Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1705

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-06-2021
Datum publicatie
11-06-2021
Zaaknummer
200.275.758/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Geldige dringende reden. Manipulatie met tijdklok systeem; geen openheid van zaken geven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.275.758/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 8141222 EA VERZ 19-787

beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 1 juni 2021

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. A.M. Verbrugge te Heemstede,

tegen

ROYAL FLORA HOLLAND U.A.,

gevestigd te Aalsmeer,

geïntimeerde,

advocaat: mr. M. Smak te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en RFH genoemd.

[appellant] is bij beroepschrift, ontvangen ter griffie van dit hof op 18 maart 2020, in hoger beroep gekomen van de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (verder: de kantonrechter) onder bovenstaand zaaknummer op 18 december 2019 heeft gegeven. Het beroepschrift strekt ertoe dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen, en na vermeerdering van eis en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

primair (i) het door RFH op 30 september 2019 gegeven ontslag op staande voet zal vernietigen, RFH zal verplichten [appellant] toe te laten tot zijn werkzaamheden, op straffe van verbeurte van een dwangsom, (ii) RFH zal veroordelen tot betaling van zijn maandsalaris van € 2.767,47 bruto vanaf 30 september 2019 alsmede van € 243,58 bruto aan overwerk, een en ander verhoogd met vakantietoeslag en wettelijke verhoging;

subsidiair (iii) RFH zal veroordelen tot betaling van € 243,58 bruto aan overwerk met vakantietoeslag en wettelijke verhoging alsmede € 94.078,- bruto aan billijke vergoeding en € 28.174,54 bruto aan transitievergoeding,

primair en subsidiair (iv) RFH zal veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de hiervoor genoemde bedragen vanaf 30 september 2019, alsmede in de proceskosten in hoger beroep, met nasalaris.

Op 28 mei 2020 is ter griffie van het hof een verweerschrift van RFH ingekomen. Daarin heeft RFH geconcludeerd dat het hof primair (i) de bestreden beschikking zal bekrachtigen, subsidiair (ii) zal verklaren voor recht dat de arbeidsovereenkomst per 30 september 2019 is geëindigd en RFH deze niet hoeft te herstellen en de overige vorderingen zal afwijzen, meer subsidiair (iii) de arbeidsovereenkomst zal herstellen met ingang van een zo laat mogelijke datum en geen voorzieningen zal treffen voor de tussenliggende periode, (iv) de herstelde arbeidsovereenkomst zal ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1 BW juncto artikel 7:669 lid 1 en 3 onder e dan wel onder g BW; (v) bij het bepalen van de einddatum geen rekening zal houden met een opzegtermijn; (vi) zal bepalen dat [appellant] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en daarom geen recht heeft op een transitievergoeding; (vii) zal bepalen dat er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van RFH en [appellant] daarom geen recht heeft op een billijke vergoeding ex artikel 7:681 lid 1 aanhef en onder a BW en (viii) de overige vorderingen zal afwijzen, alles met, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [appellant] in de kosten van beide instanties, met nakosten.

Op 19 oktober 2020 is ter griffie van het hof een Aanvulling appelschrift vernietiging opzegging dringende reden e.a. ingekomen, houdende een wijziging van eis. [appellant] verzoekt het hof primair ook de arbeidsovereenkomst met hem te herstellen, verzoekt subsidiair niet meer betaling van overwerk en vordert meer subsidiair betaling van € 243,58 bruto aan overwerk met vakantietoeslag en wettelijke verhoging alsmede de genoemde billijke en transitievergoeding.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2020. Bij die gelegenheid is [appellant] verschenen, bijgestaan door mr. Verbrugge voornoemd, die het beroepschrift heeft toegelicht aan de hand van aan het hof overgelegde pleitaantekeningen. Aan de zijde van RFH zijn verschenen [A] (teammanager logistiek) en [B] (HR-adviseur) en bijgestaan door mr. Smak voornoemd alsmede mr. A.D. Putker-Blees, advocaat te Amsterdam, die het verweerschrift eveneens hebben toegelicht aan de hand van aan het hof overgelegde pleitaantekeningen.

Partijen hebben in hoger beroep bewijs aangeboden.

Vervolgens is de behandeling van de zaak gesloten en is een datum voor uitspraak bepaald.

2 Feiten

2.1

De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking onder 1.1 tot en met 1.4 de feiten genoemd waarop de beschikking is gebaseerd. Daarover bestaat – afgezien van de omvang van het dienstverband en het daarbij behorende salaris - in hoger beroep geen geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.2

[appellant] , geboren op [geboortedatum] 1973, is - nadat hij sinds 7 september 1997 aldaar als uitzendkracht had gewerkt - sinds 1 juni 1998 in dienst van RFH, laatstelijk als procescoördinator logistiek. [A] is zijn leidinggevende. [appellant] werkte tot 1 juli 2019 op basis van een 38-urige werkweek. Per 1 juli 2019 is het dienstverband op verzoek van [appellant] teruggebracht naar 32 uur per week tegen een salaris van € 2.767,47 bruto per maand, inclusief structureel overwerk en exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten.

2.3

Tot 2018 heeft [appellant] altijd goed gefunctioneerd en in oktober 2018 kwalificeerde RFH het functioneren van [appellant] als bovengemiddeld.

2.4

RFH maakt voor het registreren van de gewerkte uren van haar medewerkers gebruik van het systeem Workforce. In het bedrijf staan op een aantal plaatsen Workforce apparaten, waarop medewerkers door middel van een aan hen verstrekte elektronische ‘badge’ dienen in- en uit te klokken. Ieder Workforce-apparaat heeft een unieke code.

2.5

Op 30 september 2019 is [appellant] na een gesprek met [A] en [B]

(HR-manager) op staande voet ontslagen. RFH heeft het gesprek bij brief van 1 oktober 2019 schriftelijk bevestigd. Hierin is onder andere vermeld:

“(...) Onderzoek

Door het bekijken van camerabeelden en het controleren van het urenregistratiesysteem (Workforce) hebben we het volgende vastgesteld:

Op dinsdag 3 september verlaat jij om 14.15 uur je werkplek en is je uitkloktijd 14.56 uur

Op maandag 9 september verlaat jij om 14.16 uur je werkplek en is je uitkloktijd 15.03 uur

Op dinsdag 10 september verlaat je om 13.42 uur je werkplek en is je uitkloktijd 14.34 uur

Op donderdag 12 september verlaat jij 11.27 uur je werkplek en is je uitkloktijd 13.06 uur

Op maandag 16 september verlaat jij 14.37 uur je werkplek en is je uitkloktijd 15.43 uur

Op dinsdag 17 september verlaat jij 13.18 uur je werkplek en is je uitkloktijd 14.34 uur

Op woensdag 18 september verlaat jij 12.36 uur je werkplek en is je uitkloktijd 14.05 uur

Bij het verlaten van je werkplek is duidelijk te zien dat je geen werkkleding (jas en

schoenen) meer draagt. Bij het verrichten van werkzaamheden in het logistieke proces is het verplicht werkkleding te dragen op alle locatie binnen locaties van Royal FloraHolland. Tevens is met camerabeelden geconstateerd dat je met je auto het Royal FloraHolland terrein verlaat korte tijd na het verlaten van jouw werkplek, en geruime tijd voor jouw uitkloktijd. (...)”

3 Beoordeling

3.1

[appellant] heeft in eerste aanleg verzocht (primair) het hem op 30 september 2019 gegeven ontslag op staande voet te vernietigen, RFH te veroordelen hem weer tot het werk toe te laten en hem zijn salaris van € 2.767,47 bruto per maand, met wettelijke verhoging en wettelijke rente vanaf 30 september 2019 te betalen, (subsidiair) RFH te veroordelen hem te betalen een billijke vergoeding van € 94.078,- bruto en een transitievergoeding van € 28.174,54 bruto, met wettelijke rente en in alle gevallen veroordeling van RFH in de proceskosten. [appellant] heeft aan deze vorderingen ten grondslag gelegd dat hij RFH op 30 september 2019 geen dringende reden heeft verschaft, en niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.

3.2

RFH heeft zich tegen de verzoeken verweerd.

3.3

De kantonrechter heeft de verzoeken van [appellant] afgewezen. Zij heeft daartoe, kort samengevat, het volgende overwogen. [appellant] heeft niet gemotiveerd betwist dat hij rond de tijdstippen waarop hij is uitgeklokt niet op de camerabeelden te zien is. Het komt de kantonrechter hoogst onaannemelijk voor dat [appellant] in het begin van de middag buiten het bedrijf gaat lunchen, terugkeert om uit te klokken en daarna naar huis gaat. Het heeft er daarentegen alle schijn van dat [appellant] gebruik heeft gemaakt van de afwezigheid van [A] en een of meer collega’s of derden gevraagd heeft voor hem uit te klokken. Dat is een ernstig verwijtbare vorm van fraude. Hetgeen [appellant] daar tegenover naar voren heeft gebracht, ten aanzien van de structurele overbelasting die hij heeft ervaren en het gebrek aan steun van zijn leidinggevende bij het realiseren van pauzes, vormt hoe dan ook geen gegronde reden om te knoeien met het tijdregistratiesysteem. Dit geldt te meer gelet op de functie van [appellant] als procescoördinator waarbij hij medewerkers diende aan te sturen en er voor diende te zorgen dat zij op tijd van hun pauzes terugkwamen zodat hij zelf zijn pauze kon nemen. Ook de vrees van [appellant] dat RFH overwerk dat hij tijdens de vakantie van [A] zou hebben verricht niet zou betalen, snijdt geen hout. Nu het hier om stelselmatige fraude gaat kan het RFH niet worden tegengeworpen geen lichtere maatregel dan ontslag op staande voet te hebben gegeven. Een en ander rechtvaardigt, ook rekening houdend met de gevolgen die dit voor [appellant] heeft, een ontslag op staande voet. Het verzoek tot toekenning van een transitievergoeding wordt afgewezen, nu [appellant] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. RFH daarentegen heeft niet ernstig verwijtbaar gehandeld, zodat [appellant] geen billijke vergoeding toekomt, aldus steeds de kantonrechter.

3.4

[appellant] bestrijdt deze beschikking. Hij voert daarbij geen afzonderlijk geformuleerde grieven aan, maar het hof begrijpt zijn beroep als volgt. (i) Er is sprake van het structureel ontbreken van een tweede procescoördinator, waardoor de continuïteit op de afdeling afhankelijk was van het functioneren van [appellant] . (ii) Van [appellant] werd kennelijk verwacht continu door te werken, zonder dat er sprake was van enige achterwacht of opvang, wat tot gevolg had dat [appellant] zijn pauzes niet – goed – kon opnemen. (iii) [appellant] heeft 22 jaar lang en onder vijf voorgaande teammanagers uitstekend gefunctioneerd; met het aantreden van de nieuwe teammanager [A] werd dat kennelijk anders. (iv) De onder i tot en met iii genoemde omstandigheden moeten worden meegewogen bij de beoordeling van het uitklokken door [appellant] in september 2019. (v) Het opvragen van de camerabeelden uit Workforce was voor [appellant] aanvankelijk niet interessant, want hij heeft nooit ontkend dat hij vertrokken is op de in de ontslagbrief weergegeven tijden. (vi) [appellant] heeft op de vrijdagen 6, 13 en 20 september 2019 thuis gewerkt, hetgeen te zien is of zou moeten zijn op de camerabeelden van zijn vertrek op de aan die dagen voorafgaande donderdagen, doordat hij toen zijn werklaptop bij zich had. Deze camerabeelden zijn door [appellant] ontvangen, andere niet. (vii) Het heeft er niet “alle schijn van dat [appellant] gebruik heeft gemaakt van de afwezigheid van [A] en een of meer collega’s of derden heeft gevraagd voor hem uit te klokken”, zoals de kantonrechter overweegt. (viii) Onjuist is dat [appellant] als procescoördinator medewerkers moet aansturen op het op tijd terugkeren van hun pauzes: het gaat om het behoud van de continuïteit van het werk bij de wisseling van de ploegen bij het nemen van pauzes. (ix) De door [appellant] gewerkte uren komen nagenoeg overeen met de overeengekomen uren inclusief pauzes. Er is daarmee geen sprake van benadeling van RFH. (x) Om die reden had een lichtere sanctie dan ontslag op staande voet moeten worden getroffen. Gelet op zijn in hoger beroep vermeerderde eis is [appellant] van mening dat hij RFH geen dringende reden heeft verschaft, dat hij primair herstel van de arbeidsovereenkomst wenst met bijbehorende loonbetaling, subsidiair, in plaats van herstel, toekenning van een billijke vergoeding en van een transitievergoeding.

3.5

Centrale vraag in dit geding is of [appellant] RFH op 30 september 2019 een dringende reden voor ontslag op staande voet heeft verschaft. In de ontslagbrief van die datum worden de volgende feiten en omstandigheden genoemd die, volgens RFH, ieder voor zich, dan wel in combinatie, de dringende reden vormen.

( i) Op 3 september 2019 verlaat [appellant] zijn werkplek om 14.15 uur, terwijl de uitkloktijd 14.56 uur is. Op 9 september 2019 verlaat [appellant] zijn werkplek om 14.16 uur, terwijl de uitkloktijd 15.03 uur is. Op 10 september 2019 verlaat [appellant] zijn werkplek om 13.42 uur, terwijl de uitkloktijd 14.34 uur is. Op 12 september 2019 verlaat [appellant] zijn werkplek om 11.27 uur, terwijl de uitkloktijd 13.06 uur is. Op 16 september 2019 verlaat [appellant] zijn werkplek om 14.37 uur, terwijl de uitkloktijd 15.43 uur is. Op 17 september 2019 verlaat [appellant] zijn werkplek om 13.18 uur, terwijl de uitkloktijd 14.34 uur is. Op 18 september 2019 verlaat [appellant] zijn werkplek om 12.36 uur, terwijl de uitkloktijd 14.05 uur is. Bij het verlaten van de werkplek draagt [appellant] steeds geen werkkleding (jas en schoenen) meer hoewel het dragen van die werkkleding verplicht is bij het verrichten van werkzaamheden.

(ii) In een gesprek hierover met [B] heeft [appellant] geen openheid van zaken gegeven. Eerst ontkende [appellant] dat hij gedurende het merendeel van de genoemde data eerder van zijn werkplek was vertrokken dan de uitkloktijden aangaven. Hij gaf daarvoor als uitleg dat hij die dagen op een andere locatie van RFH werkzaamheden moest verrichten. Nadat hem was aangeboden camerabeelden te bekijken gaf hij toe dat het mogelijk twee keer gebeurd kon zijn (eerder de werkplek verlaten dan de uitkloktijd) omdat hij verplichtingen buiten RFH had. Hij voegde daar aan toe dat hij zelf was teruggekomen om op een later tijdstip uit te klokken. Toen namens RFH werd gesteld dat dat niet uit de camerabeelden bleek, gaf [appellant] aan het eind van het gesprek toe fouten te hebben gemaakt en hiervan spijt te hebben.

(iii) Met het aanpassen van de werktijden heeft [appellant] zich ten koste van RFH bevoordeeld en heeft hij niet gewerkt conform zijn arbeidsovereenkomst.

(iv) Hij heeft zijn vroege vertrek geprobeerd te verdoezelen door op een later moment uit te (laten) klokken.

( v) Als procescoördinator heeft hij een voorbeeldfunctie binnen RFH.

(vi) [appellant] heeft, gelet op het onder (ii) genoemde, geen openheid van zaken gegeven, maar zelfs in strijd met de waarheid verklaard.

(vii) RFH kan [appellant] daarom niet meer vertrouwen.

(viii) Een afweging van de persoonlijke belangen, waaronder leeftijd en functie, dienstjaren, de mogelijkheid elders aan de slag te komen en andere (financiële) gevolgen van en voor [appellant] maakt dit niet anders.

3.6

[appellant] heeft niet betwist dat hij op de dagen gelegen in de periode van 3 tot en met 18 september 2019 de werkplek heeft verlaten op de in de ontslagbrief genoemde tijdstippen (beroepschrift, randnummer 13). Hij heeft ook niet weersproken dat hij op de dagen 3 tot en met 17 september 2019 is uitgeklokt op de in de ontslagbrief genoemde tijdstippen. Wel heeft [appellant] ter zitting gesteld, en dat is door RFH niet – gemotiveerd – weersproken dat het uitklokken op 18 september 2019 handmatig heeft plaatsgevonden. [appellant] heeft niet weersproken dat hij op de hiervoor genoemde dagen is vertrokken zonder werkkleding te dragen, en hij heeft evenmin weersproken dat het dragen van werkkleding op de werkplek verplicht is. [appellant] heeft ten overstaan van de kantonrechter verklaard dat hij op de zeven genoemde dagen telkens op de vermelde tijdstippen is vertrokken, dat hij vervolgens is vertrokken naar een gelegenheid met horeca, om vervolgens terug te keren naar RFH om daar uit te klokken en direct daarna naar huis te gaan. Ter zitting in hoger beroep heeft [appellant] echter verklaard dat hij op 17 september 2019, nadat hij om 13.18 uur was vertrokken en elders had gepauzeerd, weer was teruggekomen naar RFH om daar werkzaamheden te verrichten. [appellant] heeft er echter geen verklaring voor gegeven waarom hij die dag bij vertrek om 13.18 uur zijn werkkleding al had uitgedaan.

3.7

[appellant] heeft ten overstaan van de kantonrechter te kennen gegeven, als ook ter zitting in hoger beroep, dat hij op de desbetreffende zeven dagen, nadat hij de werkplek op de genoemde tijdstippen had verlaten, steeds enige tijd later is teruggekeerd om uit te klokken. Dat het [appellant] is geweest die, terwijl hij al zonder werkkleding RFH had verlaten, later op die dagen is teruggekeerd naar RFH om uit te klokken, is door RFH gemotiveerd weersproken. RFH heeft er op gewezen dat uit de door haar geraadpleegde camerabeelden bleek dat op de tijdstippen waarop uitgeklokt werd, [appellant] niet te zien was bij het apparaat waarop dat uitklokken geschiedde. RFH heeft [appellant] daarmee in het gesprek op 30 september 2019 geconfronteerd, en [appellant] heeft dat toen niet weersproken. Integendeel, hij verklaarde aan het einde van het gesprek dat hij onjuist had gehandeld. In het verslag van het gesprek van 30 september 2019 – van welk gesprek [appellant] niet heeft gesteld dat het onjuistheden bevat – staat het volgende: “(…) Hij ( [appellant] , hof) geeft toe dingen fout te hebben gedaan. Hij heeft de veiling verlaten en is weer teruggekomen om uit te klokken bij fustinname. Meer details kan hij zich niet herinneren. [B] ( [B] , hof) merkt op dat camerabeelden niet aantonen dat [appellant] ( [appellant] , hof) weer terugkomt en dat hij op een later tijdstip ook niet door collega’s op de werkvloer is gezien. Hoe kan het dan dat er op een later tijdstip wordt uitgeklokt? Zijn er collega’s bij betrokken die mogelijk voor hem uitklokken? [appellant] geeft aan dat er op dat tijdstip van het door hem uitklokken geen collega’s aanwezig zijn die hem gezien kunnen hebben. [appellant] is teleurgesteld in zichzelf. Hij geeft aan een voorbeeldfunctie te hebben en vraagt zich af hoe dit zo ver heeft kunnen komen. Hij geeft toe dat hij 2 keer de veiling heeft verlaten zonder te klokken en daar later voor is teruggekomen. Dat het 7 keer is geweest kan hij zich niet herinneren. [appellant] geeft toe dat hij 2 keer het veilingterrein heeft verlaten omdat hij buiten de veiling iets moest doen. Een APKtje bijvoorbeeld of andere verplichtingen. Als [B] vraagt of hij hiervan bewijs kan overleggen gaat [appellant] hier niet op in. Hij geeft aan dat hij van binnen smelt en dat hij een stomme fout heeft gemaakt. (…) [B] geeft nogmaals aan dat de camerabeelden niet aantonen dat [appellant] terugkeert naar zijn werkplek om uit te klokken en dat dus iemand anders deze actie voor hem moet uitvoeren. Zij vraagt hoe het anders mogelijk is dat er op een later tijdstip is uitgeklokt? [appellant] schudt hierop zijn hoofd en kan er niets over zeggen “als hij dat doet moet hij er iemand bij betrekken”. Als [A] ( [A] , hof) opmerkt dat er wordt vermoed dat er iemand anders dan [appellant] uitklokt ontkent [appellant] dat en zegt dat er niemand bij betrokken is. (…)”.

3.8

[appellant] heeft er geen verklaring voor gegeven waarom hij er op 30 september 2019 slechts melding van heeft gemaakt twee keer RFH te hebben verlaten “omdat hij buiten de veiling iets moest doen” terwijl hij thans stelt alle zeven keer RFH te hebben verlaten om pauze te nemen in een horecagelegenheid. Op een vraag van het hof of hij van het bezoek aan die horecagelegenheid enig bewijs kan leveren, antwoordde [appellant] ontkennend. Het hof constateert dat, afgaand op het gespreksverslag, [appellant] al op 30 september 2019 gevraagd was of hij bewijs had van zijn verblijf direct na het verlaten van de werkplek. [appellant] had dat bewijs niet, maar was in de gelegenheid kort na 30 september 2019 dat bewijs alsnog te verzamelen. [appellant] heeft dat evenwel nagelaten. [appellant] heeft tot op de datum van de mondelinge behandeling bij de kantonrechter onweersproken gelaten dat op de camerabeelden van de tijdstippen van uitklokken is te zien dat hij daar op dat moment niet was. Pas in februari 2020, meer dan vier maanden nadien, heeft [appellant] voor het eerst om camerabeelden verzocht. RFH heeft aangevoerd, en zulks is door [appellant] niet gemotiveerd weersproken, dat deze camerabeelden slechts maximaal drie maanden worden bewaard en dat [appellant] daar uit hoofde van zijn functie bij uitstek van op de hoogte is. RFH voert aan dat [appellant] , door pas in februari 2020 de desbetreffende camerabeelden op te vragen, wist of moest weten dat die camerabeelden er niet meer waren.

3.9

[appellant] heeft erkend op de door RFH genoemde tijdstippen op de desbetreffende zeven dagen de werkplek te hebben verlaten zonder dat hij werkkleding droeg. [appellant] stelt dat hij desalniettemin op al die dagen 39 tot 76 minuten later weer op de werkplek is teruggekeerd, om alsnog uit te klokken. Nu RFH dat laatste gemotiveerd heeft bestreden, lag het op de weg van [appellant] zijn stelling te onderbouwen. Hij heeft dat echter op geen enkele wijze gedaan. Integendeel, [appellant] heeft tegenstrijdige verklaringen afgelegd wat hij die dagen na het verlaten van de werkplek heeft gedaan. Ook heeft hij niet inzichtelijk gemaakt waar hij die dagen is geweest (anders dan de algemene aanduiding: horecagelegenheid) opdat een en ander geverifieerd kon worden. Voorts duidt de inhoud van het gesprek op 30 september 2019 (van welk gesprek een verslag is gemaakt en van welk verslag door [appellant] niet is gesteld dat het – op onderdelen – onjuist is) er veeleer op dat [appellant] toen liet blijken dat hij niet alle zeven dagen is teruggekeerd om vervolgens zelf uit te klokken. [appellant] heeft geen specifiek bewijs aangeboden van de stelling dat hij op de genoemde momenten tussen 3 en 18 september 2019 steeds zelf heeft uitgeklokt. Het hof gaat er op basis van het voorgaande daarom van uit dat [appellant] op de zeven genoemde data in september 2019 de werkplek op de in de ontslagbrief genoemde tijdstippen heeft verlaten en dat hij niet zelf op die dagen, steeds 39 tot 76 minuten later, alsnog heeft uitgeklokt. Dat is aan te merken als het verdoezelen van zijn werkelijke tijdstip van vertrek, zoals in de ontslagbrief is genoemd.

3.10

Zelfs indien [appellant] op de desbetreffende dagen wel zelf zou zijn teruggekeerd om op de geregistreerde momenten uit te klokken, dan is ook in dat geval sprake van het verdoezelen van zijn werkelijke tijdstip van vertrek, zoals in de ontslagbrief is genoemd. [appellant] voert aan in september 2019 te hebben gehandeld vanwege een, zo begrijpt het hof, te hoge werkdruk, meer specifiek vanwege het door hem niet hebben kunnen opnemen van pauzes. [appellant] heeft zich er over beklaagd dat hij er als procescoördinator in 2018 ‘alleen’ voorstond. Dit verwijt kan [appellant] niet baten. Vast staat dat RFH in februari 2019 een tweede procescoördinator had aangesteld, te weten [C] . Daarbij komt dat het [appellant] zelf is geweest die heeft verklaard de komst van [C] niet als een verbetering te zien omdat het hem – [appellant] – alleen maar tijd kostte [C] in te werken en dat een tweede procescoördinator helemaal niet nodig had. Zo schreef hij op 14 februari 2019 aan RFH: “ Op de dagen dat ik er ben, heb ik geen ondersteuning nodig van [C] ( [C] , hof)”. Het verwijt van [appellant] dat hij er als procescoördinator ‘alleen’ voor stond is daarmee ongegrond.

3.11

[appellant] heeft er voorts op gewezen dat hij niet op vaste momenten pauzes kon opnemen, en dat wanneer hij tijdens de reguliere pauzes moest doorwerken, hiervoor niet betaald werd. RFH heeft hiertegenover gesteld dat [appellant] de gelegenheid had op een rustig moment pauzes op te nemen, en dat wanneer dat niet kon, hij hiervoor werd doorbetaald, en dat dit laatste (slechts) vijf maal is gebeurd. Dit laatste is door [appellant] niet weersproken. Ook heeft [appellant] niet weersproken dat hij wekelijks met medewerker Ernste besprak welke leden van zijn team extra uren hadden gemaakt die uitbetaald dienden te worden, en dat [appellant] er hierbij – afgezien van de genoemde vijf pauzes – nooit melding van heeft gemaakt dat hijzelf extra uren had gemaakt die vergoed dienden te worden. Concluderend is het hof van oordeel dat niet gebleken is dat de onvrede die [appellant] stelt te hebben gehad over de door hem gewerkte uren, het al dan niet kunnen opnemen van pauzes en het (niet) uitbetalen daarvan, een feitelijke basis had. Er is daarmee op geen enkele wijze gebleken dat er voor [appellant] een gerechtvaardigde aanleiding bestond om eventuele niet-betaalde (extra) uren eigenhandig te compenseren. De pauzes die [appellant] stelt (eigenmachtig) te hebben opgenomen op de desbetreffende zeven dagen in september 2019 waren dus hoe dan ook zonder geldige reden. [appellant] heeft hiermee naar het oordeel van het hof uiterst laakbaar gehandeld. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat RFH in vergelijkbare situaties ten opzichte van andere werknemers coulanter heeft gehandeld dan ten opzichte van hem is gebeurd.

3.12

Dat [appellant] in september 2019 heimelijk zijn werkplek heeft verlaten en zich tot het moment van uitklokken heeft laten uitbetalen, staat - zoals hiervoor overwogen - naar het oordeel van het hof voldoende vast. Dat hij dit deed tijdens de vakantie van zijn leidinggevende evenzo, en ook staat vast dat [appellant] , als procescoördinator, een voorbeeldfunctie had. Het gedrag van [appellant] is daarmee ontoelaatbaar geweest. Het aan [appellant] te maken verwijt wordt verder vergroot doordat hij over zijn handelwijze geen openheid van zaken heeft gegeven. Begrijpelijkerwijze heeft RFH daarmee ieder vertrouwen in hem als procescoördinator verloren. Een en ander vormt naar het oordeel van het hof een dringende reden voor opzegging van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:678 BW. Zulks is ook het geval wanneer bij de beoordeling hiervan wordt betrokken dat [appellant] een lang dienstverband had, tot in 2018 uitstekend functioneerde, en een ontslag op staande voet voor hem grote gevolgen zou hebben, zoals het onmiddellijk verlies van zijn baan en het mogelijkerwijs niet in aanmerking komen voor een WW-uitkering. Het hof acht hierbij van belang de ernst van de gedraging, het bepaald niet eenmalige karakter van de misdraging door [appellant] en het tot op heden niet geven van openheid van zaken.

3.13

Nu de verzoeken van [appellant] tot herstel van de arbeidsovereenkomst en het daarbij behorende loon dan wel het aan hem toekennen van een billijke vergoeding er op gebaseerd zijn dat hij geen dringende reden aan RFH heeft verschaft, ontberen deze verzoeken een rechtsgrond. Voor zover [appellant] bedoeld heeft te stellen dat RFH ernstig verwijtbaar tegenover hem heeft gehandeld, geldt daarvoor het zelfde. Het hof acht het gedrag van [appellant] , gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ernstig verwijtbaar. Hij heeft immers willens en wetens het ertoe geleid dat zijn vertrektijdstip later werd geregistreerd dan hij in werkelijkheid de werkplek had verlaten. Dit is een vorm van manipulatie van het tijdregistratiesysteem en levert ernstig verwijtbaar handelen van [appellant] op. Om die reden komt aan hem geen transitievergoeding toe. Niet is gebleken dat dit tot een onaanvaardbaar gevolg leidt.

3.14

[appellant] heeft, ten slotte, uitbetaling van de door hem in september 2019 op vrijdagochtenden gemaakte (over)uren verzocht. Niet is gebleken dat [appellant] deze uren in opdracht van RFH heeft gewerkt. Dat [appellant] op donderdag 6 dan wel 13 dan wel 20 september 2019 met zijn werklaptop naar huis is gegaan, betekent nog niet dat hij de daarop volgende vrijdagochtend in opdracht van RFH werkzaamheden heeft verricht. [appellant] heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel nopen. Het verzoek tot uitbetaling van op die dagen - naar zeggen van [appellant] - gewerkte uren wordt daarom afgewezen.

3.15

[appellant] heeft geen concrete feiten en omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot een andere conclusie kunnen leiden.

3.16

De slotsom is dat de verzoeken van [appellant] worden afgewezen en dat het hoger beroep in al zijn onderdelen faalt. De bestreden beschikking zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van RFH begroot op € 760,- aan verschotten en € 2.148,- voor salaris;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.C. Boot, M.L.D. Akkaya en M.S.A. Vegter en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2021.