Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1662

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-06-2021
Datum publicatie
11-06-2021
Zaaknummer
200.290.094/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2020:11622
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Gronden tot machtiging uithuisplaatsing ex artikel 1:265b lid 1 BW aanwezig en uithuisplaatsing in belang minderjarige noodzakelijk.

Afwijzing verzoek tot contra expertise ex artikel 810a lid 2 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie -en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.290.094/01

zaaknummer rechtbank: C/15/310168 /JU RK 20-2281

beschikking van de meervoudige kamer van 1 juni 2021 inzake

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. F.D. van Damme te Beverwijk,

en

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

- de minderjarige [zoon] (hierna te noemen: [de minderjarige] );

- [de vader] (hierna te noemen: de vader).

In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland (Haarlem) (hierna te noemen: de kinderrechter) van 16 december 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De moeder is op 15 februari 2021 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 16 december 2020.

2.2

De GI heeft op 15 maart 2021 een verweerschrift ingediend.

2.3

De voorzitter heeft enkele dagen voor de zitting met [de minderjarige] gesproken, en op de zitting, samengevat, verslag gedaan van het besprokene.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 25 maart 2021 plaatsgevonden.

Verschenen zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de GI, vertegenwoordigd door de gezinsmanager en een collega;

- de vader;

- de raad, vertegenwoordigd door de heer W. Daalderop.

3 De feiten

3.1

Uit de medio 2013 verbroken relatie van de moeder en de vader (hierna gezamenlijk: de ouders) is geboren [de minderjarige] [in] 2008 te [geboorteplaats] .

De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [de minderjarige] , die na het uiteengaan van de ouders bij de moeder verbleef. Met ingang van 10 november 2020 verblijft [de minderjarige] bij de vader.

3.2

Bij beschikking van de kinderrechter van 26 mei 2020 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is op verzoek van de GI een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] gedurende dag en nacht bij de vader, met ingang van 16 december 2020 tot uiterlijk 26 mei 2021. Daarnaast is het zelfstandig verzoek van de moeder tot contra-expertise ex artikel 810a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) afgewezen.

4.2

De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, naar het hof begrijpt, het verzoek van de GI tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de vader af te wijzen en alsnog een contra-expertise ex artikel 810a lid 2 Rv te gelasten.

4.3

De GI verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

5.2

De moeder stelt dat niet is voldaan aan de gronden tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de vader en een contra-expertise ex artikel 810a lid 2 Rv dient te worden gelast. Zij voert daartoe aan dat gedurende het eerste half jaar van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] hulpverlening voor haar is ingezet en doelen zijn gesteld. Sindsdien werkt zij onder begeleiding van de Stichting SIG, organisatie voor ondersteuning van mensen met een beperking, met succes aan haar eigen problematiek en leert zij om beter aan te sluiten bij wat [de minderjarige] nodig heeft. Ook is zij onder behandeling bij de GGZ-praktijkondersteuner van de huisarts in verband met stemmings- en spanningsklachten. Anders dan de GI stelt, heeft zij geen toestemming gegeven voor plaatsing van [de minderjarige] bij de vader. Zij werd met dit voorstel door de GI overdonderd en het op 8 december 2020 geplande evaluatiemoment is ten onrechte niet afgewacht. Aan de niet nader geconcretiseerde stelling van de GI dat het de vraag is of hulpverlening bij de moeder beklijft en in de toekomst voldoende is, kan niet de conclusie worden verbonden dat de nagestreefde doelen niet bereikt kunnen worden als [de minderjarige] bij de moeder blijft wonen. De rechtbank heeft dit miskend. De GI heeft daarnaast niet onderbouwd dat in de thuissituatie bij de vader wel zicht bestaat op verbetering van de in het Plan van Aanpak ten aanzien van hem omschreven aandachtspunten, hetgeen de moeder in strijd acht met artikel 3.3 van de Jeugdwet. Zonder nader onderzoek naar de (persoonlijkheid, opvoedingsvaardigheden en leerbaarheid van de) vader, indien nodig in samenhang met onderzoek naar de wijze van benadering van [de minderjarige] , is de machtiging onrechtmatig. De enkele stelling van de GI ter zitting in eerste aanleg dat het bij de vader thuis goed gaat, dat de situatie daar niet onveilig is en de vader zich niet tegen de noodzakelijke hulpverlening verzet, kan de beslissing van de rechtbank niet dragen en is niet in overeenstemming met de inhoud van het bij het verzoekschrift gevoegde Plan van Aanpak. De vader heeft opvoedondersteuning gehad van Kenter, maar het is niet duidelijk of en in hoeverre die hulpverlening tot positieve resultaten heeft geleid, temeer nu die hulpverlening dateerde van vóór de ondertoezichtstelling. De rechtbank is daarmee voorbij gegaan aan de zorgen over de vader en heeft bovendien het aanbod van de grootouders moederszijde om [de minderjarige] in huis te nemen ongemotiveerd gepasseerd. [de minderjarige] heeft een warme en hechte band met hen en zij hebben in het verleden voor hem gezorgd en hem opgevoed. Daarbij komt dat [de minderjarige] zich momenteel negatief uitlaat over de situatie bij de vader. Zijn uithuisplaatsing richt dan ook meer schade bij hem aan dan hij zou lijden als hij bij de moeder zou blijven wonen terwijl zij werkt aan de gestelde doelen. Gelet op het voorgaande verzoekt de moeder een contra-expertise ex artikel 810a lid 2 Rv te gelasten ter beantwoording van de vraag of, en zo ja, op welke gronden het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is om hem uit huis te plaatsen bij de vader.

5.3

De GI stelt dat de rechtbank terecht een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de vader heeft verleend en dat de noodzaak of wenselijkheid tot contra-expertise ontbreekt. Daartoe wordt samengevat aangevoerd dat [de minderjarige] zich in een loyaliteitsconflict bevindt als gevolg van de scheiding van zijn ouders. De moeder en de grootouders moederszijde hebben zich tegenover [de minderjarige] (wellicht jarenlang) negatief geuit over de vader en diens partner. Daarnaast blijft de moeder [de minderjarige] belasten met volwassenenproblematiek. De moeder werd reeds voor de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] begeleid door de SIG. Sinds de ondertoezichtstelling op 26 mei 2020 heeft de GI met de moeder en haar SIG-begeleider de zorgen omtrent [de minderjarige] en de manier waarop de moeder met [de minderjarige] omgaat besproken. De hulpverlening is met de moeder aan de slag gegaan om de situatie te veranderen. Echter, op 28 oktober 2020 zijn er grote zorgen ontstaan doordat [de minderjarige] in een gesprek met de jeugdzorgwerker aangaf dat de moeder hem heeft verteld dat zij vroeger seksueel is misbruikt door de vader. Op 2 november 2020 zijn deze zorgen met de ouders besproken. De ouders deelden de zorgen en afgesproken werd dat de week erna een beslissing zou worden genomen en dat beide ouders intussen zouden nadenken over een passende oplossing. Op 10 november 2020 is de optie van plaatsing van [de minderjarige] in een pleeggezin dan wel bij grootouders moederszijde besproken. In samenspraak met beide ouders is besloten dat [de minderjarige] vanaf dat moment bij de vader zou gaan verblijven en dat er begeleide omgang met de moeder zou komen. De moeder was het op dat moment eens met de plaatsing van [de minderjarige] bij de vader en er heeft dus wel degelijk een evaluatie plaatsgevonden, zij het één maand eerder dan gepland.

Anders dan de moeder stelt, zijn er geen zorgen over de thuissituatie bij de vader. Vanaf de start van de ondertoezichtstelling heeft de vader goed samengewerkt met de SIG en daarnaast zijn hij en zijn partner aangemeld bij Parlan voor opvoedondersteuning. De jeugdzorgwerker is meerdere keren bij de vader thuis geweest en heeft met [de minderjarige] en met de vader en zijn partner gesproken over de thuissituatie. Gezien wordt dat de vader [de minderjarige] ’s ontwikkeling kan stimuleren en waarborgen en dat hij de veiligheid van [de minderjarige] bevordert. [de minderjarige] ervaart nu meer rust en structuur, hij kan zichzelf zijn en komt tot ontwikkeling. [de minderjarige] geeft bovendien zelf bij de jeugdzorgwerker aan het fijn te vinden bij de vader en zijn partner. Ook gaf hij aan zich in het verleden veel zorgen te maken over de moeder, omdat het psychisch niet goed ging met haar. In het verleden heeft hij gezegd dat de vader hem geslagen had terwijl dat niet zo was. Hij gaf als reden daarvoor het zielig te vinden voor zijn moeder als hij bij zijn vader zou gaan wonen.

Sinds de plaatsing bij de vader heeft [de minderjarige] zich meermaals negatief geuit over de grootouders moederszijde. Op 30 november 2020 heeft de jeugdzorgwerker een gesprek gehad met de moeder, haar SIG-begeleider en grootouders moederszijde. Gezien wordt dat de moeder en de grootouders het belang van [de minderjarige] niet voorop stellen, aldus de GI.

5.4

De raad heeft ter zitting geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.5

Aan het hof ligt ter beoordeling voor de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de vader in de periode van 16 december 2020 tot 26 mei 2021.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is naar voren gekomen dat [de minderjarige] sinds het uiteengaan van de ouders bij de moeder verbleef en omgang met de vader plaatsvond om het weekend en op de woensdag. Er zijn ernstige zorgen ontstaan over de ontwikkeling van [de minderjarige] , die zich al jaren in een zeer stressvolle situatie bevindt waarin hij wordt belast met de spanningen tussen de ouders. [de minderjarige] zit klem tussen zijn ouders. Uit onderzoek van Kenter in 2018 is gebleken dat [de minderjarige] een gevoelige jongen is die veel last heeft ondervonden van de scheiding. Deze last komt onder andere tot uiting in loyaliteitsproblemen, zorgen op zich nemen, onzekerheid en zich terugtrekken in zijn eigen ‘droomwereld’. Ook zijn er zorgen ontstaan over de psychische veiligheid van [de minderjarige] bij de moeder. [de minderjarige] raakt nog meer in een loyaliteitsconflict en kan niet wennen aan de nieuwe situatie doordat de moeder kenbaar blijft maken dat zij het niet eens is met de uithuisplaatsing. Als er niets verandert aan de situatie zal de sociaal-emotionele ontwikkeling van [de minderjarige] stagneren en zal hij zich verloren voelen, zo is vermeld in het Plan van Aanpak dat op 1 maart 2021 is vastgesteld.

Vanaf 2017 is hulpverlening vanuit Kenter ingezet. Vanaf 26 mei 2020 staat [de minderjarige] onder toezicht en sinds eind augustus 2020 is gelet op de bestaande zorgen over [de minderjarige] de zorg voor hem evenredig tussen de ouders gedeeld. Sinds de plaatsing van [de minderjarige] bij de vader is er een door het SIG begeleide omgangsregeling tussen [de minderjarige] en de moeder.

Uit de door de GI in het inleidend verzoekschrift weergegeven passage uit het raadsrapport van april 2020, op basis waarvan de ondertoezichtstelling is uitgesproken, komt naar voren dat de moeder heeft erkend dat zij [de minderjarige] belast met informatie die hij niet hoort te weten, waardoor hij opnieuw wordt blootgesteld aan spanningen, en met geheimpjes, hetgeen voor [de minderjarige] heel ingewikkeld is en waar hij gaan raad mee weet. De moeder doet uitspraken waarmee zij de vader diskwalificeert en voorbijgaat aan de gevoelens van [de minderjarige] . Ook kan ze hem op een vervelende manier confronteren met zijn lieggedrag, wat hij soms lijkt in te zetten om de ouders te pleasen. Het lijkt de moeder niet te lukken aan te sluiten bij de sociaal-emotionele behoeftes van [de minderjarige] , waardoor een vorm van verwaarlozing ontstaat. [de minderjarige] houdt zich veel bezig met hoe het met de moeder en mogelijk ook de vader en diens vriendin gaat en kropt zijn eigen emoties op. Hierdoor komt zijn eigen ontwikkeling en in deze puberteitsfase zijn identiteitsontwikkeling in gevaar. De moeder heeft soms moeite om op de juiste manier te communiceren met [de minderjarige] en lijkt het lastig te vinden om hem te stimuleren op het gebied van schoolwerk, waardoor cognitieve verwaarlozing ontstaat, en op het gebied van zelfredzaamheid. De moeder ontvangt hulpverlening maar ze leert in kleine stapjes. Het is de vraag of wat de moeder aanleert ook beklijft, of het in de toekomst voldoende zal zijn of dat [de minderjarige] de moeder mogelijk gaat overstijgen. [de minderjarige] is een jongen die meer dan een gemiddeld kind begeleiding nodig heeft, maar hij lijkt bij de moeder veel vrijheid te krijgen waardoor hij bijvoorbeeld niet komt tot het maken van schoolwerk. [de minderjarige] moet schoolwerk dan bij de vader maken, waardoor hij dat omgangsmoment als minder plezierig ervaart omdat hij liever buiten aan het spelen is en bij de vader dingen ‘moet’, aldus het raadsrapport. De moeder heeft sinds mei 2019, dus inmiddels twee jaar, hulpverlening vanuit de SIG, een organisatie die ondersteuning biedt aan mensen met een beperking en/of met een autismeverwante stoornis. Ingezette hulpverlening (ook vanuit Kenter) heeft evenwel niet geleid tot verbetering van de situatie, aldus de GI. Blijkens een door de moeder in eerste aanleg overgelegd overzicht werkte zij (naar het hof begrijpt: met ondersteuning van de SIG) onder meer eraan om zich niet negatief uit te laten over de (omgangsregeling met de) vader, haar stressgerelateerde klachten niet te delen met [de minderjarige] , een georganiseerd ochtendritueel te creëren en [de minderjarige] te ondersteunen in zijn schoolwerk waar nodig.

5.6

Gebleken is dat de moeder, ondanks de in het kader van de ondertoezichtstelling ingezette hulpverlening, moeite blijft houden om aan te sluiten bij wat [de minderjarige] nodig heeft. Zo belast zij hem nog steeds met volwassenenproblematiek door hem te vertellen dat het psychisch niet goed met haar gaat. Tegenover de jeugdzorgwerker en de SIG-begeleider heeft de moeder aangegeven dat ze suïcidale gedachten heeft en het allemaal niet meer trekt. Ze heeft aangegeven zorgen te hebben over haar financiën, schulden, trauma’s uit het verleden en de situatie rondom [de minderjarige] . De zorgen zijn ernstig toegenomen doordat [de minderjarige] in een gesprek dat de jeugdzorgwerker op 28 oktober 2020 verteld heeft dat hij heeft gehoord van een verkrachting van zijn moeder door zijn vader. Op de vraag van de jeugdzorgwerker hoe hij dat wist, vertelde [de minderjarige] dat hij met toestemming van de moeder het boekje mocht lezen waarin zij dat had opgeschreven en dat zij hem vervolgens desgevraagd heeft uitgelegd wat seksueel misbruik is en tot in detail heeft verteld wat er (volgens haar) was gebeurd. Dit terwijl de moeder in een eerder gesprek met de jeugdzorgwerker, de begeleiding vanuit de SIG en de vader verteld heeft dat er geen sprake van seksueel misbruik is geweest. Toch heeft de moeder dit verhaal op deze manier aan [de minderjarige] gepresenteerd, waardoor [de minderjarige] extra negatief is beïnvloed in zijn kijk op de vader. De moeder lijkt zich niet bewust van de invloed die dergelijke schokkende informatie op een kind heeft. Ook vertelde [de minderjarige] de jeugdzorgwerker dat de vader hem sloeg, waar hij in een later gesprek op terug kwam. Het gesprek van de jeugdzorgwerker met [de minderjarige] op 28 oktober 2020 heeft geleid tot gezamenlijke gesprekken tussen de GI en beide ouders en vervolgens tot de plaatsing van [de minderjarige] bij de vader op 10 november 2020. Sindsdien is er, op twee momenten na, begeleide omgang tussen [de minderjarige] en de moeder. Daarnaast hebben zij twee (inmiddels onbegeleide) belcontacten in de week. De GI heeft ter zitting in hoger beroep meegedeeld dat de rechtbank zal worden verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling.

5.7

Blijkens het verhandelde ter zitting in hoger beroep gaat het thans goed met [de minderjarige] bij de vader. Ook [de minderjarige] zelf heeft bij het hof verklaard dat het goed met hem gaat bij de vader en op school. Wel zou hij het liefste weer bij de moeder gaan wonen, omdat dat voor hem een vertrouwde omgeving is, hij daar meer vrijheid had en minder gebonden was aan regels en hij veel contact had met zijn opa en oma.

De moeder heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat haar financiële problemen inmiddels zijn opgelost, dat zij weer beter in haar vel zit, aan het werk is en veel steun ondervindt van de mensen om haar heen en van de hulpverlening. Zij erkent dat zij (te) open naar [de minderjarige] is geweest en geeft aan daarvan geleerd te hebben. De vader heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat de communicatie met de moeder is verbeterd.

Hoewel er sinds de uithuisplaatsing positieve ontwikkelingen zijn, waren de door de moeder erkende zorgen over haar psychische gesteldheid zeer ernstig en is de ingezette verbetering nog maar pril. Verder zijn de zorgen over het belasten van [de minderjarige] met volwassenenproblematiek en negatieve uitingen over de vader door de moeder nog onverkort aanwezig. Zo blijkt uit het op 1 maart 2021 vastgestelde Plan van Aanpak dat [de minderjarige] ook tijdens de door de SIG begeleide bezoeken met de moeder nog steeds emotionele schade oploopt en dat de moeder moeite heeft om op de juiste manier met hem te communiceren. De begeleiding moet nog regelmatig ingrijpen en de moeder feedback geven. De moeder luistert meestal niet naar die feedback en gaat hier tegenin. De jeugdzorgwerker ziet voor [de minderjarige] bij verblijf bij de moeder onverkort een risico op onveiligheid omdat de moeder onvoldoende in staat lijkt [de minderjarige] voldoende te stimuleren en te motiveren. De bezoeken kunnen niet onbegeleid plaatsvinden omdat het gedrag van de moeder een risico voor de ontwikkeling en het emotioneel welzijn van [de minderjarige] vormt, zo moet uit het voormelde Plan van Aanpak worden begrepen. Aanvullend heeft de jeugdzorgwerker ter zitting in hoger beroep verklaard dat uit de verslagen van de begeleide omgang in de afgelopen drie maanden niet altijd een even positief beeld ontstaat. De moeder deelt nog steeds zaken met [de minderjarige] die niet geschikt voor hem zijn. De begeleide omgang is bedoeld om de moeder hierin te scholen en haar inzicht te verschaffen in wat haar gedrag doet met [de minderjarige] . Zodra er vooruitgang zichtbaar is, kan er worden gewerkt aan uitbreiding van de omgang en terug worden gegaan naar de voorheen evenredige verdeling van de zorg voor [de minderjarige] , aldus de jeugdzorgwerker ter zitting in hoger beroep.

5.8

Het hof is van oordeel dat gelet op de hiervoor uiteengezette feiten en omstandigheden voldaan is aan de gronden tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de vader tot uiterlijk 26 mei 2021 en de uithuisplaatsing in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is. De vraag of de moeder aanvankelijk al dan niet heeft ingestemd met plaatsing van [de minderjarige] bij de vader kan gelet hierop in het midden blijven. Voor zover de moeder (naar het hof begrijpt subsidiair) stelt dat [de minderjarige] gelet op hun onderling sterke band bij zijn grootouders moederszijde geplaatst had kunnen en dienen te worden, overweegt het hof dat het uitgangspunt is dat een kind opgroeit bij één van de ouders indien die daartoe in staat is en dat, anders dan de moeder stelt, er geen zorgen zijn over de thuissituatie bij de vader. Zo heeft de vader in het verleden hulpverlening van Kenter afgerond en blijkt uit het eerder genoemde Plan van Aanpak van 1 maart 2021 dat er bij de vader geen veiligheidsrisico’s worden gezien en dat [de minderjarige] baat lijkt te hebben bij de opvoedsituatie bij de vader. In december 2020 is bij Parlan een aanmelding gedaan voor een individuele coach om [de minderjarige] te leren omgaan met de echtscheiding van de ouders en stimulering van zijn ontwikkeling. In dat kader wordt ook ondersteuning geboden aan de vader, waarmee er zicht blijft op de situatie bij de vader thuis. Ten overvloede overweegt het hof ten aanzien van de grootouders moederszijde nog dat gebleken is dat (ook) zij zich in bijzijn van [de minderjarige] herhaaldelijk negatief hebben uitgelaten over de vader en daarmee het belang van [de minderjarige] schaden.

5.9

De moeder heeft op de voet van artikel 810a lid 2 Rv verzocht om een deskundigenonderzoek. Het hof wijst dit verzoek af. Als onweersproken staat vast dat sprake is van ernstige loyaliteitsproblematiek bij [de minderjarige] als gevolg van de scheiding tussen de ouders en de negatieve belasting door de moeder, in het bijzonder het zeer belastende gesprek van de moeder met [de minderjarige] in aanloop naar de uithuisplaatsing bij de vader. Een nader onderzoek naar deze machtiging die geldend is tot 26 mei 2021 kan gezien deze vaststaande feiten niet bijdragen aan de beslissing en wordt voor [de minderjarige] op dit moment ook te belastend geacht. Daarbij komt dat het door de moeder verzochte onderzoek zich vooral lijkt te richten op de opvoedvaardigheden en zicht op de situatie bij de vader thuis, terwijl bij de beslissing tot de machtiging in de eerste plaats de opvoedvaardigheden van de moeder centraal staan. Dit neemt niet weg dat in het kader van de bepaling van het perspectief naar het oordeel van het hof nog wel nader onderzoek door de raad nodig zal zijn. Dit zal in het kader van mogelijk opvolgende beslissingen aan de orde dienen te komen.

5.10

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland (Haarlem) van 16 december 2020.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M van Baardewijk, mr. J.F Miedema en mr. M. Groenleer, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 1 juni 2021 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.