Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1678

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-06-2021
Datum publicatie
05-07-2021
Zaaknummer
200.268.920/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2019:4916
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongehuwd samenwoners zonder geregistreerd partnerschap of samenlevingsovereenkomst; bouw tuinhuis grotendeels door man gefinancierd; ongerechtvaardigde verrijking van vrouw; natuurlijke verbintenis; buitengerechtelijke kosten; proceskosten in familiezaken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer : 200.268.920/01

zaaknummer rechtbank : C/13/652591 / HA ZA 18-819

arrest van de meervoudige familiekamer van 8 juni 2021

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

tevens incidenteel geïntimeerde,

advocaat: mr. E.T. van den Hout te Amsterdam,

tegen:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

tevens incidenteel appellante,

advocaat: mr. H.D. Wind te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna de man en de vrouw genoemd.

De man is bij dagvaarding van 26 september 2019 hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van (feitelijk) 3 juli 2019, maar gedateerd 10 juli 2019, hetgeen hersteld is bij vonnis van 28 augustus 2019, gewezen tussen de man als eiser in conventie, verweerder in (voorwaardelijke) reconventie, en de vrouw als gedaagde in conventie, eiseres in (voorwaardelijke) reconventie.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel;

- memorie van antwoord in incidenteel appel.

De man heeft in principaal appel geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis gedeeltelijk zal vernietigen voor zover het vonnis betrekking heeft op de aanpassing van het schadebedrag, en het vonnis in (voorwaardelijke) reconventie volledig zal vernietigen, en opnieuw rechtdoende:

primair de vrouw zal veroordelen tot betaling van het volledige gevorderde bedrag ter hoogte van € 22.072,98 op grond van schade wegens ongerechtvaardigde verrijking, alsmede in (voorwaardelijke) reconventie het gevorderde schadebedrag zal afwijzen wegens het ontbreken van een rechtsgrond;

subsidiair de vrouw zal veroordelen tot de betaling van een bedrag dat door het hof in goede justitie zal worden bepaald wegens ongerechtvaardigde verrijking;

almede primair en subsidiair de vrouw zal veroordelen in de buitengerechtelijke kosten van dit hoger beroep aan de zijde van de man, begroot op € 5.181,-;

en voorts zowel primair als subsidiair de vrouw zal veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over het gevorderde, althans het bij arrest toegewezen bedrag, gerekend vanaf 14 juni 2018.

De vrouw heeft primair geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en gegrondverklaring van haar incidentele grieven tegen dit vonnis, met veroordeling van de man in de proceskosten van zowel de eerste aanleg als het hoger beroep, alsmede tot veroordeling van de man tot terugbetaling van het bedrag van € 3.270,88 dat de vrouw in het najaar van 2019 naar aanleiding van het bestreden vonnis aan de man heeft voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 24 juli 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, dan wel subsidiair, indien het hof toekomt aan behandeling van de grieven in het principaal appel, deze als ongegrond af te wijzen en het bestreden vonnis te bekrachtigen, met veroordeling van de man in alle proceskosten.

De man heeft in incidenteel appel geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de vrouw, althans tot ongegrondverklaring van de grieven van de vrouw.

Partijen, bijgestaan door hun advocaten, hebben hun zaak doen bepleiten op 21 januari 2021. Door de advocaat van de man zijn spreekaantekeningen overgelegd.

Beide partijen hebben een bewijsaanbod gedaan.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het in deze zaak gewezen vonnis van 3 juli 2019 onder 2.1 tot en met 2.10 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3 Beoordeling

3.1.

Voor het hoger beroep is het navolgende van belang. Partijen hebben vanaf augustus 2014 tot augustus 2017 een affectieve relatie gehad en in dat kader vanaf november 2014 samengewoond in de aan de vrouw in eigendom toebehorende woning aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning). Partijen hebben samengeleefd zonder huwelijk, geregistreerd partnerschap of samenlevings-overeenkomst. Ook anderszins zijn geen schriftelijke afspraken gemaakt over de vermogensrechtelijke gevolgen van hun samenleving. De man heeft de woning verlaten in het najaar van 2017.

3.2.

Partijen zijn in 2015/2016 gestart met de bouw van een tuinhuis van 26 vierkante meter in de achtertuin van de woning. Aanvankelijk hebben zij beiden bijgedragen aan de kosten van de bouw. Op enig moment heeft de vrouw niet meer bijgedragen, waarna de man de financiële kosten van het afbouwen van het tuinhuis heeft gedragen. Het tuinhuis is in december 2016 gereed gekomen en in gebruik bij (de kinderen van) de vrouw. De man stelt dat hij in totaal € 22.072,98 in het tuinhuis heeft geïnvesteerd en vordert dit bedrag van de vrouw.

3.3.

In hoger beroep spitst het geschil tussen partijen in principaal en in incidenteel appel zich toe op de vraag of de vrouw ongerechtvaardigd is verrijkt doordat de man het tuinhuis heeft afgebouwd en, zo ja, tot welk bedrag. Voorts is de vraag aan de orde of de rechtbank de man op juiste grond heeft veroordeeld tot betaling aan de vrouw van een deel van de kosten van de gezamenlijke huishouding en of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de man aanspraak heeft op vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Tot slot gaat het om de vraag of de rechtbank terecht de proceskosten heeft gecompenseerd.

3.4.

De rechtbank heeft met betrekking tot het tuinhuis overwogen dat de vrouw in beginsel ten belope van de investering van de man ongerechtvaardigd is verrijkt. Nu naar het oordeel van de rechtbank uit het kostenoverzicht van de man niet zonder meer kan worden afgeleid dat de in rekening gebrachte zaken allemaal betrekking hebben op de verbouwing van het tuinhuis, maar dat de vrouw (op zichzelf) een investering van de man in het tuinhuis erkent en de afzonderlijke posten en werkzaamheden niet concreet heeft weersproken of heeft gespecificeerd welke posten niet op het tuinhuis zouden zien, heeft de rechtbank de door de man geleden schade door de ongerechtvaardigde verrijking van de vrouw begroot op de helft van het kostenoverzicht van de man. De rechtbank heeft bij deze beslissing meegewogen dat de vrouw profijt heeft van het tuinhuis dat door de man is afgebouwd. De vrouw is veroordeeld aan de man een bedrag te betalen van € 11.036,49. De wettelijke rente over dit bedrag is vanaf 14 juni 2018 toegewezen.

3.5.

Tegen de hoogte van het door de rechtbank toegewezen bedrag richt zich grief 1 in principaal appel van de man. De vrouw stelt in grief 1 in incidenteel appel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat aan haar zijde sprake is van ongerechtvaardigde verrijking. Het hof zal deze grief als eerste behandelen. Pas als het hof vaststelt dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking aan de zijde van de vrouw, komt de grief van de man over de hoogte van zijn investering in het tuinhuis aan de orde.

3.6.

De man heeft in eerste aanleg gesteld dat hij ten tijde van de relatie met de vrouw in de achtertuin van de woning een degelijk tuinhuis heeft gebouwd, dat bestemd was voor de twee zonen van de vrouw en waarvan de bouw grotendeels door hem is gefinancierd. De vrouw had bij de aanvang van de bouw zelf een bedrag gespaard voor de bouw van het tuinhuis. Na de aanvang van de bouw heeft zij dit echter voor andere doeleinden willen aanwenden. In overleg met de vrouw is de bouw van het tuinhuis toch doorgegaan. De man heeft in dit verband gesteld dat het afbouwen van het tuinhuis niet alleen te maken had met de noodzaak van het betrekken ervan door de zonen van de vrouw, maar ook met de reeds gedane investeringen in de bouw daarvan en om schade te beperken; het onafgebouwd laten van het tuinhuis zou betekenen dat al het tot dan toe geïnvesteerde geld verloren zou gaan. De vrouw stelt dat het de eigen keuze van de man is geweest om het tuinhuis af te bouwen toen de vrouw voorlopig stopte met het doen van uitgaven voor het tuinhuis. Het stond ook de man vrij de uitgaven voor de afbouw stop te zetten. De vrijwillige afbouw door de man kan hooguit als een cadeautje worden beschouwd. De vrouw betwist dat het noodzakelijk was het tuinhuis af te bouwen ter beperking van mogelijke schade aan de toen reeds gerealiseerde bouw. Toen de vrouw stopte met investeren in het tuinhuis stond er slechts een geraamte dat daarna ook rustig had kunnen blijven staan, zonder dat dit ernstige schade zou hebben veroorzaakt. De vrouw biedt op dit punt bewijs aan. Daarnaast heeft de vrouw aangeboden te bewijzen dat zij herhaalde malen heeft aangegeven om de man te laten stoppen met de afbouw van het tuinhuis.

3.7.

De vraag die het hof dient te beantwoorden is of de vrouw door de (af)bouw van het tuinhuis door de man zich kosten heeft bespaard en aldus is verrijkt. Daarvoor is nodig dat de vrouw, indien de man een en ander niet had gedaan, die kosten zelf zou hebben gemaakt of verplicht was te maken. Het hof is van oordeel dat van een dergelijke situatie sprake is en beantwoordt voormelde vraag dan ook bevestigend. Het hof overweegt daartoe als volgt. Mede gelet op de verklaring van de vrouw tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep staat vast dat de vrouw, al voordat zij een relatie kreeg met de man, plannen had een tuinhuis te bouwen. De vrouw had daarvoor gespaard. Gelet op de grootte van de woning van de vrouw (73 vierkante meter), waar de vrouw met haar twee zonen woonde, de gezinssituatie nadat de man bij de vrouw introk en de omstandigheid dat de dochter van de man ook in de weekenden kwam, werd op enig moment nadat partijen waren gaan samenwonen daadwerkelijk een aanvang met de bouw gemaakt. Daartoe is de tuin opgehoogd, zijn leidingen gelegd, is door de man samen met de broer van de vrouw een houten geraamte gebouwd, waarna beton is gestort, zodat ook de vloer klaar was. Op een voor het hof - bij gebreke van een heldere verklaring van met name de vrouw daaromtrent - niet exact vast te stellen moment heeft de vrouw besloten geen verdere investeringen in de bouw te doen. Volgens de vrouw was de reden daarvoor, dat zij haar financiën niet meer kon overzien. De vrouw had geen recht meer op partneralimentatie toen de man bij haar kwam wonen en was, omdat de man geen baan had, kostwinner, waardoor zij meebetaalde aan de schulden die de man bleek te hebben, aldus de vrouw. De man stelt daartegenover dat de tuin is leeg gehaald eind oktober 2015 en dat het zand om de tuin op te hogen daarna is gestort, dus op een moment dat hij al enige tijd bij de vrouw woonde en (inmiddels sinds mei 2015) een baan had. Eerst in oktober 2016, toen het tuinhuis nagenoeg was afgebouwd, heeft de vrouw de man gezegd dat hij moest stoppen met de bouw, aldus de man. De man heeft naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwd dat op dat moment het stilleggen van de bouw geen optie meer was omdat dat, gelet op het vergevorderde stadium daarvan, tot een aanzienlijke kapitaalvernietiging zou hebben geleid. De vrouw heeft nagelaten deze stelling van de man gemotiveerd te betwisten. Hoewel het hof tijdens de mondelinge behandeling de vrouw uitvoerig heeft bevraagd om duidelijkheid over het tijdspad en de mate van afbouw te krijgen op het moment dat de vrouw wilde dat de man zijn werkzaamheden zou staken, is de vrouw niet erin geslaagd het hof deze duidelijkheid te verschaffen. Daarnaast heeft de vrouw de concrete – met foto’s gestaafde – toelichting van de man ter zitting in hoger beroep omtrent de stand van de werkzaamheden in oktober 2016 eveneens onvoldoende gemotiveerd weersproken. Dit gevoegd bij het feit dat de vrouw sinds kerstmis 2016 over een afgebouwd tuinhuis beschikt dat gebruikt wordt door haar twee zoons, maakt naar het oordeel van het hof dat de (investering in de) afbouw van het tuinhuis door de man een besparing van kosten aan de zijde van de vrouw oplevert, die zij zelf ook op enige moment had gemaakt, althans - gelet op de vergevorderde bouw - ook zelf had moeten maken. De rechtbank heeft dan ook op juiste gronden geconcludeerd dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking aan de zijde van de vrouw. Daarbij gaat het hof voorbij aan de bewijsaanbiedingen van de vrouw, zoals hiervoor onder 3.6 weergegeven, nu – zoals uit het voorgaande valt af te leiden, de vrouw de stellingen van de man dat stoppen geen optie meer was, nu dit zou leiden tot kapitaalvernietiging - mede door haar onduidelijke en onvolledige toelichting - onvoldoende gemotiveerd weersproken heeft. Grief 1 in incidenteel appel van de vrouw faalt om die reden.

3.8.

In grief 2 in incidenteel appel stelt de vrouw dat sprake is van een natuurlijke verbintenis waardoor de door de man gemaakte bouwkosten niet door haar vergoed zouden moeten worden. De man had bij aanvang van de relatie schulden. De vrouw heeft die schulden gesaneerd en de problemen daarbij veelal met succes opgelost. Het is zeer goed denkbaar, aldus de vrouw, dat de man mede hierdoor heeft besloten om eveneens geheel om niet te blijven investeren in het tuinhuis en de bouw op eigen kosten af te maken. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat in het onderhavige geval geen sprake is van enige natuurlijke verbintenis aan de zijde van de man. Door de ontstane gezinssituatie na samenwoning was een gebrek aan ruimte in de woning van de vrouw ontstaan, waarop partijen besloten een aanvang te maken met het reeds bestaande plan van de vrouw om een tuinhuis te bouwen, waarin de twee zoons van de vrouw konden wonen. Het voldoen van (een deel van) de bouwkosten door de man kan onder de geschetste omstandigheden naar maatschappelijke opvattingen niet worden beschouwd als een prestatie die aan de vrouw op grond van een dringende morele verplichting van de man toekomt. De enkele stelling dat de man bij aanvang van de relatie schulden had en de vrouw heeft geïnvesteerd in sanering van die schulden, is zonder nadere onderbouwing daartoe onvoldoende. Ook grief 2 in incidenteel appel faalt.

3.9.

In grief 1 in principaal appel stelt de man dat de rechtbank heeft verzuimd te vermelden op welke gronden halvering van het door de man gevorderde bedrag passend is alsmede dat de rechtbank heeft miskend dat de man meermaals een voldoende onderbouwd bewijsaanbod heeft gedaan dat is gepasseerd door de rechtbank. De man ontkent niet dat de rechter een zekere mate van vrijheid heeft bij begroting van schade, maar stelt dat de rechter daarbij wel binnen de grenzen van artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) dient te blijven. Een schatting is eerst toegestaan indien de daadwerkelijke schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, aldus de man. In hoger beroep stelt de man dat hij kan aantonen welke kosten hij heeft gemaakt en vraagt hij het hof om een descente of benoeming van een deskundige ter bepaling welke kosten redelijkerwijs gemoeid zijn geweest met de bouw van het tuinhuis en welke waarde dit tuinhuis vertegenwoordigt. Ter gelegenheid van het pleidooi heeft het hof de man gevraagd waarom hij geen (papieren) pintransacties en facturen heeft overgelegd of bonnen van de contante betalingen die hij stelt te hebben gedaan tijdens de bouw. Daarop is geantwoord dat de man een bewijsprobleem heeft vanwege een heleboel contante betalingen en om die reden benoeming van een deskundige verzoekt.

3.10.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat uit het door de man in eerste aanleg overgelegde overzicht niet zonder meer kan worden afgeleid dat de genoemde investeringen allemaal betrekking hebben op de bouw van het tuinhuis. Het had, gelet op het verweer van de vrouw dat niet alle opgevoerde kosten betrekking hebben op de bouw van het tuinhuis en de overwegingen van de rechtbank op dit punt, in hoger beroep op de weg van de man gelegen zijn stelling dat hij in de bouw van het tuinhuis een bedrag van € 22.072,98 heeft geïnvesteerd nader te onderbouwen en te adstrueren, althans daarmee op zijn minst een begin te maken. Nu de man zelfs dit laatste heeft nagelaten, heeft hij niet aan zijn stelplicht voldaan: de man heeft (veel) te weinig gesteld om ook maar enigszins te kunnen concluderen dat hij meer dan het toegewezen bedrag heeft geïnvesteerd in het tuinhuis. Aldus is ook geen ruimte voor een bewijsopdracht dan wel voor het benoemen van een deskundige, zoals door de man verzocht. Dat betekent dat grief 1 in principaal appel faalt en dat de beslissing van de rechtbank op dit punt zal worden bekrachtigd.

3.11.

Grief 2 van de man komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat partijen overeengekomen zijn dat de man in elk geval vanaf mei 2015 een maandelijkse bijdrage in de kosten van de huishouding van € 1.250,- was verschuldigd, hetgeen de rechtbank baseert op een door de man gegeven verklaring tijdens de comparitie in eerste aanleg. Het gaat daarbij om de volgende verklaring, zoals deze is af te leiden uit het proces-verbaal van 8 mei 2019: “Ik betwist niet dat we hebben afgesproken dat er een maandelijks bedrag aan gezamenlijke huishouding zou worden betaald. Ik heb het verschuldigde bedrag van EUR 1.250,-- altijd overgemaakt op de gezamenlijke en/of rekening. Ik heb die kosten vanaf het moment dat wij de gezamenlijke rekening hadden, betaald. In mei 2015 ben ik gaan werken en vanaf toen heb ik bijgedragen. Voor die tijd zijn er geen afspraken gemaakt over dat ik EUR 1.250,- verschuldigd zou zijn. Het zou niet redelijk zijn dat ik dien bij te dragen over een periode waarin ik geen vast inkomen had.”. Volgens de rechtbank heeft de man eerst vanaf december 2015 de maandelijkse bijdrage betaald, zodat hij nog gehouden is een bedrag van € 8.750,- te voldoen.

De man stelt in hoger beroep dat hij vanaf het moment dat hij werk had (mei 2015) daadwerkelijk is gaan bijdragen aan de kosten van de gezamenlijke huishouding, maar ontkent dat ooit een afspraak is gemaakt, dat hij vanaf mei 2015 een bedrag van € 1.250,- per maand zou betalen.. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

3.12.

In eerste aanleg heeft de vrouw overzichten overgelegd van door haar gedane uitgaven voor de gezamenlijke huishouding. Daaruit blijkt dat de man aan de vrouw in april 2015 een bedrag heeft betaald van € 5.000,-, in juli 2015 een bedrag van € 2.000,- en in augustus 2015 een bedrag van € 1.500,-. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de vrouw erkend dat de man voormelde bedragen heeft betaald, althans op de constatering van de voorzitter van het hof dat in april 2015 € 5.000,- door de man zou zijn betaald, heeft de vrouw verklaard: “dat klopt wat u daar heeft”. Op de mededeling van de voorzitter dat zij niet inziet waarom de man dan nog over mei tot en met november 2015 zou moeten betalen heeft de vrouw geantwoord: “Nee. Het is zo tot stand gekomen. Toen ik dit vonnis op mij afkreeg (hof: de vrouw bedoelt hier: toen ik de dagvaarding ontving) kreeg ik een knauw en toen dacht ik: ik heb anderhalf jaar bijna voor jou gezorgd, financiële keuzes gemaakt en schade geleden. Dat heb ik uit liefde gedaan – of mijn eigen naïviteit toen. En in reactie heb ik gezegd: jij hebt mij ook verarmd in de periode daarvoor. Als je het zo wil zien. Naast het feit dat ik dus ook niet achter het doorbouwen stond.”.

Op grond van de door de vrouw in eerste aanleg overgelegde overzichten staat voor het hof dan ook vast dat de man vanaf april 2015 tot en met augustus 2015 een totaal bedrag van € 8.500,- aan de vrouw heeft betaald. Het hof stelt verder vast dat de gezamenlijke rekening van partijen in november 2015 is geopend en dat de man vanaf dat moment maandelijks € 1.250,- op die rekening overmaakte

3.13.

In het licht van het vorengaande is voor het hof niet komen vast te staan dat partijen destijds hebben afgesproken dat de man maandelijks vanaf mei 2015 aan de vrouw een bedrag van € 1.250,- zou betalen. Uit de verklaring van de vrouw tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep valt af te leiden dat zij, nadat zij de dagvaarding in eerste aanleg namens de man ontving, deze tegenvordering heeft opgevoerd, gelet op alle kosten die zij daarvoor, toen de man nog niet werkte, voor hem heeft voldaan. Hoewel wellicht begrijpelijk, is een en ander onvoldoende voor de conclusie dat tussen partijen een afspraak bestond dat de man vanaf mei 2015 een bedrag van € 1.250,- per maand zou betalen, nog los van het feit dat de man feitelijk het door de vrouw over de periode mei tot en met november 2015 gevorderde nagenoeg volledig heeft voldaan. Het vonnis van de rechtbank zal op dit punt worden vernietigd. Grief 2 van de man slaagt.

3.14.

In eerste aanleg heeft de rechtbank de vrouw veroordeeld tot betaling aan de man van een bedrag van € 885,36 aan buitengerechtelijke incassokosten. Daartegen richt zich grief 3 in incidenteel appel. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de man geen aanspraak kan maken op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten op basis van één brief en op grond van de veronderstelling dat enig verzuim van de vrouw na 1 juli 2012 zou zijn ingetreden. De man stelt dat voldoende buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht die niet vallen onder het entameren van de bodemprocedure. Er is veel tussen partijen gecorrespondeerd en er is ook veel onderhandeld tussen partijen. Daarom zijn deze kosten volledig terecht, aldus de man.

3.15.

Bij de beoordeling van de vraag of de gevorderde buitengerechtelijke kosten voor vergoeding in aanmerking komen, hanteert het hof het uitgangspunt dat verrichtingen voorafgaand aan het geding, zoals al hetgeen de advocaat moet doen om zich een beeld te vormen van de zaak, de daarop eventueel te baseren rechtsvorderingen en de rechtskansen, alsmede de ordening en selectie van het vergaarde (bewijs)materiaal, uitmondend in het concipiëren van de dagvaarding, worden gezien als voorbereiding van de gedingstukken en instructie van de zaak. Bij afzonderlijk voor vergoeding in aanmerking komende kosten moet het gaan om verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Het moet gaan om (onderbouwde) aanmaningen en ingebrekestellingen. De advocaat van de man heeft op 14 juni 2018 een uitvoerige aanmaningsbrief aan de vrouw geschreven, waarop op 20 juni 2018 een uitgebreid antwoord van de advocaat van de vrouw is gekomen. Vervolgens heeft de advocaat van de man daarop weer uitvoerig gereageerd bij brief van 26 juni 2018. Zoals de man ter zitting in hoger beroep onweersproken heeft aangevoerd, is (in dit kader) tussen partijen veel onderhandeld. Het hof is dan ook van oordeel dat de man terecht aanspraak heeft gemaakt op een vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Grief 3 van de vrouw faalt dan ook.

3.16.

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis de proceskosten gecompenseerd. Daartegen richt zich allereerst grief 4 van de vrouw. Zij stelt dat de vorderingen in eerste aanleg niet zijn gebaseerd op het familierecht en dat aan haar zijde geen sprake is van enig verzuim. De man had dan ook in de proceskosten moeten worden veroordeeld, omdat niet de affectieve relatie tussen partijen de grondslag is voor deze procedure, maar juist de beëindiging daarvan. De vrouw vordert daarnaast veroordeling van de man in de proceskosten in hoger beroep. De man vordert op zijn beurt in principaal appel buitengerechtelijke kosten tot een bedrag van € 5.181,-, gegrond op drie punten van het toepasselijk liquidatietarief (tarief IV) in eerste aanleg en 1 punt van het toepasselijk liquidatietarief (tarief IV) in hoger beroep. Het hof begrijpt deze vordering van de man aldus, dat hij aanspraak maakt op een proceskostenveroordeling van de vrouw volgens het liquidatietarief in eerste aanleg alsmede hoger beroep.

3.17.

Grief 4 van de vrouw faalt. Artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt – voor zover thans van belang – dat de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, in de kosten wordt veroordeeld. De kosten mogen echter geheel of gedeeltelijk worden gecompenseerd tussen echtgenoten, geregistreerde partners of andere levensgezellen, bloedverwanten in de rechte lijn, broers en zusters of aanverwanten in dezelfde graad, alsmede indien partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld. Nog los van het feit dat partijen ex-levensgezellen zijn, zijn partijen in eerste aanleg over en weer deels in het ongelijk gesteld. De uitgesproken kostencompensatie is in zoverre dan ook op juiste gronden gedaan. Om diezelfde reden faalt ook de vordering van de man, voor zover deze ziet op de proceskosten in eerste aanleg. Het hof zal daarnaast ook de vorderingen van de man en de vrouw afwijzen voor zover deze zien op een veroordeling van de ander in de kosten van het hoger beroep en, gelet op de affectieve relatie die tussen partijen heeft bestaan, alsmede gelet op het feit dat beide partijen ook in hoger beroep (deels) in het ongelijk zijn gesteld, de kosten van het hoger beroep compenseren als na te melden.

3.18.

De conclusie van al het voorgaande is dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd voor zover de man daarin in (voorwaardelijke) reconventie is veroordeeld aan de vrouw te betalen een bedrag van € 8.750,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 september 2018 tot de dag van volledige betaling. Voor het overige zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd. Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen. De proceskosten van het hoger beroep zullen worden gecompenseerd.

4 Beslissing

Het hof:

rechtdoende in principaal en incidenteel appel:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover de man daarbij is veroordeeld aan de vrouw een bedrag te betalen van € 8.750,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 september 2018 tot de dag van volledige betaling;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

compenseert de proceskosten van het hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.R. Sturhoofd, M.C. Schenkeveld en C.J.M. Peters en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2021.