Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1766

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-06-2021
Datum publicatie
15-06-2021
Zaaknummer
23-001173-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte in een drugszaak uit 2012 (onderzoek Hyena) veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden.

Het hof acht bewezen dat de verdachte zich samen met twee mededaders schuldig heeft gemaakt aan het voorbereiden van de invoer van een aantal kilo cocaïne vanuit Peru. Om de communicatie te bewerkstelligen tussen de personen in het bronland en de personen in Nederland, is de verdachte afgereisd naar Peru. Daar heeft hij een BlackBerry en een bedrag ter betaling van de cocaïne afgegeven. Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan het overtreden van de Wet wapens en munitie door het voorhanden hebben van een stroomstootwapen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001173-16

datum uitspraak: 11 juni 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 11 maart 2016 in de strafzaak onder parketnummer 15-740200-13 tegen

[verdachte 4] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,

adres: [woonadres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12, 13, 14, 19 en 22 april 2021 en 28 mei 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep tegen voormeld vonnis ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is ten laste gelegd. De verdachte heeft het hoger beroep onbeperkt ingesteld en dit is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak.

Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, ten laste gelegd dat:

1

hij in of omstreeks de periode van 01 november 2012 tot en met 02 januari 2013 (zd 02A)

te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer, en/of Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, en/of Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of Uithoorn, in elk geval in Nederland, en/of in Peru en/of in Colombia (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een aantal kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

voor te bereiden en/of te bevorderen, (telkens)

- ( een) ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of te doen plegen en/of mede te plegen en/of uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- ( een) voorwerp(en) en/of (een) vervoermiddel(en) en/of (een) stof(fen) en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk (telkens)

- een of meer vliegtickets aangeschaft voor een of meer reizen vanuit Nederland naar Zuid-Amerika (Peru en Colombia) (en terug) en/of

- één of meer telefoongesprekken gevoerd en/of één of meer SMS-en/of Pin(g)berichten verzonden en/of uitgewisseld en/of één of meer afspra(a)k(en) gemaakt omtrent

* (heimelijke) instructies voor hetgeen in Peru besproken diende te worden en/of

* het tijdstip, waarop en/of de termijn, waarbinnen de hoeveelheid cocaïne in Peru zou (moeten) worden overgedragen en/of afgeleverd en/of vervoerd (naar Nederland), en/of

* het (met elkaar) in contact brengen van personen in Peru en/of

* de prijs van de hoeveelheid cocaïne en/of

* de geldbedragen die dienden te worden overgemaakt naar en/of vanuit Peru en/of

* de containers/bergplaats(en) waarin zich de hoeveelheid/hoeveelheden cocaïne zouden moeten bevinden en/of

* het in ontvangst nemen van de hoeveelheid/hoeveelheden cocaïne in Nederland (op de luchthaven Schiphol) en/of

* het ontvangen en/of geven van een of meer geldbedragen en/of beloningen (borg) en/of

* dienstroosters en/of werktijden (van een of meer luchthavenmedewerker(s)),

waarbij en/of waarna

- verdachte en/of zijn mededader(s) een of meer geldbedragen heeft / hebben overgemaakt naar Peru en/of vanuit Peru en/of

- ( één of meer van) zijn mededader(s), zich opzettelijk (per vliegtuig) naar Zuid-Amerika (Peru en/of Colombia) heeft/hebben begeven teneinde aldaar één of meer persoonlijke ontmoetingen te hebben met één of meer (andere) mededader(s) en/of

- ( één of meer van) zijn mededader(s), zich opzettelijk (per vliegtuig) vanuit Zuid-Amerika (Peru en/of Colombia) naar Nederland (Schiphol) heeft/hebben begeven en/of

- verdachte en/of zijn mededader(s) één of meermalen in een of meer systeem/systemen heeft/hebben gezocht naar de aankomst / locatie van container(s) / bergplaats(en) van de hoeveelheid/hoeveelheden verzonden cocaïne en/of

- verdachte en/of zijn mededader(s), zich opzettelijk naar de luchthaven Schiphol heeft/hebben begeven teneinde aldaar één of meer malen te kijken of de hoeveelheid/hoeveelheden cocaïne aangekomen was/waren;

3

hij op of omstreeks 12 maart 2013 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, (een) wapen(s) van categorie II onder 5°, te weten een handwapen waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, niet zijnde een medisch hulpmiddel, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt en een andere bewijsconstructie hanteert dan de rechtbank.

Bewijsoverwegingen

Feit 1: zaaksdossier 2A Peru

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het medeplegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft op gronden als nader verwoord in de pleitnotities bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem onder 1 is ten laste gelegd. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte feitelijk slechts op verzoek van [verdachte 1] een communicatiemiddel en geld heeft afgegeven in Peru en geen wetenschap had van het daarmee kennelijk verband houdende voorgenomen cocaïnetransport. Het door hem in Peru ontvangen geld was afkomstig van een vriend/buurjongen en was uitsluitend voor zichzelf bedoeld en dus geenszins gerelateerd aan een beoogd transport. Ook het geldbedrag dat hij naar Nederland mee terug heeft genomen kan niet aan het transport worden gekoppeld: dit was waarschijnlijk het restantbedrag van het geld dat hij van [verdachte 1] had meegekregen. De werkelijke rol en bijdrage van de verdachte zijn te gering geweest om van medeplegen te spreken. Zijn rol is niet onmisbaar geweest en de pinggesprekken zijn, voor zover deze al aan de verdachte zijn toe te schrijven, te vaag om daaruit te concluderen dat hij zich heeft beziggehouden met voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet. Dat in de pingberichten over geld is gesproken, doet daaraan niet af, aldus de raadsvrouw.

Het oordeel van het hof

Algemene overwegingen

Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting zijn de volgende telefoonnummers en ping- en/of bijnamen aan de hierna te noemen personen toe te schrijven:

- [verdachte 1] maakte gebruik van de telefoonnummers [A-telefoonnummer] , [B-telefoonnummer] , [C-telefoonnummer] en [D-telefoonnummer] en hij kan gekoppeld worden aan de pingnamen ‘ [pingnaam A verdachte 1] ’, ‘ [pingnaam B verdachte 1] ’, ‘ [pingnaam C verdachte 1] ’, ‘ [pingnaam D verdachte 1] ’, ‘ [voornaam verdachte 1] ’ en ‘ [pingnaam E verdachte 1] ’.

- [verdachte 2] maakte gebruik van de telefoonnummers [J-telefoonnummer] en [K-telefoonnummer] en had als pingnamen ‘ [pingnaam A verdachte 2] ’ en ‘ [pingnaam B verdachte 2] ’, in een aantal varianten.

  • -

    [verdachte 4] maakte gebruik van de telefoonnummers [N-telefoonnummer] en [O-telefoonnummer] en de pingnaam ‘ [pingnaam verdachte 4] ’.

  • -

    [verdachte 3] maakte gebruik van het telefoonnummer [P-telefoonnummer] en had als pingnaam ‘ [pingnaam verdachte 3] ’.

  • -

    [betrokkene 5] maakte gebruik van het telefoonnummer [S-telefoonnummer] .

Redengevende feiten en omstandigheden

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen, die in de bijlage bij dit arrest zijn opgenomen, stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

Begin november 2012 werd [verdachte 3] , bagagemedewerker bij de Koninklijke Luchtvaart Maatschappij (KLM) op Schiphol, benaderd door [pingnaam betrokkene 6] (geïdentificeerd als [betrokkene 6] ) met de vraag of hij tegen betaling op Schiphol bagage met daarin cocaïne uit een bagagecontainer wilde halen. [verdachte 3] ging akkoord, waarna een ontmoeting tussen [verdachte 3] , [betrokkene 6] en [verdachte 1] heeft plaatsgevonden. Tijdens die ontmoeting heeft [verdachte 1] aan [verdachte 3] een BlackBerry-telefoon (hierna: BlackBerry) gegeven met daarin de pingnaam [pingnaam verdachte 3] . Via deze telefoon zouden zij contact hebben. [verdachte 1] zou [verdachte 3] € 5.000 per kilo ingevoerde cocaïne betalen en er is afgesproken dat [verdachte 3] € 5.000 zou krijgen als de invoer van de cocaïne niet zou lukken. [verdachte 3] heeft zijn werkrooster doorgegeven.

[verdachte 3] heeft verklaard dat [verdachte 1] aan de hand van zijn werkrooster de afspraken met de verzenders van de cocaïne in Peru zou maken; hij moest immers aan het werk zijn als de cocaïne op Schiphol aankwam. [verdachte 3] heeft ook een lijst gemaakt van luchthavens in Zuid-Amerika en op de Nederlandse Antillen met de vluchtnummers en aankomsttijden in Amsterdam van vluchten vanaf die luchthavens in de periode van maandag tot en met zondag.

Uit pingcontacten tussen [verdachte 3] en [verdachte 1] op 24 november 2012 volgt dat [verdachte 1] met [verdachte 3] afstemde wanneer de cocaïne kon worden verzonden (‘gezet’) en dat zij het over de betaling aan [verdachte 3] hadden. [verdachte 1] vroeg aan [verdachte 3] of hij door kon geven dat ze konden komen, waarop [verdachte 3] antwoordde dat het op maandag kon, maar dat hij dan wel vandaag bij [verdachte 1] zijn geld wilde halen. ‘s Avonds liet [verdachte 1] weten dat het op maandag niet zou lukken en vroeg aan [verdachte 3] wat de volgende optie zou zijn. [verdachte 3] gaf door dat zaterdag een optie was en vroeg wanneer [verdachte 1] het geld kwam brengen; hij had geen zin het steeds te moeten vragen. [verdachte 1] vroeg hem een beetje geduld te hebben, hij zou het hem geven.

Vanaf half december 2012 hadden [verdachte 3] en [pingnaam betrokkene 6] pingcontact waarbij zij bespraken dat zij klaar waren met [verdachte 1] omdat hij zijn afspraken niet nakwam. Op 16 december 2012 heeft tussen [verdachte 1] en [verdachte 3] een pinggesprek plaatsgevonden waaruit volgt dat een transport niet meer doorging en dat het een fout van [verdachte 1] was. [verdachte 1] verontschuldigde zich bij [verdachte 3] voor zijn laksheid en slechte afspraken, maar het probleem laatst was dat een koerier was gepakt met iets in zijn tas en dat het toen blauw zag van de politie. [verdachte 3] wilde het nog wel een kans geven, waarop [verdachte 1] antwoordde dat het weer kon en dat het dus goed zou komen. De volgende dag om 05:55 uur en 06:22 uur informeerde [verdachte 3] [verdachte 1] dat hij net had gekeken en dat er één doos/box kwam. Om 06:24 uur pingde [verdachte 3] naar [pingnaam betrokkene 6] dat er geen ‘ontbijtservices’ waren vandaag en om 06:26 uur naar [verdachte 1] dat hij er klaar mee was, ze konden het gewoon niet en het duurde te lang. Kennelijk is ook dit transport niet doorgegaan.

Uit telefoongesprekken tussen [verdachte 1] en [betrokkene 5] op 18 en 19 december 2012 volgt dat een ticket was gekocht voor ‘de jongen’. Op zaterdag 22 december 2012 is [verdachte 4] met een vlucht van Air France via Parijs naar Lima in Peru gereisd. [verdachte 1] heeft verklaard dat ‘de jongen’ [verdachte 4] is, dat hij hem heeft gevraagd naar Peru te gaan en dat [betrokkene 5] het ticket heeft betaald. [verdachte 1] gaf [verdachte 4] tijdens zijn reis via pingcontact de instructies dat hij een pen en papier moest regelen omdat hij hem informatie zou geven die hij in het vliegtuig uit zijn hoofd moest leren, dat hij moest zeggen dat hij de vlucht van Madrid had gemist en toen via Parijs was gekomen, dat hij bij de reden van zijn bezoek aan Peru op het formulier ‘familie en plezier’ moest invullen en dat hij in Lima zou worden opgehaald door een vriend van hem die gewoon Nederlands sprak ( [betrokkene 14] ). Ook droeg [verdachte 1] hem op elke keer de pinggesprekken te wissen. [verdachte 4] was in Lima nodig voor de communicatie: hij moest aan de verzenders van de cocaïne de datum doorgeven waarop [verdachte 3] aan het werk was en een BlackBerry en € 4.000 overhandigen aan [verdachte 2] , die op dinsdag vanuit Colombia in Lima zou arriveren. [verdachte 1] had [verdachte 2] gevraagd naar Lima te gaan om voor hem te communiceren. [betrokkene 14] en [betrokkene 15] , vrienden van [betrokkene 5] , zouden de cocaïne regelen. Toen bleek dat [verdachte 2] niet naar Peru zou komen, heeft [verdachte 4] de BlackBerry en het geld aan [betrokkene 14] overhandigd.

Op 23 december 2012 pingde [verdachte 1] met [verdachte 3] met de mededeling dat hij goed nieuws had waarna hij met zowel [verdachte 3] in Purmerend als met [pingnaam betrokkene 6] in Hoorn een ontmoeting heeft gehad.

Op maandag 24 december 2012 zocht [verdachte 1] via de BlackBerry van [verdachte 4] (met pingnaam [pingnaam verdachte 4] ) contact met [betrokkene 14] en vroeg hem of zij dinsdag, woensdag of donderdag zouden kunnen. Zijn man, [verdachte 3] , kon alleen die drie dagen, want daarna had hij vakantie. Uit het gesprek volgt dat [betrokkene 14] dacht dat het wel zou lukken en dat hij het de volgende dag zou laten weten. [betrokkene 14] vroeg [verdachte 1] naar de betaling. [betrokkene 5] zou nog geld sturen voor twee kilo, waarop [verdachte 1] antwoordde dat [betrokkene 14] nu € 4.000 had en dat morgen de rest van het geld zou worden geregeld. Volgens [betrokkene 14] kostten die twee kilo $ 10.500 en moest er dus nog € 5.500 komen.

Later die dag liet [betrokkene 14] aan [verdachte 1] weten dat het akkoord was om de cocaïne op dinsdag vanuit Lima te verzenden zodat het op woensdag in Amsterdam zou aankomen. Ook gaf [betrokkene 14] vijf namen van personen in Peru aan [verdachte 1] door naar wie hij geld kon verzenden. Vervolgens heeft [verdachte 1] aan verschillende personen in Nederland opdracht gegeven geld te verzenden naar de door [betrokkene 14] opgegeven personen in Peru. Uit diverse pingberichten blijkt dat er problemen waren met deze betalingen vanuit Nederland: het was Kerstavond en de kantoren van Western Union bleken gesloten te zijn. [betrokkene 14] liet [verdachte 1] weten dat de verzending van de cocaïne op dinsdag, zonder dat er was betaald, niet zou lukken; er waren harde afspraken gemaakt. Uiteindelijk belde [verdachte 1] op dinsdag 25 december 2012 met het GWK Western Union op Schiphol. Dit kantoor bleek wel geopend te zijn, waarna diezelfde dag in opdracht van [verdachte 1] door vier personen een totaalbedrag van € 4.043 is overgemaakt naar vier personen in Peru, onder wie [verdachte 4] . Uiteindelijk was het verschuldigde geldbedrag niet op tijd in Peru en ging de zending met cocaïne niet door.

Een nieuwe datum werd afgesproken: de cocaïne zou op donderdag 27 december 2012 worden verzonden en op vrijdag 28 december 2012 op Schiphol aankomen. [verdachte 4] moest daarom langer in Lima blijven. [verdachte 1] beloofde [betrokkene 14] meer geld te sturen. [betrokkene 14] had nog $ 1.900 nodig. In opdracht van [verdachte 1] heeft [betrokkene 14] de vertrekdatum van het ticket van [verdachte 4] gewijzigd naar een later moment en hebben twee personen in Nederland via het GWK Western Union in totaal € 1.469,22 naar twee personen in Peru verzonden, onder wie [verdachte 4] . Op 28 december 2012 zaten [verdachte 1] en [verdachte 3] in Nederland klaar om de zending te ontvangen, maar wederom bleek de cocaïne niet verzonden te zijn; op de luchthaven in Lima waren teveel autoriteiten aanwezig. De verzenders in Peru wilden op 28 december 2012 nog een keer proberen de cocaïne naar Amsterdam te verzenden. [verdachte 3] maakte aan [verdachte 1] kenbaar dat dat niet mogelijk was; de eerste optie om te verzenden was 6 januari 2013 ( [verdachte 3] werkte niet van 29 december 2012 tot en met 6 januari 2013). [verdachte 1] liet [betrokkene 14] weten dat hij, zoals was afgesproken, de kosten en de borg terug wilde en dat [verdachte 4] dat geldbedrag op 29 december 2012 mee terug naar Nederland moest nemen. [betrokkene 14] ging akkoord. Hij zou het geld afhandelen en de vriend van [verdachte 1] zou ermee terugvliegen. Als de verzenders zeker van hun zaak zouden zijn (zending van 6 januari 2013) zou [verdachte 1] [verdachte 4] volgende week opnieuw hun kant opsturen. Op 29 december 2012 had [verdachte 4] nog niet het gehele bedrag ontvangen. Hij moest blijven om alles ‘terug te kunnen nemen’ en wijzigde in opdracht van [verdachte 1] wederom de vertrekdatum van zijn ticket naar een later moment.

Uit pingberichten van 29 december 2012 tussen [verdachte 4] en [verdachte 1] volgt dat [verdachte 4] van [betrokkene 14] had begrepen dat er een nieuwe datum zou komen en dat extra cocaïne zou worden verzonden om de kosten (van de eerdere mislukte zending) te dekken. [verdachte 1] voelde daar echter niets voor; hij wilde geen nieuwe afspraak zonder eerst het geld te krijgen. Volgens [verdachte 4] dacht [betrokkene 5] daar anders over en hij vroeg [verdachte 1] contact op te nemen met [betrokkene 5] , hetgeen [verdachte 1] vervolgens deed. Diezelfde avond vroeg [verdachte 1] aan [verdachte 3] of ze op 7 januari 2013 konden gaan ‘stappen’, waarop [verdachte 3] op 30 december 2012 antwoordde: “Ja, is goed gezellig”. Diezelfde dag informeerde [pingnaam betrokkene 6] bij [verdachte 1] of [verdachte 2] nog zou komen.

[verdachte 4] arriveerde op 2 januari 2013 vanuit Lima op Schiphol. Tijdens een douanecontrole bleek dat hij $ 2.800 bij zich had. [verdachte 1] haalde hem op. [verdachte 4] had de BlackBerry in Lima achtergelaten en communiceerde met zijn eigen telefoon.

Conclusie

Het hof overweegt ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde het volgende.

De kwalificatie medeplegen vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking, derhalve dat de bewezen verklaarde intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. De vraag of aan deze eis is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Te denken valt onder meer aan de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte en diens aanwezigheid op belangrijke momenten.

Het hof leidt uit de hiervoor weergegeven feitelijke gang van zaken af dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking bij het voorbereiden van de invoer van cocaïne, die in de kern heeft bestaan uit een gezamenlijke uitvoering. De verdachte heeft door het afleveren van de BlackBerry immers de communicatie mogelijk gemaakt tussen de verzenders uit het bronland en de andere organisatoren van het cocaïnetransport en heeft ten behoeve van de aankoop van de cocaïne geld meegebracht voor de verzenders uit het bronland en dat geld ook deels ter plaatse ontvangen. Verder heeft hij zijn terugreis uitgesteld omdat men het geld voor het beoogde cocaïnetransport niet bij elkaar kreeg en heeft hij het geld, dat door het mislukte transport onbruikbaar was geworden, mee teruggenomen naar Nederland. Het hof acht volstrekt onaannemelijk dat de verdachte geen wetenschap zou hebben gehad van het voorgenomen cocaïnetransport, in het licht van de redengevende feiten en omstandigheden in het bijzonder het op kosten van een ander afreizen naar Peru, enkel voor het afleveren van een BlackBerry en een bedrag van € 4000, waarbij de onderlinge communicatie telkens moest worden gewist.

Het hof is van oordeel dat redelijkerwijs tot geen andere conclusie kan worden gekomen dan dat de verdachte niet alleen wist van de voorgenomen cocaïnesmokkel, maar ook een actieve en cruciale bijdrage heeft geleverd aan de voorbereiding van die invoer. Het hof kwalificeert deze rol van de verdachte als die van medepleger.

Dit brengt mee dat het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen. Het ter zake gevoerde verweer wordt verworpen.

Feit 3: zaaksdossier 8 stroomstootwapen

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het voorhanden hebben van een stroomstootwapen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat de verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken. De verdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat het stroomstootwapen in zijn woning lag. Gelet op deze verklaring kan de vraag worden gesteld of hij de beschikkingsmacht daarover heeft gehad.

Het oordeel van het hof

Op 12 maart 2013 was een doorzoeking in de slaapkamer van de verdachte in de woning aan [woonadres] . Daarbij werd een stroomstootwapen aangetroffen en in beslag genomen. Dit stroomstootwapen is een voorwerp in de zin van artikel 2, eerste lid, categorie 11, onder 5 van de Wet Wapens en Munitie.

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel voorhanden hebben als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie is vereist, dat sprake is geweest van een meer of mindere mate van bewustheid bij de verdachte omtrent de aanwezigheid van het wapen. Ook is vereist dat de verdachte feitelijke macht over het wapen kan uitoefenen, in de zin dat hij daarover kan beschikken.

In bijzondere omstandigheden volstaat de enkele mogelijkheid tot het uitoefenen van feitelijke macht over het wapen niet voor het oordeel dat de verdachte dat wapen voorhanden had in de zin van voormeld artikel; bijvoorbeeld wanneer iemand onverhoeds of ongewild kortstondig een wapen van een ander in handen krijgt of wanneer iemand onverwacht kennis krijgt van de aanwezigheid in zijn nabijheid van een wapen van een ander, terwijl hij redelijkerwijs daarvan niet direct afstand kan nemen.

Het hof kent betekenis toe aan de plaats waar het wapen is aangetroffen, namelijk in de slaapkamer van de verdachte. Ook kent het hof gewicht toe aan de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, dat hij wist dat het stroomstootwapen in de woning lag.

Nu daarnaast gesteld noch gebleken is dat de verdachte redelijkerwijs niet direct afstand had kunnen nemen van het wapen, is het hof van oordeel dat de verdachte de beschikkingsmacht heeft gehad over het wapen. Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1

hij in de periode van 15 december 2012 tot en met 2 januari 2013 in Nederland en in Peru tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk afleveren, verstrekken, vervoeren en binnen het grondgebied van Nederland brengen van een aantal kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- anderen heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen en mede te plegen en om daarbij behulpzaam te zijn en om daartoe gelegenheid en middelen en inlichtingen te verschaffen en

- voorwerpen en gelden voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,

immers hebben verdachte en zijn mededaders opzettelijk:

- vliegtickets aangeschaft voor reizen vanuit Nederland naar Zuid-Amerika (Peru) en terug en

- telefoongesprekken gevoerd en SMS- en pingberichten verzonden en uitgewisseld en afspraken gemaakt omtrent:

-(heimelijke) instructies voor hetgeen in Peru besproken diende te worden en

- het tijdstip waarop en de termijn waarbinnen de cocaïne in Peru zou worden overgedragen en/of afgeleverd en/of vervoerd naar Nederland en

- het met elkaar in contact brengen van personen in Peru en

- de prijs van de cocaïne en

- de geldbedragen die dienden te worden overgemaakt naar en/of vanuit Peru en

- de containers/bergplaats(en) waarin zich de cocaïne zou bevinden en

- het in ontvangst nemen van de cocaïne in Nederland op de luchthaven Schiphol en

- het ontvangen en/of geven van geldbedragen en/of beloningen (borg) en

- een dienstrooster en werktijden van een luchthavenmedewerker,

waarbij en/of waarna:

- zijn mededaders geldbedragen hebben overgemaakt naar Peru en/of vanuit Peru en/of

- verdachte zich opzettelijk per vliegtuig naar Peru heeft begeven teneinde daar persoonlijke ontmoetingen te hebben met andere mededaders en

- verdachte zich opzettelijk per vliegtuig vanuit Peru naar Nederland (Schiphol) heeft begeven;

3

hij op 12 maart 2013 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, een wapen van categorie II onder 5°, te weten een handwapen waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, niet zijnde een medisch hulpmiddel, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen onder 1 en 3 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, mede te plegen en om daarbij behulpzaam te zijn en daartoe gelegenheid, middelen en inlichtingen te verschaffen en voorwerpen en gelden voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte ter zake van het in eerste aanleg onder 1 en 3 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijke gedeelte gelijk is aan de duur van het voorarrest, met een proeftijd van 1 jaar. Aan haar verzoek heeft de raadsvrouw ten grondslag gelegd dat de redelijke termijn is overschreden, dat de verdachte slechts een relatief korte periode in het onderzoek in beeld is geweest en daarin slechts een incidentele rol heeft gehad, dat leedtoevoeging na 9 jaren geen meerwaarde meer heeft en dat hij sinds de onderhavige feiten niet meer met politie of justitie in aanraking is gekomen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen die gericht waren op de invoer van een aantal kilo cocaïne vanuit Peru. Om de communicatie te bewerkstelligen tussen de personen in het bronland en de personen in Nederland, is de verdachte afgereisd naar Peru. Daar heeft hij een BlackBerry en een bedrag ter betaling van de cocaïne afgegeven. Aldus fungeerde de verdachte als een onmisbare schakel in het geheel.

Cocaïne is een voor de gezondheid van gebruikers ervan zeer schadelijke stof. De in te voeren hoeveelheid is van een zodanig gewicht dat de verdovende middelen bestemd moeten zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne wordt zowel direct als indirect in verband gebracht met vele vormen van criminaliteit en overlast, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. De verdachte heeft zich, naar moet worden aangenomen, louter door winstbejag laten leiden. Om de volksgezondheid te beschermen en om deze cyclus van strafbare feiten te beperken, zijn voorbereidingshandelingen gericht op de invoer van cocaïne met hoge straffen bedreigd.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het overtreden van de Wet wapens en munitie door het voorhanden hebben van een stroomstootwapen. Het ongecontroleerde bezit van wapens levert een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen op.

Het hof heeft ten slotte rekening gehouden met de omstandigheid dat de feiten reeds van enige tijd geleden dateren en met het feit dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 25 maart 2021 niet eerder ter zake van overtreding van de Opiumwet is veroordeeld.

Gelet op het voorgaande, in het bijzonder gelet op de aard en de ernst van het onder 1 bewezen verklaarde feit en de verbindende rol die de verdachte daarin heeft vervuld, past naar het oordeel van het hof als sanctie slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur. Het hof ziet, anders dan de advocaat-generaal en de verdediging, geen aanleiding een gedeelte van de straf voorwaardelijk op te leggen. Alles afwegende acht het hof in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in twee instanties is geschonden, zonder dat deze vertragingen aan de verdediging zijn te wijten. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de termijn voor de berechting in eerste aanleg met 1 jaar is overschreden en dat de termijn voor de berechting in hoger beroep met ruim 3 jaren is overschreden.

Het hof zal de overschrijding van de redelijke termijn verdisconteren in de strafmaat en in plaats van een gevangenisstraf van de hiervoor vermelde duur, een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden opleggen, met aftrek van voorarrest.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 10a van de Opiumwet, de artikelen 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. W.M.C. Tilleman, mr. A.E. Kleene-Krom en mr. M. Senden, in tegenwoordigheid van mr. N.R. Achterberg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 juni 2021.