Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1659

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-06-2021
Datum publicatie
09-06-2021
Zaaknummer
200.282.470/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2020:4638
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie, behoeftelijst, gebrek aan draagkracht onvoldoende onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.282.470/01

zaaknummer rechtbank: C/15/291520 / FA RK 19-4222

beschikking van de meervoudige kamer van 1 juni 2021 inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. J.E. Smal te Limmen,

en

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. L.S. Zomers te Alkmaar.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Holland (locatie Alkmaar) van 24 juni 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De man is op 28 augustus 2020 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 24 juni 2020.

2.2

De vrouw heeft op 10 december 2020 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- het proces-verbaal eerste aanleg van de zijde van de man, ingekomen op 2 september 2020;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 9 maart 2021 met bijlagen, ingekomen op dezelfde datum;

- producties XV t/m XXI van de zijde van de man zonder begeleidend schrijven, ingekomen op 10 maart 2021.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 24 maart 2021 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Beide advocaten hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.

3. De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2

Het [in] 1988 gesloten huwelijk van partijen is op 12 oktober 2020 ontbonden door inschrijving van de (in zoverre niet bestreden) echtscheidingsbeschikking van 24 juni 2020 in de registers van de burgerlijke stand. Partijen zijn de ouders van drie zoons, die thans allen meerderjarig zijn.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, een door de man met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw bepaald van € 3.832,- per maand.

Deze beschikking is gegeven op het verzoek van de vrouw een nader te bepalen uitkering tot haar levensonderhoud vast te stellen.

4.2

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, – naar het hof begrijpt – het inleidend verzoek van de vrouw met betrekking tot de uitkering tot haar levensonderhoud af te wijzen, althans een zodanige uitkering te bepalen als het hof juist zal achten met ingang van 12 oktober 2020, althans met ingang van een zodanige datum als het hof juist zal achten.

4.3

De vrouw verzoekt de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen en indien een lagere uitkering wordt bepaald de ingangsdatum daarvan te bepalen op de datum van de beschikking van het hof.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De man heeft vijf grieven tegen de bestreden beschikking gericht, waarin hij zowel de behoefte van de vrouw als zijn draagkracht aan de orde heeft gesteld.

De ingangsdatum is niet in geschil zodat ook het hof zal uitgaan van 12 oktober 2020.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

5.2

De rechtbank heeft bij de bepaling van de behoefte van de vrouw de door haar in het geding gebrachte behoeftelijst tot uitgangspunt genomen en aan de hand daarvan het totale netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen tijdens hun huwelijk berekend. Wanneer van dat NBI 60% wordt genomen, zoals de hofnorm voorschrijft, resulteert een netto behoefte van de vrouw van € 5.163,- per maand na indexering, aldus de rechtbank.

De man is het niet eens met de rekenwijze van de rechtbank. In de eerste plaats stelt hij dat de rechtbank acht had moeten slaan op zijn bezwaren tegen bepaalde posten op de behoeftelijst van de vrouw en in de tweede plaats stelt hij dat partijen ten tijde van hun uiteengaan in augustus 2018 feitelijk van een lager NBI leefden dan waarvan de rechtbank is uitgegaan, omdat de man sinds februari 2018 werkloos was en partijen hoofdzakelijk leefden van het inkomen van de vrouw. Hij stelt voor om de hofnorm toe te passen op het inkomen van de vrouw in 2018.

De vrouw wenst op haar beurt primair uit te gaan van de hofnorm. Aangezien de man geen inzage heeft gegeven in zijn inkomsten tijdens het huwelijk, heeft de vrouw die geschat op € 6.500,- netto per maand. Subsidiair stelt zij dat moet worden uitgegaan van haar behoeftelijst, na correcties uitkomend op € 4.198,- netto per maand.

5.3

Zoals de rechtbank ook heeft overwogen, dient volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad bij de bepaling van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden, waaronder de hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven van partijen tijdens het huwelijk. Verder dient zoveel mogelijk rekening te worden gehouden met concrete gegevens betreffende de reële of met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde. Uit de genoemde jurisprudentie volgt dat, waar concrete gegevens voorhanden zijn waaruit de te verwachten behoefte van de onderhoudsgerechtigde kan worden afgeleid, daarmee zoveel mogelijk rekening moet worden gehouden. Nu de door de vrouw overgelegde lijst de behoefteopstelling bevat die het meest is toegesneden op haar concrete behoefte, zal het hof deze lijst tot uitgangspunt nemen bij het bepalen van haar behoefte, nog daargelaten dat het hof over onvoldoende concrete gegevens over het inkomen van de man ten tijde van het huwelijk beschikt om de hofnorm te kunnen toepassen.

De behoeftelijst van de vrouw behoeft op een aantal punten correctie. Ter zitting in eerste aanleg heeft de vrouw de onderdelen woonlasten, gebruikerslasten en huishoudelijke uitgaven reeds gehalveerd c.q. aangepast omdat die onderdelen ook de kosten voor de man (en de kinderen) betroffen, resulterend – aldus de vrouw - in een maandelijkse netto behoefte van € 4.198,-.

Voordat het hof enkele posten op de behoeftelijst zal bespreken, stelt het vast dat het bij de bepaling van de behoefte gaat om de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw. Het welvaartsniveau dat partijen gewend waren tijdens hun huwelijk is dus het voornaamste richtsnoer bij het beoordelen van de redelijkheid van (de hoogte van) de door de vrouw gestelde kosten. Gebruikelijk is om naar de huwelijkse standaard in het laatste jaar van samenwoning te kijken. In dit geval betrof dat 2018 en dat was voor partijen een uitzonderlijk jaar waarin de man werkloos terugkeerde uit Oman. Nu de man niet heeft weersproken dat partijen in de huwelijksjaren daarvoor – naast het inkomen van de vrouw – beschikten over inkomsten zijnerzijds van minimaal € 6.500,- netto per maand, althans niet met stukken heeft onderbouwd dat partijen van een lager inkomen leefden, gaat het hof van dat inkomen uit bij de vraag welke posten redelijk zijn gezien de standaard die partijen gewend waren tijdens hun huwelijk.

5.4

Geen (nadere) correctie zal worden toegepast op de woonlasten van de vrouw. Weliswaar bewoont zij momenteel een huurwoning, maar nu het hier gaat om het vaststellen van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw, gaat het niet aan om in dat verband uit te gaan van de huur die zij momenteel betaalt. Gezien de huwelijksstandaard komen de door de vrouw gestelde kosten, inclusief die voor de hulp in de huishouding, het laten lappen van de ramen en het onderhoud van de tuin, het hof alleszinsredelijk voor.

5.5

Daarentegen zal geen rekening worden gehouden met de aflossing op het krediet van € 689,- per jaar, nu de vrouw ter zitting in hoger beroep heeft verklaard dat zij haar helft van het krediet heeft afgelost met de opbrengst na verkoop van de voormalig echtelijke woning.

5.6

Bij het onderdeel vervoerskosten is de vrouw voor de afschrijving van haar auto uitgegaan van een bedrag van € 3.924,- per jaar, zijnde 35% van de dagwaarde. Aangezien het gebruikelijk is om een auto in vijf jaar tijd af te schrijven, zal het hof uitgaan van 20% van de dagwaarde zodat deze post € 2.242,- per jaar luidt en dus een correctie wordt aangebracht van € 1.682,-.

5.7

Geen rekening zal worden gehouden met de reservering voor inventaris van € 1.000,- per jaar, nu het hof ervan uitgaat dat de vrouw dergelijke kosten kan bestrijden uit haar vermogen. Alleen al uit de opbrengst van de voormalig echtelijke woning heeft zij een bedrag van € 120.000,- ontvangen.

5.8

Aan vakanties, uitjes en overige ontspanning heeft de vrouw een bedrag van € 4.000,- per jaar opgevoerd. Gezien de welstand tijdens het huwelijk acht het hof een bedrag van € 2.500,- per jaar redelijk, zodat het een correctie zal aanbrengen van € 1.500,- per jaar.

5.9

Het hof constateert dat de man ten aanzien van een aantal posten heeft gesteld dat de vrouw die niet heeft onderbouwd. Hij heeft betoogd dat hij op grond van de door de vrouw overgelegde bankafschriften niet uitkomt op het uitgavenpatroon zoals door de vrouw gesteld. Het had op de weg van de man gelegen die stelling te concretiseren. In haar behoeftelijst heeft de vrouw voor een deel van de posten verwezen naar de bijlage waarin een kostenoverzicht is opgesteld. De bedragen die daarin zijn opgenomen, zijn terug te voeren op de bankafschriften van 2018 die de vrouw in eerste aanleg heeft overgelegd. Daarmee heeft de vrouw naar het oordeel van het hof het grootste deel van haar kosten voldoende onderbouwd.

Voor zover de vrouw dat niet heeft gedaan, naar haar zeggen omdat zij niet meer alle bonnen tot haar beschikking had, zijn deze kostenposten, te weten kleding/schoeisel en parkeerkosten, passend bij de welvaart die de vrouw tijdens haar huwelijk met de man gewoon was, zodat het hof daarop geen correctie zal toepassen.

5.10

Hetgeen hiervoor is overwogen, heeft tot gevolg dat de door de vrouw overgelegde behoeftelijst – waarin de kosten in een jaarbedrag zijn uitgedrukt - als volgt eruit komt te zien:

Het onderdeel woonlasten wordt met € 689,- gecorrigeerd, waarna dit bedrag wordt gehalveerd, uitkomend op € 5.631,-.

Het onderdeel gebruikerslasten wordt gehalveerd, tot € 2.731,-.

De onderdelen ziektekosten, abonnementen en verzekeringen van respectievelijk € 3.399,-, € 783,- en € 3.783,- neemt het hof over van de behoeftelijst van de vrouw.

De vervoerskosten worden gecorrigeerd met een bedrag van € 1.682,-, resulterend in een bedrag van € 5.057,-.

Aan kleding/schoeisel neemt het hof het bedrag van € 3.750,- over.

De reserveringen worden verlaagd met een bedrag van in totaal € 2.500,-, uitkomend op € 2.500,-.

De voeding van € 7.917,- neemt het hof over van de lijst van de vrouw en de overige huishoudelijke uitgaven (post 31 tot en met 33) dienen te worden bijgesteld naar € 10.000,-.

Ook de post diversen van € 300,- handhaaft het hof.

In totaal bedroegen de kosten van de vrouw € 45.851,- netto per jaar/€ 3.821,- netto per maand.

Na indexering bedroeg de netto behoefte in 2020 € 3.995,- per maand.

Alvorens dit bedrag om te rekenen naar het bruto equivalent zal het hof de draagkracht van de vrouw vaststellen.

5.11

De vrouw, geboren [in] 1962, is fulltime werkzaam als lerares op een basisschool. Zij werkt sinds 2015 in loondienst bij Stichting Ronduit. Blijkens de jaaropgave van 2020 bedroeg haar fiscaal loon dat jaar € 59.994,-.

Gezien deze inkomsten en rekening houdend met de voor de vrouw van toepassing zijnde heffingskortingen en de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW bedraagt de bruto aanvullende behoefte € 1.157,- per maand.

5.12

Vervolgens zal het hof de grieven van de man met betrekking tot zijn draagkracht beoordelen.

De man, geboren [in] 1959, was tot februari 2018 werkzaam in de olie- en gasindustrie in het Midden-Oosten. Gelet op met name zijn leeftijd, maar ook op het inzakken van de olieprijs, is het volgens de man onwaarschijnlijk dat hij ander vast werk vindt in die sector, ter onderbouwing waarvan hij heeft verwezen naar de overgelegde afwijzingen op zijn sollicitaties. Ook in het Midden-Oosten kan hij niet meer zo eenvoudig aan het werk; aan mensen boven de zestig jaar oud wordt geen werkvergunning gegeven. Gelet op de huidige situatie heeft de man niet langer het inkomen dat partijen gewend waren tijdens hun huwelijk. Sinds zijn terugkeer naar Nederland in 2018 heeft hij slechts enkele kortdurende aanstellingen gehad. In [X] BV , waarvan de man directeur en enig aandeelhouder is, heeft hij zijn interim-werkzaamheden ondergebracht. Blijkens de jaarrekening van 2020 bedroeg het resultaat na belastingen in 2019 en 2020 achtereenvolgens € 39.322,- en € 15.379,-. In 2019 bedroeg zijn loon € 33.870,- (blijkens de brief van zijn accountant van 11 mei 2020) en in 2020 was dat loon gehalveerd. Hij heeft dan ook geen draagkracht om een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw te voldoen, aldus de man.

5.13

De vrouw vermoedt dat de man, onder andere gezien zijn uitgavenpatroon, net zoveel werkt en verdient als voorheen. Primair stelt zij dat dan ook moet worden uitgegaan van een verdiencapaciteit van € 6.500,- netto per maand. Subsidiair stelt zij dat sprake is van verwijtbaar inkomensverlies en dat van het oude inkomen van de man moet worden uitgegaan. De man heeft niet alleen ervaring in de olie- en gasindustrie, maar ook in de machinebouw bij [bedrijf A] en [bedrijf B] . Hij heeft op interimbasis gewerkt bij [bedrijf C] en schijnt nu fulltime in [plaats] te werken.

De man heeft zijn inkomenspositie onvoldoende met stukken onderbouwd, zodat er volgens de vrouw geen aanleiding is om van een lager inkomen uit te gaan dan de rechtbank heeft gedaan.

5.14

Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de man de stelplicht heeft en, zo nodig, de bewijslast draagt van zijn stelling dat hij, gelet op zijn inkomsten en lasten, geen draagkracht heeft om een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw te betalen. Tegenover het door de vrouw gemotiveerd gevoerde verweer heeft de man naar het oordeel van het hof niet, althans onvoldoende aan zijn stelplicht voldaan.

Ter zitting in hoger beroep heeft de man verklaard dat hij sinds zijn terugkeer naar Nederland in 2018 enkele opdrachten heeft gehad. Zo werkte hij in 2020 voor [bedrijf C] en heeft hij tot het einde van dat jaar voor [bedrijf D] in [plaats] gewerkt. De inkomsten die hij daarmee heeft verworven, zijn terug te vinden in de jaarstukken. Momenteel is hij aan het onderhandelen over een nieuwe opdracht. Desgevraagd heeft de man verklaard dat hij in tijden van werkloosheid (tussen twee opdrachten in) leeft van een lening van zijn BV. Zodra hij weer inkomsten heeft, stort hij die in de BV, aldus de man. Hij heeft echter geen verklaring kunnen geven voor het ontbreken van een vermelding van een dergelijke lening in de jaarstukken van zijn BV. De rekening-courantschuld is in 2018 weliswaar enigszins opgelopen, maar die is in 2019 weer afgenomen en in 2020 heeft de man juist circa € 46.000,- in rekening-courant gestort.

Evenmin heeft de man een toereikende uitleg gegeven voor het feit dat de liquide middelen van zijn BV in 2019 met € 56.637,- zijn toegenomen en in 2020 met € 61.516,-. Hij heeft gesteld dat hij zijn deel van de opbrengst van de voormalig echtelijke woning in de BV heeft gestort om beleggingen mee te kunnen doen, maar over dit bedrag beschikte hij pas na de verkoop in 2020 zodat dit geen verklaring kan zijn voor de storting in 2019. Nu bij de overgelegde jaarstukken bovendien geen toelichting is gegeven door de accountant, is voor het hof niet duidelijk geworden hoe de geconstateerde vermogensstijging in de BV valt te rijmen met de stelling van de man dat hij geld heeft geleend van de BV.

In zijn draagkrachtberekening heeft de man voorts een bruto arbeidsinkomen in 2020 opgevoerd van € 15.379,- terwijl in de jaarstukken van 2020 personeelslasten staan vermeld van € 22.000,-. Bij dergelijke inkomsten is niet duidelijk hoe de man zijn vaste lasten heeft kunnen voldoen. Aan huur en zorgpremie alleen al betaalt hij maandelijks circa € 1.600,- en daarnaast heeft hij (overige) kosten voor levensonderhoud. Nu de man geen inzicht heeft gegeven in de wijze waarop hij die kosten betaalt, terwijl hiervoor in zijn jaarstukken evenmin een verklaring valt te vinden, heeft hij zijn gebrek aan draagkracht naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd. Derhalve gaat het hof ervan uit dat de man voldoende draagkracht heeft om een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw van € 1.157,- per maand te voldoen. Aan het maken van een jusvergelijking komt het hof niet toe.

5.15

De uitkering tot levensonderhoud zal op een lager bedrag worden bepaald dan de rechtbank heeft gedaan nu het hof de aanvullende behoefte van de vrouw op een lager bedrag heeft bepaald. De vrouw heeft in dat geval verzocht de ingangsdatum vast te stellen op de datum van de beschikking van het hof. Nu ter zitting in hoger beroep echter is gebleken dat de man de door de rechtbank bepaalde uitkering (nog) niet heeft voldaan, heeft de vrouw naar het oordeel van het hof geen rechtens te respecteren belang bij haar verzoek. Het hof zal haar uitkering met ingang van 12 oktober 2020 bepalen op € 1.157,- per maand en de bestreden beschikking in zoverre vernietigen.

5.16

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking ten aanzien van de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 12 oktober 2020 op € 1.157,- (EENDUIZEND EENHONDERD ZEVENENVIJFTIG EURO) per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.R. Sturhoofd, mr. M.C. Schenkeveld en mr. M.E. Burger, bijgestaan door de griffier, en is op 1 juni 2021 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.