Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1695

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-06-2021
Datum publicatie
05-07-2021
Zaaknummer
200.286.379/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek van de vader tot herstel van de omgang met zijn 16-jarige zoon afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2021-0171
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.286.379/01

Zaaknummer rechtbank: C/13/673753 /FA RK 19/6320 en C/12/673531 FA RK 19-6219

Beschikking van de meervoudige kamer van 8 juni 2021 inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. J.F.M. van Weegberg te Den Haag,

en

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. K. Spaargaren te Hilversum,

Als belanghebbende is aangemerkt:

[de minderjarige] (verder te noemen: [de minderjarige] ).

Als informant is aangemerkt:

de bijzondere curator mevrouw drs. B.M.H. Vosbergen (hierna: de bijzondere curator).

In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, locatie Amsterdam,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 2 september 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De man is op 30 november 2020 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 2 september 2020.

2.2

De vrouw heeft op 22 januari 2021 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de man van 19 januari 2021 met bijlage, ingekomen op 20 januari 2021;

- een brief van de zijde van de man van 15 april 2021 met bijlagen, ingekomen op 16 april 2021;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 19 april 2021 met bijlagen, ingekomen op 23 april 2021.

2.4

Op 19 april 2021 heeft mr. A.N. van de Beek, senior raadsheer bij dit hof en als zodanig werkzaam in het team familie en jeugd van dit hof, gesproken met [de minderjarige] , in het bijzijn van de griffier. De inhoud van dat gesprek is tijdens de mondelinge behandeling - samengevat - medegedeeld.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 30 april 2021 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de bijzondere curator;

- de raad, vertegenwoordigd door de heer V. Aelbers.

3 De feiten

3.1

De man en de vrouw zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2005. Zij oefenen gezamenlijk het gezag uit over [de minderjarige] . [de minderjarige] woont bij de vrouw.

3.2

Bij beschikking van 23 december 2009 heeft de rechtbank in het kader van een zorg-/omgangsregeling bepaald dat:

- [de minderjarige] in week één van de zorgregeling van woensdagmiddag uit school tot vrijdagochtend naar school bij de vader verblijft;

- [de minderjarige] in week twee van de zorgregeling van donderdagmiddag uit school tot zondagavond 18:00 uur bij de vader verblijft;

- ieder der partijen beurtelings zorg draagt voor het terugbrengen van [de minderjarige] op zondagavond naar de vrouw, aldus dat ieder der partijen dat eenmaal in de veertien weken doet;

- de vakanties en feestdagen zullen worden gedeeld.

3.3

Bij beschikking van de rechtbank van 19 december 2019 in de onderhavige zaak is voornoemde beschikking in zoverre gewijzigd dat de daarin bepaalde zorg-/omgangsregeling niet meer geldt. Tevens is mevrouw drs. B.M.H. Vosbergen benoemd tot bijzondere curator over [de minderjarige] .

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, op verzoek van [de minderjarige] , de man het recht op contact met [de minderjarige] voor onbepaalde tijd ontzegd en is bepaald dat er geen zorgregeling geldt. Tevens is het verzoek van de man om onder begeleiding van een deskundige contactherstel tussen hem en [de minderjarige] alsmede een zorgregeling te bepalen, afgewezen.

4.2

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, zijn inleidende verzoek tot het bepalen van contactherstel onder begeleiding en een wijziging van de zorgregeling alsnog toe te wijzen en – naar het hof begrijpt – het verzoek dat [de minderjarige] de rechtbank heeft gedaan, alsnog af te wijzen.

4.3

De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen, met veroordeling van de man in de proceskosten.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ter beoordeling is de vraag of het contact tussen [de minderjarige] en de man moet worden hersteld en een zorgregeling tussen hen moet worden bepaald, zoals de man heeft verzocht.

5.2

De man betoogt in zijn hoger beroepschrift aan de hand van een achttal grieven en een ter zitting gegeven nadere toelichting dat hem ten onrechte het contact met [de minderjarige] is ontzegd en dat zijn verzoeken tot bepaling van contactherstel en wijziging van de zorgregeling ten onrechte zijn afgewezen. Er doen zich geen ontzeggingsgronden voor. De door [de minderjarige] geuite wens om zijn vader voorlopig niet te willen zien, geeft niet zijn eigen mening weer, maar is ingegeven door de vrouw. Bovendien kan [de minderjarige] op zijn leeftijd onvoldoende de gevolgen overzien van zijn besluiten over zijn zorgregeling met de beide ouders en is er derhalve te veel waarde gehecht aan zijn kennelijke wens. De vrouw heeft de man nooit als vader erkend en gerespecteerd en hem als zodanig buiten spel gezet. Zij geeft [de minderjarige] geen emotionele toestemming voor omgang met de man, legt de verantwoordelijkheid voor de omgang bij [de minderjarige] neer en belemmert een gesprek tussen [de minderjarige] en de man. De vrouw heeft ten onrechte een veel te grote verantwoordelijkheid neergelegd bij [de minderjarige] . Naarmate de tijd voortduurt groeit wederzijdse vervreemding tussen [de minderjarige] en de man, die steeds groter wordt als er niet aan contactherstel wordt gewerkt. Er is inmiddels sprake van ouderonthechting en oudervervreemding. [de minderjarige] zit hopeloos klem in zijn loyaliteit en loopt kans op levenslange emotionele schade als zijn belang om omgang te hebben met de man wordt veronachtzaamd. Zijn slechte schoolprestaties wijzen erop dat het niet goed met hem gaat. [de minderjarige] heeft dringend hulp nodig van een psycholoog zoals de bijzondere curator heeft geadviseerd. De rechtbank heeft ten onrechte het initiatief tot contactherstel bij [de minderjarige] gelegd en de door de rechtbank genoemde rust is slechts een schijnrust. Het is aan beide ouders om in het belang van [de minderjarige] te werken aan contactherstel met en zorgtaken voor de man. Zelf heeft de man inmiddels hulp ingeschakeld om, waar nodig, tot inzicht te komen en belemmeringen bij hemzelf weg te nemen en te leren hoe met het gedrag van de vrouw om te gaan. De rechter heeft conform vaste jurisprudentie een vergaande verantwoordelijkheid bij het bevorderen van zorg- en opvoedingstaken. Ook heeft de vrouw een inspanningsverplichting om de band met de andere ouder te bevorderen. In het onderhavige geval heeft de rechtbank niet al het mogelijke gedaan om te bewerkstelligen dat contactherstel tot stand komt, dan wel een zorgregeling wordt voorgezet, dan wel een nieuwe regeling tot stand komt. Ook zijn niet alle hulpverleningsmogelijkheden benut. Het onderzoek en de rapportage van de bijzondere curator zijn niet voldoende gedegen. De man wil parallel ouderschap, na een traject onder professioneel toezicht in de vorm van forensische mediation c.q. een ouderschapsonderzoek. Hij is bereid om daaraan alle medewerking te verlenen. Ter ondersteuning van zijn standpunt verwijst hij naar de door hem overgelegde adviezen van de heer E.C. van der Waal van 12 augustus 2020, respectievelijk mevrouw M. Herman de Groot van 28 maart 2021. De ouders moeten leren samenwerken op basis van wederzijds respect. De verantwoordelijkheid ligt bij hen, niet bij [de minderjarige] . Een andere optie is dat omgang wordt bepaald op straffe van verbeurte van een ambtshalve op te leggen dwangsom, aldus de man.

5.3

De vrouw is van mening dat de beslissing van de rechtbank in stand moet blijven. [de minderjarige] wil zelf geen omgang met de man. Dit heeft hij in brieven aan en gesprekken met de rechtbank duidelijk gemaakt, evenals in zijn gesprek met de bijzondere curator. De mening van [de minderjarige] is consistent en dient, zeker gelet op zijn leeftijd, gerespecteerd te worden. De vrouw weerspreekt dat zij [de minderjarige] geen emotionele toestemming voor omgang zou geven. In het verleden heeft zij zich wel degelijk, hoewel soms tegen haar gevoel in, ingespannen om de omgang tot stand te brengen. De vrouw heeft daarmee altijd in het belang van [de minderjarige] gehandeld, ondanks dat vanaf 2004 sprake was van veel agressie, alcoholmisbruik en huiselijk geweld door de man. Nadat de relatie was verbroken, bleef de man op de vrouw schelden en haar vernederen, kleineren en psychisch mishandelen. Dat is tot op vandaag het geval, over een tijdsbestek van langer dan veertien jaar. Dat [de minderjarige] de man niet wil zien is te wijten aan het (agressieve) gedrag van de man, waarbij hij ook verwijten maakt en scheldt. [de minderjarige] kiest voor zichzelf en ervaart thans rust. Hij heeft geen behoefte aan een psycholoog. Hem verplichten tot omgang staat gelijk aan zijn mening niet serieus nemen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [de minderjarige] niet gedwongen kan worden tot iets dat hij niet wil. Zijn belang weegt zwaarder dan dat van de ouders. Verbetering van de communicatie tussen de ouders middels hulverlening is na zoveel jaar hulpverlening zonder enig positief resultaat een gepasseerd station. De vrouw heeft daar geen vertrouwen (meer) in. Dat geldt ook voor forensische mediation of een ouderschapsonderzoek. Het is bovendien een dwangmiddel dat op gespannen voet staat met de wens van [de minderjarige] dat hij rust wil. Het is de man die het door zijn boze gedrag onmogelijk maakt om nog effectief te communiceren. Dit is een zaak tussen [de minderjarige] en zijn vader, de vrouw heeft daar geen invloed meer op. Van strijd tussen de ouders is geen sprake, de ouders zijn al lang geleden uit elkaar gegaan, aldus de vrouw.

5.4

De bijzondere curator heeft in haar rapport van 28 mei 2020 onder meer het volgende vermeld. [de minderjarige] heeft in de loop der jaren een band met zijn vader opgebouwd die voldoende positief c.q. waardevol is. Dat is mede het gevolg van de welwillendheid van de moeder om ruimte te bieden voor omgang tussen [de minderjarige] en zijn vader. Die band is echter onder druk komen te staan door de onproductieve onderlinge verhoudingen tussen de ouders en hun reacties daarop, ook via [de minderjarige] . De strijd tussen de ouders trekt een zware wissel op de relatie tussen [de minderjarige] en zijn vader, thans zelfs zo zwaar dat [de minderjarige] wenst af te zien van omgang met zijn vader totdat hij meerderjarig is. Thans is er bij [de minderjarige] onvoldoende draagvlak of vertrouwen voor omgang met zijn vader. Wanneer zowel [de minderjarige] als zijn vader een individueel hulpverleningstraject volgt ( [de minderjarige] om zich zo vrij mogelijk te bewegen ten aanzien van zowel zijn moeder als zijn vader, en de man om zijn woede achter zich te laten), zou het in de lijn der verwachtingen mogen liggen dat op zeker moment gedurende dat proces in een constructief ontvankelijk klimaat [de minderjarige] en zijn vader onder begeleiding samen praten, wanneer de tijd daarvoor rijp is.

Tijdens de zitting in eerste aanleg op 20 augustus 2020 heeft de bijzondere curator daaraan het volgende toegevoegd. Er is thans een communicatieve realiteit die een negatief effect heeft op alle betrokkenen en die maakt dat [de minderjarige] weinig bewegingsruimte heeft tussen de ouders en daar last van heeft. Er zou misschien iets kunnen veranderen als de betrokkenen, waaronder zeker ook de moeder, hun verantwoordelijkheid nemen en dit in een open gesprek bespreekbaar konden maken. Zonder een dergelijk gesprek zal het forceren van omgang de zaak geen goed doen. De ouders moeten [de minderjarige] aangeven dat zij willen dat de negativiteit stopt en pas dan kan [de minderjarige] mogelijk meer ruimte voelen zelf te werken aan het tot stand brengen van contact met hulp en begeleiding van een psycholoog. Hij heeft nu teveel blokkades om met zijn vader te praten. Als er in de communicatieve werkelijkheid geen verandering wordt gebracht door de mensen die er verantwoordelijk voor zijn, dan is er geen uitgangspunt voor een gesprek tussen de vader en [de minderjarige] omdat daarna alles hetzelfde blijft. Er moet eerst iets veranderen voordat [de minderjarige] voldoende steun ervaart om ook iets te kunnen veranderen. Als de ouders hun verantwoordelijkheid niet nemen, is de vraag wat aan een kind van vijftien jaar aan verantwoordelijkheid kan worden opgelegd. [de minderjarige] heeft de bijzondere curator medegedeeld dat hij zijn ouders niet anders kent dan als mensen die altijd met elkaar strijden en niet met elkaar kunnen praten. De strijd tussen de ouders was er al ten tijde van het verbreken van de relatie en is daarna niet opgehouden. Die strijd komt van beide kanten. De daardoor scheefgegroeide verhoudingen hebben een negatieve invloed. Iedereen die betrokken is bij [de minderjarige] en invloed heeft op zijn leven zou zich ervoor moeten inzetten dat te veranderen. Een open gesprek is een goede mogelijkheid en de ouders zijn daartoe ondanks hun voorgeschiedenis in staat, verwacht de bijzondere curator. Het blikveld van hun kind zou hen moeten ontwapenen.

Ter zitting in hoger beroep heeft de bijzondere curator medegedeeld te blijven bij haar advies dat er thans voor [de minderjarige] onvoldoende draagvlak is voor omgang met de man. Het door haar geadviseerde hulpverleningstraject voor [de minderjarige] bij een psycholoog staat los van contactherstel, maar dient ertoe hem inzicht te geven in de situatie waarin hij zich bevindt, zijn plaats daarin en het effect van die situatie op hem. Dit is derhalve gericht op [de minderjarige] zelf en niet direct op contactherstel. Forensische mediation (waarbij het hele systeem om [de minderjarige] heen betrokken zou worden) zou daartoe voor alle betrokkenen ook een middel kunnen zijn, aldus de bijzondere curator.

5.5

[de minderjarige] heeft in het onder 2.4 genoemde gesprek verklaard dat hij nu rust wil en zijn vader voorlopig niet wil zien, in elk geval niet tot na zijn achttiende jaar. Dan zal hij, als hij rust heeft, zelf wel weer contact zoeken met zijn vader. De appjes die zijn vader hem stuurt, vindt hij vervelend en wil hij niet. Hij voelt zich daarna niet vrolijk meer. Hij is bang voor zijn vaders boosheid en dreigementen aan het adres van zijn moeder en stiefvader.

5.6

De raad heeft ter zitting verklaard dat het moeilijk is vast te stellen of en in hoeverre de wens van [de minderjarige] authentiek is, gelet op de invloed van zijn beide ouders die voor hem even belangrijk zijn. Er is sprake van strijd tussen de ouders die al lang voortduurt. Het forceren van [de minderjarige] tot omgang zal in de huidige situatie waarin hij daarvoor niet de ruimte voelt, niet leiden tot onbelast contact met de man. De raad heeft daarom ernstige twijfel of het in het belang van [de minderjarige] is hem te dwingen tot omgang met de man of om hem lang in onzekerheid te laten over wat gaat komen. Voor een mogelijk onbelast contact tussen [de minderjarige] en zijn vader is eerst een oplossing op ouderniveau nodig. Zolang beide ouders niet de stap zetten om hun eigen aandeel in de strijd te erkennen, heeft een interventie in de vorm van forensische mediation of een ouderschapsonderzoek geen zin, aldus de raad.

5.7

Het hof overweegt als volgt. Uitgangpunt bij de beoordeling van het onderhavige geschil is het recht van de man als gezaghebbende ouder op omgang met [de minderjarige] . Zijn belang daarbij is evident en wordt ook niet betwist. Verder geldt als uitgangspunt dat, teneinde de omgang tussen de man en [de minderjarige] te bevorderen, alle maatregelen dienen te worden genomen die redelijkerwijs kunnen worden verlangd in de omstandigheden van het geval.

Volgens het bepaalde in artikel 1:253a lid 2 jo. artikel 377a lid 3 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het recht op omgang met een kind uitsluitend ontzeggen op de in laatstgenoemde bepaling opgesomde gronden. Van een ontzeggingsgrond is onder meer sprake indien uitvoering van de omgangsregeling ertoe kan leiden dat het kind klem komt te zitten of verloren raakt tussen de beide ouders als de omgang zou worden afgedwongen, met als gevolg dat de omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

5.8

Gebleken is dat [de minderjarige] , die thans bijna zestien jaar oud is, tot twee jaar geleden op regelmatig basis omgang met zijn vader had. Sindsdien heeft geen omgang meer plaatsgevonden. [de minderjarige] heeft achtereenvolgens tegenover de rechtbank, de bijzondere curator en het hof verklaard dat hij voorlopig geen contact meer wil met zijn vader. De man stelt dat deze wens is ingegeven door de vrouw, die hem nooit als vader van [de minderjarige] heeft erkend en [de minderjarige] geen emotionele toestemming geeft voor omgang met zijn vader. De vrouw betwist dat. Volgens haar heeft het gedrag van de man zelf er uiteindelijk toe geleid dat [de minderjarige] voorlopig geen contact meer met zijn vader wil. Wat hiervan ook zij, naar het oordeel van het hof is in elk geval voldoende duidelijk dat [de minderjarige] klem zit tussen zijn ouders. De ouders zijn in 2006 uiteengegaan na een betrekkelijk korte relatie waaruit [de minderjarige] is geboren. Op grond van de wederzijdse stellingen van de ouders in de stukken van het dossier en ter zitting in hoger beroep, concludeert het hof dat hun verstandhouding, die tijdens hun relatie al veel te wensen overliet, nog steeds ernstig verstoord is. Communicatie tussen de ouders vindt uitsluitend plaats met het oog op de informatieverstrekking door de vrouw over [de minderjarige] aan de man, en dat hoofdzakelijk via de advocaat van de man. In navolging van de bijzondere curator die, anders dan de man betoogt, voldoende gedegen onderzoek heeft verricht, gaat het hof ervan uit dat de relatie tussen [de minderjarige] en de man daardoor zodanig onder druk is komen te staan dat bij [de minderjarige] in dit stadium onvoldoende draagvlak of vertrouwen is voor omgang met zijn vader. Vandaar zijn wens om af te zien van contact met zijn vader totdat hij meerderjarig is. Het hof neemt [de minderjarige] in zijn wens serieus en acht zijn wens zwaarwegend, ook al is deze (mede) ingegeven door omstandigheden die buiten hemzelf zijn gelegen. Aannemelijk is dat bij [de minderjarige] op dit moment geen ruimte bestaat voor herstel van contact met zijn vader. Het forceren van contactherstel, al dan niet met inschakeling van een psycholoog, acht het hof in dit stadium contraproductief.

5.9

Met de bijzondere curator en de raad is het hof van oordeel dat voor het creëren van de voor contactherstel noodzakelijke ruimte bij [de minderjarige] tenminste nodig is dat de verstandhouding tussen de ouders in positieve zin verandert. Ter zitting is gebleken dat de weerstand van de ouders jegens elkaar groot is en al lang duurt. Dat geldt ook voor de vrouw, ook al weerspreekt zij dat wat haar betreft thans nog sprake is van strijd tussen de ouders. Het is de ouders in de loop der jaren niet gelukt daarin verandering te brengen, ook niet met hulpverlening zoals mediation. Over en weer ontkennen ouders elkaars standpunten en hun daaraan ten grondslag liggend relaas, maken zij elkaar grote verwijten en leggen zij de oorzaak van hun slechte verstandhouding bij de ander. Geen van beiden geeft er blijk van oog te hebben voor het eigen aandeel daarin. Dat de man met hulpverlening tot het inzicht is gekomen dat zijn reacties op de vrouw zeer verklaarbaar waren, maar niet handig, is niet voldoende en ook (nog) niet merkbaar. Het hof ziet er in deze omstandigheden geen heil in om, zoals door de man verzocht, in dit stadium een ouderschapsonderzoek te gelasten en aldus een deskundige te benoemen met toepassing van mediation (ook forensische mediation genoemd). In dat geval zou in afwachting van het resultaat daarvan de beslissing op het onderhavige beroep moeten worden aangehouden. Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, acht het hof de kans op een positief resultaat evenwel (te) gering. Daarmee zou aanhouding van de beslissing uitsluitend tot vertraging leiden en [de minderjarige] langer in onzekerheid laten, hetgeen niet in zijn belang moet worden geacht.

5.10

Nu bij [de minderjarige] op dit moment geen ruimte bestaat voor omgang met zijn vader, moet omgang in dit stadium in strijd worden geacht met zijn zwaarwegende belangen. Dat geldt ook als in aanmerking wordt genomen dat het met het oog op de ontwikkeling van [de minderjarige] heel zorgelijk is dat hij nu al twee jaar geen contact met zijn vader heeft en dat voorlopig ook zo wil houden. Het hof acht dit in de gegeven omstandigheden echter niet doorslaggevend. Het ligt op de weg van de ouders om ervoor te zorgen dat [de minderjarige] weer voldoende ruimte krijgt om onbelast contact te hebben met zijn beide ouders. Het behoort tot hun gezamenlijke ouderlijke verantwoordelijkheid om daartoe alles in het werk te stellen. Het hof spreekt de hoop uit dat zij daartoe alsnog in het belang van [de minderjarige] en zijn verdere ontwikkeling een weg kunnen vinden.

5.11

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank terecht op grond van de hiervoor onder 5.7 genoemde wetsbepalingen het verzoek van de man heeft afgewezen en dat van [de minderjarige] heeft toegewezen. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen.

Voor de door de vrouw verzochte proceskostenveroordeling is geen plaats. Gelet op de familierechtelijke aard van het geschil dienen de proceskosten te worden gecompenseerd. Van misbruik van recht door de man en daardoor nodeloos gemaakte proceskosten, zoals de vrouw stelt, is naar het oordeel van het hof geen sprake.

6 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A. van Haeringen, mr. J.M.C. Louwinger-Rijk en mr. A.R. van Wieren, in tegenwoordigheid van de griffier, en is op 8 juni 2021 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.