom bleek de cocaïne niet verzonden te zijn; op de luchthaven in Lima waren teveel autoriteiten aanwezig. De verzenders in Peru wilden op 28 december 2012 nog een keer proberen de cocaïne naar Amsterdam te verzenden. [verdachte 3] maakte aan [verdachte 1] kenbaar dat dat niet mogelijk was; de eerste optie om te verzenden was 6 januari 2013 ( [verdachte 3] werkte niet van 29 december 2012 tot en met 6 januari 2013). [verdachte 1] liet [betrokkene 14] weten dat hij, zoals was afgesproken, de kosten en de borg terug wilde en dat [verdachte 4] dat geldbedrag op 29 december 2012 mee terug naar Nederland moest nemen. [betrokkene 14] ging akkoord. Hij zou het geld afhandelen en de vriend van [verdachte 1] zou ermee terugvliegen. Als de verzenders zeker van hun zaak zouden zijn (zending van 6 januari 2013) zou [verdachte 1] [verdachte 4] volgende week opnieuw hun kant opsturen. Op 29 december 2012 had [verdachte 4] nog niet het gehele bedrag ontvangen. Hij moest blijven om alles ‘terug te kunnen nemen’ en wijzigde in opdracht van [verdachte 1] wederom de vertrekdatum van zijn ticket naar een later moment.

Uit pingberichten van 29 december 2012 tussen [verdachte 4] en [verdachte 1] volgt dat [verdachte 4] van [betrokkene 14] had begrepen dat er een nieuwe datum zou komen en dat extra cocaïne zou worden verzonden om de kosten (van de eerdere mislukte zending) te dekken. [verdachte 1] voelde daar echter niets voor; hij wilde geen nieuwe afspraak zonder eerst het geld te krijgen. Volgens [verdachte 4] dacht [betrokkene 5] daar anders over en hij vroeg [verdachte 1] contact op te nemen met [betrokkene 5] , hetgeen [verdachte 1] vervolgens deed. Diezelfde avond vroeg [verdachte 1] aan [verdachte 3] of ze op 7 januari 2013 konden gaan ‘stappen’, waarop [verdachte 3] op 30 december 2012 antwoordde: “Ja, is goed gezellig”. Diezelfde dag informeerde [pingnaam betrokkene 6] bij [verdachte 1] of [verdachte 2] nog zou komen.

[verdachte 4] arriveerde op 2 januari 2013 vanuit Lima op Schiphol. Tijdens een douanecontrole bleek dat hij $ 2.800 bij zich had. [verdachte 1] haalde hem op. [verdachte 4] had de BlackBerry in Lima achtergelaten en communiceerde met zijn eigen telefoon.

Op 6 januari 2013 vroeg [verdachte 3] aan [verdachte 1] of alles nog volgens schema ging en sprak hij uit dat hij hoopte dat ‘dit nieuwe jaar ons beter brengt’. Later die avond pingde [betrokkene 15] voor de zekerheid met [verdachte 1] , omdat de telefoon die zij hadden achtergelaten soms raar deed. [verdachte 1] maakte meteen van de gelegenheid gebruik om [betrokkene 15] naar het geld te vragen dat ze nog zouden krijgen.

Uit pingberichten tussen [verdachte 1] en [betrokkene 15] in de (vroege) ochtend van 7 januari 2013 volgt dat [verdachte 1] en [verdachte 3] zaten te wachten op een bevestiging van [betrokkene 15] dat het zetten van de zending cocaïne op de vlucht vanuit Lima naar Amsterdam was gelukt. [betrokkene 15] liet [verdachte 1] weten dat ze klaar konden staan, want het zat erop. De zending cocaïne zat in een groene koffer die tussen zakken was geplaatst in een container met nummer [AKE-containernummer] . [betrokkene 15] wist 100% zeker dat de zending op de vlucht aanwezig was. Hij stond garant want hij had de zoon van de man hier in garantie genomen. [verdachte 1] vroeg [verdachte 3] , die inmiddels op zijn werk was, het containernummer te controleren. Volgens [betrokkene 15] had de koffer geen nummer en bevatte deze in totaal vijf kilo cocaïne: twee van [verdachte 1] , twee van [betrokkene 15] en één om de onkosten van de vorige keer te dekken. [verdachte 1] verwachtte zeven kilo maar volgens [betrokkene 15] waren die twee kilo’s niet meer naar binnen gebracht, omdat hij eerst wilde zien hoe deze zending zou verlopen. Ook [betrokkene 14] pingde nog met [verdachte 1] om te controleren of deze de informatie over de zending had ontvangen.

Diezelfde ochtend rond 10:37 uur stapte [verdachte 3] op Schiphol ter hoogte van Vertrekhal 2 bij [verdachte 1] in de auto. Na ongeveer tien minuten stapte [verdachte 3] uit en liep via Vertrekhal 2 naar het deel van de luchthaven waar alleen geautoriseerde Schipholmedewerkers mogen komen. [verdachte 3] maakte daarbij gebruik van zijn Schipholpas.

Rond 11:00 uur vonden pinggesprekken plaats tussen [verdachte 1] , [betrokkene 14] en [betrokkene 15] . [verdachte 1] liet [betrokkene 14] weten dat volgens zijn man, [verdachte 3] , het nummer van de container niet klopte, waarop [betrokkene 14] antwoordde dat hij dat net van [betrokkene 5] had gehoord. [betrokkene 15] ging het controleren; hij had hier mensen in garantie. Om 14:29 uur pingde [verdachte 3] aan [verdachte 1] dat hij wilde weten hoe en wat, want de vlucht zou er over een uur zijn. Om 17:49 uur liet [betrokkene 15] [verdachte 1] weten dat de zending in het vliegtuig met registratie PHBQ was geladen en dat het containernummer [AKE-containernummer 2] moest zijn. Nadat [verdachte 3] dit nummer had gecontroleerd, kwam hij tot de conclusie dat de verzenders in Peru de zending in een postdoos hadden gedaan en daar kon hij niet bij. Ze hadden in Peru alles gedaan wat ze niet moesten doen. Onderzoek van de politie heeft uitgewezen dat container [AKE-containernummer 2] aan boord was van vlucht KL744, met registratie PHBQ, van Lima naar Amsterdam, aankomst op Schiphol op 7 januari 2013 om 15:30 uur, met als inhoud twintig dozen met tropische zoetwatervissen. In de container is geen extra doos en kennelijk ook geen koffer met cocaïne aangetroffen.

Wederom hadden de inspanningen van de verdachten geen geslaagde zending cocaïne opgeleverd. [verdachte 1] had er genoeg van en wilde zijn geld terug.

Nog diezelfde avond benaderde [verdachte 1] [betrokkene 15] en vroeg hem wanneer hij zijn geld zou krijgen. De volgende dag had [verdachte 1] pingcontact met [betrokkene 14] . Uit de pingberichten volgt dat [verdachte 1] zich afvroeg wanneer hij zijn geld zou krijgen, omdat hij zijn mensen moest betalen. [betrokkene 14] verzekerde hem dat binnen twee dagen conform de afspraak al het geld zou komen, plus de borg die ze hadden betaald. Op 8 januari 2013 informeerde [pingnaam betrokkene 6] bij [verdachte 1] hoe het was, waarop [verdachte 1] antwoordde dat ze het in de verkeerde hadden gedaan. [pingnaam betrokkene 6] antwoordde dat hij al iets dergelijks had vernomen. Uit pinggesprekken op 9 en 10 januari 2013 volgt dat [verdachte 1] aan [betrokkene 14] meldde dat hij van [betrokkene 5] had gehoord dat hij geen geld had ontvangen, terwijl aan [verdachte 1] de garantie was gegeven dat hij binnen twee dagen zijn geld zou krijgen. [betrokkene 14] pingde aan [verdachte 1] dat hij met [betrokkene 5] een week had afgesproken en dat hij $12.000 en € 5.000 had opgeëist: geld dat ze hadden gestuurd en borg. Op de vraag van [verdachte 1] of dat ook voor het geld van het ticket gold, antwoordde [betrokkene 14] dat alles erin zat en dat [verdachte 1] al $ 2.800 van zijn geld terug had, want dat had hij persoonlijk aan de vriend van [verdachte 1] gegeven.

De daaropvolgende periode werd gekenmerkt door gesteggel tussen [verdachte 1] met [betrokkene 14] en [betrokkene 15] over geld: het terugbetalen aan [verdachte 1] vanuit Peru verliep moeizaam. [betrokkene 15] had pas twee keer een bedrag van € 718 gestuurd. [verdachte 1] had voor niets mensen ingeschakeld die bij Western Union stonden om het geld te ontvangen. [betrokkene 15] had hem laten wachten als een hond. [verdachte 1] stelde aan [betrokkene 15] voor dat hij een man van hem naar [betrokkene 15] zou sturen om hem te helpen. Volgens [verdachte 1] was die man van hem gewelddadig en kreeg hij al het geld los van mensen. [verdachte 1] vroeg zowel [betrokkene 14] als [betrokkene 15] om in ieder geval de € 5.000 van de borg alvast te betalen. Op een gegeven moment kreeg [verdachte 1] van [betrokkene 5] te horen dat hij het niet meer met [betrokkene 15] mocht regelen, omdat [betrokkene 14] het ging regelen. Op 10 maart 2013 vroeg [verdachte 3] aan [verdachte 1] hoe het met zijn borg zat; het was de afspraak en hij had het al moeten hebben. [verdachte 1] gaf hem zijn woord dat hij het zou krijgen. Op 11 maart 2013 heeft [verdachte 1] de borg bij [verdachte 3] gebracht. Op 12 maart 2013 is tijdens de doorzoeking van de woning van [verdachte 3] € 5.000 aangetroffen in een herenjas; het was gebundeld in 100 bankbiljetten van elk € 50.

[verdachte 1] heeft in hoger beroep als getuige verklaard dat ze hebben geprobeerd cocaïne naar Nederland te krijgen en dat hij samen was met [betrokkene 5] . [betrokkene 5] had vrienden in Peru die de cocaïne regelden en [verdachte 1] regelde dat [verdachte 4] voor de communicatie naar Peru zou reizen. [verdachte 4] moest in Peru de datum doorgeven waarop [verdachte 3] aan het werk zou zijn en een BlackBerry en geld aan [verdachte 2] geven. [verdachte 1] heeft geregeld dat via Western Union geld naar Peru werd overgemaakt voor de cocaïne. [betrokkene 14] of [betrokkene 15] zou vanuit Peru het nummer van de container met daarin de bagage met cocaïne aan [verdachte 1] doorgeven, die dit nummer op zijn beurt zou doorspelen aan [verdachte 3] . [verdachte 3] zou de cocaïne uit de bagagecontainer halen. [verdachte 3] was ‘zijn’ man, aldus [verdachte 1] .

De verdachte heeft in hoger beroep verklaard dat hij zijn rol absoluut als een belangrijke aanmerkt. Het was zijn taak op Schiphol de bagage met daarin de cocaïne van de bagageband te halen en ermee het luchthavengebouw te verlaten om het vervolgens, nadat hij daartoe nadere instructies had gekregen, af te geven. Hij had als bagagemedewerker bij de KLM zowel toegang tot het computersysteem, met behulp waarvan hij kon zien op welke vlucht en in welke container de bagage met cocaïne zou aankomen, als toegang tot de bagagekelder waar hij de bagage met cocaïne van de bagageband zou halen. Op basis van zijn werkrooster werden dan ook de afspraken met de verzenders van de cocaïne in Peru gemaakt.

Slotoverwegingen

Ten aanzien van feit 1

Het hof overweegt ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde het volgende.

De kwalificatie medeplegen vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking, derhalve dat de bewezen verklaarde intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. De vraag of aan deze eis is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Te denken valt onder meer aan de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte en diens aanwezigheid op belangrijke momenten.

Het hof leidt uit de hiervoor weergegeven feitelijke gang van zaken af dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking bij het voorbereiden van de invoer van cocaïne, die in de kern heeft bestaan uit een gezamenlijke uitvoering. Hoewel feitelijk sprake is van twee verschillende invoertrajecten zoals beschreven in zaaksdossiers 2A en 2B, verhouden deze trajecten zich naar het oordeel van het hof als één onderling samenhangend verband tot elkaar, waarbij de verdachte van meet af aan betrokken is geweest. De verdachte voorzag de personen binnen de organisatie telkens van noodzakelijke informatie over zijn dienstrooster alsmede de data en tijden waarop hij als bagagemedewerker op de luchthaven Schiphol beschikbaar was om de cocaïne bij aankomst daar te onderscheppen, waarna hij deze, na het verlaten van de luchthaven, zou afgeven. Hij controleerde in het computersysteem op welke vlucht en in welke container de cocaïne zou aankomen en had toegang tot de bagagekelder om de cocaïne van de bagageband te halen. De invoer van de cocaïne in Nederland was afhankelijk van de verdachte, omdat hij de enige was die wist in welk bagagestuk de cocaïne zou binnenkomen en deze als bagagemedewerker op de luchthaven Schiphol kon onderscheppen. De verdachte is bovendien betaald voor zijn bijdrage door [verdachte 1] , één van de leden van de organisatie. Dat het transport niet is gelukt, maakt niet dat deze betaling niet bijdraagt aan het geheel van strafrechtelijk relevant handelen van de verdachte zoals ten laste is gelegd.

Door zijn handelingen heeft de verdachte een actieve en cruciale bijdrage geleverd aan de voorbereiding van de invoer. Het hof kwalificeert deze rol van de verdachte als die van medepleger.

Ten aanzien van feit 2

Aan de verdachte is tevens deelneming aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 11b van de Opiumwet ten laste gelegd. Het is vaste jurisprudentie dat deelneming aan een criminele organisatie kan worden aangenomen indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteuning biedt aan, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel beoogde oogmerk. Het samenwerkingsverband kenmerkt zich door een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en tenminste één andere persoon. Voor deelneming is voldoende dat de verdachte in zijn algemeenheid weet dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Dit oogmerk dient gelet op het ten laste gelegde te zijn gericht op het plegen van misdrijven die zijn opgenomen in de artikelen 10 en 10a van de Opiumwet. De verdachte hoeft geen wetenschap te hebben van één of verschillende misdrijven die door de organisatie worden beoogd. Als de deelnemer in de context van de organisatie zelf misdrijven pleegt, wordt doorgaans aan het opzetvereiste voldaan.

Uit de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden volgt naar het oordeel van het hof dat een organisatie met een zekere structuur en duurzaamheid heeft bestaan. Die structuur komt tot uiting in de relaties die diverse personen onderling hebben gehad, waarbij verschillende activiteiten met een criminele oriëntatie zijn uitgevoerd. Daarbij was sprake van een zekere rolverdeling die binnen een bandbreedte soms wisselde, maar in het algemeen continuïteit vertoonde. [verdachte 1] vervulde daarbij een spilfunctie: hij had het overzicht en onderhield, al dan niet door inschakeling van anderen zoals [verdachte 4] , de drugsgerelateerde contacten met de diverse betrokkenen in binnen- en buitenland. [verdachte 3] , ingeschakeld door [pingnaam betrokkene 6] , was verantwoordelijk voor het veiligstellen van de drugs op de luchthaven. De activiteiten lieten bovendien een repeterend patroon zien. Gedurende een periode van enige duur hebben de verdachte en zijn medeverdachten in een bestendige vorm van samenwerking geopereerd.

De organisatie heeft in zaaksdossier 2 (Peru) in ieder geval bestaan uit de personen: [verdachte 1] , [betrokkene 5] , [pingnaam betrokkene 6] , [verdachte 2] , [verdachte 3] en [verdachte 4] .

Het oogmerk van de organisatie heeft onder meer bestaan uit de in- en/of uitvoer van verdovende middelen, waarop de deelnemers een gemeenschappelijke oriëntatie hadden.

Het hof is van oordeel dat de bijdrage van de verdachte aan de verwezenlijking van het oogmerk substantieel is geweest en derhalve kan worden aangemerkt als deelneming in de zin van artikel 11b van de Opiumwet. Gespreid over een gedeelte van de ten laste gelegde pleegperiode blijkt van activiteiten van de verdachte die kunnen worden aangemerkt als een relevante en continue bijdrage aan de samenwerking en aan de realisering van het oogmerk. Dat de verdachte geen wetenschap van het bestaan van de organisatie heeft gehad, is in het licht van de redengevende feiten en omstandigheden volstrekt onaannemelijk.

Conclusie

Gelet op het hiervoor overwogene worden de verweren strekkende tot vrijspraak van het onder 1 en 2 ten laste gelegde verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1

hij in de periode van 1 november 2012 tot en met 2 januari 2013 (Zd 02A) en in de periode van 5 januari 2013 tot en met 15 januari 2013 (Zd 02B)

in Nederland en in Peru telkens tezamen en in vereniging met anderen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk afleveren, verstrekken, vervoeren en binnen het grondgebied van Nederland brengen van een aantal kilogram van een materiaal bevattende cocaïne

voor te bereiden en/of te bevorderen, telkens:

- anderen heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen en mede te plegen en om daarbij behulpzaam te zijn en om daartoe gelegenheid en middelen en inlichtingen te verschaffen, en

- voorwerpen en gelden voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,

immers hebben verdachte, en zijn mededaders opzettelijk telkens:

- vliegtickets aangeschaft voor reizen vanuit Nederland naar Zuid-Amerika (Peru) en terug en

- telefoongesprekken gevoerd en SMS- en pingberichten verzonden en uitgewisseld en afspraken gemaakt omtrent:

- (heimelijke) instructies voor hetgeen in Peru besproken diende te worden en

- het tijdstip waarop en/of de termijn waarbinnen de cocaïne in Peru zou worden overgedragen en/of afgeleverd en/of vervoerd (naar Nederland), en

- het met elkaar in contact brengen van personen in Peru en

- de prijs van de cocaïne en

- de geldbedragen die dienden te worden overgemaakt naar en/of vanuit Peru en

- de containers/bergplaats(en) waarin zich de cocaïne zou bevinden en

- het in ontvangst nemen van de cocaïne in Nederland op de luchthaven Schiphol en

- het ontvangen en/of geven van geldbedragen en/of beloningen (borg) en

- een dienstrooster en werktijden van een luchthavenmedewerker,

waarbij en/of waarna:

- zijn mededaders geldbedragen hebben overgemaakt naar Peru en/of vanuit Peru en

- zijn mededader zich opzettelijk per vliegtuig naar Peru heeft begeven teneinde aldaar persoonlijke ontmoetingen te hebben met andere mededaders en

- zijn mededader zich opzettelijk per vliegtuig vanuit Peru naar Nederland (Schiphol) heeft begeven en

- verdachte in een systeem heeft gezocht naar de aankomst / locatie van container(s) / bergplaats(en) van de cocaïne en

- verdachte en zijn mededader zich opzettelijk naar de luchthaven Schiphol hebben begeven teneinde aldaar te kijken of de cocaïne aangekomen was;

2

hij in de periode van 1 november 2012 tot en met 12 maart 2013 in Nederland en in Peru heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

- het opzettelijk verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, mede te plegen en om daarbij behulpzaam te zijn en daartoe gelegenheid, middelen en inlichtingen te verschaffen en voorwerpen en gelden voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest. Voorts is de verbeurdverklaring bevolen van het in beslag genomen geldbedrag van € 5.000.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, alsmede de verbeurdverklaring van het in beslag genomen geldbedrag van € 5.000.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht een gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijke gedeelte de duur van het voorarrest niet te boven gaat. Daarbij is gewezen op het feit dat de redelijke termijn is overschreden, dat de verdachte al behoorlijk is gestraft doordat hij zijn huis en baan is kwijtgeraakt en dat de duur van de strafzaak hem zowel psychisch als fysiek zwaar valt, zodat leedtoevoeging geen meerwaarde heeft. Daarnaast is gewezen op de bekennende proceshouding van de verdachte in hoger beroep en op de omstandigheid dat hij niet eerder met politie of justitie in aanraking is gekomen vanwege soortgelijke feiten.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, gelet op de persoon van de verdachte en daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich in georganiseerd verband samen met anderen schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen die gericht waren op de invoer van in totaal ongeveer 7 kilo cocaïne vanuit Peru en deelgenomen aan een organisatie die gericht was op het plegen van misdrijven zoals strafbaar gesteld bij de Opiumwet.

De verdachte was degene die de personen in de organisatie van essentiële informatie voorzag over de data en tijden waarop hij als bagagemedewerker beschikbaar was om de cocaïne bij aankomst op de luchthaven Schiphol voorafgaand aan de douanecontrole te onderscheppen. Zonder zijn medewerking was invoer niet mogelijk: de organisatie was dan ook afhankelijk van de dagen en tijden waarop de verdachte dienst had. Aldus fungeerde de verdachte als een onmisbare schakel in het geheel. Het hof rekent het de verdachte met name aan dat hij hierbij misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen van zijn werkgever en zijn privileges die hij als KLM-medewerker op Schiphol had.

Cocaïne is een voor de gezondheid van gebruikers ervan zeer schadelijke stof. Een hoeveelheid van ongeveer 7 kilogram is zodanig dat dit bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne wordt zowel direct als indirect in verband gebracht met vele vormen van criminaliteit en overlast, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. De verdachte heeft zich, naar moet worden aangenomen, louter door winstbejag laten leiden. Om de volksgezondheid te beschermen en om deze cyclus van strafbare feiten te beperken, zijn voorbereidingshandelingen gericht op de invoer van cocaïne met hoge straffen bedreigd. Hetzelfde geldt voor het lidmaatschap van een criminele organisatie als die waaraan de verdachte heeft deelgenomen.

Het hof heeft rekening gehouden met de omstandigheid dat de feiten reeds van enige tijd geleden dateren en met het feit dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 25 maart 2021 niet eerder ter zake van overtreding van de Opiumwet is veroordeeld.

Gelet op het voorgaande, in het bijzonder de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de rol die de verdachte daarbij vervulde, past naar het oordeel van het hof als sanctie slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Daarom kan noch worden volstaan met de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf, noch met de door de verdediging bepleite deels voorwaardelijke straf. Alles afwegende acht het hof in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 28 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in twee instanties is geschonden, zonder dat deze vertragingen aan de verdediging zijn te wijten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de termijn voor de berechting in eerste aanleg met 1 jaar is overschreden en dat de termijn voor de berechting in hoger beroep met ruim 3 jaren is overschreden.

Het hof zal de overschrijding van de redelijke termijn verdisconteren in de strafmaat en in plaats van een gevangenisstraf van de hiervoor vermelde duur een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden opleggen, met aftrek van voorarrest.

In beslag genomen geldbedragen

Verbeurdverklaring

Het in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedrag van € 5.000 behoort aan de verdachte toe. Het geld zal worden verbeurd verklaard, aangezien dit geheel of grotendeels door middel van het onder 1. en 2 ten laste gelegde en bewezen verklaarde is verkregen. Het hof heeft daarbij rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Teruggave aan de verdachte

Het hof gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedrag van € 1.766 aangezien het strafvorderlijk belang zich daartegen niet meer verzet.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 10a en 11b van de Opiumwet en de artikelen 33, 33a, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een geldbedrag van € 5.000.

Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een geldbedrag van € 1.766.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. W.M.C. Tilleman, mr. A.E. Kleene-Krom en mr. M. Senden, in tegenwoordigheid van mr. N.R. Achterberg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 juni 2021.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.