Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1757

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-06-2021
Datum publicatie
30-06-2021
Zaaknummer
200.283.615/01 en 200.283.621/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2020:5164
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2020:5162
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vordering tot schorsing uitvoerbaar bij voorraadverklaring van veroordeling in bodemzaak (ECLI:NL:GHAMS:2020:1834) hangende cassatieberoep. Belangenafweging (ECLI:NL:HR:2019:2026). Kerkelijk recht: in bodemzaak is voor recht verklaard dat het Maagdenhuis een kerkelijke rechtspersoon is en dat het bestuur niet wordt gevormd door de feitelijke bestuurders, maar door de personen die door het bisdom zijn benoemd. Kunnen de door het bisdom benoemde bestuurders rechten ontlenen aan het arrest in de bodemprocedure dat nog niet in kracht van gewijsde is gegaan?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RBP 2021/80
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummers: 200.283.615/01 en 200.283.621/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam: C/13/687937 / KG ZA 20-682 en

C/13/687313 / KG ZA 20-644

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 8 juni 2021

zaaknummer 200.283.621/01:

de kerkelijke rechtspersoon HET BISDOM HAARLEM-AMSTERDAM,

gevestigd te Haarlem,

appellant,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen

1 STICHTING HET ROOMSCH CATHOLIJK MAAGDENHUIS,

gevestigd te Amsterdam ,

2. [geïntimeerde sub 2],

wonend te [woonplaats] ,

3. [geïntimeerde sub 3],

wonend te [woonplaats] ,

4. [geïntimeerde sub 4],

wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

advocaat: mr. A.F.J.A. Leijten te Amsterdam,

zaaknummer 200.283.615/01:

1 [appellant sub 1] ,

wonend te [woonplaats] ,

2. [appellant sub 2],

wonend te [woonplaats] ,

3. [appellant sub 3],

wonend te [woonplaats] ,

appellanten,

advocaat: mr. J.G.A. Struycken te Amsterdam,

tegen

1 [geïntimeerde sub 2] ,

wonend te [woonplaats] ,

2. [geïntimeerde sub 3],

wonend te [woonplaats] ,

3. [geïntimeerde sub 4],

wonend te [woonplaats] ,

4. STIBBE N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

5. STICHTING HET ROOMSCH CATHOLIJK MAAGDENHUIS,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerden,

advocaat: mr. A.F.J.A. Leijten te Amsterdam.

1 De beide zaken in het kort

1.1.

De beide procedures zullen hierna worden aangeduid als de bisdomzaak, respectievelijk de bestuurderszaak. Partijen zullen hierna als volgt worden aangeduid:

- appellant in de bisdomzaak als het bisdom;

- geïntimeerden in de bisdomzaak als [geïntimeerden] (afzonderlijk het Maagdenhuis, [geïntimeerde sub 2] , [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] );

- appellanten in de bestuurderszaak als [appellanten] (afzonderlijk [appellant sub 1] , [appellant sub 2] en [appellant sub 3] );

- geïntimeerden in de bestuurderszaak als [geïntimeerden] (afzonderlijk het Maagdenhuis, [geïntimeerde sub 2] , [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] ) en Stibbe

- [geïntimeerde sub 2] , [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] gezamenlijk: de feitelijke bestuurders.

1.2.

Beide zaken vloeien voort uit een bodemprocedure tussen het bisdom als appellant en [geïntimeerden] als geïntimeerden waarin dit hof op 30 juni 2020 eindarrest heeft gewezen (ECLI:NL:GHAMS:2020:1834; hierna: het arrest in de bodemprocedure). De bodemprocedure gaat onder meer over de vraag of het Maagdenhuis moet worden aangemerkt als stichting naar burgerlijk recht, dan wel als kerkelijke rechtspersoon in de zin van art. 2:2 BW. Het hof heeft geoordeeld dat het Maagdenhuis een kerkelijke rechtspersoon is.

In het verlengde daarvan strijden partijen in de bodemprocedure over de samenstelling van het bestuur van het Maagdenhuis. Het hof heeft voor recht verklaard dat de feitelijke bestuurders niet het ambt van bestuurder van het Maagdenhuis hebben verkregen en dat de in de dagvaarding in de bodemprocedure genoemde personen dat ambt wel hebben verkregen. De benoeming van deze bestuurders geschiedde door, althans onder bekrachtiging van [naam bisschop] , in hoedanigheid van bisschop van het bisdom (hierna: de bisschop). Verder heeft het hof [geïntimeerden] (uitvoerbaar bij voorraad) geboden om (i) de nieuwe bestuurders toegang tot de administratie te verlenen en (ii) met hen in overleg te treden om hen in staat te stellen hun bestuurdersfunctie uit te oefenen.

Tegen het arrest in de bodemprocedure is cassatieberoep ingesteld. In de thans aanhangige kort gedingen twisten partijen onder meer over de tenuitvoerlegging van het arrest in de bodemprocedure in afwachting van de uitkomst in cassatie. Kort gezegd heeft de voorzieningenrechter in beide zaken geoordeeld ten gunste van [geïntimeerden]

2 Feiten in beide zaken

De voorzieningenrechter heeft in de bestreden vonnissen onder 2 de feiten weergegeven waarvan hij is uitgegaan. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil. Het hof gaat samengevat uit van de volgende feiten.

2.1.

Partijen zijn sinds ongeveer tien jaar verwikkeld in een discussie en in gerechtelijke procedures over de vraag of het Maagdenhuis (opgericht in 1570 als weeshuis voor Rooms Katholieke meisjes en sinds 1953 een charitatieve instelling met een aanzienlijk vermogen) een civielrechtelijke stichting is, of een zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap.

2.2.

Sinds jaar en dag staat het Maagdenhuis in het handelsregister vermeld als civielrechtelijke stichting, met als huidige bestuurders [geïntimeerde sub 2] , [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] . Deze bestuurders zijn niet door de bisschop benoemd en hun benoeming is ook niet door de bisschop bekrachtigd. Bij decreet van 10 juli 2013 heeft de bisschop, overwegende dat de benoeming van deze bestuurders niet rechtsgeldig is en zij het kerkrechtelijk karakter van de instelling ook niet erkennen, tot bestuurders van het Maagdenhuis benoemd [appellant sub 1] , [appellant sub 2] en [naam van door de bisschop benoemd bestuurder] . Op 20 april 2018 heeft de bisschop de benoeming van [appellant sub 3] tot bestuurslid van het Maagdenhuis bekrachtigd.

2.3.

Nadat een kerkrechtelijke procedure was doorlopen, waarin laatstelijk door de Congregatie voor de Clerus is geoordeeld dat het Maagdenhuis een zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap is, is het bisdom een civiele procedure begonnen om dat karakter in rechte erkend te krijgen. In ieder geval in de civiele procedures zijn [geïntimeerden] bijgestaan door advocaten van advocatenkantoor Stibbe.

2.4.

Op 16 december 2014 hebben de feitelijke bestuurders het bisdom toegezegd voor de duur van de bodemprocedure bij deze rechtbank geen bijzondere beheershandelingen te zullen verrichten die buiten de normale gang van zaken van het Maagdenhuis vallen. Die toezegging geldt inmiddels voor de gehele procedure in de bodemzaak.

2.5.

Op 18 mei 2017 heeft het bisdom via haar advocaat aan mr. Fleming (Stibbe) laten weten te verwachten de dagvaarding voor de bodemprocedure bij de rechtbank de week erna te laten betekenen, en daarbij meegedeeld dat het bisdom zou afzien van het vragen van een dwangsom als [geïntimeerden] vrijwillig zouden voldoen aan een eventuele veroordeling. Op 23 mei 2017 heeft mr. Fleming bevestigd dat zijn cliënten vrijwillig aan een eventuele veroordeling zouden voldoen.

2.6.

In de bodemprocedure heeft de rechtbank het bisdom bij vonnis van 28 juli 2018 in het ongelijk gesteld. In verband met het instellen van hoger beroep in de bodemprocedure heeft het bisdom via zijn advocaat aan mr. Fleming bij e-mail van 22 oktober 2018 geschreven:

“Uw cliënten hebben toegezegd – kort gezegd – geen rechtshandelingen te zullen verrichten zolang de procedure voortduurt [blijkens latere e-mails is gedoeld op ‘handelingen met een buitengewoon karakter’ – hof]. In aansluiting daarop heeft mijn cliënte ervan afgezien bewarende maatregelen te nemen. Ook hebben uw cliënten toegezegd vrijwillig aan de uitspraak te zullen voldoen, mocht er een voor hen ongunstige uitspraak komen. Wederom in aansluiting daarop heeft mijn cliënte ervan afgezien een eventuele veroordeling door middel van een dwangsom af te dwingen. Mijn cliënten stellen deze coöperatieve houding van uw cliënten zeer op prijs.

In verband met de opstelling van de dagvaarding verzoek ik u mij te bevestigen dat deze toezeggingen in hoger beroep (en eventueel cassatie) onverkort gelden.”

Mr. Fleming heeft deze bevestiging bij e-mail van 25 oktober 2018 gegeven.

2.7.

In hoger beroep heeft dit hof het vonnis van 28 juli 2018 op de voor deze zaak relevante punten vernietigd. De beslissing in het eindarrest van 30 juni 2020 luidt als volgt:

“Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep met uitzondering van onderdeel 5.1. van het dictum, en opnieuw rechtdoende

verklaart voor recht dat het Maagdenhuis een zelfstandig onderdeel is van het R.K. Kerkgenootschap;

verklaart voor recht dat geen van de geïntimeerden sub 2, 3 en 5 ( [geïntimeerde sub 2] , [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] , hof) het ambt van bestuurder van het Maagdenhuis rechtsgeldig heeft verkregen;

verklaart voor recht dat de in de dagvaarding in eerste aanleg genoemde nieuwe bestuurders (in die dagvaarding gedefinieerd als de personen die krachtens het benoemingsdecreet van 10 juli 2013 zijn benoemd, met uitzondering van [naam van door de bisschop benoemd bestuurder] , hof) het ambt van bestuurder van het Maagdenhuis rechtsgeldig hebben verkregen;

gebiedt [ [geïntimeerden] ] om binnen tien dagen na betekening van dit arrest (i) de nieuwe bestuurders volledige en onvoorwaardelijke toegang tot de administratie van het Maagdenhuis te verlenen, en (ii) met de nieuwe bestuurders in overleg te treden om de nieuwe bestuurders in staat te stellen het bestuurderschap uit te oefenen;

veroordeelt het Maagdenhuis in de kosten van het geding in beide instanties (…)

verklaart het gebod en de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.”

Beide uitvoerbaar verklaarde geboden zullen hierna gezamenlijk als het gebod worden aangeduid.

2.8.

Per 30 juni 2020 is de rechtsvorm van het Maagdenhuis in het handelsregister gewijzigd van stichting in kerkgenootschap. Op verzoek van [geïntimeerden] heeft de Kamer van Koophandel die wijziging ongedaan gemaakt.

2.9.

Op 2 juli 2020 heeft mr. Struycken, aan mr. I. Koudstaal (Stibbe) de volgende e-mail gestuurd:

“Tot mij heeft zich het door de bisschop benoemde bestuur gewend van de Stichting het Roomsch Catholijk Maagdenhuis (…) met het verzoek om het Maagdenhuis vanaf nu juridisch bij te staan. Daarmee eindigt dan ook per direct de cliëntrelatie die het Maagdenhuis met u en uw kantoor heeft onderhouden. (…) Ik wijs u erop dat het uw kantoor nu ook niet meer vrij staat om geïntimeerden sub 2 t/m 5 (als genoemd in het arrest (…) (voor zover hier van belang [geïntimeerde sub 2] , [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] , hof) bij te staan in hun verhouding tot het Maagdenhuis. (…)”

2.10.

Op 5 juli 2020 heeft mr. Leijten namens [geïntimeerden] als volgt geantwoord:

“Het Maagdenhuis verwerpt de inhoud van uw email aan mijn kantoorgenoot Koudstaal van 2 juli jl.

Blijkens uw email treedt u op namens [appellant sub 1] en drs. [appellant sub 2] . Uw cliënten zijn geen partij bij het door u genoemde arrest (…). Een rechterlijke uitspraak bindt alleen de partijen tussen wie zij wordt gedaan.

Uw cliënten zijn reeds daarom niet bevoegd om u te verzoeken het Maagdenhuis ‘vanaf nu’ juridisch bij te staan. Uw stelling dat de cliëntrelatie tussen het Maagdenhuis en ons kantoor zou zijn geëindigd faalt om dezelfde reden. (…) Eventuele declaraties uwerzijds gericht aan het Maagdenhuis zullen onbetaald blijven.

Overigens is het voornoemde arrest nog niet in kracht van gewijsde gegaan. Voor zover u met uw ongegronde email tevens beoogt om het Maagdenhuis te beletten om een rechtsmiddel tegen dat arrest aan te wenden, acht ik dat onbetamelijk.”

2.11.

Op 7 juli 2020 heeft het bisdom het arrest laten betekenen aan [geïntimeerden] en hen bevolen om de nieuwe bestuurders binnen tien dagen volledige en onvoorwaardelijke toegang tot de administratie van het Maagdenhuis te verlenen en met de nieuwe bestuurders in overleg te treden om hen in staat te stellen het bestuurderschap uit te oefenen.

2.12.

Op de onder 2.10 aangehaalde e-mail heeft mr. Struycken op 8 juli 2020 als volgt gereageerd:

“Anders dan jij schrijft, treed ik niet op voor [appellant sub 1] en [appellant sub 2] , maar voor het Maagdenhuis (…). Het door de bisschop benoemde bestuur van het Maagdenhuis heeft mij daartoe aangewezen. (…) Het Maagdenhuis (…) zal niet in cassatie gaan tegen het arrest en heeft daar ook geen belang bij, ook als jij dat minder betamelijk acht.”

2.13.

Op 13 juli 2020 heeft mr. Koudstaal [appellant sub 1] en [appellant sub 2] via mr. Struycken uitgenodigd voor een overleg op het kantoor van Stibbe en aangekondigd dat [geïntimeerden] tijdens dat overleg zullen worden bijgestaan door mr. Leijten en hemzelf.

2.14.

Op 15 juli 2020 hebben [appellant sub 1] , [appellant sub 2] en [appellant sub 3] een brief gestuurd aan [geïntimeerden] , waarin zij schrijven dat de uitnodiging om bij Stibbe langs te komen voor overleg bij lange na niet voldoende is om aan de veroordeling te voldoen. In deze brief hebben zij verzocht om beantwoording van negen in een bijlage vermelde vragen over – kort gezegd – de administratie van het Maagdenhuis.

2.15.

Op 17 juli 2020 heeft [appellant sub 3] een brief gestuurd aan alle medewerkers van het Maagdenhuis waarin hij – samengevat weergegeven – mede namens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] laat weten dat zij drieën het geldige bestuur van het Maagdenhuis vormen, dat ze graag in contact willen komen met de medewerkers en dat ze uitzien naar een vruchtbare samenwerking.

2.16.

[geïntimeerden] hebben cassatieberoep tegen het arrest in de bodemprocedure ingesteld. Naar verwachting zal de Advocaat-Generaal in het najaar van 2021 een conclusie nemen.

3 De procedures in eerste aanleg

3.1.

De bisdomzaak

3.1.1.

[geïntimeerden] hebben het bisdom gedagvaard in kort geding. Zij hebben (primair) gevorderd dat de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van het arrest in de bodemprocedure schorst totdat de Hoge Raad einduitspraak heeft gedaan in het cassatieberoep.

3.1.2.

In het bestreden vonnis, op 4 september 2020 gewezen onder zaak-/rolnummer C/13/687937 KG ZA 20-682 (ECLI:NL:RBAMS:2020:5164), heeft de voorzieningenrechter kort gezegd de (primaire) vordering – uitvoerbaar bij voorraad – toegewezen onder veroordeling van het bisdom in de proceskosten. Tegen die beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering is het hoger beroep van het bisdom gericht.

3.2.

De bestuurderszaak

3.2.1.

[appellanten] en het Maagdenhuis (vertegenwoordigd door mr. Struycken) hebben de feitelijke bestuurders en Stibbe op 12 augustus 2020 gedagvaard. Jegens de feitelijke bestuurders hebben zij gevorderd dat [appellanten] volledige en onvoorwaardelijke toegang tot de administratie van het Maagdenhuis wordt verleend en dat de feitelijke bestuurders met hen in overleg treden om hen in staat te stellen het bestuurderschap over het Maagdenhuis uit te oefenen. Onder verwijzing naar de bijlage, bedoeld in 2.14, hebben zij gevorderd dat vragen over het bestuur en de administratie worden beantwoord en dat hun informatie wordt verstrekt. Jegens Stibbe hebben [appellanten] onder meer gevorderd dat deze wordt veroordeeld alle werkzaamheden voor de feitelijke bestuurders stop te zetten en dat Stibbe wordt verboden nog langer op te treden voor het Maagdenhuis.

3.2.2.

In de bestuurderszaak is van antwoord gediend namens de feitelijke bestuurders (als gedaagden in conventie, tevens eisers in reconventie), Stibbe (als gedaagde in conventie) en namens het Maagdenhuis in incident (alle vertegenwoordigd door advocaten verbonden aan Stibbe). Het Maagdenhuis heeft in incident verzocht te mogen tussenkomen, althans zich te voegen aan de zijde van de feitelijke bestuurders. Gedaagden hebben geconcludeerd tot afwijzing en hebben op hun beurt gevorderd dat [appellanten] wordt verboden (rechts)handelingen te verrichten namens het Maagdenhuis en zich te presenteren als vertegenwoordigers van het Maagdenhuis totdat de Hoge Raad arrest zal hebben gewezen in de bodemprocedure.

3.2.3.

In het bestreden vonnis, op 4 september 2020 gewezen onder zaak-/rolnummer C/13/687313 / KG ZA 20-644 AB/EB, zoals hersteld bij vonnis van 25 september 2020 (ECLI:NL:RBAMS:5162), heeft de voorzieningenrechter, samengevat het volgende beslist. De voorzieningenrechter heeft het Maagdenhuis toegelaten als gevoegde partij aan de zijde van de feitelijke bestuurders. In conventie heeft de voorzieningenrechter het Maagdenhuis niet-ontvankelijk verklaard en de gevraagde voorzieningen voor het overige geweigerd, onder veroordeling van [appellanten] in de proceskosten van [geïntimeerden] In reconventie heeft de voorzieningenrechter samengevat [appellanten] verboden (rechts)handelingen te verrichten namens het Maagdenhuis of zich jegens derden te presenteren als zijn vertegenwoordigers.

[appellanten] richten zich in hoger beroep tegen deze beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering.

4 De procedures in hoger beroep

4.1.

Voor het procesverloop in hoger beroep tot 1 december 2020 verwijst het hof naar het arrest in incident van 1 december 2020 waarin de bisdomzaak en de bestuurszaak op de voet van art. 222 Rv. zijn gevoegd. Vervolgens is een gemeenschappelijke memorie van antwoord met producties ingediend namens [geïntimeerden] (in de bisdomzaak) en namens [geïntimeerden] en Stibbe (in de bestuurderszaak). Voor zover deze memorie van antwoord mede namens [naam persoon] is ingediend, gaat het hof hieraan voorbij. Zij is geen partij in dit geding.

4.2.

Partijen hebben de beide zaken ter zitting van 11 mei 2021 mondeling laten toelichten. In de bisdomzaak is de zaak namens het bisdom toegelicht door mr. J.M. Blanco Fernández, advocaat te Amsterdam. Namens [geïntimeerden] is de zaak toegelicht door mr. Leijten voornoemd en mr. I. Koudstaal, advocaat te Amsterdam.

In de bestuurderszaak is de zaak toegelicht door mr. Struycken voornoemd (namens [appellanten] ) en door mrs. Leijten en Koudstaal (namens [geïntimeerden] en Stibbe.

Namens [geïntimeerden] (in de bisdomzaak), respectievelijk namens [geïntimeerden] en Stibbe (in de bestuurderszaak) zijn producties in het geding gebracht. In de bisdomzaak is namens het bisdom nog een productie in het geding gebracht.

4.3.

Ten slotte hebben partijen uitspraak van het hof gevraagd.

4.4.

In de bisdomzaak heeft het bisdom geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – alsnog de vorderingen van [geïntimeerden] , strekkend tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van het gebod, zal afwijzen, met beslissing over de proceskosten.

4.5.

[appellanten] hebben hun vorderingen in hoger beroep gewijzigd. Hun primaire vordering houdt samengevat in:

  1. dat de feitelijke bestuurders ook jegens [appellanten] hoofdelijk worden veroordeeld het gebod ten uitvoer te leggen en dat de feitelijke bestuurders de vragen, vermeld in de in 2.14 bedoelde bijlage, beantwoorden, respectievelijk de in die bijlage bedoelde informatie verschaffen, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom;

  2. dat Stibbe wordt verboden op te treden voor het Maagdenhuis en dat zij wordt geboden een overzicht te verstrekken van alle betaalde en nog onbetaalde declaraties, alsmede een overzicht van het onderhanden werk, de opdrachtbevestiging en een overzicht van het verloop van eventueel door het Maagdenhuis betaalde voorschotten;

  3. dat Stibbe wordt geboden het ertoe te leiden dat alle sinds 2 juli 2020 verrichte werkzaamheden en gemaakte kosten direct noch indirect voor rekening van het Maagdenhuis komen.

Subsidiair vorderen zij dat het hof andere voorzieningen treft die met het voorgaande zo veel mogelijk in lijn zijn, een en ander met veroordeling van [geïntimeerden] in de buitengerechtelijke kosten en in de kosten van het geding in beide instanties.

4.6.

[geïntimeerden] in de bisdomzaak en [geïntimeerden] en Stibbe in de bestuurderszaak hebben geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen, telkens met veroordeling van de appellanten in de kosten van het hoger beroep.

5 Motivering van de beslissing in hoger beroep in de bisdomzaak

5.1.

In het arrest in de bodemprocedure is [geïntimeerden] geboden om binnen tien dagen na betekening van het arrest (i) de nieuwe bestuurders volledige en onvoorwaardelijke toegang tot de administratie van het Maagdenhuis te verlenen, en (ii) met de nieuwe bestuurders in overleg te treden om de nieuwe bestuurders in staat te stellen het bestuurderschap uit te oefenen. Deze veroordeling is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

5.2.

Op vordering van [geïntimeerden] heeft de voorzieningenrechter de uitvoerbaar bij voorraadverklaring geschorst. Daarmee is het spoedeisend belang van het bisdom in hoger beroep gegeven.

5.3.

Het bisdom werpt vijf grieven op tegen het vonnis van de voorzieningenrechter. Het bisdom heeft in dit verband erop gewezen dat de beide onderdelen van het gebod in samenhang aldus moeten worden begrepen, dat dit strekt tot de feitelijke overdracht van het bestuur. De grieven strekken gezamenlijk tot betoog dat de executie van het gebod niet wordt geschorst. Zij lenen zich voor gezamenlijke beoordeling. Het hof overweegt hierover als volgt.

5.4.

In het Strandhotel-arrest (HR 12 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026) heeft de Hoge Raad overwegingen gewijd aan de (schorsing van een) uitvoerbaar bij voorraad verklaarde veroordeling. In dat arrest heeft de Hoge Raad onderscheid gemaakt tussen verschillende categorieën en processuele constellaties waarin over de uitvoerbaar bij voorraadverklaring moet worden geoordeeld. In dit geval is de uitvoerbaar bij voorraadverklaring niet gemotiveerd, is tegen het arrest in de bodemprocedure cassatie ingesteld, terwijl [geïntimeerden] in kort geding de schorsing van de tenuitvoerlegging vorderen. Dit betekent dat in het bijzonder acht moet worden geslagen op hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen onder 5.6.2 in verbinding met rov. 5.3.6, 5.4.2-5.4.4 en 5.5.3.

5.5.

Samengevat komt dat stelsel op het volgende neer. Uitgangspunt is dat het gebod, hangende het cassatieberoep, uitvoerbaar dient te zijn en ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van [geïntimeerden] bij behoud van de bestaande toestand, zolang niet op het door hen ingestelde rechtsmiddel is beslist, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van het bisdom bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. Daarbij moet worden uitgegaan van de beslissingen in het arrest in de bodemprocedure en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het cassatieberoep buiten beschouwing.

5.6.

[geïntimeerden] hebben onder meer het volgende aangevoerd (zie in het bijzonder dagvaarding in eerste aanleg, rn. 45 - 47):

  1. Indien het bisdom (indirect) de feitelijke macht over het Maagdenhuis verkrijgt, heeft dit verstrekkende gevolgen die grotendeels onomkeerbaar zijn, ook als het Maagdenhuis door de Hoge Raad in het gelijk wordt gesteld.

  2. De bisschop heeft [appellanten] in het benoemingsdecreet de opdracht gegeven om op een zo kort mogelijke termijn de statuten van het Maagdenhuis te wijzigen. Het valt te vrezen dat een premature bestuursoverdracht directe gevolgen zal hebben voor het vermogen van het Maagdenhuis.

  3. De feitelijke bestuurders zijn intensief inhoudelijk betrokken bij vele charitatieve programma’s en projecten van het Maagdenhuis. Zij kunnen onmogelijk uit deze rol worden gehaald zonder grote en permanente schade aan te richten. De bedrijfsvoering van het Maagdenhuis zou, gelet op de samenwerking van [geïntimeerden] met de betrokken medewerkers, partners en co-financiers, grondig verstoord worden, mede gelet op de periode die ermee gemoeid is om de nieuwe bestuurders in te werken.

5.7.

Het bisdom heeft benadrukt dat het gebod ten uitvoer moet kunnen worden gelegd gelet op al hetgeen is geoordeeld in het arrest in de bodemprocedure. Verder heeft het bisdom benadrukt dat [geïntimeerden] hun toezegging om een eventuele veroordeling vrijwillig te zullen nakomen, gestand moeten doen. Ook heeft het bisdom aangevoerd dat een schorsing van de tenuitvoerlegging strijdig is met het recht op vrijheid van (kerkelijke) inrichting.

5.8.

Zoals het bisdom heeft aangevoerd moet bij de te verrichten belangenafweging worden uitgegaan van de beslissingen in het arrest in de bodemzaak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. Aldus neemt het hof tot uitgangspunt dat het Maagdenhuis een kerkelijke rechtspersoon is en dat niet de feitelijke bestuurders maar [appellanten] hebben te gelden als de bestuurders van het Maagdenhuis. Verder neemt het hof tot uitgangspunt dat het gebod uitvoerbaar dient te zijn en ten uitvoer kan worden gelegd.

5.9.

Toch kunnen deze uitgangspunten niet meebrengen dat het vonnis van de voorzieningenrechter wordt vernietigd. Daartoe overweegt het hof als volgt.

5.9.1.

Het bestuur van het Maagdenhuis is sinds jaar en dag in handen van de feitelijke bestuurders. In overleg met het bisdom hebben [geïntimeerden] bij monde van hun advocaat aan het bisdom toegezegd dat zij hangende de procedure geen bijzondere beheershandelingen zullen verrichten (zie 2.4). [geïntimeerden] stellen dat zij zich hieraan hebben gehouden en zullen houden hangende de cassatieprocedure. Het bisdom heeft op zijn beurt ter zitting bevestigd geen aanwijzingen te hebben dat [geïntimeerden] deze toezegging niet zijn nagekomen, zodat daarvan in dit kort geding moet worden uitgegaan. Tegen die achtergrond bestaat er geen aanleiding te veronderstellen dat [geïntimeerden] in de komende maanden, totdat de Hoge Raad uitspraak doet, alsnog bijzondere beheershandelingen zullen verrichten.

Bovendien zijn er geen aanwijzingen dat de feitelijke bestuurders hun taken niet naar behoren vervullen of hebben vervuld. In aanmerking genomen dat beide partijen verwachten dat de Hoge Raad begin 2022 arrest in de bodemprocedure zal wijzen, relativeert het voorgaande het gewicht dat moet worden toegekend aan een spoedige feitelijke bestuurswissel op de korte termijn.

5.9.2.

Indien de tenuitvoerlegging geschorst blijft, zal hetzij een nieuw bestuur in de loop van 2022 aantreden (in het geval de Hoge Raad het arrest in de bodemprocedure bekrachtigt), hetzij het feitelijke bestuur worden gecontinueerd (indien het arrest in de bodemprocedure wordt vernietigd). In het kader van de belangenafweging moeten deze scenario’s worden gerelateerd aan het alternatief waarin het gebod bij voorraad ten uitvoer wordt gelegd. In dat geval zal er op korte termijn één feitelijke bestuurswissel plaatsvinden (indien het arrest in de bodemprocedure wordt bekrachtigd), of twee (wanneer het arrest in de bodemprocedure wordt vernietigd).

5.9.3.

In aanmerking genomen dat er geen aanwijzingen zijn dat het huidige bestuur zijn taak niet naar behoren vervult, kleven aan tenuitvoerlegging van het gebod vóórdat de Hoge Raad uitspraak heeft gedaan grote bezwaren. Het Maagdenhuis wordt dan geconfronteerd met een of twee (feitelijke) wijzigingen van het gehele bestuur die een wissel zullen trekken op de organisatie van het Maagdenhuis en mogelijk ook op zijn charitatieve projecten. Ook indien in aanmerking wordt genomen dat bij het Maagdenhuis zeventien werknemers in dienst zijn (10 fte), onder wie een directeur, acht het hof een feitelijke bestuurswisseling op de korte termijn door een nog niet ingewerkt bestuur met de mogelijkheid dat deze over enkele maanden weer ongedaan wordt gemaakt zeer onwenselijk uit het oogpunt van het belang van de organisatie en de charitatieve projecten die het Maagdenhuis uitvoert. Die belangen zijn onmiskenbaar ermee gediend dat een breuk in de samenstelling van het bestuur zo veel mogelijk wordt voorkomen. Geen of één bestuurswisseling valt uit oogpunt van het belang van de organisatie en haar projecten verre te prefereren boven één of twee bestuurswisselingen. Dit gezichtspunt weegt voor het hof zo zwaar, dat de onder 5.8 vermelde uitgangspunten en al hetgeen het bisdom overigens heeft aangevoerd, daarvoor moeten wijken.

5.9.4.

Over de toezegging van [geïntimeerden] om vrijwillig aan de uitspraak te zullen voldoen, overweegt het hof nog het volgende. Partijen zijn het erover eens dat deze toezegging is gedaan. Zij verschillen evenwel van mening over de vraag of die toezegging reeds gestand moet worden gedaan met ingang van (de betekening van) het hofarrest in de bodemprocedure (zoals het bisdom betoogt), dan wel vanaf het moment dat de Hoge Raad uitspraak heeft gedaan (zoals [geïntimeerden] aanvoeren).

In zijn e-mail van 28 oktober 2018 heeft mr. Blanco Fernández namens het bisdom aan (de advocaat van) [geïntimeerden] verzocht om in verband met de opstelling van de dagvaarding te bevestigen dat de eerder gedane toezeggingen in hoger beroep (en eventueel cassatie) onverkort zouden gelden (zie 2.6). Gelet op de toevoeging “(en eventueel in cassatie)” heeft mr. Fleming, die deze bevestiging namens [geïntimeerden] heeft gedaan, dit verzoek redelijkerwijs aldus mogen begrijpen, dat dit betrekking had op het geval waarin een rechterlijke uitspraak in de bodemprocedure onherroepelijk zou zijn geworden. Tegen die achtergrond en gelet op het grote gewicht dat het hof toekent aan het belang van de organisatie bij de continuïteit van het bestuur, kan de toezegging geen beslissend gewicht in de schaal leggen.

5.9.5.

De stelling van het bisdom dat de schorsing van de tenuitvoerlegging indruist tegen de vrijheid van inrichting van een kerkgenootschap, kan het bisdom evenmin baten. Weliswaar moet in het kader van de belangenafweging ervan worden uitgegaan dat het huidige feitelijke bestuur niet strookt met de vrijheid van inrichting van de kerkelijke rechtspersoon, aan dat belang komt beperkt gewicht toe tegen de achtergrond van de door alle partijen gedeelde verwachting dat over enkele maanden definitieve duidelijkheid zal bestaan, terwijl het bisdom geen klachten heeft aangevoerd over het inhoudelijke functioneren van het huidige feitelijke bestuur. Afgezet tegen het belang van de continuïteit kan ook dit gezichtspunt niet de doorslag geven.

5.9.6.

Ook overigens en in onderlinge samenhang bezien is hetgeen het bisdom aanvoert niet van zodanig gewicht dat [appellanten] reeds thans in staat moeten worden gesteld hun bestuursfuncties te gaan vervullen met het risico dat zij over enige maanden dat bestuur weer moeten opgeven.

5.10.

De uitkomst van de belangenafweging is dat de tenuitvoerlegging van het gebod moet blijven geschorst. Wat er van de gegrondheid van de afzonderlijke grieven verder zij, zij kunnen niet leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis. De grieven behoeven dan ook geen afzonderlijke beoordeling.

5.11.

Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen. Het bisdom zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in appel.

6 Motivering van de beslissing in hoger beroep in de bestuurderszaak

6.1.

[appellanten] komen in hoger beroep niet alleen op tegen de afwijzing van hun eigen vorderingen, maar ook tegen de toewijzingen van de vorderingen van de feitelijke bestuurders. Daarmee is hun spoedeisend belang gegeven.

6.2.

Met hun (in hoger beroep gewijzigde) vorderingen beogen [appellanten] onder meer dat het gebod ook jegens hen uitvoerbaar bij voorraad is, ook al waren zij in de bodemprocedure geen (formele) procespartij. Verder strekt hun hoger beroep ertoe dat Stibbe niet langer optreedt ten behoeve van het Maagdenhuis. Zij beroepen zich daarbij op de verklaringen voor recht die in het arrest in de bodemprocedure zijn gegeven.

6.3.

Voor zover de vorderingen van [appellanten] ertoe strekken dat de feitelijke bestuurders jegens hen zijn gehouden tot uitvoering van het gebod van het arrest in de bodemprocedure, faalt dit reeds op grond van hetgeen onder 5 is overwogen. Daar komt bij dat zij in de bodemprocedure geen partij waren, zodat zij ook op die grond geen aanspraak kunnen maken op tenuitvoerlegging van het gebod.

6.4.

Voor zover [appellanten] hun vorderingen baseren op de verklaringen voor recht die het hof in de bodemprocedure heeft gegeven, kunnen deze evenmin worden toegewezen, reeds op de grond dat het arrest in de bodemprocedure nog niet in kracht van gewijsde is gegaan.

6.5.

Het hof heeft zich ambtshalve nog de vraag gesteld of de vorderingen van [appellanten] waarin inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde bescheiden wordt gevorderd, op de voet van artikel 843a Rv voor toewijzing in aanmerking komen. [appellanten] hebben daaromtrent niets aangevoerd, terwijl [geïntimeerden] en Stibbe de vorderingen van [appellanten] ook niet in deze zin hebben begrepen. Daargelaten of is voldaan aan de vereisten die zijn vermeld in artikel 843a Rv, kan deze informatievordering niet worden toegewezen. [appellanten] hebben hun belang bij een (dergelijke) voorziening in kort geding onvoldoende toegelicht. Hun betoog ter zitting in hoger beroep dat zij belang hebben bij informatie teneinde te worden ingewerkt als bestuurders zodat zij, indien het arrest in de bodemprocedure in cassatie wordt bekrachtigd, direct hun functie kunnen gaan vervullen, is daartoe onvoldoende. Daarbij moet worden bedacht dat er geen enkele aanwijzing is dat de feitelijke bestuurders hun taken niet naar behoren vervullen en dat de feitelijke bestuurders hebben bevestigd dat zij aan een onherroepelijke uitspraak in de bodemprocedure zullen voldoen. Er zijn dan ook geen aanwijzingen dat de alsdan aan de orde zijnde overdracht van bestuurstaken niet in onderling overleg op ordentelijke wijze tot uitvoering zal kunnen worden gebracht.

6.6.

Op het voorgaande stuiten alle grieven af.

6.7.

Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen. [appellanten] zullen als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in appel (waaronder begrepen de kosten in incident).

7 Beslissing

Het hof:

in zaak 200.283.621/01 (de bisdomzaak)

7.1.

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

7.2.

veroordeelt het bisdom in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerden] begroot op € 760 aan verschotten en € 3.342 voor salaris;

7.3.

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

in zaak 200.283.615/01 (de bestuurderszaak)

7.4.

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

7.5.

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerden] en Stibbe begroot op € 760 aan verschotten en € 3.342 voor salaris;

7.6.

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. de Jongh, W.A.H. Melissen en Chr.M. Stokkermans en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2021.