Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:170

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-01-2021
Datum publicatie
01-02-2021
Zaaknummer
200.276.945/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Voogdijverzoek grootmoeder.

1:299a BW, 149, 150 en 284 Rv

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.276.945/01

Zaaknummer rechtbank: C/13/674964 / FA RK 19-6909 (CO / MG)

Beschikking van de meervoudige kamer van 19 januari 2021 inzake

[de grootmoeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de grootmoeder,

advocaat: mr. D. van der Wal te Amsterdam,

en

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de GI.

Als belanghebbende is verder aangemerkt:

- de minderjarige [X] (hierna te noemen: [de minderjarige] ).

Als informant zijn aangemerkt:

- [de moeder] (hierna te noemen: de moeder);

- [de vader] (hierna te noemen: de vader).

In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, locatie Amsterdam,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 4 maart 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De grootmoeder is op 14 april 2020 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking.

2.2

De GI heeft op 30 oktober 2020 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof is voorts het volgende stuk ingekomen:

- een brief van de rechtbank van 15 mei 2020 met het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg, ingekomen op 20 mei 2020.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 9 december 2020 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de grootmoeder, bijgestaan door haar advocaat en mevrouw [A] van Lijn5;

- de GI, vertegenwoordigd door de gezinsmanager;

- de moeder, bijgestaan door mevrouw [B] van Cordaan;

- de vader;

- de raad, vertegenwoordigd door de heer V. Aelbers.

3 De feiten

3.1

Uit de relatie tussen de vader en de moeder (hierna gezamenlijk ook: de ouders) is – voor zover hier van belang – [de minderjarige] geboren [in] 2009.

De vader heeft [de minderjarige] erkend.

3.2

Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 24 september 2009 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld per datum van zijn geboorte en bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 6 oktober 2009 is [de minderjarige] uithuisgeplaatst bij de grootmoeder. Zij is de moeder van de vader.

3.3

Bij beschikking van de rechtbank van 22 januari 2014 is Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam (hierna: JBRA) belast met de voogdij over [de minderjarige] , uit te voeren door de GI, destijds geheten de William Schrikker Groep. Inmiddels oefent de GI de voogdij zelfstandig uit.

3.4

Uit de relatie van de ouders is eveneens [kind 2] geboren [in] 2011.

3.5

De moeder heeft uit een eerdere relatie een zoon genaamd [kind 3] , geboren [in] 2006.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de grootmoeder om, met wijziging van de voogdij, haar te belasten met de voogdij over [de minderjarige] , afgewezen.

4.2

De grootmoeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, haar, met wijziging van de voogdij, alsnog te belasten met de voogdij over [de minderjarige] .

4.3

De GI verzoekt het verzoek van de grootmoeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge artikel 1:299a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan degene die met instemming van de voogd een minderjarige in zijn gezin – anders dan uit hoofde van een ondertoezichtstelling of een plaatsing onder voorlopige voogdij – ten minste een jaar heeft verzorgd en opgevoed, de kinderrechter verzoeken hem tot voogd te benoemen.

Ingevolge artikel 1:299a lid 4 BW, wijst de kinderrechter het verzoek slechts toe als het in het belang van de minderjarige is en de voogd niet bereid is om zich uit zijn bediening te laten ontslaan.

5.2

De grootmoeder kan zich niet verenigen met de beschikking waarvan beroep en voert daartoe het volgende aan.

De eerste grief die zij aanvoert is dat de rechtbank ten onrechte de bewijsregels niet heeft toegepast. Ter zitting in eerste aanleg heeft de GI enkel mondeling verweer gevoerd, daarbij aangevend dat er zorgen zijn over het loyaliteitsconflict van [de minderjarige] tussen de moeder en de grootmoeder en over de thuissituatie bij de grootmoeder. Vervolgens heeft de grootmoeder hetgeen de GI heeft beweerd betwist, zodat de rechtbank ingevolge de artikelen 149 lid 1 en 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), welke op grond van artikel 284 lid 1 Rv van overeenkomstige toepassing zijn verklaard op verzoekschriftprocedures, in strijd met de bepalingen omtrent het bewijsrecht de door de GI gestelde feiten als vaststaand heeft aangenomen. De rechtbank had het verweer van de GI moeten passeren als niet voldoende onderbouwd of de zaak moeten aanhouden teneinde de GI in staat te stellen bewijs in te dienen. Ook voldeed het advies van de raad ter zitting in eerste aanleg niet aan de daaraan te stellen eisen nu dit advies was gebaseerd op de stellingen van de GI, zodat de rechtbank haar oordeel daar niet op kon baseren.

Als tweede grief voert de grootmoeder aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat in het belang van [de minderjarige] de voogdij niet dient te worden gewijzigd. De grootmoeder is van mening dat de rechtbank in lijn met de uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland van 12 februari 2013 (ECLI:NL:RBNNE:2013:5285) had moeten oordelen en de grootmoeder als natuurlijke persoon die [de minderjarige] al jaren verzorgt als voogd over hem had moeten benoemen. Zo is de GI vaak slecht bereikbaar waardoor de grootmoeder lang moet wachten op benodigde toestemming. Ook is het de GI niet gelukt om contactherstel tussen de moeder en [de minderjarige] te bewerkstelligen. Hoewel de grootmoeder het verleden kent en zij het niet over de moeder heeft met [de minderjarige] , is zij gemotiveerd om met behulp van mevrouw [A] van Lijn5 het contact tussen de moeder en [de minderjarige] te herstellen. Het leggen van de voogdij bij de grootmoeder zal dan ook in het belang van zowel de moeder als [de minderjarige] zijn. Dit is bovendien in lijn met de wens van [de minderjarige] , aldus de grootmoeder.

5.3

De GI verweert zich als volgt.

De GI is van mening dat het thans niet in het belang van [de minderjarige] is om de voogdij over te dragen aan de grootmoeder. Er zijn zorgen over [de minderjarige] , op basis waarvan de GI van oordeel is dat het in belang van [de minderjarige] is dat een onafhankelijke derde bij zijn opvoeding betrokken is.

[de minderjarige] heeft zijn moeder niet meer gezien of gesproken sinds februari 2019, toen zijn ouders gingen scheiden. De grootmoeder is tot op heden niet in staat gebleken [de minderjarige] de ruimte te geven om positieve ervaringen met zijn moeder op te doen, als gevolg waarvan [de minderjarige] in een loyaliteitsconflict lijkt te verkeren. De grootmoeder was lange tijd niet bereid de eerste stap te zetten in het stimuleren van het contactherstel tussen de moeder en [de minderjarige] . Inmiddels accepteert de grootmoeder de hulpverlening van Lijn5 die daarop gericht is. Het is belangrijk dat de grootmoeder [de minderjarige] stimuleert in het contact met zijn moeder omdat zij de meeste invloed op hem heeft.

Voorts is de GI van mening dat zij ter zitting in eerste aanleg kon volstaan met een mondeling verweer nu haar zorgen omtrent de grootmoeder en haar bezwaren tegen het belasten van de grootmoeder met de voogdij reeds bekend waren en bovendien beschreven stonden in het raadsrapport. Zowel de raad als de grootmoeder waren hier bij aanvang van de mondelinge behandeling dus al mee bekend, aldus de GI.

5.4

De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. Hoewel de raad ziet dat de grootmoeder over de opvoedcapaciteiten en gedrevenheid beschikt om [de minderjarige] een goede opvoeding te geven, is een overdracht van de voogdij op dit moment niet aan de orde. Door de ingewikkelde verhoudingen tussen de volwassenen om [de minderjarige] heen, zit hij in een lastig parket. Hij groeit op bij zijn oma maar voor zijn identiteitsontwikkeling is het belangrijk dat hij weet wie zijn ouders zijn. Daarom dient hij contact te hebben met zowel zijn vader als zijn moeder. De volwassenen om hem heen zijn ervoor verantwoordelijk dat [de minderjarige] dat contact met de moeder kan hebben. Op dit moment lukt het de grootmoeder echter niet om deze ingewikkelde taak te vervullen als gevolg van haar eigen positie in het geheel. Het is dan ook in het belang van [de minderjarige] dat de GI belast blijft met de voogdij over [de minderjarige] , zodat de GI beslissingen kan nemen die in zijn belang zijn, aldus de raad.

5.5

Ten aanzien van de eerste grief overweegt het hof vooreerst dat, wat er zij van de gang van zaken in de eerste aanleg omtrent de feitenvaststelling en de advisering door de raad, het hoger beroep mede ertoe bestemd om omissies, fouten of vergissingen, in eerste aanleg door partijen of door de rechtbank begaan, te herstellen. Voor zover de GI in eerste aanleg de stellingen van de grootmoeder onvoldoende heeft weersproken, heeft zij in hoger beroep dat verzuim hersteld. Daar komt bij dat het hier gaat om een verzoekschriftprocedure met een voluntair karakter en dat het gaat om de uitvoering van een wetsvoorschrift waarin maatregelen zijn vervat ter bescherming van de belangen van een minderjarige als [de minderjarige] . De aard van een dergelijke zaak verzet zich tegen een onverkorte toepassing van het wettelijk bewijsrecht (vgl. het slot van art. 284 lid 1 Rv). In een dergelijke procedure past niet dat de rechter feitelijke stellingen van een betrokkene op grond van artikel 149 lid 1 Rv zonder meer als vaststaand zou moeten aannemen enkel omdat zij onvoldoende zijn weersproken en evenmin dat de rechter onder de door de grootmoeder gestelde omstandigheden verplicht zou zijn bewijs op te dragen. Het hof wijst de eerste grief van de grootmoeder af.

5.6

Ten aanzien van de tweede grief van de grootmoeder overweegt het hof als volgt.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is het volgende gebleken.

Vaststaat dat de GI zich niet van haar bediening als voogd wil laten ontslaan. Beoordeeld moet dus worden of toewijzing van het verzoek van de grootmoeder in het belang van [de minderjarige] is. Sinds de ouders uit elkaar zijn gegaan, in februari 2019, heeft [de minderjarige] contact met de moeder bewust afgehouden. De GI vermoedt dat de grootmoeder heeft bijgedragen aan deze houding van [de minderjarige] , omdat de grootmoeder vaak negatief over de moeder spreekt tegenover de gezinsmanager. [de minderjarige] heeft een IQ van 53 en is beïnvloedbaar en gericht op wat zijn omgeving hem aandraagt. Hij is vooral beïnvloedbaar door de grootmoeder, bij wie hij woont en wie hij vertrouwt. Het ontbreken van contact met de moeder vormt een bedreiging voor de evenwichtige identiteitsontwikkeling van [de minderjarige] , temeer nu dit vermoedelijk een gevolg is van een loyaliteitsconflict. Het is dan ook van groot belang dat de grootmoeder het contactherstel tussen de moeder en [de minderjarige] stimuleert. Blijkens het Plan van Aanpak van de GI van 10 juni 2020, is de houding van grootmoeder recent gewijzigd. Vanaf begin juni 2020 is zij bereid om samen te werken met de GI en is zij akkoord gegaan met ambulante betrokkenheid van Lijn5 bij het opzetten van contactherstel tussen de moeder en [de minderjarige] . Mevrouw [A] van Lijn5 heeft ter zitting in hoger beroep meegedeeld te verwachten dat dit proces lang zal duren omdat [de minderjarige] op dit moment boos wordt wanneer het over de moeder gaat doordat hij nog niet bij zijn emoties kan komen. Mevrouw [A] zal het gehele gezinssysteem bij het contactherstel betrekken.

Voorheen bestonden er ook zorgen over [de minderjarige] op school, maar inmiddels doet [de minderjarige] het goed op school, zo blijkt uit de verklaringen van de voogd ter zitting in hoger beroep.

5.7

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de GI op dit moment met de voogdij belast dient te blijven. Hoewel het hof met de raad op dit moment geen reden heeft te twijfelen aan de opvoedcapaciteiten van de grootmoeder, bestaan er wel zorgen over de identiteitsontwikkeling van [de minderjarige] in verband met het ontbrekende contact met zijn moeder. Zowel de vader als de moeder hebben een belangrijke rol in het leven van [de minderjarige] zodat hij kan opgroeien, wetend waar hij vandaan komt. Van de grootmoeder kan dan ook worden verwacht dat zij als dagelijkse opvoeder [de minderjarige] stimuleert om contact met de moeder te hebben. Het hof ziet ook dat de grootmoeder onderdeel is van het ingewikkelde gezinssysteem en dat het haar tot voor kort niet goed lukte zich mede in te zetten voor contactherstel tussen [de minderjarige] en zijn moeder. Het hof begrijpt dat dit veel van de grootmoeder vergt nu er een belast verleden is waarin veel is gebeurd. Het is dan ook goed dat de grootmoeder thans hulpverlening accepteert van Lijn5 en bereid is mee te werken aan het contactherstel en voornemens is dit te stimuleren. Voor [de minderjarige] is de complexe relatie tussen de volwassenen om hem heen belastend. Daarom is het hof van oordeel dat betrokkenheid van een neutrale partij, zoals de GI, ook nu nog steeds in het belang van [de minderjarige] is.

De grootmoeder verdient veel waardering voor haar grote inzet voor [de minderjarige] . Haar verzoek is alleszins invoelbaar. Maar het risico is te groot dat het contactherstel zal ontsporen indien de voogdij nu aan een bij het familiesysteem betrokken volwassene zoals de grootmoeder zou worden opgedragen. Het hof zal daarom de bestreden beschikking bekrachtigen.

5.8

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. H.A. van den Berg en mr. P.J.W.M. Sliepenbeek, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 19 januari 2021 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.