Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1716

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-06-2021
Datum publicatie
14-06-2021
Zaaknummer
200.278.586/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht; aansprakelijkheidsverzekering; 7:954 BW; verwijdering persoonsgegevens uit incidentenregister en Extern Verwijzingsregister; artikel 6 lid 1 aanhef en onder f Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (AVG)

Appellant is op zijn snorfiets aangereden door een fietser en vordert van de aansprakelijkheidsverzekeraar van de fietser vergoeding van schade aan zijn jas, broek en zonnebril. Appellant heeft geprobeerd verzekeraar te misleiden door de kleding ten onrechte als designerkleding te presenteren, terwijl in werkelijkheid sprake was van namaakartikelen. De vordering tot verwijdering van de persoonsgegevens uit het incidentenregister en het daaraan verbonden Extern Verwijzingsregister wordt afgewezen omdat zodanige concrete feiten en omstandigheden zijn komen vast te staan dat zij een als strafbaar feit te kwalificeren bewezenverklaring in de zin van art. 350 Sv kunnen dragen, namelijk oplichting (326 Sr). De belangenafweging overeenkomstig artikel 6 lid 1 aanhef en onder f AVG valt niet uit in het voordeel van appellant. Verzekeraar kan zich niet beroepen op het bepaalde in art. 7:941 lid 5 BW aangezien appellant geen verzekerde of tot uitkering gerechtigde is als daar bedoeld. Nu appellant de beschadigde goederen niet heeft afgegeven, komt niet de dagwaarde maar slechts de waardevermindering voor vergoeding in aanmerking. Deze waardevermindering wordt door het hof begroot op nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0511
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.278.586/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam: 7448266 CV EXPL 19-406

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 1 juni 2021

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. R. Verspaandonk te Den Haag,

tegen

1 [geïntimeerde sub 1] ,

wonend te [woonplaats] ,

2. NATIONALE NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V. als rechtsopvolgster van Delta Lloyd Schadeverzekeringen N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerden,

advocaat: mr. P.S.T. Awater te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1

Partijen worden hierna als volgt aangeduid:

- appellant als [appellant] ,

- geïntimeerden als respectievelijk [geïntimeerde sub 1] en NN, en geïntimeerden gezamenlijk als NN c.s.

1.2

De zaak in het kort.

Tussen [geïntimeerde sub 1] als fietsster en [appellant] als snorfietser heeft een aanrijding plaatsgevonden. [geïntimeerde sub 1] heeft geen voorrang verleend aan [appellant] , die voor haar van rechts kwam. [appellant] heeft daarop van NN c.s. vergoeding gevraagd van schade aan zijn jas, broek en zonnebril. NN stelt dat [appellant] geprobeerd heeft NN te misleiden door de kleding ten onrechte als designerkleding te presenteren, terwijl in werkelijkheid sprake was van namaakartikelen. [appellant] betwist dat.

1.3

[appellant] heeft vorderingen ingesteld tegen NN c.s. en NN heeft tegenvorderingen ingesteld. De kantonrechter in de rechtbank Amsterdam heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen en de vorderingen van NN toegewezen. In die procedure trad appellant op als eiser in conventie, tevens verweerder in reconventie. NN c.s. traden op als gedaagden in conventie, NN tevens als eiseres in reconventie. De procedure bij de kantonrechter had het zaak-/rolnummer dat hierboven staat vermeld.

1.4

Met dit hoger beroep beoogt [appellant] dat zijn vorderingen jegens gedaagden, die hij in hoger beroep heeft gewijzigd, alsnog worden toegewezen en dat de vorderingen van NN alsnog worden afgewezen.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.14 de feiten weergegeven die zij als vaststaand heeft aangenomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, met dien verstande dat partijen het erover eens zijn dat NN de aansprakelijkheidsverzekeraar van [geïntimeerde sub 1] is en niet de WAM-verzekeraar. Het hof zal samengevat uitgaan van de volgende feiten.

2.1

Op 1 mei 2015 heeft er een aanrijding plaatsgevonden tussen [appellant] , rijdend op een scooter en [geïntimeerde sub 1] , rijdend op een fiets. [geïntimeerde sub 1] verleende geen voorrang aan [appellant] .

2.2

[geïntimeerde sub 1] heeft melding gedaan van de aanrijding bij haar aansprakelijkheids-verzekeraar, (de rechtsvoorgangster van) NN. NN heeft op 28 mei 2015 de aansprakelijkheid erkend.

2.3

[appellant] heeft bij NN schade aan zijn scooter, jas, broek en zonnebril geclaimd.

2.4

[A] , taxateur, heeft in opdracht van [appellant] op 20 mei 2015 aan de hand van foto's van een jas en een broek een taxatierapport van de schade opgemaakt. Volgens dit rapport bedroeg de dagwaarde van de Gucci leren jas (aankoopdatum januari 2014) € 1.250, de Kenzo broek (aankoopdatum augustus 2014) € 175 en de Cartier zonnebril (aankoopdatum begin 2014) € 575. De kosten voor deze taxatie bedroegen € 225,06. Tevens is vermeld dat de verstrekte informatie afkomstig is van de opdrachtgever en dat aankoopbonnen ontbreken.

2.5

Eerder in dat jaar, in januari 2015, had [appellant] de jas laten taxeren door taxateur [B] van Value & Views, eveneens aan de hand van toegezonden foto’s. In het taxatierapport van Value & Views van 28 januari 2015 wordt een nieuwwaarde in 2012/2013 van € 2.800 vermeld, en een dagwaarde/vrije verkoopwaarde van € 1.100/€ 1.250. Ook hier wordt vermeld dat er geen facturen/aankoopnota’s zijn overgelegd. De dagwaarde en nieuwwaarde zijn volgens dit rapport: "gedestilleerd uit de consumentenprijzen en op basis door aanvrager [ [appellant] , hof] aangeleverde info en beeld".

2.6

Rond 28 mei 2015 heeft NN geconstateerd dat over de periode 31 augustus 2012 tot en met 4 maart 2014 de naam van [appellant] 11 maal voorkwam in het Fraude Informatie Systeem Holland (FISH). Daarbij ging het in 7 gevallen ook om een aanrijding tussen [appellant] op een bromfiets en een fiets of voetganger.

2.7

Op 29 juli 2015 is € 1.500 en op 22 april 2016 € 500 aan voorschotten door NN aan [appellant] betaald.

2.8

Gelet op de in 2.6 bedoelde meldingen heeft NN haar afdeling Integriteitzaken ingeschakeld om een onderzoek in te stellen. Daarop heeft NN Cunningham Lindsey (CL) opdracht gegeven een nader onderzoek in te stellen. In het daarvan opgemaakte rapport van 29 september 2015 staat dat [appellant] aan haar heeft gemeld dat hij de jas heeft gekregen van zijn ouders en dat deze is aangeschaft in Italië. CL heeft [appellant] toen in het kader van een minnelijke regeling aangeboden de dagwaarde van de goederen te betalen onder de voorwaarde dat hij de jas, broek en zonnebril zou afgeven aan NN. [appellant] ging daarmee niet akkoord.

2.9.

Na herhaaldelijke aanmaning heeft [appellant] midden augustus 2016 twee kledingstukken aan NN gestuurd.

2.10

Na bestudering van de toegestuurde jas en broek kwam haar schade-expert [C] tot de volgende conclusie:

"Wij hebben de jas (vermeend Gucci) en de broek (vermeend Kenzo) bekeken

van gedupeerde [appellant] . De aangeleverde zaken hebben niet de kenmerken van een exclusief merkartikel. De toegepaste materialen en de afwerking komen niet overeen met de merkartikelen. Van de jas komen de stof van zowel de buitenzijde als de voering niet overeen met originele stof van Gucci. De toegepaste ritsen in de jas komen niet overeen met de ritsen die Gucci toepast. Bij de broek vallen met name de slecht afgewerkte naden in negatieve zin op. De dagwaarde van de jas bedraagt ongeveer EUR 150,00 en de dagwaarde van de broek bedraagt ongeveer EUR 40,00."

2.11

Ook de heer [D] , een bij het NIVRE ingeschreven onderzoeker, heeft

in opdracht van NN een onderzoek naar de zaken verricht. Hij heeft hierover in zijn rapport van 26 oktober 2016 onder meer het volgende geschreven:

"Bij het onderzoek aan de jas bleek dat de binnenzak met het opschrift Gucci

niet meer aanwezig was, terwijl deze binnenzak wel zichtbaar is op de foto van

de jas die [appellant] aan taxateur [A] heeft gestuurd (...) Op de plaats waar

deze binnenzak aan de binnenvoering had vastgestikt gezeten, waren nog vier gestikte bevestigingspunten in de voering aanwezig. (…)

Op 15 september 2016 is door mij, [D] , de jas getoond aan de Store Manager van Gucci aan de [adres] . Van de jas heeft de Store Manager enkele detailfoto’s gemaakt en deze detailfoto’s zijn verzonden naar Gucci in Italie. Kort daarna gaf Gucci Italië via de Store Manager aan dat zij de jas niet wilden zien en dat opsturen naar Gucci Italië niet wenselijk was. De Store Manager gaf daarop de volgende mondelinge toelichting:

"De voorrits is zoals de naam in de zipper ook laat zien is van het merk Lampo. Lampo is een apart kledingmerk. De conclusie is dat de jas van het fabricaat Lampo is. Op de website van Lampo zijn ook modellen te zien die overeenkomen met de getoonde jas. Aan de zipper van de jasmouwrits hangt een greepje waarop Gucci staat. Dit greepje kan door iedere schoenmaker worden aangebracht aan de zipper. Het model is een damesmodel en niet gefabriceerd door Gucci. In de kraag ontbreken de labels van Gucci." (…)

Op 27 september 2016 is door mij, [D] , de broek getoond aan een medewerker van het bedrijf Force Majeure (...), importeur van Kenzo kleding. Van de broek heeft de medewerker enkele detailfoto's gemaakt en deze detailfoto's zijn door deze medewerker verzonden naar de fabrikant Kenzo in Frankrijk. Op 28 september 2016 omstreeks 11.00 uur werd ik [D] gebeld door de medewerker van Force Majeure. Deze deelde telefonisch mee, dat Kenzo Frankrijk aan de hand van de toegezonden foto's had vastgesteld dat het nummer op het ingenaaide label, een niet bij Kenzo bestaand artikelnummer was. De conclusie van deze medewerker is dat de getoonde broek een namaakartikel is."

De uitkomst van het onderzoek was volgens dit rapport kort gezegd:

1. [appellant] heeft verklaard dat de jas en de broek zijn gekocht door zijn ouders;

2. [appellant] verleent geen toestemming tot een interview met zijn ouders;

3. Om die reden is door [appellant] het onderzoek naar de koop en de herkomst van de kleding belemmerd;

4. De jas en de broek zijn geen merkartikelen;

5. [appellant] heeft de verzekeraar getracht te misleiden en hij heeft door middel van een taxatierapport van taxateur [A] een veel hogere waarde voor de kleding geclaimd dan de werkelijke dagwaarde van € 190.

2.12

Delta Lloyd heeft bij brief van 14 oktober 2016 aan [appellant] meegedeeld dat is gebleken dat het vervalste merkkleding betreft en dat [appellant] daarom geen recht heeft op een schade-uitkering. De onderzoekskosten ad € 1.665 zullen volgens dit bericht op [appellant] worden verhaald en de persoonsgegevens van [appellant] zullen worden opgenomen in het incidentenregister van de afdeling integriteitzaken en het Externe Verwijzingsregister.

2.13

[appellant] heeft op 25 oktober 2016 een jas en broek voor onderzoek naar taxatiebureau Value & Views gestuurd om de dagwaarde vast te laten stellen. Value & Views meldt in haar rapport van 26 oktober 2016 onder meer:

"De Gucci jas is leder, echter is de Gucci jas in erbarmelijke staat aangeleverd; geen ritsopeners (op 1 na) geen ophangketting, geen labels meer aanwezig, jas is met plakband beplakt waardoor design aan buitenzijde onherstelbaar is beschadigd; restwaarde 26-10-2016 is nihil.

De waarde van die Gucci jas kan vanwege bovenstaande vaststellingen/beschadigingen niet zuiver worden getaxeerd met terugwerkende kracht naar mei 2015 zodat we onze online collega dienen te volgen in zijn onafhankelijke waardering van € 1.250,-

De Kenzo eyes skinny trouser is door online taxateur op € 175 gesteld (met datum mei 2013).

Kan niet daar aankoop in de toekomst ligt, nl. augustus 2014, dus broek zal in mei 2015 waarde hebben van € 175,-.

De Kenzo eyes skinny trouser alsmede de Gucci jas zijn originele merkartikelen."

2.14

[appellant] heeft de zaak voorgelegd aan de geschillencommissie van het Kifid. Deze heeft in haar uitspraak van 25 augustus 2017 onder meer geoordeeld:

"Consument [ [appellant] , hof] heeft schade aan designerkleding en een zonnebril geclaimd als materiële schade ten gevolge van het ongeval van 1 mei 2015. Ondanks herhaald verzoek van Verzekeraar heeft Consument niet aannemelijk gemaakt dat hij de door hem geclaimde goederen werkelijk in zijn bezit heeft gehad. Tijdens de zitting heeft Consument desgevraagd de Commissie geen duidelijkheid kunnen verschaffen over de wijze en datum van aankoop van de designerkleding en zonnebril en ook overigens niet aannemelijk gemaakt dat hij daadwerkelijk in het bezit is (geweest) van deze goederen ten tijde van het ongeval op 1 mei 2015. Volgens Consument heeft hij de goederen cadeau gekregen van zijn ouders maar Consument is bij herhaling niet bereid om alsnog een verklaring aan zijn ouders te vragen waaruit dit blijkt. Verzekeraar heeft dan ook op terechte gronden kunnen concluderen tot een onjuiste opgave van de schade met de bedoeling om een (hogere) schadevergoeding te verkrijgen waar hij – bij een juiste voorstelling van zaken – geen recht op zou hebben gehad.

De Commissie oordeelt dat de Consument Verzekeraar met opzet heeft willen misleiden in de zin van artikel 5.2.1. sub a en b van het Protocol. Dit oordeel brengt mee dat aan de vereisten voor registratie in het EVR, genoemd in artikel 5.2.1 onder a en b van het Protocol, is voldaan."

3 De procedure in eerste aanleg

3.1

[appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd dat NN c.s. hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van € 2.559,71 in verband met door hem geleden materiële schade en gemaakte kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. Verder heeft [appellant] gevorderd dat NN wordt veroordeeld om binnen 14 dagen na het vonnis de persoonsgegevens uit het incidentenregister te verwijderen op straffe van een dwangsom, met veroordeling van NN c.s. in de kosten van het geding.

In reconventie heeft NN gevorderd dat [appellant] wordt veroordeeld tot betaling van € 1.665 ter zake van onderzoekskosten, en tot terugbetaling van in totaal

€ 2.000 aan voorschotten, alsook € 491,50 aan buitengerechtelijke incassokosten, telkens vermeerderd met wettelijke rente.

3.2

De kantonrechter heeft bij het bestreden vonnis van 20 februari 2020 de vorderingen van [appellant] afgewezen en de vorderingen van NN toegewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. De kantonrechter heeft daartoe – kort samengevat – overwogen dat NN c.s. voldoende feiten en omstandigheden hebben aangedragen die de conclusie rechtvaardigen dat [appellant] opzet heeft gehad om NN te misleiden door bewust een verkeerde voorstelling van zaken te geven om zo een uitkering te ontvangen waarop hij geen recht had. Om die reden mocht NN uitkering aan [appellant] weigeren. Om die reden heeft NN [appellant] ook terecht in het incidentenregister laten opnemen. De expertisekosten van [appellant] met betrekking tot de jas, broek en bril zijn om die reden afgewezen en de expertisekosten van NN zijn om die reden toegewezen. De door [appellant] gevorderde taxatiekosten met betrekking tot de scooter komen volgens de kantonrechter niet voor vergoeding in aanmerking omdat [appellant] heeft afgezien van de schadeclaim met betrekking tot de scooter. NN heeft de voorschotten van € 2.000 volgens de kantonrechter onverschuldigd aan [appellant] betaald.

4 De vorderingen in hoger beroep

4.1

[appellant] is van dat vonnis in hoger beroep gekomen. Partijen hebben de volgende stukken ingediend:

- dagvaarding in hoger beroep, houdende grieven, met producties;

- memorie van antwoord.

4.2

Partijen hebben de zaak ter zitting van 22 maart 2021 mondeling laten toelichten door hun bovengenoemde advocaten. Beide advocaten hebben spreekaantekeningen overgelegd. [appellant] heeft nog producties in het geding gebracht.

4.3

Ten slotte hebben partijen uitspraak van het hof gevraagd.

4.4

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – alsnog zijn in hoger beroep gewijzigde vorderingen zal toewijzen en de vorderingen van NN alsnog zal afwijzen, met veroordeling van NN c.s. in de proceskosten. In hoger beroep heeft [appellant] aanvullend een subsidiaire vordering geformuleerd, voor het geval zou blijken dat de kledingstukken geen authentieke merkartikelen zijn. Verder heeft hij, naast een veroordeling tot verwijdering van zijn gegevens uit het incidentenregister, tevens gevorderd NN te veroordelen om ervoor te zorgen dat zijn registratie uit het Extern Verwijzingsregister wordt verwijderd, op straffe van een dwangsom.

4.5

NN. c.s. hebben geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten en rente. Hetgeen in de memorie van antwoord is aangevoerd heeft de strekking dat volgens NN de in hoger beroep gewijzigde vordering van [appellant] dient te worden afgewezen.

4.6

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

5 Standpunten van partijen in hoger beroep

5.1

[appellant] heeft primair betoogd dat de aangeboden goederen authentieke merkartikelen zijn. Hij voert daartoe aan dat tegenover de conclusies van de experts van NN de door hem in het geding gebrachte rapporten van [A] en Value & Views staan en dat hij de bevindingen van de experts van NN, met stukken onderbouwd, heeft weerlegd. Zelfs als de goederen niet authentiek zouden blijken te zijn, dan kan daaraan niet de conclusie worden verbonden dat [appellant] ten onrechte aanspraak heeft gemaakt op enige betaling. Ook in dat geval vertegenwoordigen de kledingstukken nog enige waarde. Voor dat geval maakt [appellant] subsidiair aanspraak op een bedrag van € 190 voor de jas en de broek. Ook kan in dat geval niet worden geconcludeerd dat [appellant] opzet had om NN te misleiden. Hij heeft immers vertrouwd op de taxaties van onafhankelijke deskundigen.

Er is ook in dat geval niet voldaan aan de eisen voor het opnemen in de registers. Daarvoor is immers nodig dat zodanige concrete feiten en omstandigheden komen vast te staan dat zij een als strafbaar feit te kwalificeren bewezenverklaring kunnen dragen. Daarvoor is meer nodig dan een redelijk vermoeden van schuld, aldus [appellant] .

5.2

[appellant] betwist verder dat hij zijn claim met betrekking tot de schade aan de scooter heeft ingetrokken. Hij stelt in de inleidende dagvaarding (onder 2) dat die schade reeds is vergoed.

5.3

Verder betwist hij tot terugbetaling van verstrekte voorschotten te zijn gehouden. Deze voorschotten hadden volgens [appellant] niet louter betrekking op de schade aan de kleding, maar op de eveneens door hem geclaimde letselschade. Ook betwist hij de hoogte van de door NN gevorderde onderzoekskosten.

5.4

NN c.s. hebben betoogd dat de experts van NN op basis van alle beschikbare gegevens hebben vastgesteld dat de jas en de broek geen authentieke merkartikelen zijn. Dit wordt niet weerlegd door de taxaties van [A] en Value & Views, en evenmin door de overige documenten die [appellant] in het geding heeft gebracht. Aan deze kleding kan geen waarde worden toegekend. Dat [appellant] de opzet had om NN te misleiden volgt uit de feiten: de aangeboden kleding is namaak, [appellant] heeft de kleding al voor de aanrijding laten taxeren, hij heeft de kleding pas anderhalf jaar na de aanrijding voor onderzoek opgestuurd, hij weigert keer op keer medewerking, en er zijn in het verleden verschillende soortelijke ongevallen geweest waarbij [appellant] eveneens dure merkartikelen heeft geclaimd. Verder neemt [appellant] telkens wisselende stellingen in.

5.5

Wat de taxatiekosten betreft stellen NN c.s. dat deze kosten niet hebben bijgedragen tot vaststelling van de schade. Ten aanzien van de scooter geldt dat [appellant] aan de expert van CED heeft medegedeeld dat hij afziet van zijn schadeclaim betrekking hebbend op zijn scooter, zodat de daarop betrekking hebbende taxaties niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ook is niet toegelicht waarom twee taxaties nodig waren. Er is ook geen betaling gedaan door NN in verband met schade aan de scooter.

5.6

De voorschotten zijn op algemene titel verstrekt en hadden geen betrekking op de letselschade. De letselschadeclaim wordt immers afgehandeld door Univé. Het is NN niet duidelijk waarop de betwisting van de hoogte van de door NN gevorderde onderzoekskosten ziet, aldus NN.

6 Beoordeling in hoger beroep

Verwijdering persoonsgegevens uit de registers

6.1

Het hof ziet aanleiding als eerste de vordering tot verwijdering uit het incidentenregister en het daaraan verbonden Extern Verwijzingsregister te bespreken.

Volgens vaste rechtspraak is voor verwerking in overeenstemming met het “Protocol van strafrechtelijke persoonsgegevens” in bestanden als de onderhavige registers die onder het regime van de toenmalige Wbp vielen, vereist dat sprake is van zodanige concrete feiten en omstandigheden dat zij een als strafbaar feit te kwalificeren bewezenverklaring in de zin van art. 350 Sv kunnen dragen (HR 25 mei 2009, ECLI:NL:H:2009:BH4720). Dat betekent dat te verwerken strafrechtelijke persoonsgegevens in voldoende mate moeten vast staan. In dit geval moet concreet beoordeeld worden of in voldoende mate vast staat dat [appellant] handelingen heeft verricht die aan de delictsomschrijving van art. 326 Sr voldoen. Volgens die delictsomschrijving is sprake van oplichting als iemand, “met het oogmerk om zich (…) wederrechtelijk te bevoordelen, (…) door een samenweefsel van verdichtsels, iemand beweegt tot de afgifte van enig goed (…)”.

Daarnaast is nog een belangenafweging nodig overeenkomstig artikel 6 lid 1 aanhef en onder f Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (hierna: AVG). Deze bepaling luidt: “De verwerking is alleen rechtmatig indien en voor zover aan ten minste een van de onderstaande voorwaarden is voldaan: (…) f) de verwerking is noodzakelijk voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, behalve wanneer de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene die tot bescherming van persoonsgegevens nopen, zwaarder wegen dan die belangen, met name wanneer de betrokkene een kind is.” De AVG is in werking getreden op 25 mei 2016 en van toepassing geworden op 25 mei 2018 (artikel 99 AVG). De Wet bescherming persoonsgegevens is met ingang van laatstgenoemde datum ingetrokken (artikel 51 Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming).

6.2

Het hof zal eerst beoordelen of als vaststaand kan worden aangenomen dat de aangeboden jas en broek niet-authentieke merkartikelen waren, en vervolgens of – in deze civiele procedure – in voldoende mate als vaststaand kan worden aangenomen dat [appellant] heeft gehandeld met het oogmerk om zichzelf wederrechtelijk te bevoordelen, door met een samenweefsel van verdichtsels NN te bewegen tot vergoeding van een hoger bedrag over te gaan dan waarop hij aanspraak kon maken, of, anders gezegd, of [appellant] het oogmerk had NN te misleiden.

Waren de kledingstukken nep?

6.3

Ten aanzien van de jas overweegt het hof in dat verband als volgt. Uit het rapport van Value & Views van 26 oktober 2016 volgt dat de toen aangeboden jas in erbarmelijke staat verkeerde, zodanig dat de restwaarde op dat moment op nihil werd getaxeerd. [appellant] heeft geen uitleg gegeven waarom de jas in deze erbarmelijke staat verkeerde. Als niet weersproken kan worden vastgesteld dat dit beeld niet past bij een Gucci-jas van slechts een paar jaar oud, nu immers van een dergelijke jas een hogere kwaliteit en duurzaamheid kan worden verwacht. Dit is een belangrijke aanwijzing dat de jas niet een echte Gucci-jas is.

6.4

Dat de jas niet een echte Gucci-jas is, strookt met de bevindingen van de deskundigen van NN en de door hen ingewonnen informatie van de Store Manager van Gucci aan de [adres] . Weliswaar heeft [appellant] betwist dat namens NN navraag is gedaan bij Gucci, onder meer omdat volgens [appellant] bewijsstukken daarvan ontbreken, maar hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, evenals de door hem in eerste aanleg overgelegde correspondentie met Gucci Amsterdam, vormt geen weerlegging van de verklaring van [D] dat hij over de jas heeft gesproken met de Store Manager. De betwisting is ook overigens onvoldoende gemotiveerd en kan er niet toe leiden dat het rapport van [D] terzijde wordt gesteld.

6.5

De door [appellant] in het geding gebrachte taxatierapporten van [A] en Value & Views zijn onvoldoende om tot het oordeel te komen dat de jas wel een echte Gucci-jas is. Daartoe overweegt het hof dat zowel het rapport van [A] als het rapport van Value & Views van 25 januari 2015 is gebaseerd op toegestuurde foto’s. Bovendien is in deze rapporten niet de echtheid vastgesteld. Het rapport van Value & Views van 26 oktober 2016 is wel gebaseerd op fysiek onderzoek van de kleding, maar in dat rapport is vermeld dat de Gucci-jas in erbarmelijke staat verkeert en dat labels ontbreken. Hoe de taxateur desalniettemin tot de conclusie is gekomen dat het om een echte Gucci-jas zou gaan, wordt in het rapport niet toegelicht. Het rapport is op dat punt dan ook onvoldoende onderbouwd.

6.6

[appellant] heeft voorts nog aangevoerd dat aan het expertiserapport van NN geen waarde kan worden gehecht omdat daarin ten onrechte zou zijn vermeld dat Lampo een kledingfabrikant is in plaats van een ritsenfabrikant. Maar zelfs als wordt aangenomen dat Lampo inderdaad louter een ritsenfabrikant is, doet dit onvoldoende af aan de conclusies van de deskundigen van NN, nu het oordeel dat geen sprake is van een echte Gucci-jas vooral is gebaseerd op andere uiterlijke kenmerken, zoals de gebruikte stof en de (afwerkings)kwaliteit. Uit de door [appellant] in hoger beroep overgelegde e-mailcorrespondentie met een medewerker van Antiekcheck Taxatie kan bovendien niet worden afgeleid dat ook Gucci gebruik maakt van Lampo-ritsen, laat staan dat de door [appellant] aangeboden jas een originele Gucci-jas is.

6.7

Het voorgaande leidt ertoe dat bij de verdere beoordeling tot uitgangspunt strekt dat de aangeboden jas geen originele Gucci-jas is.

6.8

Ten aanzien van de aangeboden broek komt het hof eveneens tot de conclusie dat het een namaakartikel betreft. Ook hiervoor geldt dat dit volgt uit de bevindingen van de deskundigen van NN en uit de door [D] ingewonnen informatie bij de importeur van Kenzo. [D] heeft in zijn rapport vermeld dat de medewerker van Force Majeure detailfoto’s van de broek naar Kenzo in Frankrijk heeft gestuurd en dat daar werd geconstateerd dat het ingenaaide artikelnummer niet een bij Kenzo bekend artikelnummer betrof. De conclusie luidde dat de broek een namaakartikel is.

6.9

Dit is door [appellant] niet, althans onvoldoende weersproken. Weliswaar heeft hij betwist dat via [D] navraag is gedaan bij Kenzo, maar die betwisting is onvoldoende onderbouwd. De door [appellant] overgelegde e-mailberichten zijn daartoe ontoereikend. In antwoord op de expliciete vraag van [appellant] of er contact is geweest tussen Farce Majeure en Kenzo over een broek is in de e-mail van 18 maart 2019 van Kenzo immers slechts als volgt gereageerd: “Unfortunately, we do not have this kind of information”. De e-mail van 21 september 2017 van de juridische afdeling van Kenzo kan evenmin gewicht in de schaal leggen, nu uit deze e-mail niet kan worden afgeleid over welk kledingstuk dit gaat.

6.10

Ook de taxatierapporten van [A] en Value & Views zijn onvoldoende om tot een ander oordeel te komen dan hiervoor in 6.8 weergegeven. Weliswaar is in het rapport van Value & Views vermeld dat het om originele merkartikelen gaat, maar niet wordt toegelicht waarop dat oordeel is gebaseerd. In het bijzonder blijkt daar niet uit dat het in de bewuste broek ingenaaide artikelnummer wél een bestaand artikelnummer van Kenzo is. [appellant] heeft dit ook niet gesteld, laat staan onderbouwd. Het hof neemt dan ook als vaststaand aan dat de broek niet een originele Kenzo-broek betreft.

Opzet tot misleiding

6.11

NN c.s. stellen dat [appellant] het oogmerk had om NN te misleiden. Daartoe voeren zij een reeks feiten en omstandigheden aan, die volgens NN in onderlinge samenhang moeten worden beoordeeld. [appellant] betwist dat en stelt dat, als mocht komen vast te staan dat de kledingstukken niet authentiek zijn, daaraan nog niet de conclusie kan worden verbonden dat hij de opzet heeft gehad om NN te misleiden. Hij kon en mocht zich immers op het oordeel van de door hem ingeschakelde taxateurs verlaten.

6.12

Het hof is van oordeel dat uit het samenstel van feiten en omstandigheden geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat [appellant] het oogmerk had om NN te misleiden teneinde een hoger bedrag uitgekeerd te krijgen dan waarop hij aanspraak kon maken. Daartoe neemt het hof de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking.

6.13

Vast staat dat [appellant] in vier jaar tijd 11 maal wordt vermeld in het FISH, waarbij het in 7 gevallen ging om een met de onderhavige aanrijding vergelijkbaar incident, waarbij eveneens schade aan dure merkartikelen werd geclaimd.

Tevens staat vast dat [appellant] een aantal maanden voor de aanrijding zowel de jas als de broek (online) heeft laten taxeren, zonder dat [appellant] toelicht wat de aanleiding voor die taxatie was op dat moment. Ter zitting van het hof heeft hij desgevraagd aanvankelijk verklaard dat dit voor de inboedelverzekering nodig zou zijn, en later ten aanzien van de jas dat dit verband hield met een voorgenomen verkoop, terwijl beide redenen niet goed met elkaar zijn te rijmen.

6.14

[appellant] heeft met het verstrekken van het rapport van [A] aan de schadebehandelaar van NN beoogd om vergoeding te krijgen voor schade aan een dure merkjas en een dure merkbroek. Nadat vragen rezen over de echtheid van de kleding heeft hij geen concrete informatie verstrekt over de herkomst van de kleding, zoals de aanschafdatum, -plaats en -prijs. Van de jas, de broek en de zonnebril zouden geen aankoopbonnen meer aanwezig zijn. Ten overstaan van de onderzoeker heeft hij aanvankelijk verklaard dat hij de jas van zijn ouders had gekregen en dat die is aangeschaft in Italië. Hij heeft echter geen toestemming gegeven aan de onderzoeker om zijn ouders daarover nader te ondervragen.

Later heeft hij gezegd niet meer te kunnen verklaren over de herkomst van de kleding omdat hij aan geheugenverlies zou lijden. Ook ten overstaan van de klachtencommissie van het Kifid heeft hij volgehouden geen nadere informatie over de aankoop te kunnen verschaffen. Ter terechtzitting van het hof heeft [appellant] echter spontaan en uit eigen beweging verklaard de Gucci-jas in 2013 of 2014 te hebben gekocht via Marktplaats. Toen hem werd gevraagd welk bedrag hij daarvoor heeft betaald, verwees hij naar de aanschafwaarde die hij in 2015 aan taxateur [B] had genoemd, te weten € 2.800. Hij verklaarde dat bedrag contant te hebben betaald, maar kon desgevraagd niet de naam en de woonplaats van de verkoper noemen. Ook verklaarde hij later nog te hebben gezocht naar afschriften van de geldopname uit de pinautomaat, maar zich te realiseren dat hij daarmee de contante betaling niet kon bewijzen. [appellant] heeft niet toegelicht hoe deze herinnering zich verhoudt tot zijn eerdere verklaringen over de gift van zijn ouders en het geheugenverlies.

6.15

Ondanks diverse verzoeken daartoe van NN heeft [appellant] ook geen inzicht willen geven in de informatie over de aanschafwaarde en -data die hij aan [A] en [B] heeft verstrekt. Daarbij valt op dat [B] het eerdergenoemde bedrag van € 2.800 als nieuwwaarde 2012/2013 voor de jas noemt, terwijl [A] als aankoopbedrag eveneens € 2.800 noemt, maar als aankoopdatum januari 2014 vermeldt. Voor de broek wordt als aankoopdatum augustus 2014 genoemd. Beide taxateurs vermelden dat die informatie hun door [appellant] is verstrekt. [appellant] heeft verzuimd dit toe te lichten, terwijl dat wel van hem verlangd kon worden in het licht van zijn herhaalde verklaring tegenover de onderzoekers dat hij geen informatie kon verschaffen over de aankoopdatum en -prijs. Ook zou [B] met betrekking tot de broek over een prijskaartje beschikken, terwijl [appellant] steeds heeft verklaard dat er geen aankoopbewijzen meer waren.

6.16

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [appellant] het onderzoek naar de herkomst van de kleding heeft belemmerd. Anders dan [appellant] betoogt is informatie over de plaats en tijd van aankoop, alsmede de aankoopprijs, wel degelijk relevant voor het onderzoek naar de echtheid van de kleding.

6.17

Als niet weersproken staat voorts vast dat de aan [D] overhandigde jas onderdelen miste die nog wel op de foto’s te zien waren die aan [A] ter beschikking waren gesteld. Het ging daarbij om een binnenzak waarop het Gucci-label was bevestigd. [appellant] heeft blijkens het onderzoeksrapport wisselende verklaringen afgelegd over de afwezigheid van de binnenzak en was niet bereid om die ter beschikking te stellen. Zijn stelling in hoger beroep dat hij dat wel heeft aangeboden maar dat daarop geen prijs werd gesteld, wordt als onvoldoende onderbouwd verworpen. Toen de jas vervolgens in oktober 2016 aan [B] werd overhandigd waren opnieuw onderdelen van de jas verdwenen zoals ritsopeners, een ophangketting en labels. Daaruit concludeert het hof dat gaandeweg onderdelen van de jas zijn verdwenen die juist kenmerkend zouden kunnen zijn voor een echte Gucci-jas, terwijl [appellant] hiervoor geen verklaring heeft gegeven. Ook heeft hij geen verklaring gegeven voor het feit dat de jas in 2016 zodanig met plakband was beplakt dat het design aan de buitenzijde onherstelbaar was beschadigd.

6.18

Weliswaar heeft [appellant] gesteld dat hij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de door hem aangeboden kleding designerkleding betrof, maar hij heeft in het licht van al het bovenstaande geen feiten en omstandigheden aangevoerd waarop dat gerechtvaardigd vertrouwen kon worden gebaseerd.

Conclusie met betrekking tot het oogmerk om NN te misleiden

6.19

Op grond van bovengenoemde gang van zaken concludeert het hof dat [appellant] zich bewust was van het feit dat de door hem aangeboden kleding nep was en dat hij het oogmerk had NN te bewegen tot vergoeding van een hoger schadebedrag dan waarop hij recht had. Hiermee is sprake van zodanige concrete feiten en omstandigheden dat zij een als strafbaar feit te kwalificeren bewezenverklaring in de zin van art. 350 Sv kunnen dragen. Gezien de ernst van deze gegevens zijn de belangen van [appellant] van onvoldoende gewicht om de belangenafweging overeenkomstig artikel 6 lid 1 aanhef en onder f AVG in zijn voordeel te laten uitvallen. [appellant] heeft in dit verband aangevoerd dat hij moeite heeft zich te verzekeren en financiële producten af te nemen, maar deze gevolgen wegen niet zwaarder dan de noodzaak van registratie wegens het daarmee te dienen doel van het voorkomen van (nieuwe) fraude, temeer omdat [appellant] bij zijn onjuiste lezing is gebleven.

Dit betekent dat aan de vereisten is voldaan voor vermelding van de persoonsgegevens in het incidentenregister en het Extern Verwijzingsregister. Het hof volgt [appellant] dus niet waar hij stelt dat hem slechts een verwijt kan worden gemaakt als zou worden vastgesteld dat zijn taxateurs met hem zouden hebben samengespannen of hij zijn taxateurs bewust om de tuin zou hebben geleid. [appellant] heeft geen andere klachten geformuleerd tegen de afwijzing van zijn verzoek tot het (doen) verwijderen van de gegevens, zodat zijn grief daartegen faalt.

Schadevergoeding

6.20

NN c.s. hebben zich op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat [appellant] een valse claim heeft ingediend ertoe leidt dat hij geen recht heeft op schadevergoeding. [appellant] heeft daartegen aangevoerd dat indien zou komen vast te staan dat de kledingstukken niet authentiek zijn, dit slechts meebrengt dat de geleden schade op een lager bedrag moet worden vastgesteld. Hij vordert voor dat geval een vergoeding voor de schade aan de jas en broek van € 190.

6.21

Het hof onderschrijft de stelling van [appellant] dat de omstandigheid dat [appellant] , als benadeelde partij, de hoogte van zijn schade bewust te hoog heeft voorgesteld in beginsel niet afdoet aan de verplichting van de aansprakelijke partij om de werkelijk geleden schade te vergoeden. NN kan zich in dit verband niet beroepen op het bepaalde in art. 7:941 lid 5 BW aangezien [appellant] geen verzekerde of tot uitkering gerechtigde is als daar bedoeld. [geïntimeerde sub 1] kan zich als aansprakelijke partij evenmin op dit artikel beroepen. Haar verplichting vloeit voort uit art. 6:162 BW en niet uit de verzekeringsovereenkomst. Dit kan echter niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden.

6.22

Vast staat dat [appellant] de jas en de broek zelf in bezit heeft gehouden en niet aan NN c.s. ter beschikking heeft overgedragen. Dat betekent, zoals de onderzoeker van CL ook reeds in zijn rapport heeft vermeld, dat niet de dagwaarde maar alleen de eventuele waardevermindering voor vergoeding in aanmerking komt. Over de waardevermindering van de jas en de broek door de aanrijding heeft [appellant] echter niets gesteld. Ook de beide door hem ingeschakelde taxateurs hebben zich daarover niet uitgelaten. [appellant] heeft slechts gesteld dat de schade met betrekking tot de broek en de jas € 190 bedraagt. Dit bedrag heeft hij ontleend aan het onderzoeksrapport van NN, waarin schade-expert [C] de dagwaarde van de jas op € 150 bepaalt en die van de broek op € 40. Dit betreft echter de dagwaarde van beide kledingstukken en deze bedragen geven geen indicatie van de waardevermindering als gevolg van beschadiging door de aanrijding.

6.23

Dit brengt mee dat het hof de schade bestaande in waardevermindering zal dienen te begroten. Bij gebreke van aanknopingspunten die op iets anders wijzen, begroot het hof de waardevermindering van de broek en de jas op nihil. Hieraan doet niet af dat [appellant] in hoger beroep een verklaring heeft overgelegd van [geïntimeerde sub 1] waarin is vermeld dat de jas en broek schaafplekken vertoonden, omdat uit de enkele aanwezigheid van schaafplekken niet volgt dat van een rechtens relevante waardevermindering sprake is. Dat van zodanige waardevermindering sprake is, volgt ook niet uit de opmerking van de onderzoeker van CL (bedoeld in de vorige rechtsoverweging), omdat hij de waardevermindering niet heeft bepaald.

6.24

[appellant] heeft voorts met betrekking tot een Cartier zonnebril een bedrag van

€ 575 aan schadevergoeding gevorderd. Dat bedrag is volgens de stellingen van [appellant] de dagwaarde van de zonnebril. Hij verwijst daarvoor naar het rapport van [A] . Ook de zonnebril heeft [appellant] zelf in bezit gehouden, zodat ook daarvoor geldt dat slechts de eventuele waardevermindering voor vergoeding in aanmerking komt. Over de (waardevermindering van de) zonnebril heeft [appellant] in het geheel niets gesteld, zodat het hof de daarmee verband houdende schade eveneens, bij gebreke van aanknopingspunten die op een ander bedrag wijzen, op nihil begroot.

Vergoeding van kosten

6.25

Gelet op het voorgaande komen de kosten van het rapport van [A] niet voor vergoeding in aanmerking. Dit rapport heeft immers niet bijgedragen aan de begroting van voor vergoeding vatbare schade, te weten de waardevermindering van de kledingstukken. Hetzelfde geldt voor de door [appellant] gemaakte verzendkosten.

De vorderingen die daarmee samenhangen zijn terecht afgewezen.

6.26

[appellant] heeft tevens vergoeding gevorderd van de taxatiekosten betreffende zijn scooter. Het hof stelt vast dat in deze procedure geen vergoeding van de schade aan de scooter wordt gevorderd. Ook anderszins is onvoldoende gesteld om tot het oordeel te komen dat de kosten van taxatie van die (gestelde) schade kunnen worden aangemerkt als kosten in de zin van art. 6:96 BW. [appellant] heeft weliswaar gesteld dat hij de schade aan zijn scooter van NN vergoed heeft gekregen (naar het hof begrijpt: op basis van deze taxaties), maar dat is door NN betwist. Tegenover deze betwisting heeft [appellant] zijn stelling niet nader onderbouwd, zodat het hof daaraan voorbijgaat.

6.27

Het voorgaande brengt mee dat zowel de vorderingen tot schadevergoeding als de vordering tot vergoeding van kosten niet kunnen worden toegewezen. De daarop betrekking hebbende grieven falen.

Afwijzing vorderingen

6.28

Dit betekent dat [geïntimeerde sub 1] niet gehouden is tot betaling van enig bedrag aan [appellant] . Reeds om die reden is ook NN niet gehouden tot betaling van enig bedrag aan [appellant] .

NN heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep terecht aangevoerd dat [appellant] geen eigen recht heeft jegens NN en evenmin een directe actie op grond van art. 7:954 BW, aangezien geen schade als gevolg van dood of letsel wordt gevorderd, maar dat verweer leidt, gelet op het voorgaande, niet tot een andere uitkomst.

Terugbetaling voorschotten

6.29

Nu vast staat dat [geïntimeerde sub 1] niet gehouden is om aan [appellant] enig bedrag te voldoen, staat daarmee tevens vast dat de door NN betaalde voorschotten onverschuldigd zijn verstrekt. Het verweer van [appellant] dat de voorschotten betrekking hadden op andere claims dan ten aanzien van de hierboven besproken jas, broek en zonnebril is onvoldoende onderbouwd. De voorschotten zijn op algemene titel verstrekt. Niet is weersproken dat de letselschadeclaim behandeld wordt door Univé en er is niet aannemelijk geworden dat er nog andere claims zijn ingediend bij NN, waarop de voorschotten betrekking zouden kunnen hebben. Ook deze grief faalt.

Vergoeding onderzoekskosten

6.30

[appellant] heeft tot slot een grief gericht tegen de toewijzing van de onderzoekskosten aan NN. Hij heeft daartoe niet meer aangevoerd dan dat de kantonrechter heeft miskend dat hij de hoogte van de kosten heeft betwist. Hij licht die betwisting in hoger beroep niet nader toe. Voor zover [appellant] bedoeld heeft zijn opmerking in eerste aanleg te herhalen dat de urenregistratie vragen oproept, heeft hij zijn verweer tegen de kosten daarmee onvoldoende onderbouwd. NN heeft bovendien in eerste aanleg gereageerd op de door [appellant] opgeworpen vragen. [appellant] heeft in hoger beroep verzuimd zijn verweer daarop nader te onderbouwen. Het bedrag van

€ 1.665 komt het hof, gelet op de omvang en de inhoud van het onderzoek, ook overigens niet onredelijk voor. Ook deze grief faalt.

Buitengerechtelijke incassokosten

6.31

De grief gericht tegen de toewijzing van de buitengerechtelijke incassokosten heeft geen zelfstandige betekenis en volgt het lot van de andere grieven.

Bewijsaanbod

6.32

Het hof verwerpt het bewijsaanbod. Dit heeft geen betrekking op feiten en omstandigheden die, indien bewezen, tot een andere beslissing in deze zaak kunnen leiden.

Conclusie

6.33

De grieven, die verder geen afzonderlijke bespreking behoeven, falen. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen en de in hoger beroep gewijzigde vorderingen van [appellant] afwijzen. [appellant] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.

7 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

wijst de in hoger beroep gewijzigde vorderingen van [appellant] af;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van NN c.s. begroot op € 332 aan verschotten en € 3.342 voor salaris en op € 163 voor nasalaris, te vermeerderen met € 85 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Hoekzema, J.F. Aalders, en M.M. Korsten-Krijnen, en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2021.