Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1708

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
15-06-2021
Zaaknummer
200.289.286/01 OK
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

OK; enquêterecht; er wordt een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken; bij wijze van onmiddellijke voorziening wordt de bestuurder geschorst, wordt een bestuurder benoemd en worden aandelen ten titel van beheer overgedragen

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2 345
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2021-0255
ARO 2021/103
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

___________________________________________________________________

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

zaaknummer: 200.289.286/01 OK

beschikking van de Ondernemingskamer van 12 mei 2021

inzake

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VANESTATE B.V.,

gevestigd te Nijmegen,

VERZOEKSTER,

advocaat: mr. J. Schröder, kantoorhoudende te Nijmegen,

en

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DOLBECO B.V.,

gevestigd te Bodegraven,

VERZOEKSTER,

advocaat: mr. M.J. Clement, kantoorhoudende te Amsterdam,

t e g e n

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

i3 HOLDING B.V.,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

i3 NEDERLAND B.V.,

beide gevestigd te Vught,

VERWEERSTERS,

advocaat: mr. J. Oerlemans, kantoorhoudende te ’s-Hertogenbosch,

e n t e g e n

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PETRIAS BEHEER VUGHT B.V.,

gevestigd te Vught,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TRICOMSTATE HOLDING B.V.,

gevestigd te Vught,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MIJKOIN B.V.,

gevestigd te Vught,

4. [A],

wonende te [....] ,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BOBEAS B.V.,

gevestigd te Vught,

BELANGHEBBENDEN,

advocaat: mr. J. Oerlemans, kantoorhoudende te ’s-Hertogenbosch.

Hierna zullen partijen en andere (rechts)personen ook als volgt worden aangeduid:

  • -

    verzoeksters afzonderlijk als Vanestate en Dolbeco;

  • -

    verweersters sub 1 en 2 afzonderlijk als i3 Holding en i3 Nederland en gezamenlijk als i3;

  • -

    belanghebbenden afzonderlijk als respectievelijk Petrias, Tricomstate Holding, Mijkoin, [A] en Bobeas en gezamenlijk als de belanghebbenden;

  • -

    verweersters en belanghebbenden gezamenlijk als i3 Holding c.s.

1 Het verloop van het geding

1.1

Verzoeksters hebben bij gezamenlijk verzoekschrift van 2 februari 2021 de Ondernemingskamer verzocht, samengevat,

  1. een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van i3 Holding en i3 Nederland en haar dochtervennootschappen over de periode vanaf 1 januari 2010;

  2. als onmiddellijke voorzieningen voor de duur van de procedure

a. Petrias te schorsen als bestuurder van i3 Holding en een derde persoon te benoemen tot bestuurder van i3 Holding;

b. de aandelen in i3 Holding over te dragen aan een door de Ondernemingskamer te benoemen beheerder;

c. de besluiten van de algemene vergadering van 12 oktober 2020 te schorsen;

d. of een andere voorziening te treffen die de Ondernemingskamer juist acht;

3. verweersters te veroordelen in de kosten van de procedure.

1.2

i3 Holding c.s. hebben bij verweerschrift van 24 februari 2021 de Ondernemingskamer verzocht verzoeksters niet ontvankelijk te verklaren in hun verzoek, dan wel dit verzoek af te wijzen en verzoeksters hoofdelijk te veroordelen in de kosten van de procedure.

1.3

Het verzoek is behandeld op de zitting van de Ondernemingskamer van 10 maart 2021. De advocaten hebben toen de standpunten van de verschillende partijen toegelicht aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen en van nadere producties die van tevoren waren toegestuurd. Partijen en hun advocaten hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord en inlichtingen verstrekt. Na de zitting is de zaak enige tijd aangehouden voor overleg over een minnelijke regeling. Op 17 maart 2021 hebben verzoeksters laten weten beschikking te vragen. Nadien heeft mr. Oerlemans de Ondernemingskamer nog een volmacht van i3 Nederland aan [B] d.d. 1 januari 2019 toegezonden.

2 Inleiding en feiten

Inleiding

2.1

[A] , [C] en [D] , oud-collega’s bij een IT-bedrijf, hebben in 2000 met zijn drieën een onderneming opgericht in de IT-dienstverlening (data- en informatiemanagement). Omdat [D] en [C] , na ruim tien succesvolle jaren, met pensioen wilden is een herstructurering tot stand gebracht die heeft bewerkstelligd dat zij binnen de onderneming meer op afstand zijn komen te staan. [A] is wel actief gebleven.

De verhoudingen zijn (vooral) in 2020 ernstig verstoord geraakt. [D] en de weduwe van de inmiddels overleden [C] vrezen met name dat [A] , in plaats van de afgesproken dividenden aan hen uit te keren, substantiële bedragen heeft onttrokken aan de onderneming om zichzelf en zijn familie te bevoordelen en inmiddels de onderneming voor een symbolisch bedrag probeert over te dragen aan zijn zoon [B] . Volgens [A] heeft hij steeds het belang gediend van de onderneming en al diegenen die daarbij zijn betrokken.

De vennootschappelijke structuur

2.2

i3 Holding is enig aandeelhouder en bestuurster van i3 Nederland. Alle 18.000 gewone aandelen in i3 Holding worden gehouden door Tricomstate Holding. De 15.000 cumulatief preferente aandelen in het kapitaal van i3 Holding worden in gelijke delen gehouden door Vanestate, Dolbeco en Petrias. Petrias is, sinds 2010, enig bestuurder van i3 Holding.

2.3

[A] is de bestuurder van Tricomstate Holding. Enig aandeelhoudster van Tricomstate Holding is Mijkoin. [A] is de bestuurder van Mijkoin en van de Stichting Administratiekantoor Mijkoin (hierna: de STAK), die enig aandeelhoudster is van Mijkoin.

2.4

[A] is tevens de bestuurder en enig aandeelhouder van Petrias. [E] (hierna: [E] ), weduwe van de in 2011 overleden [C] (hierna [C] ), is de bestuurder en enig aandeelhoudster van Vanestate. [D] (hierna: [D] ) is de bestuurder en enig aandeelhouder van Dolbeco.

2.5

i3 Nederland is (al dan niet indirect) houdster van alle aandelen in het kapitaal van i3 Solutions B.V., i3 Managed B.V., Smart Information Solutions B.V. en i3 Networking B.V.

2.6

Schematisch is de vennootschappelijke structuur als volgt:

2.7

De zoon van [A] , [B] (hierna: [B] ), heeft de dagelijkse leiding bij i3 Nederland en staat bij de Kamer van Koophandel als volledig gevolmachtigde van i3 Nederland ingeschreven. [B] is indirect de bestuurder en enig aandeelhouder van Bobeas.

De gebeurtenissen in chronologische volgorde

2.8

Op 1 juni 2001 zijn [D] , [C] en [A] met i3 Nederland (toen nog i3 Group B.V. genaamd) begonnen. De onderneming verleent diensten op het gebied van het ontwerpen, leveren en beheren van complexe informatiesystemen (specifiek: data- en informatie management) en richt zich met name op de centrale overheid en medische sector (“cure” en “care”). De grootste klant sinds 2001 is de Nederlandse belastingdienst.

2.9

Enig aandeelhouder van i3 Nederland was Tricomstate B.V. (oud); in die vennootschap hielden de oprichters via hun persoonlijke holdings Petrias, Vanestate en Dolbeco ieder 1/3 van de aandelen.

2.10

In de periode na de oprichting fungeerde [A] als commercieel directeur en [D] en [C] als technisch consultants.

2.11

In verband met het voorgenomen pensioen van [C] en [D] ( [A] zou nog enige tijd actief blijven) heeft in de periode 2009/2010 een herstructurering plaatsgevonden. Het eindresultaat van die herstructurering was dat Petrias, Dolbeco en Vanestate hun gewone aandelen in Tricomstate (oud) hebben verkocht, dat [A] (indirect) houder werd van alle gewone aandelen in een nieuwe vennootschap eveneens genaamd Tricomstate B.V. (hierna: Tricomstate (nieuw)) en dat Petrias, Dolbeco en Vanestate ieder 5.000 cumulatief preferente aandelen (hierna cumprefs) in Tricomstate (nieuw) verwierven. Dolbeco, Vanestate en Petrias ontvingen ieder van Tricomstate B.V. (oud) een dividenduitkering van 1/3 van € 788.748 en de managementovereenkomsten van Dolbeco en Vanestate zijn beëindigd. De waarde van Tricomstate (nieuw) is per 1 januari 2009 vastgesteld op € 9.000.000. Dit bedrag is als agio op de cumprefs ingebracht zodat op die aandelen een agioreserve van € 9.000.000 ontstond. Overeengekomen is daarvan direct € 4.500.000 aan dividend uit te keren aan Dolbeco, Vanestate en Petrias, de drie houders van cumprefs in Tricomstate (nieuw), die daardoor ieder een dividenduitkering van € 1.500.000 ontvingen. Omdat Tricomstate (nieuw) deze uitkeringen niet uit eigen middelen kon voldoen, is daarvoor bij ING een financiering afgesloten. De cumprefs geven recht op een vast, geplafonneerd rendement van € 75.250 per jaar (5% van (€ 5.000 (aandelenkapitaal) + € 1.500.000 (agio)).

2.12

Op 30 december 2009 is een aandeelhoudersovereenkomst gesloten tussen Dolbeco, Vanestate, Petrias, Tricomstate Holding en Tricomstate (nieuw). Die overeenkomst bepaalt onder meer dat winstuitkeringen en uitkeringen ten laste van de agioreserve ten eerste zullen plaatsvinden op de cumprefs en pas daarna op de gewone aandelen (waarbij geen dividend wordt uitgekeerd op gewone aandelen zolang de gezamenlijke agioreserve niet volledig is uitgekeerd), terwijl binnen de kring van cumprefhouders de cumprefs van Vanestate en Dolbeco voorrang hebben op die van Petrias.

2.13

In 2011 is de naam van Tricomstate (nieuw) gewijzigd in i3 Holding.

2.14

Van aanvang af werden algemene vergaderingen op informele wijze gehouden. Na de herstructurering is dat voortgezet. In de periode van 2011 tot augustus 2016 hadden [E] , [D] en [A] een jaarlijks informeel contactmoment tijdens een diner in een restaurant. Aan het einde van het diner bood [A] vooraf door hem opgestelde notulen van de aandeelhoudersvergadering, die een schriftelijke vastlegging betroffen van de vaststelling van de jaarrekening, de winstbestemming en decharge van de bestuurder, ter ondertekening aan.

2.15

Per 1 april 2014 is Blue Sky Mining B.V., een door [F] (hierna: [F] ) bestuurde vennootschap, benoemd tot directeur van i3 Nederland. Op 3 april 2014 heeft een andere door [F] bestuurde vennootschap, SAB-OO-NIS Beheer B.V. (hierna: SAB-OO-NIS), van Mijkoin 20% van de aandelen in Tricomstate Holding verworven tegen een koopprijs van € 1.300.000. Voor de waardebepaling van die aandelen is extern advies ingewonnen. Ter financiering van de koopprijs heeft i3 Holding op 3 april 2014 aan SAB-OO-NIS een lening verstrekt van € 1.300.000.

2.16

Vanaf 2015 heeft i3 Holding geen dividend meer uitgekeerd.

2.17

Sinds het (gebroken) boekjaar 2016/2017 staat in de jaarstukken van i3 Nederland een rekening-courantvordering op i3 Holding vermeld. Op 31 maart 2017 bedroeg deze vordering € 4.468.303.

2.18

Na augustus 2016 eindigde de onder 2.14 omschreven praktijk. Sindsdien zijn er geen jaarlijkse aandeelhoudersvergaderingen meer geweest. De jaarstukken zijn wel aan verzoeksters gezonden. De geconsolideerde concept-jaarrekeningen over 2016/2017 tot en met 2019/2020 zijn alle gedeponeerd bij het handelsregister met vermelding dat deze door de algemene vergadering zijn vastgesteld.

2.19

Per 1 juli 2017 is de managementovereenkomst van i3 Nederland met (de vennootschap van) [F] beëindigd. SAB-OO-NIS heeft op 27 december 2017 haar aandelen in Tricomstate Holding aan Mijkoin voor een bedrag van € 400.000 verkocht. Daarbij is het pandrecht op de aandelen komen te vervallen; mede ter bevestiging daarvan heeft i3 Holding de koopovereenkomst medeondertekend. Voor de waardebepaling van de aandelen is extern advies ingewonnen. Na cessies en verrekening van vorderingen van en aan Mijkoin verkreeg i3 Holding voor een bedrag van € 400.000 een vordering op Bobeas in plaats van op SAB-OO-NIS. De resterende vordering op SAB-OO-NIS ter grootte van € 900.000 is door i3 Holding als oninbaar afgeschreven.

2.20

Op 5 juli 2017 hebben i3 Holding en i3 Nederland een managementovereenkomst met Bobeas en [B] gesloten, ingaande op 1 oktober 2017. [B] ontving daarvoor een zogenoemde tekenbonus van € 150.000.

2.21

Bij akte van 14 februari 2018 hebben i3 Holding en Bobeas de voorwaarden vastgelegd van de twee geldleningen (waaronder de onder 2.19 genoemde) van i3 Holding aan Bobeas voor een totaalbedrag van circa € 472.000.

2.22

Op 1 januari 2019 heeft [A] namens i3 Nederland [B] een onherroepelijke en onbeperkte volmacht voor onbepaalde tijd gegeven.

2.23

Per einde boekjaar 2019/2020 bedroeg het achterstallig cumulatief preferent dividend van i3 Holding in totaal circa € 1.354.000.

2.24

Per 1 januari 2020 heeft ING het krediet van de i3-vennootschappen beperkt tot € 2 miljoen. Per juni 2020 is de kredietfaciliteit geheel beëindigd.

2.25

Op 17 april 2020 hebben [A] en [B] verzoeksters uitgenodigd voor een aandeelhoudersvergadering op 7 mei 2020 met als agendapunten, samengevat:

  • -

    Toelichting op Transactievoorstel tot koop 100% van de aandelen i3 Nederland door Bobeas (hierna: het Transactievoorstel);

  • -

    Besluit inzake concept ‘Intentieovereenkomst op hoofdlijnen overname 100% aandelen i3 Nederland’;

  • -

    Besluit tot aanwijzing van een vertegenwoordiger i3 Holding inzake de beoogde transactie, in verband met tegenstrijdig belang.

In het Transactievoorstel is onder meer vermeld dat [B] de onderneming onder voorwaarden wil voortzetten en dat de onderneming anders failliet zou gaan. In het bij het Transactievoorstel gevoegde concept-waarderingsrapport is de waarde van de onderneming bepaald op € 4.815.000. Op die waarde is de rekening-courantvordering van i3 Nederland op i3 Holding, die op dat moment € 5.189.000 bedroeg, in zijn geheel in mindering gebracht, waardoor de aandeelhouderswaarde uiteindelijk negatief is. Uit de meegestuurde intentieovereenkomst bleek dat Bobeas een koopprijs van € 100.000 wil betalen.

2.26

Vanestate en Dolbeco hebben bij brieven van 30 april 2020, 14 mei 2020 en 3 en 10 juni 2020 bezwaren tegen het beleid en de gang van zaken van i3 Holding kenbaar gemaakt. In het bijzonder hebben zij geklaagd over het Transactievoorstel, de onttrekking aan de onderneming van € 1.300.000, de hoogte van de managementvergoedingen, het gebrek aan overleg met de cumprefhouders en het negeren door [A] van op hem rustende verplichtingen vanwege tegenstrijdig belang.

2.27

Op 19 mei 2020 heeft een aandeelhoudersvergadering plaatsgevonden. Daarin zijn geen besluiten genomen. De mogelijkheid voor een minnelijke (uitkoop-)regeling is besproken. Nadien hebben ook verzoeksters een schikkingsvoorstel gedaan. Partijen hebben vervolgens gepoogd hun geschil door middel van mediation op te lossen. Die poging is mislukt.

2.28

Op 12 oktober 2020 heeft wederom een aandeelhoudersvergadering plaatsgevonden. Geagendeerd waren onder meer de vaststelling van de geconsolideerde jaarrekeningen over 2016/2017, 2017/2018, 2018/2019 en 2019/2020, besluiten tot decharge van Petrias alsmede de vaststelling van de managementvergoedingen over die jaren. Verzoeksters hebben bij alle besluiten tegengestemd. De meerderheid, bestaande uit Tricomstate Holding en Petrias, heeft voorgestemd, waardoor de besluiten zijn aangenomen.

2.29

In februari 2021 heeft Bobeas haar schuld uit de geldlening (inclusief rente) aan i3 Holding geheel afgelost.

3 De gronden van de beslissing

De ontvankelijkheid van verzoeksters

3.1

i3 Holding c.s. hebben aangevoerd dat verzoeksters niet ontvankelijk zijn in hun verzoek omdat zij geen bezwarenbrief hebben verstuurd. Dat verweer slaagt niet. In de onder 2.26 genoemde brieven hebben verzoeksters duidelijk genoeg gemaakt welke bezwaren zij tegen het beleid en de gang van zaken hebben, zodat i3 Holding c.s. daardoor niet overvallen werden en voldoende gelegenheid hadden het beleid aan te passen.

Het standpunt van verzoeksters

3.2

Verzoeksters hebben aangevoerd dat er gegronde redenen zijn voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van i3 en hun (klein)dochtervennootschappen en dat de toestand van de vennootschappen nodig maakt dat onmiddellijke voorzieningen worden getroffen. Ter toelichting hebben verzoeksters – samengevat – onder meer de volgende bezwaren naar voren gebracht:

a. De lening van i3 Holding aan SAB-OO-NIS van € 1,3 miljoen was niet in het belang van i3 Holding en de afwikkeling van de participatie van [F] , waaronder de kwijtschelding van € 900.000, evenmin. Bij de besluitvorming over die transacties had [A] , bestuurder/eigenaar van Mijkoin en bestuurder/ meerderheidsaandeelhouder van i3 Holding, een tegenstrijdig belang. Aan de bepalingen in de statuten en in de aandeelhoudersovereenkomst en aan de zorgplichten die in een dergelijke situatie gelden heeft hij niet voldaan;

b. Hetzelfde geldt voor de lening van circa € 472.000 die i3 Holding op onzakelijke voorwaarden heeft verstrekt aan Bobeas, de vennootschap van [B] . De aan Bobeas verstrekte “tekenbonus” bij het aangaan van een managementovereenkomst was eveneens onzakelijk. Voor die overeenkomst was bovendien de goedkeuring van de algemene vergadering vereist, die niet gevraagd is. Hetzelfde geldt voor het verstrekken van een verstrekkende volmacht aan [B] ;

c. Verzoeksters zijn overvallen door het Transactievoorstel. Het betreft materieel een liquidatiebesluit, dat aan de algemene vergadering (inclusief cumprefhouders) is voorbehouden. Een belangenafweging ontbreekt. Verder is geen verklaring gegeven voor de rekening-courantschuld van i3 Holding aan i3 Nederland en is onduidelijk hoe deze schuld bij de waardebepaling van de onderneming moet worden betrokken. Het Transactievoorstel komt neer op het weggeven van de onderneming tegen een symbolisch bedrag;

d. De geconsolideerde concept-jaarrekeningen over 2016/2017 tot en met 2019/2020 zijn alle gedeponeerd bij het handelsregister onder de onjuiste vermelding dat deze door de algemene vergadering zijn vastgesteld. In die jaren vonden geen aandeelhoudersvergaderingen plaats;

e. Per 30 juni 2020 heeft huisbankier ING de kredietfaciliteit van € 2 miljoen gestaakt. Onduidelijk is of dat op initiatief van ING was of van i3 Holding, maar de consequentie is dat de onderneming nu feitelijk gefinancierd wordt door uitstel van betaling van belastingschulden, waardoor haar continuïteit gevaar loopt;

f. In de boekjaren 2014/2015 en 2015/2016 is een bedrag van € 480.000 aan managementvergoedingen ten laste van i3 Holding gebracht, terwijl die vergoeding in 2011 per bestuurder € 210.000 bedroeg en sindsdien (behoudens, maar wat verzoeksters betreft tevergeefs, op 12 oktober 2020) geen besluiten tot verhoging door de algemene vergadering zijn genomen.

3.3

i3 Holding c.s. hebben gemotiveerd verweer gevoerd.

Het oordeel van de Ondernemingskamer

3.4

De Ondernemingskamer is van oordeel dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van i3 Holding en i3 Nederland die een onderzoek rechtvaardigen en legt hieronder uit waarom.

Ad (a) De lening van € 1,3 miljoen aan [F] en de afboeking van € 900.000 restschuld

3.5

i3 Holding c.s. hebben de lening ter grootte van € 1,3 miljoen van i3 Holding aan SAB-OO-NIS als volgt toegelicht. [A] wilde op enig moment zijn werkzaamheden stoppen, maar zonder opvolging zou het bedrijf ten onder gaan. Reeds geruime tijd was i3 Holding daarom op zoek naar een nieuwe bestuurder. Dat bleek een moeizaam traject. Uiteindelijk werd de oplossing gevonden in medewerker [F] . [F] wilde ook een aandelenparticipatie, zodat hij zou meeprofiteren in de resultaten van i3 indien het onder zijn leiding een succes zou worden. Daarop is een participatie van 20% in Tricomstate Holding overeengekomen. Voor de prijsbepaling hebben [A] en [F] zich door externe deskundigen laten adviseren. Omdat [F] zelf geen middelen had om de koopsom te financieren, heeft i3 Holding hem het benodigde geld geleend. Die lening was in het belang van i3 Holding, omdat zij zou profiteren van de versterking van de betrokkenheid van [F] . Als zekerheid voor terugbetaling van de vordering van i3 Holding uit hoofde van de geldleningsovereenkomst is bovendien ten behoeve van i3 Holding een pandrecht op de aandelen gevestigd.

3.6

Deze redenering overtuigt niet. Met name is het de vraag waarom, bij een transactie die plaatsvond tussen Mijkoin als verkoper en SAB-OO-NIS als koper, niet Mijkoin maar i3 Holding voor de financiering van de door [F] benodigde gelden heeft zorggedragen. De verklaring van [A] tijdens de zitting dat binnen “zijn” vennootschappen moest worden gezorgd voor een oplossing voor het probleem van de financiering gaat eraan voorbij, dat i3 Holding twee minderheidsaandeelhouders heeft wier belangen hij ook in acht had te nemen. De belangen van i3 Holding en Mijkoin liepen bij het verstrekken van de lening (en het aangaan van de bijbehorende risico’s) niet parallel en het is de vraag of [A] die belangen voldoende zorgvuldig gescheiden heeft gehouden. Het heeft er alle schijn van dat [A] hier voorrang heeft gegeven aan de belangen van de door hem bestuurde vennootschap Mijkoin ten nadele van de belangen van i3 Holding, door Mijkoin wel de volle verkoopprijs van € 1,3 miljoen te laten incasseren maar het risico dat SAB-OO-NIS de lening niet kon terugbetalen en het pandrecht tekortschoot om dat risico te beperken, geheel bij i3 Holding neer te leggen. Dit risico heeft zich ook daadwerkelijk ten nadele van i3 Holding verwezenlijkt. Op zich is denkbaar dat de wens bestond om [F] aan i3 te binden door hem te laten meeprofiteren van de gunstige resultaten die hij beoogde te bereiken, maar nergens blijkt dat [A] daarvoor ook andere, voor i3 Holding minder risicovolle, manieren heeft overwogen.

3.7

Daarnaast is niet gebleken dat [A] zich als indirect bestuurder van i3 Holding en van Mijkoin rekenschap heeft gegeven van zijn tegenstrijdige belang en de verplichtingen die in dat verband op hem rustten. In het midden kan blijven of de op dat onderwerp betrekking hebbende bepaling in de aandeelhoudersovereenkomst nietig is, zoals i3 Holding c.s. betogen. [A] is immers hoe dan ook gebonden aan de uit de wet en de rechtspraak voortvloeiende verplichtingen, die minst genomen meebrengen dat de verschillende belangen goed worden gescheiden en dat transparantie wordt betracht jegens de medeaandeelhouders. Daaraan heeft hij zich niet gehouden. Ter zitting is betoogd dat het aangaan van “de lening” op 22 augustus 2013 in een restaurant in Groesbeek met verzoeksters is besproken en door hen is goedgekeurd, maar die door verzoeksters betwiste stelling is weinig concreet en strookt ook niet met de notulen van die vergadering. Ook al waren die vooraf opgesteld (zie 2.14), onbegrijpelijk is dat een dergelijk substantiële lening, die het in die notulen wel genoemde positieve jaarresultaat overtrof, niet ook daarin is opgenomen, zodat de Ondernemingskamer eraan voorbij gaat. Vaststaat dat de balans per 31 maart 2016 de post “vorderingen op participanten” bevatte ter grootte van € 1.364.639 en dat bij e-mail van 22 april 2016 aan [D] is toegelicht dat dat bedrag een vordering is op [F] in verband met de verwerving van zijn belang, maar daarmee is nog niet, laat staan tijdig, een voldoende mate van transparantie betracht. Vermelding verdient in dit verband dat [A] ter zitting ook heeft erkend dat het achteraf gezien anders had gemoeten en dat de lening niet door i3 Holding had moeten worden verstrekt. Hij wijt de gemaakte keuze uiteindelijk aan de adviezen van zijn externe adviseurs (die overigens door i3 Holding zijn betaald). Dat doet evenwel geen afbreuk aan zijn eigen verantwoordelijkheid te handelen in het belang van de vennootschap i3 Holding en bij een tegenstrijdig belang, de uit de wet en rechtspraak voortvloeiende (zorgvuldigheids)regels na te leven.

3.8

Over de afwikkeling van de samenwerking met [F] en de afboeking van € 900.000 hebben i3 Holding c.s. het volgende aangevoerd. Omdat de samenwerking met [F] geen succes werd is na ongeveer drie jaar de managementovereenkomst met diens vennootschap beëindigd. Contractueel was SAB-OO-NIS verplicht haar aandelenbelang weer aan te bieden aan Mijkoin tegen de waarde in het economisch verkeer. De aandelen waren vanwege de negatieve resultaten die i3 sinds 2013 behaalde in waarde gedaald en een externe deskundige heeft de waarde in 2017 bepaald op € 400.000. Voor [F] was onbespreekbaar om zijn aandelen voor dat bedrag te verkopen en met een restschuld van € 900.000 aan i3 Holding te blijven zitten. Hij wilde slechts een minnelijke regeling tegen finale kwijting. Daarop zijn de aandelen door Mijkoin teruggekocht waarbij het bedrag van de koopprijs van € 400.000, na cessies en verrekeningen, door Bobeas aan i3 Holding verschuldigd werd (zie verder hierna onder 3.11). De restschuld van € 900.000 heeft i3 Holding, ter voorkoming van tijdrovende en kostbare rechtszaken en in de wetenschap dat SAB-OO-NIS een vrijwel lege vennootschap was die ook bij een voor i3 Holding gunstige afloop van die rechtszaken geen verhaal zou bieden, SAB-OO-NIS kwijtgescholden en afgeboekt. Omdat het de bedoeling was dat i3 Holding na levering van de aandelen aan Mijkoin niets meer van SAB-OO-NIS te vorderen zou hebben, heeft i3 Holding ermee ingestemd dat het pandrecht kwam te vervallen. De belastingdienst heeft de afgeboekte vordering als zakelijk aftrekbaar geaccepteerd, hetgeen i3 Holding een fiscaal voordeel van € 225.000 heeft opgeleverd.

3.9

De Ondernemingskamer acht het minst genomen twijfelachtig of bij de afwikkeling van de samenwerking met [F] in het belang van i3 Holding is gehandeld. Dat er geen alternatief was voor afboeking (onder fiscaal gunstige voorwaarden) van de restschuld van € 900.000 is slechts mondjesmaat toegelicht. Het was ook niet zonder meer in het belang van i3 Holding om in het kader van de verkoop van de aandelen door SAB-OO-NIS aan Mijkoin haar pandrecht op de aandelen direct volledig prijs te geven. Verder heeft de afwikkeling van de samenwerking met [F] , zover het het bedrag van de koopprijs betreft, aanvankelijk voor i3 Holding niet geleid tot een dienovereenkomstige vermindering van haar vordering, maar slechts tot een wijziging van schuldenaar, waarbij bovendien geen zekerheid is verstrekt ter vervanging van het pandrecht waarover zij voordien beschikte.

3.10

[A] heeft daarnaast ook bij de afwikkeling van de samenwerking met [F] als bestuurder van i3 Holding en Mijkoin ten onrechte geen onderscheid gemaakt tussen de belangen van i3 Holding en die van Mijkoin, die niet parallel liepen, en onvoldoende transparantie betracht tegenover zijn medeaandeelhouders. In dit verband geldt mutatis mutandis hetzelfde als hiervoor onder 3.7 is overwogen. Het enkele opnemen van de afboeking van € 900.000 als bijzondere waardevermindering in de winst-en-verliesrekening over 2016-2017 volstaat in dat verband niet.

Ad (b) transacties met [B]

3.11

i3 Holding c.s. hebben de aan [B] verstrekte lening als volgt toegelicht. Mijkoin had vorderingen op Bobeas van in totaal € 472.000 uit hoofde van geldleningen. Deze zijn aan i3 Holding verkocht. De voorwaarden van die door i3 Holding gekochte vorderingen zijn bij akte van 14 februari 2018 vastgelegd. Het bestaan van de leningen is vermeld in het financieel jaarverslag 2017/2018, dat op 15 april 2019 naar verzoeksters is gestuurd. Verweerders hebben er daarnaast op gewezen dat i3 Holding een gedeelte van haar vordering op SAB-OO-NIS ter grootte van € 400.000 aan Mijkoin heeft gecedeerd. Na verrekening is het eindresultaat dat i3 Holding voor dat bedrag geen lening meer verstrekte aan SAB-OO-NIS, maar aan Bobeas. De reden voor deze gang van zaken, aldus i3 Holding c.s. bij verweerschrift, lag in de vrees dat SAB-OO-NIS bij rechtstreekse betaling door Mijkoin de ontvangen koopsom niet zou gebruiken om de lening aan i3 Holding af te lossen.

Bobeas heeft de lening van i3 Holding (met rente) geheel terugbetaald.

3.12

De Ondernemingskamer acht het onvoldoende toegelicht dat, en zo ja welk vennootschappelijk belang van i3 Holding was gediend met de koop van leningen van Mijkoin aan Bobeas van in totaal € 472.039. Niet valt in te zien dat dit de enige manier was waarop kon worden bewerkstelligd dat SAB-OO-NIS met de koopsom haar lening aan i3 Holding zou aflossen. Het betoog van i3 Holding c.s. dat i3 Holding door de lening niet in haar vermogenspositie werd benadeeld omdat deze in zoverre de lening aan SAB-OO-NIS verving, gaat er (zoals onder 3.9 al werd opgemerkt) bovendien aan voorbij dat aan die nieuwe lening geen zekerheid meer was verbonden. Dat Bobeas de lening uiteindelijk in 2021 geheel heeft terugbetaald maakt niet dat hierover anders moet worden geoordeeld. Verder is aannemelijk dat ook bij de aankoop door i3 Holding van de vorderingen van Mijkoin op Bobeas (een vennootschap van de zoon van [A] ) sprake was van een tegenstrijdig belang van [A] , als (indirect) bestuurder van i3 Holding. Daarvoor geldt hetzelfde als hiervoor onder 3.7 werd geoordeeld.

3.13

Volgens i3 Holding c.s. was van aanvang af al rekening gehouden met de mogelijkheid dat [B] op enig moment tot i3 zou toetreden. Nadat afscheid was genomen van [F] is tijdens een “aandeelhoudersweekend” op 10 oktober 2017 met verzoeksters besproken dat [B] een managementovereenkomst zou worden aangeboden.

Vaststaat echter dat die overeenkomst op 5 juli 2017 al was gesloten, terwijl i3 Holding c.s. erkennen dat over de voorwaarden van die overeenkomst (salariëring, tekenbonus) met verzoeksters niet is gesproken. Evenmin is gebleken dat verzoeksters zijn geïnformeerd over de op 1 januari 2019 aan [B] verstrekte volmacht. Wat hiervan verder zij, niet kan worden geoordeeld dat verzoeksters voldoende en tijdig zijn geïnformeerd over de transacties die [A] met [B] heeft gesloten, terwijl – ook indien opvolging door [B] op zichzelf voorzienbaar was – van een mogelijk tegenstrijdig belang moet worden uitgegaan.

Ad (c) besluitvorming Transactievoorstel; rekening-courantschuld aan i3 Nederland

3.14

Volgens i3 Holding c.s. hoeft het besluit tot verkoop van de onderneming aan [B] niet aan de cumprefhouders te worden voorgelegd. Verder menen zij dat verzoeksters bij dit bezwaar geen belang hebben, omdat i3 Holding, in een door Vanestate tegen haar aangespannen rechtszaak, zich heeft verplicht niet tot verkoop over te gaan totdat de rechter haar bevoegdheid daartoe heeft erkend.

3.15

Het is de Ondernemingskamer niet duidelijk op welke grondslag i3 Holding c.s. menen dat het besluit tot verkoop van de onderneming niet (mede) aan de cumprefhouders hoeft te worden voorgelegd. Mogelijk beogen zij te verwijzen naar artikel 16 lid 5 onder b van de statuten van i3 Holding, waarin wordt bepaald dat het bestuursbesluit tot overdracht van “een bedrijf van de vennootschap” de goedkeuring van – kortweg – de vergadering van gewone aandeelhouders behoeft. Wat daarvan zij, de Ondernemingskamer is van oordeel dat een besluit van de (indirect) bestuurder van i3 Holding ( [A] ) tot verkoop van i3 Nederland aan zijn zoon [B] tegen een prijs die ogenschijnlijk aanmerkelijk lager is dan de reële marktwaarde zonder instemming van de andere aandeelhouders, in beginsel onverenigbaar is met de norm van artikel 2:8 lid 1 BW. Bij die verkoop zal i3 Holding de eerdergenoemde wettelijke en in de rechtspraak ontwikkelde zorgvuldigheidsnormen in acht moeten nemen. In zoverre was de oproepingsbrief van 17 april 2020 niet eenduidig, nu weliswaar het onderwerp “besluitvorming tot aanwijzing vertegenwoordiger in verband met tegenstrijdig belang” is geagendeerd, maar anderzijds is vermeld dat de verkoop kan geschieden “na instemming door de gewone aandeelhouders” en dat het bestuur slechts wil “af tasten onder welke voorwaarden alle aandeelhouders bereid zijn instemming te geven voor de beoogde transactie”.

Om te beoordelen of het Transactievoorstel op een reële waardering van de onderneming is gebaseerd, en dus een marktconforme prijs voorstelt (hetgeen verzoeksters in twijfel trekken) dient er – in ieder geval – duidelijkheid te komen over de achtergrond van de onder 2.17 genoemde rekening-courantschuld van i3 Holding aan i3 Nederland en moet de vraag worden beantwoord, hoe die schuld doorwerkt in de waardering van de onderneming. i3 Holding c.s. hebben tijdens de zitting ter toelichting op (het ontstaan van) de schuld verwezen naar eisen van de bank en een Basel-richtlijn. De strekking van deze toelichting heeft de Ondernemingskamer, ondanks doorvragen, niet volledig kunnen doorgronden maar de indruk is gewekt dat het hier in wezen om een boekhoudkundige kwestie gaat. Tegelijkertijd gaat het waarderingsrapport van Bol-adviseurs, dat onderdeel uitmaakt van het Transactievoorstel, ervan uit dat het voor de bepaling van de aandeelhouderswaarde nodig is de volledige rekening-courantschuld van i3 Holding aan i3 Nederland op de ondernemingswaarde in mindering te brengen (als gevolg waarvan de aandeelhouderswaarde van de onderneming negatief is). Dat lijkt niet verenigbaar met een louter boekhoudkundige kwestie.

Ad (d) Vaststelling jaarrekeningen na 2016

3.16

Namens i3 Holding c.s. is benadrukt dat alle concept-jaarrekeningen 2016/2017, 2017/2018, 2018/2019 en 2019/2020 steeds aan verzoeksters zijn toegestuurd, dat gelegenheid bestond om daarover vragen te stellen en dat die vragen uitbleven. Gezien de informele gang van zaken die tussen aandeelhouders gebruikelijk was vertrouwde i3 Holding er dan ook op dat verzoeksters met de jaarstukken instemden en deze als vastgesteld mochten worden aangemerkt.

3.17

De Ondernemingskamer acht die gang van zaken onvoldoende om de jaarstukken als in de algemene vergadering vastgesteld aan te merken, temeer nu i3 Holding c.s. zelf aanvoeren dat na augustus 2016 zelfs geen informele aandeelhoudersvergaderingen meer plaatsvonden en zij vaststelling van deze jaarstukken hebben geagendeerd voor een aandeelhoudersvergadering op 12 oktober 2020. In dat licht is ook niet aannemelijk dat i3 Holding c.s. de stukken reeds als vastgesteld beschouwde.

Ad (f) Managementvergoeding

3.18

i3 Holding c.s. hebben erkend dat de jaarlijkse managementvergoeding oorspronkelijk € 210.000 bedroeg, maar zij stellen dat dat is veranderd in 2011, toen Vanestate haar bestuurswerkzaamheden staakte. Afgesproken is toen dat Petrias, die als enig bestuurder overbleef, voortaan € 240.000 voor haar werkzaamheden zou ontvangen. Petrias maakt sindsdien jaarlijks aanspraak op dit bedrag. Volgens i3 Holding c.s. is de besluitvorming over de managementvergoeding aan de aandeelhoudersvergadering voorgelegd door vermelding in de vast te stellen jaarrekening en impliceert de vaststelling van de jaarrekening de vaststelling van de managementvergoeding. De verklaring voor het feit dat in de boekjaren 2014/2015 en 2015/2016 € 480.ooo aan managementvergoedingen is opgenomen is, dat de vennootschap van [F] eveneens € 240.000 per jaar ontving. De jaarrekening 2014/2015 vermeldt dan ook dat het gaat om bestuurders (meervoud).

3.19

De Ondernemingskamer constateert dat verzoeksters de in 2011 gemaakte afspraak niet hebben betwist, zodat ervan uit kan worden gegaan dat de managementvergoeding vanaf 2011 € 240.000 bedroeg. Wat de dubbele managementvergoeding betreft in de boekjaren 2014/2015 en 2015/2016 hebben verzoeksters (op zichzelf begrijpelijkerwijs) in twijfel getrokken of de werkzaamheden van Petrias naast die van [F] betaling van de volledige managementvergoeding rechtvaardigden, maar opmerking verdient dat zij daar in die periode jegens [A] geen klachten over hebben geuit. Wat twee boekjaren nadien betreft bevat de jaarrekening geen vermelding van de bestuurdersbezoldiging, omdat de opgave te herleiden is tot één enkele persoon. Besluitvorming door de aandeelhoudersvergadering op de wijze zoals verweerders betogen, zo al toelaatbaar, is daarmee praktisch onmogelijk, nog daargelaten dat sinds augustus 2016 geen aandeelhoudersvergaderingen ter vaststelling van de jaarrekeningen hebben plaatsgevonden. De jaarrekening 2018/2019 vermeldt intussen dat de bezoldiging aan (voormalige) bestuurders € 165.000 bedraagt (en 2017/2018: € 240.000). De jaarrekening 2019/2020 vermeldt eveneens een bedrag van € 165.000, maar over 2018/2019 € 240.000. Uit het transcript van de aandeelhoudersvergadering van oktober 2020 is niet duidelijk af te leiden wat over de managementvergoedingen (nader) is besloten; dat kan bevestiging van de uit de jaarrekeningen blijkende bedragen zijn, maar ook een jaarlijks bedrag van € 240.000. Op de zitting heeft [A] nog gesuggereerd dat hij weliswaar aanspraak heeft op € 240.000 per jaar, maar zich niet alles laat uitbetalen waar hij recht op heeft. Een en ander betekent dat de besluitvorming over de managementvergoedingen gebrekkig is en bovendien onduidelijkheid bestaat over de hoogte daarvan alsmede over de werkelijk uitbetaalde bedragen.

Slotsom: gegronde redenen

3.20

Reeds de kwesties rondom de leningen aan SAB-OO-NIS (3.6 – 3.7) en Bobeas (3.12), de afwikkeling van de samenwerking met [F] (3.8 – 3.10), de gang van zaken bij het Transactievoorstel (3.15) en de gebreken rondom de managementvergoeding (3.19) leiden er toe dat er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij i3 te twijfelen. Aan dat oordeel dragen nog bij de transacties met [B] (3.13) en de deponering als vastgesteld van niet-vastgestelde jaarstukken (3.17). In zijn algemeenheid merkt de Ondernemingskamer daarnaast op dat de informatieverstrekking door Petrias aan verzoeksters de afgelopen jaren bepaald te wensen heeft overgelaten. Dat de gang van zaken binnen (de aandeelhouders van) i3 informeel van karakter was, vormt mogelijk ten dele de verklaring maar is daarmee nog geen rechtvaardiging.

Onderzoek

3.21

De Ondernemingskamer zal een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van i3 Holding en i3 Nederland bevelen dat in ieder geval de hiervoor onder 3.20 genoemde onderwerpen betreft, gedurende de periode van 1 januari 2014 – het jaar waarin de kwestie rond de lening aan SAB-OO-NIS begon te spelen – tot en met heden.

Ad (e) beëindiging kredietverlening ING

3.22

Het staat de onderzoek vrij om bij dat onderzoek ook het beëindigen van de kredietrelatie met ING te betrekken. Door i3 Holding c.s. is aangevoerd dat op het beëindigen van de kredietverlening door ING is aangestuurd, om van haar grootste crediteur af te zijn. Het aflossen bleek mogelijk door het doorvoeren van kostenbesparingen (waaronder een verlaagde huurprijs) en een omzetstijging. Gelet op de kritiek van verzoeksters dat de huidige wijze van financieren gevolgen kan hebben voor de continuïteit van de onderneming, mag ook aan dit onderwerp aandacht worden besteed.

Overige bezwaren

3.23

Verzoeksters hebben nog enkele overige bezwaren naar voren gebracht die naar het oordeel van de Ondernemingskamer niet bij het onderzoek betrokken hoeven te worden. Zo hebben zij de zorg geuit dat op de nieuwe aanbesteding door de belastingdienst die dit jaar wordt verwacht, door i3 Nederland onvoldoende voortvarend zal worden gereageerd. Voor gegrondheid van die vrees bestaan evenwel onvoldoende aanwijzingen. Ook de kwestie rondom een geconstateerde materiële fout in de jaarrekening 2016/2017 van i3 Solutions behoeft geen nadere aandacht. Dat punt (de resultaatverantwoording van meerjarige projecten was niet in overeenstemming met de realisatie van de daadwerkelijke voortschrijding van het betreffende project, hetgeen implicaties had voor het verantwoorde resultaat over 2016/2017; onjuiste resultaten op onderhouds- en supportcontracten in de concept-jaarcijfers 2017/2018 die aan de verkeerde periode waren toegeschreven) is blijkens de gedingstukken uitvoerig onderzocht door de accountant en inmiddels heeft foutherstel plaatsgevonden door een toelichting en een retrospectieve correctie in de jaarrekening 2017/2018. Evenmin bestaan er aanwijzingen dat de huuropzegging door i3 Nederland per 1 oktober 2020 en de verhuizing naar een kleiner pand in ’s-Hertogenbosch niet in het belang van de vennootschap zouden zijn, al was het maar omdat de nieuwe huur beduidend lager is dan voorheen (€ 100.000 in plaats van € 300.000 per jaar).

Concernenquête

3.24

Verzoeksters hebben om een concernenquête verzocht en daarmee uitdrukkelijk beoogd ook i3 Nederland en haar vier dochterondernemingen bij het onderzoek te betrekken. Volgens i3 Holding c.s. moeten verzoeksters niet-ontvankelijk worden verklaard voor zover het verzoek andere vennootschappen dan i3 Holding betreft. Dat verweer faalt. i3 Holding en haar (klein)dochterondernemingen vormen een economische eenheid waarin zij organisatorisch zijn verbonden en deze groep is gedurende de gehele periode waarvoor het onderzoek wordt gevraagd geheel, dan wel mede bestuurd door [A] . De Ondernemingskamer zal daarom de verzochte concernenquête toewijzen, met dien verstande dat te onderzoeken vennootschappen vooralsnog worden beperkt tot i3 Holding en i3 Nederland, omdat er geen aanwijzingen zijn dat de te onderzoeken kwesties zich in de (klein)dochterondernemingen van i3 Nederland hebben voorgedaan.

Kosten van het onderzoek

3.25

De Ondernemingskamer zal de kosten van het onderzoek voor rekening brengen van i3 Holding. De Ondernemingskamer zal het bedrag dat het onderzoek maximaal mag kosten niet meteen vaststellen, maar de onderzoeker vragen om een plan van aanpak en een begroting van de kosten van het onderzoek te maken en deze aan de Ondernemingskamer toe te sturen. Nadat partijen in de gelegenheid zijn gesteld zich uit te laten over die begroting zal de Ondernemingskamer vervolgens het onderzoeksbudget vaststellen.

Onmiddellijke voorzieningen

3.26

De Ondernemingskamer is van oordeel dat de toestand van i3 Holding en i3 Nederland, zoals die blijkt uit het voorgaande, het nodig maakt de navolgende onmiddellijke voorzieningen te treffen. Zij zal Petrias schorsen als bestuurder van i3 Holding en in haar plaats de hierna te noemen persoon tot bestuurder benoemen. Deze bestuurder zal zich bij de uitoefening van zijn/haar bestuurstaak bij i3 Holding naar eigen inzicht kunnen doen bijstaan door [A] op door de bestuurder te bepalen, nader te stellen voorwaarden. De Ondernemingskamer gaat voorbij aan het betoog van i3 Holding c.s. dat schorsing van Petrias de aanbesteding door de belastingdienst in gevaar kan brengen, nu zij ervan uitgaat dat daarop door i3 Nederland zal worden ingeschreven, zich in die vennootschap als gevolg van deze beschikking geen wijzigingen op bestuurs- of aandeelhoudersniveau voordoen en Petrias zo nodig bij de inschrijving kan worden betrokken.

3.27

De Ondernemingskamer ziet ook aanleiding om alle aandelen in i3 Holding, met uitzondering van één aandeel per aandeelhouder, ten titel van beheer over te dragen aan een door haar te benoemen beheerder.

3.28

De te benoemen bestuurder en beheerder mogen het ook tot hun taak rekenen te bezien of een minnelijke regeling tussen partijen kan worden bereikt.

3.29

De Ondernemingskamer zal de kosten van de te benoemen bestuurder en beheerder voor rekening brengen van i3 Holding.

3.30

Voor het treffen van andere onmiddellijke voorzieningen ziet de Ondernemingskamer voorlopig geen aanleiding.

3.31

De Ondernemingskamer zal i3 Holding c.s., als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van de procedure.

4 De beslissing

De Ondernemingskamer:

beveelt een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van i3 Holding B.V. en i3 Nederland B.V. over de periode vanaf 1 januari 2014;

benoemt een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon om het onderzoek te verrichten;

houdt in verband met het bepaalde in 3.25 de vaststelling van het onderzoeksbudget aan en verzoekt de onderzoeker binnen zes weken na de beschikking waarbij hij/zij als onderzoeker wordt aangewezen een plan van aanpak en een begroting van de kosten van het onderzoek te maken en deze aan de Ondernemingskamer toe te sturen;

bepaalt dat de kosten van het onderzoek ten laste komen van i3 Holding B.V. en dat zij voor de betaling daarvan ten genoegen van de onderzoeker voor het begin van zijn/haar werkzaamheden zekerheid moet stellen;

benoemt mr. C.C. Meijer tot raadsheer-commissaris, zoals bedoeld in artikel 2:350 lid 4 BW;

schorst, bij wijze van onmiddellijke voorziening en vooralsnog voor de duur van de procedure, met ingang van heden Petrias Beheer Vught B.V. als bestuurder van i3 Holding B.V.;

benoemt bij wijze van onmiddellijke voorziening met onmiddellijke ingang en vooralsnog voor de duur van de procedure – voor zover nodig in afwijking van de statuten – een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon tot bestuurder van i3 Holding B.V.;

bepaalt vooralsnog voor de duur van het geding dat alle aandelen in i3 Holding B.V. – met uitzondering van één aandeel per aandeelhouder – met ingang van heden ten titel van beheer zijn overgedragen aan een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon;

bepaalt dat het salaris en de kosten van de bestuurder en van de beheerder van aandelen voor rekening komen van i3 Holding B.V. en bepaalt dat i3 Holding B.V. voor de betaling daarvan ten genoegen van de bestuurder en beheerder zekerheid dient te stellen vóór de aanvang van hun werkzaamheden;

veroordeelt i3 Holding B.V. en i3 Nederland B.V. in de kosten van de procedure tot op heden aan de kant van Vanestate B.V. en Dolbeco B.V. gezamenlijk begroot op € 4.114;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.C. Meijer, voorzitter, mr. M.M.M. Tillema en mr. A.J. Wolfs, raadsheren, en mr. D.E.M. Aleman MBA en prof. dr. mr. S. ten Have, raden, in tegenwoordigheid van mr. F.L.A. Straathof, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2021.