Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1704

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-06-2021
Datum publicatie
11-06-2021
Zaaknummer
200.283.338/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

WWZ-zaak. Niet onterecht geoordeeld ontslag op staande voet wegens overgieten van flesje water in dopper door werknemer bij cateringbedrijf op Schiphol. Eiswijziging. Onrechtmatige toe-eigening? Wetenschap van de werknemer van verboden karakter van zijn handeling. Was “zero tolerance” beleid van de werkgever de werknemer voldoende duidelijk?

Geen kostenveroordeling.

Toepasselijk wetsartikelen: artikelen 7:681 BW, 7:683 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0757
XpertHR.nl 2021-20005789
RAR 2021/122
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: : 200.283.338/01

zaaknummer rechtbank Noord-Holland : 8182333 \ AO VERZ 19-154

beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 1 juni 2021

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

appellant,

advocaat: mr. E. van Es te Hilversum,

tegen

KLM CATERING SERVICES SCHIPHOL B.V.,

gevestigd te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer,

geïntimeerde,

advocaat: mr. R.A.C.G. Martens te Haarlem.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en KCS genoemd.

[appellant] is bij beroepschrift met bijlage, ontvangen ter griffie van het hof op 18 september 2020, onder aanvoering van grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem (hierna: de kantonrechter), op 22 juni 2020 onder bovengenoemd zaaknummer tussen partijen heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking). Het beroepschrift strekt ertoe, zakelijk weergegeven, dat het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, kennelijk onder vernietiging van de bestreden beschikking,

primair: de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 10 oktober 2019 zal herstellen op grond van artikel 7:683 lid 3 BW en KCS op straffe van de verbeurte van een dwangsom zal veroordelen om, kort gezegd, [appellant] de gebruikelijke werkzaamheden te laten verrichten en hem het loon van € 2.523,19 bruto met vakantiegeld en overige emolumenten vanaf genoemde datum uit te betalen, met wettelijke rente en de maximale wettelijke verhoging van 50% op grond van artikel 7:625 BW, met wettelijke rente,

subsidiair:

KCS zal veroordelen tot betaling aan [appellant] van de transitievergoeding van € 32.243,00 (kennelijk) bruto, de gefixeerde schadevergoeding van € 12.262,70 (kennelijk) bruto op grond van artikel 7:672 lid 10 BW en een schadevergoeding op grond van wanprestatie van € 439.036,80 bruto, te vermeerderen met pensioenschade,

meer subsidiair:

KCS zal veroordelen tot betaling aan [appellant] van een billijke vergoeding van € 439.036,80 bruto op grond van artikel 7:683 lid 3 BW, te vermeerderen met pensioenschade,

in alle gevallen: (naar het hof begrijpt) met veroordeling van KCS in de kosten van het geding in beide instanties.

Op 27 januari 2021 is ter griffie van het hof een verweerschrift van KCS ingekomen. Dit sterkt ertoe het beroep van [appellant] ongegrond te verklaren, de bestreden beschikking te bekrachtigen en – naar het hof begrijpt – de in appel gedane verzoeken van [appellant] af te wijzen, met diens veroordeling in de kosten van het hoger beroep.

De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 14 april 2021. Bij die gelegenheid hebben voornoemde advocaten namens [appellant] respectievelijk KCS het woord gevoerd, beiden aan de hand van aan het hof overgelegde spreekaantekeningen. [appellant] heeft bij die gelegenheid een akte wijziging eis genomen, waartegen KCS bezwaar heeft gemaakt en waarop hierna, overweging 3.3, zal worden beslist.

Beide partijen hebben bewijs van hun stellingen aangeboden.

Ten slotte is uitspraak bepaald.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking onder 2.1 tot en met 2.14 een aantal feiten in deze zaak als vaststaand aangemerkt. Omdat deze feiten tussen partijen niet ter discussie staan, zal ook het hof daarvan uitgaan. Zij behelzen, waar nodig aangevuld met feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, het volgende.

( a) KCS is een bedrijf dat op Schiphol cateringactiviteiten verzorgt ten behoeve van luchtvaartmaatschappijen.

( b) [appellant] , geboren op [geboortedatum] 1967, is op 15 oktober 1994 bij KCS in dienst getreden. Laatstelijk was zijn functie medewerker Operations ICA Flow Non Food. In die functie hield hij zich op Schiphol bezig met het afhandelen van vertrekkende en terugkomende cateringtrolleys, zulks tegen een salaris van laatstelijk € 2.094,25 bruto per maand op basis van een werkweek van 37 uur, exclusief onregelmatigheidstoeslag, vakantietoeslag en andere emolumenten. Artikel 7 van de arbeidsovereenkomst houdt onder meer in dat [appellant] zich verbindt zich te zullen houden aan alle door zijn meerderen te geven voorschriften.

( c) KCS heeft alle medewerkers, waaronder [appellant] , op 17 augustus 2015 een brief gestuurd, die, voor zover van belang, luidt:

“Beste collega,

Begin 2013 ontving je de nieuwe versie van de Gedragscode met onze kernwaarden en huisregels. Eén van de belangrijke huisregels is het verbod om ‘onrechtmatig toe te eigenen’: dus het niet mogen meenemen van eigendommen van KCS en/of haar klanten buiten het werk om en zonder toestemming van je leidinggevende.

(…)

Onrechtmatige toe-eigening leidt tot ontslag op staande voet

Zonder toestemming treedt KCS hard en consequent op: de medewerker wordt namelijk op staande voet ontslagen. Dit beleid bestaat al bijna 20 jaar, sinds de introductie van de Gedragscode in 1996. (…) Het doel een veiliger en vertrouwder werkklimaat te scheppen is door de jaren heen gelukkig steeds beter ingevuld.

Een eventuele “lage” waarde van een toegeëigende zaak doet er niet toe. Het wegvallen van vertrouwen in elkaar is dé reden waarom KCS op staande voet ontslaat.

(…)

Onze boodschap is vooral geen onnodige risico’s te nemen en vooraf te bedenken wat een toe-eigening van iets, hoe klein ook, nu eigenlijk oplevert in verhouding tot de gevolgen als de toe-eigening onrechtmatig wordt gevonden.

(…)

Tot slot

(…)

Voorop staat namelijk het blindelingse vertrouwen dat we op dit punt in elkaar willen blijven hebben en daarom vinden we het van belang dit alles nog eens via deze brief te laten weten.

(…)”

( d) Een per e-mail verzonden bericht van KFC van 22 augustus 2019 aan haar medewerkers, waaronder [appellant] , luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Beste collega's,

(...)

Dopper en watertappunten

Na zorgvuldig en constructief overleg met de Ondernemingsraad, heeft KCS besloten medewerkers met een KCS-dienstverband en uitzendkrachten op rooster éénmalig in het bezit te stellen van een zogenaamde "Dopper". Peildatum voor de verstrekking is 1 september 2019. De Dopper krijg je voor 1 september 2019 uitgereikt via de afdeling.

De Dopper kun je op de geïnstalleerde tappunten op de afdeling vullen met water en daar waar dat is toegestaan gebruiken als je tijdens je werk dorst hebt. (...)

(…)

Wat betekent dit verder?

Vanaf 1 september 2019 is het niet meer toegestaan om waterflesjes van en op de afdeling te drinken. Ook flesjes die terugkomen van een vlucht, andere drinkflessen, bidons, etc. zijn niet meer toegestaan. Gebruik vanaf 1 september 2019 dus alleen een Dopper!

Werkwijzer

(…) Het gebruik van de Dopper komt terug in punt 3 van de Toelichting Gedragscode.

De Gedragscode en de Toelichting Gedragscode staan in de Werkwijzer, die je kunt bereiken via EHRM en dan via de button 'Werkwijzer'.”

( e) Toen KFC eind augustus 2019 tijdens een zogeheten roll call, dat is een bijeenkomst waarbij onder meer de indeling van de ploegen aan de orde komt, de Doppers aan haar medewerkers uitdeelde en hun dienaangaande informatie verstrekte, was [appellant] afwezig wegens vakantie. Zijn leidinggevende, [A] (verder: [A] ), heeft [appellant] later, eveneens eind augustus 2019, de Dopper gegeven.

( f) Artikel 6 van genoemde Gedragscode (“onrechtmatige toe-eigening”) luidt (in de versie van 20 augustus 2019) als volgt:

“Onrechtmatige toe-eigening is verboden, net als fraude.

Let op: onder 'onrechtmatige toe-eigening' wordt onder andere verstaan:

1. (...)

2. het binnen KCS eten, drinken of proeven van andermans producten zonder duidelijke toestemming van een Director van KCS.

De maatregelen zijn zeer streng, namelijk ontslag op staande voet [(…) TOELICHTING GEDRAGSCODE 'Waarom ontslag op staande voet bij onrechtmatige toe-eigening wegens eten, drinken of proeven?]. (…)

(...)

In de toelichting op de Gedragscode (in de versie van 22 augustus 2019) is onder meer vermeld:

“(...)

1. Onrechtmatig toe-eigenen andermans etenswaar of drank:

waarom ontslag op staande voet?

( ...)

Dit [onmiddellijke beëindiging van het dienstverband door KCS; hof] gebeurt ook als iemand iets heel kleins nuttigt (...)

De maatregel van ontslag op staande voet is nogal wat. Zeker als het dienstverband misschien al meer dan 10 of 20 jaar heeft geduurd, of als je privésituatie moeilijk is. Het zijn vaak pijnlijke gevallen die zich de afgelopen jaren vaker voordeden. (...)

KCS maakt voor een ontslag op staande voet geen onderscheid tussen een ernstige (pallets wijn) of een heel kleine vorm (bonbon, blikje, een paar noten, paracetamol) van toe­eigening. Simpelweg, omdat geen goede of heldere grens kan worden getrokken tussen ernstig en heel klein. Bij kleine vormen van onrechtmatige toe-eigening gaat het niet meer om de verloren financiële waarde van een product. Het gaat hierbij om het bewaren van een prettige en veilige werkomgeving voor iedere andere medewerker en het blinde vertrouwen dat KCS wil en mag hebben in elke collega. Veiligheid, onderling vertrouwen en vertrouwen van KCS glijden anders weg. (...) Het spreekt daarbij vanzelf, dat KCS niet de één de hand boven het hoofd kan houden en de ander niet. Iedereen is wat dit betreft gelijk.

(…)

3. Onrechtmatig toe-eigenen van waterflesjes:

waarom ook hier ontslag op staande voet mogelijk?

Het is goed mogelijk dat je tijdens het werk behoefte hebt om wat water te drinken. Dat willen we niet tegenhouden en mag je ook in de productieruimte uit een eigen Dopper* drinken (...)

(…)

Een ander belangrijk punt is dat het drinken uit waterflesjes die niet voor jou zijn bedoeld, bijvoorbeeld flesjes bestemd voor een vlucht of terugkomen van een vlucht, is verboden. KCS merkt dit aan als onrechtmatige toe-eigening, ook al moet het waterflesje van de KLM of een andere airline worden weggegooid.

* om verwarring te voorkomen: geen andere soort flesjes of bidons

(…)”

( g) Op 10 oktober 2019 heeft KCS [appellant] op staande voet ontslagen. KCS heeft [appellant] het ontslag bevestigd bij brief van die dag, welke brief, voor zover van belang, inhoudt:

“Hierbij bevestigen wij het gesprek van vandaag, 10 oktober 2019, waarin wij u hebben medegedeeld dat KLM Catering Services Schiphol B.V. uw dienstverband vandaag met onmiddellijke ingang heeft beëindigd. Dit ontslag wegens dringende reden is conform artikel 7:677 en 678 van het Burgerlijk Wetboek en het strenge beleid van KCS genomen en is zojuist meegedeeld in het gesprek tussen u, de heer [B] (Operationeel Manager Intercontinental Flow) en de heer [C] (HR Business Partner). Voorafgaand aan het gesprek bent u gewezen op de mogelijkheid om u te laten bijstaan. U heeft geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid.

Aan het ontslag is het volgende voorafgegaan: op 10 oktober 2019 rond 14.30 uur heeft u een waterflesje van het merk Thonon in uw persoonlijke KCS-dopperfles (voorzien van uw naam en personeelsnummer) gegoten en derhalve onrechtmatig toegeëigend. Dit is door een Shiftleader [ [D] ; hof] gezien en die heeft u meegenomen naar de Shiftleader van dienst. Het waterflesje is afkomstig van Non-Food KLM Europe/Intercontinental. Dit is bestemd voor de vluchten van KLM en strikt genomen eigendom van KLM.

Vervolgens bent u op non-actief gesteld en heeft er vandaag d.d. 10 oktober 2019 een gesprek plaatsgevonden in het bijzijn van de heer [C] en de heer [B] op het kantoor van de heer [C] . Daarin heeft u het volgende aangegeven: U heeft een flesje water gepakt en dat in uw persoonlijke dopperfles gedaan. U vond het erg stom van uzelf. Normaal gesproken haalt u altijd water bij het waterpunt. U gaf aan dat het uw eerste keer was en dat u weet dat het niet mag. Er is u gevraagd naar de reden dat [u] het nu toch deed. Hierop had u niet echt antwoord. U gaf wel aan dat u vandaag een haastige dag had. U moest eerst spullen kopen voor uw kinderen en daarna uw vrouw wegbrengen. U was ook uw KCS-pas vergeten. Er zijn geen andere omstandigheden die een rol hebben gespeeld. Er is u gevraagd hoe laat u bij KCS was. U gaf aan dat u tussen 13.30 en 13.45 uur bij KCS was. Er was derhalve voldoende tijd om uw persoonlijke dopperfles te vullen bij het waterpunt. Dit waterpunt is bovendien nog geen twintig meter bij uw werkplek vandaan.

Dringende reden

Deze onrechtmatige toe-eigening is voor KCS de dringende reden geweest uw dienstverband met onmiddellijke ingang te beëindigen. Dit is voor een bedrijf als KCS onaanvaardbaar en het vertrouwen in verdere voortzetting van uw dienstverband is hierdoor weggevallen. U bent bekend met de strenge regels bij KCS zoals bijvoorbeeld verwoord in onze Gedragscode en recentelijk bij de uitgifte van de persoonlijke Dopper (peildatum 1 september 2019) nog een keer herhaalt en gecommuniceerd (vanaf 22 augustus 2019). De Gedragscode is onderdeel van het arbeidscontract welke u heeft getekend. Hierdoor hebben wij geen ander besluit kunnen nemen.

(...)”

( h) Bij brief van zijn advocaat van 7 november 2019 heeft [appellant] KCS verzocht het ontslag in te trekken, zich beschikbaar gesteld zijn werkzaamheden te verrichten en aanspraak op loondoorbetaling gemaakt. Bij brief van 19 november 2019 heeft KCS de advocaat van [appellant] doen weten hierop niet te zullen ingaan. Zij heeft [appellant] in die brief een vaststellingsovereenkomst aangeboden, maar [appellant] heeft dat van de hand gewezen.

3 Beoordeling

3.1.

In eerste aanleg heeft [appellant] , voor zover in hoger beroep van belang, de kantonrechter primair verzocht de opzegging van 10 oktober 2019 op grond van artikel 7:681 lid 1 BW te vernietigen en KCS te veroordelen hem weer te werk te stellen en hem vanaf genoemde datum het loon met emolumenten te betalen, vermeerderd met wettelijke rente en de wettelijke verhoging van 50% op grond van artikel 7:625 BW. Subsidiair heeft [appellant] verzocht KCS te veroordelen tot betaling aan hem van de hiervoor onder 1 (subsidiair) genoemde bedragen, met wettelijke rente, een en ander ten titel van respectievelijk transitievergoeding, gefixeerde schadevergoeding en billijke vergoeding, en tot betaling van de proceskosten. Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter de verzoeken van [appellant] afgewezen en hem in de proceskosten verwezen.

3.2.

Alvorens tot de beoordeling van het hoger beroep over te gaan, verwerpt het hof het door KCS gemaakte bezwaar tegen de door [appellant] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling gedane wijziging van eis. Deze luidt, kort gezegd, dat in het in het beroepschrift geformuleerde petitum onder ‘subsidiair’ (sub 6) het bedrag van € 439.036,80 bruto niet wordt gevorderd ten titel van schadevergoeding wegens wanprestatie maar als billijke vergoeding op grond van artikel 7:683 lid 3 BW, alsmede, dat dit bedrag daarnaast als nevenvordering (bedoeld wordt: nevenverzoek) wordt gevorderd als schadevergoeding wegens wanprestatie. Aan KCS kan worden toegegeven dat deze eiswijziging te laat is gedaan, immers pas na indiening van het beroepschrift, en dus strijdig is met de zogeheten tweeconclusieregel. Daar staat echter tegenover dat de formulering van het petitum in het beroepschrift kennelijk berust op een vergissing. De wijze waarop [appellant] zijn verzoeken in hoger beroep in de akte wijziging eis heeft geformuleerd strookt immers veel meer dan dat petitum met zijn in eerste aanleg gedane subsidiaire verzoeken, aangevuld met het in appel boogde nevenverzoek. KCS wordt door toelating van deze eiswijziging in haar verdediging niet geschaad. Zij is immers in haar verweerschrift in hoger beroep ten gronde op het onderhavige nevenverzoek ingegaan.

3.3.

Met zijn grieven, die gezamenlijk kunnen worden besproken, komt [appellant] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. Het hof oordeelt hierover als volgt.

3.4.

Tussen partijen staat niet ter discussie dat [appellant] voor aanvang van zijn werkzaamheden in de middag van 10 oktober 2019 de inhoud van een waterflesje van het merk Thonon in zijn dopper heeft (over)gegoten teneinde dat water te drinken, dat het flesje afkomstig was van een vlucht die net was geland en toebehoorde aan Non Food KLM Europe/Intercontinental, althans aan KCS, en dat het flesje zou worden weggegooid.

3.5.1.

[appellant] betoogt allereerst dat de door KCS aan zijn ontslag op staande voet ten grondslag gelegde dringende reden, te weten de onrechtmatige toe-eigening van (de inhoud van) voormeld flesje, niet op basis van de zojuist vermelde feiten is komen vast te staan. Het hof onderschrijft dit standpunt niet op grond van het volgende.

3.5.2.

Door het overgieten van het water vanuit het flesje in zijn dopper – met de bedoeling dat water te drinken – heeft [appellant] zich dat water toegeëigend. Voor zover [appellant] beoogt te stellen dat het slechts bij een poging is gebleven omdat hij door de shiftleader werd ‘betrapt’, miskent hij dat de toe-eigening plaatsvond door het enkele overgieten van het water in zijn dopper. Met de bij gelegenheid van de mondelinge behandeling geponeerde stelling dat onbekend is of het water wel aan KCS toebehoorde en “net zo goed kraanwater” kan zijn geweest (minder pregnant ook in het beroepschrift aangevoerd) heeft [appellant] onvoldoende duidelijk en gemotiveerd gesteld dat de inhoud van het flesje het kraanwater wás. Immers, ook als ervan wordt uitgegaan dat het flesje al geopend was (geweest), toen [appellant] het pakte – wat KCS betwist –, had het op de weg van [appellant] gelegen gemotiveerd te stellen dat het flesje, waarin zich oorspronkelijk water van het merk Thonon had bevonden, op enig moment met kraanwater was (bij)gevuld, althans dat hij dat dacht en kon denken toen hij het in zijn dopper goot. De stelling van [appellant] dat er “niets aan de hand” zou zijn geweest als hij op het moment van het overgieten zou zijn gewezen (kennelijk door de shiftleader) op de gevolgen daarvan – omdat hij dan het water had kunnen teruggieten –, kan in het gunstigste geval niet serieus worden genomen (alsof iets niet is gebeurd door meteen de oude situatie te herstellen) en moet in het ongunstigste geval als kwalijk worden aangemerkt (omdat het suggereert dat de shiftleader maar een oogje had moeten dichtknijpen).

3.5.3.

[appellant] heeft op zichzelf niet betwist dat wat hij gedaan heeft niet mocht, maar aangevoerd dat hij niet wist (er niet bij heeft stilgestaan) dat dit niet mocht. Ook deze stelling wordt door het hof verworpen, geheel afgezien van de hiervoor onder 2 weergegeven stukken waarin KCS handelingen als de onderhavige heeft verboden. Allereerst heeft [appellant] er geen verklaring voor gegeven dat hij niet (gewoon) het flesje heeft gepakt om het water daaruit te drinken maar de inhoud ervan in zijn dopper heeft overgegoten. Als hij (echt) niet wist dat hij dat flesje niet mocht pakken althans de inhoud daarvan niet mocht drinken, bestond immers voor dit overgieten, een omslachtige handeling, geen enkele noodzaak. Verder heeft [appellant] niet betwist dat hij in het gesprek met KCS op 10 oktober 2019 heeft toegegeven iets stoms te hebben gedaan en te weten dat het niet mocht. Ten slotte heeft [A] op 9 maart 2020 een schriftelijke verklaring opgesteld die als volgt luidt:

“Bij de uitdeling aan alle medewerkers was [appellant] ( [appellant] zoals wij hem noemen) [ [appellant] ; hof] op vakantie. Nadat [appellant] teruggekomen was, vroeg ik hoe zijn vakantie was en hem ik hem de Dopper (deze staat op voornaam) gegeven. Daarbij heb ik verteld dat hij de Dopper via het watertappunt moest vullen en ook dat de eerdere waterflesjes van KCS niet meer worden verstrekt en het verboden is andere waterflesjes voor de Dopper te gebruiken. Hij zei dat het goed was.”

Mede in aanmerking genomen dat [appellant] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep desgevraagd heeft verklaard de dopper van [A] te hebben ontvangen en dat [A] hem daarbij heeft gezegd dat hij daaruit water mocht drinken, alsmede, dat [appellant] niet heeft gereageerd op de vraag van het hof of klopt dat hij [A] toen heeft gezegd “dat het goed was”, acht het hof de betwisting door [appellant] van deze verklaring van [A] onvoldoende gemotiveerd. Op grond van voormelde drie omstandigheden staat naar het oordeel van het hof genoegzaam vast dat [appellant] wist dat het niet was toegestaan om water uit flesjes als het onderhavige te drinken. Door (niettemin) het water uit het flesje in zijn dopper te gieten (teneinde dat op te drinken) heeft [appellant] zich het water dan ook onrechtmatig toegeëigend. Hieraan doet niet af dat het flesje met inhoud niets waard was en zou worden weggegooid, evenmin als de omstandigheid dat KCS in haar onder 2 (d) geciteerde e-mail heeft geschreven dat het drinken van flesjes die terugkomen van een vlucht vanaf 1 september 2019 niet meer is toegestaan. Overigens deelt het hof het oordeel van de kantonrechter (overweging 5.12) dat dat bericht in zoverre ongelukkig is geformuleerd.

3.6.1.

Vervolgens rijst de vraag of de onderhavige onrechtmatige toe-eigening voor KCS een dringende reden opleverde om [appellant] op staande voet te ontslaan. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend op grond van het navolgende.

3.6.2.

Als zojuist gezegd wist [appellant] dat het verboden was om, kort gezegd, (de inhoud van) andere flesjes dan (die van) de dopper te gebruiken. Op grond van artikel 7 van de arbeidsovereenkomst was hij verplicht zich aan deze instructie te houden. [appellant] heeft geen toereikende verklaring of rechtvaardiging gegeven voor het feit dat hij dat niet heeft gedaan. Enerzijds heeft hij de stelling van KCS dat de werknemers van de afdeling zich (toen hij het water in zijn dopper overgoot) aan het verzamelen waren, de roll call nog niet was begonnen en er tijd genoeg moet zijn geweest om nog een paar meter richting het water aftappunt te lopen niet (voldoende gemotiveerd) betwist, anderzijds is niet gesteld of gebleken dat [appellant] KCS in het gesprek op 10 oktober 2019 kenbaar heeft gemaakt dat zijn zorgen om de gezondheidstoestand van zijn vader ertoe hebben geleid dat hij niet alert was op de naleving van het onderhavige verbod. Het hof gaat er daarom van uit dat er voor [appellant] geen (goede) reden of rechtvaardiging bestond om het onderhavige verbod te overtreden.

3.6.3.

[appellant] betwist niet dat KCS altijd in gevallen van onrechtmatige toe-eigening de betrokken werknemer op staande voet ontslaat, maar wel dat hij ten tijde van de hem verweten handeling van dat beleid op de hoogte was. KCS beoogt met het onderhavige eenduidige (zero tolerance) handhavingsbeleid, waarvan volgens haar een sterk preventieve werking uitgaat, optimale duidelijkheid en zekerheid aan haar werknemers te verschaffen. Zij doet dit in verband met de aard van de door haar verrichte bedrijfsactiviteiten en het onvoorwaardelijke vertrouwen dat zij in haar medewerkers wil hebben en – begrijpt het hof – haar medewerkers in elkaar moeten kunnen hebben. Het hof, dat overigens slechts in concrete gevallen toetst, heeft (in algemene zin) begrip voor dit beleid en [appellant] heeft dat beleid als zodanig ook niet ter discussie gesteld.

3.6.4.

Het hof stelt vast dat [appellant] wel erg veel ontkent ten aanzien van de hem door KCS gegeven informatie met betrekking tot en/of zijn mogelijkheden tot kennisneming van het door KCS gehanteerde strenge (zero tolerance) beleid met betrekking tot overtreding van het verbod van onrechtmatige toe-eigening. Bovendien is de vraag gewettigd of van [appellant] als goed werknemer niet kon worden verwacht dat hij zich spontaan en actief op de hoogte stelde van door KCS door middel van moderne communicatiemiddelen aan haar medewerkers, waaronder [appellant] , verstrekte informatie en of het niet voor het risico van [appellant] dient te komen dat hij van die aldus verstrekte informatie geen kennis heeft genomen. Wat daarvan verder zij, juist omdat KCS (ook) ten aanzien van lichte vergrijpen als het onderhavige (een zogeheten ‘bagatel’-zaak) een zero tolerance beleid hanteert, verdient het met het oog op optimale duidelijkheid en ter voorkoming van misverstanden de voorkeur dat KCS haar medewerkers ervoor laat tekenen dat zij ervan op de hoogte zijn dat zij (onder meer) in geval van onrechtmatige toe-eigening van andermans zaken, ook al zijn deze waardeloos en/of zullen deze worden weggegooid, op staande voet zullen worden ontslagen. De enkele omstandigheid dat KCS dit laatste heeft nagelaten, doet echter niet af aan het feit dat het hof [appellant] bekend veronderstelt met het hiervoor weergegeven zero tolerance beleid. Immers, [appellant] heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat tijdens de roll calls (onder meer) incidenten die zich hebben voorgedaan bij KCS, alle ontslagzaken en beleidsaanpassingen aan de orde komen. Het kan niet anders, gezien de eerdere zaken waarbij KCS betrokken is geweest, dat [appellant] er tijdens een of meer van die roll calls ervan op de hoogte is geraakt, als hij dat eerder al niet was, dat KCS onrechtmatige toe-eigening van aan derden toebehorende zaken pleegt te bestraffen met ontslag op staande voet.

3.6.5.

Ten slotte deelt het hof het oordeel van de kantonrechter (overweging 5.15) dat, gezien “het klemmende karakter van het door KCS gevoerde beleid”, de persoonlijke omstandigheden van [appellant] , zoals de lange duur van het dienstverband, zijn goede functioneren en de ernstige financiële en andere gevolgen die het ontslag voor hem heeft, niet in de weg staan aan het hem gegeven ontslag op staande voet. De conclusie van al het voorgaande is dat er (objectief en subjectief) een voldoende dringende reden was voor KCS om [appellant] op staande voet te ontslaan. Niets van wat [appellant] verder heeft aangevoerd, noopt tot een ander oordeel.

3.7.

Het voorgaande betekent dat de grieven geen succes hebben. Nu het hof niet oordeelt dat de kantonrechter het verzoek van [appellant] tot vernietiging van de opzegging van 10 oktober 2019 ten onrechte heeft afgewezen, zijn de door [appellant] in hoger beroep op artikel 7:683 lid 3 BW gebaseerde verzoeken niet toewijsbaar.

3.8.

In overweging 5.16 van de bestreden beschikking heeft de kantonrechter, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld dat, nu het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven, de verzoeken tot wedertewerkstelling, doorbetaling van loon, toekenning van een billijke vergoeding en vergoeding wegens onregelmatige opzegging (de gefixeerde schadevergoeding) zullen worden afgewezen. Tegen deze overweging, die overigens juist is, heeft [appellant] geen grief gericht, reden waarom de bewuste verzoeken niet alsnog toewijsbaar zijn.

3.9.

In overweging 5.17 van de bestreden beschikking heeft de kantonrechter voorts geoordeeld dat het verzoek tot betaling van een transitievergoeding wordt afgewezen omdat de feiten en omstandigheden die een dringende reden opleveren voor ontslag op staande voet tevens meebrengen dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van handelen of nalaten van [appellant] dat als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt. Omdat [appellant] tegen deze overweging geen grief heeft gericht, is ook dit verzoek in hoger beroep niet toewijsbaar.

3.10.

Ten slotte zal het in hoger beroep op wanprestatie gebaseerde nevenverzoek tot betaling van een bedrag van € 439.036,80, “te vermeerderen met pensioenschade”, worden afgewezen, reeds omdat dit zich niet verdraagt met het gesloten stelsel van het hier te lande geldende ontslagrecht.

3.11.

De conclusie is dat de bestreden beschikking zal worden bekrachtigd en de door [appellant] in hoger beroep voor het eerst gedane verzoeken zullen worden afgewezen. [appellant] heeft geen concrete stellingen te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een andere beslissing zouden kunnen leiden. Zijn bewijsaanbod wordt daarom van de hand gewezen.

3.12.

Het hof ziet geen aanleiding om in hoger beroep een kostenveroordeling uit te spreken.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking en wijst de voor het eerst in hoger beroep door [appellant] gedane verzoeken af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. T.S. Pieters, R.J.M. Smit en A. van Zanten-Baris en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2021.