Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1644

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-06-2021
Datum publicatie
11-06-2021
Zaaknummer
23-001400-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod door op Schiphol bijna 3000 gram MDMA uit te voeren. Hof legt gevangensstraf van 30 maanden met aftrek op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001400-20

datum uitspraak: 10 mei 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 22 juni 2020 in de strafzaak onder parketnummer 15-051902-20 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1988,

thans gedetineerd in PI Rijnmond - Gev. De IJssel te Krimpen aan den IJssel.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 26 april 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

primair
hij op of omstreeks 27 februari 2020 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of te Vlaardingen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 2978,8 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

subsidiair
hij in of omstreeks de periode van 11 februari 2020 tot en met 27 februari 2020 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of Vlaardingen, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 2978,8 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s),

- (telefonische) contact(en), via de applicatie WhatsApp, met zijn, verdachtes, mededader gehouden en/of instructies gegeven omtrent de ontvangst en/of het vervoer van de MDMA en/of

- zich op 26 februari 2020 naar (metrostation) Vlaardingen-oost begeven teneinde (een koffer met daarin) de MDMA te overhandigen aan zijn, verdachtes, mededader en/of

- een vliegticket naar Brazilië naar zijn, verdachtes, mededader gemaild en/of

- (telefonische) contact(en), via de applicatie Whatsapp, met zijn verdachtes, mededader gehouden omtrent de voortgang van diens reis.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewijsoverweging, bewezenverklaring en strafoplegging komt dan de rechtbank.

Bewijsoverweging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken, omdat de verdachte niet wist dat er MDMA in de koffer zat, waarmee medeverdachte [medeverdachte] op 27 februari 2020 op de luchthaven Schiphol werd aangehouden. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte de koffer op uitdrukkelijk verzoek van medeverdachte [medeverdachte], die zelf niet over een koffer beschikte, één dag voor zijn vertrek naar Brazilië – op metrostation Vlaardingen-Oost – aan hem heeft overhandigd. In die koffer zaten toen slechts slippers, twee paar schoenen en een schoudertasje. Deze spullen waren bedoeld voor een vriendin van de verdachte die in Brazilië woont. Het kan niet anders dan dat [medeverdachte] op een later tijdstip de drugs in de koffer heeft verstopt.

Het hof overweegt als volgt.

Dat de verdachte niet van de verdovende middelen in de koffer heeft geweten, is niet aannemelijk geworden. Zijn suggestie dat de MDMA door medeverdachte [medeverdachte], zonder verdachtes medeweten en instemming, in de dubbele achterwand van de koffer is gestopt vindt geen steun in het dossier en is evenmin anderszins aannemelijk geworden. Het hof concludeert dan ook dat de verdachte wetenschap had van de aangetroffen MDMA en dat hij, tezamen en in vereniging met medeverdachte [medeverdachte], deze verdovende middelen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht.

Het hof stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting vast dat het de verdachte is die aan [medeverdachte] de koffer heeft overhandigd en diens vliegticket heeft geregeld. Het dossier bevat een aantal Whatsapp-berichten tussen verdachte en [medeverdachte], met een inhoud die om uitleg vraagt. De verdachte heeft daarvoor echter geen redelijke verklaring afgelegd. Het hof constateert dat het de verdachte is die op 11 februari 2020 het initiatief neemt tot contact met [medeverdachte] met de vraag:“kunnen we wat doen” en de opmerking: “je moet wel serieus zijn.” Er volgen spraakberichten van [medeverdachte] aan de verdachte met de vraag of zij samen “een plan” kunnen maken en de vraag wanneer [medeverdachte] met “die mannen” kan spreken. Daarnaast bericht [medeverdachte] aan de verdachte: “ik hoor van jou, wanneer ik kan vertrekken”. Het is de verdachte die [medeverdachte] instrueert wat te antwoorden wanneer hem in Brazilië naar de reden van zijn verblijf wordt gevraagd. Op de avond vóór vertrek informeert de verdachte nog bij [medeverdachte] of “alles netjes ingepakt” is. En op de dag van vertrek wordt de verdachte door [medeverdachte] op de hoogte gesteld van zijn aankomst op Schiphol.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte] bij de uitvoer van de verdovende middelen. De bijdrage van de verdachte aan het delict is van voldoende gewicht om hem als medepleger aan te merken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 27 februari 2020 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 2978,8 gram van een materiaal bevattende MDMA.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsmiddelen

1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 26 april 2021.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Het klopt dat ik vorig jaar op 26 februari op het metrostation Vlaardingen-Oost een koffer heb gegeven aan [medeverdachte]. Ik weet dat in die koffer MDMA is gevonden. Ik heb via via een ticket naar Brazilië voor hem geregeld.

2. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL27RP/20-020372 van 28 februari 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3],, doorgenummerde pagina’s 18-20.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten (of één of meer van hen):

Op 27 februari 2020 kreeg ik verbalisant [verbalisant 1] de melding dat de Douane Schiphol in de ruimbagage van een passagier genaamd [medeverdachte] een aanzienlijke hoeveelheid MDMA poeder hadden aangetroffen, later bleek 2978,8 gram MDMA poeder. Deze passagier was voornemens vanaf Schiphol uit te reizen naar Fortaleza, Brazilië met de vlucht [nummer 1]. Tevens werd mij medegedeeld dat deze passagier reeds was onderkend bij de uitgaande gate, en dat het betrof:

[medeverdachte]

geboren op [geboortedag 2] 1970 te [geboorteplaats 2].

Hierop is [medeverdachte] op 27 februari 2020 aangehouden ter zake artikel 2ABC van de Opiumwet.

3. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] met nummer PL27RP/20-020372 van 27 februari 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5], doorgenummerde pagina’s 36-42.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 27 februari 2020 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van verdachte:

A: Ik weet niet of de politie jullie al de informatie gegeven heeft maar ik heb de koffer gekregen op het station. Er hangen daar camera's. Ik zou op vakantie gaan naar Salvador, maar ik ben ook vaak naar Brazilië gekomen. Ik wilde dat niet eerst, maar hij ging mij pushen. Gisteravond om 18:00 uur kwam hij mij de koffer geven bij Metro station Vlaardingen Oost. Hij komt vanuit Rotterdam.

V: Wat kunt u vertellen overtellen over de man die u de koffer heeft overhandigd?

A: Hij heet [verdachte] (fon.) (het hof begrijpt dat daarmee de verdachte wordt bedoeld).

V: Welke instructies heeft u ontvangen van [verdachte] omtrent het afleveren van de koffer?

A: Hij heeft wel druk gezet. Ik had kleine bagage en ik zei dat het niet

zou passen. Toen zei hij dat hij een koffer had.

4. Het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen met bijlagen met nummer PL27RP-20-020372 van27 februari 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 6] en [verbalisant 7], doorgenummerde pagina’s 61-76.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten (of één van hen):

Op 27 februari 2020, is door personeel van Douane op de luchthaven Schiphol, één blauwkleurige rolkoffer aangetroffen met daarin een onbekende hoeveelheid verdovende middelen, vermoedelijke methyleendioxymethamfetamine (MDMA). De verdovende middelen waren verborgen in de achterwand van de blauwkleurige rolkoffer.

De blauwkleurige rolkoffer van het merk "SB" inhoudende een onbekende hoeveelheid verdovende middelen, op naam van [medeverdachte] werd vervolgens in beslag genomen en voorzien van een waarde zak van de Douane met het nummer [nummer 2]. De blauwkleurige rolkoffer is vervolgens overgedragen aan personeel van de Eerstelijns Drugsbestrijding (ELDB).

Nadat wij de achterwand van de blauwkleurige rolkoffer hadden verwijderd zagen wij, twee (2) bruinkleurige pakketten. Wij hebben de 2 pakketten onderverdeeld in de categorieën A tot en met B.

Bij de door [verbalisant 6], gebruikte MMC cocaïne opiates/amphetamines testset, waarmee hij de kristal- en poederachtige substantie uit de categorieën A tot en met B, testte op de aanwezigheid van MDMA, trad een positieve kleurreactie op, zodat aangenomen mocht worden, dat de geteste substantie vermoedelijk betrof: MDMA, vermeld op lijst 1 van de Opiumwet.

Het netto gewicht van de aangetroffen substantie bedroeg in totaal:

Categorie A: 1231,4 gram

Categorie B: 1747,4 gram

Totaal: 2978,8 gram

Vervolgens nam ik, [verbalisant 6], 2 representatief monsters van de aangetroffen stof bestemd om ter analyse te worden overgebracht naar het Douanelaboratorium te Amsterdam.

Bij het District Koninklijke Marechaussee Schiphol te Schiphol zijn voornoemde monsters vastgelegd door middel van een sporen identificatienummer (SIN):

Categorie A: AAMG3725NL

Categorie B: AAMG4040NL

5. Een rapport van het Douanelaboratorium, met kenmerk A065.0.020372, van 4 maart 2020, opgemaakt door [naam], doorgenummerd pagina 78.

Dit rapport houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Op 28-02-2020 ontving ik van het district Koninklijke Marechaussee Luchtvaart Schiphol, een vergezelde plastic zak met daarin:

AAMG3725NL) een plastic zakje met witte brokjes

AAMG4040NL) een plastic zakje met witte brokjes

Het materiaal van alle bovenvermelde SIN-nummers bevat 3.4-MDMA.

Deze substantie is vermeld op lijst I, behorende bij de Opiumwet.

6. Proces-verbaal van bevindingen van analyse telecom [medeverdachte] met nummer 0022 van 7 maart 2020, opgemaakt door de daartoe bevoegde verbalisant [verbalisant 8], doorgenummerde pagina’s 49-60.

Dit proces-verbaal houdt, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Op 27 februari 2020 werd er een mobiele telefoon bij [medeverdachte]

aangetroffen, deze werd ten behoeve van het onderzoek inbeslaggenomen.

Merk : Samsung (SM-G950F)

IMEI-nummer : [nummer 3]

Eigen nummer : [telefoonnummer 1]

Er heeft op 28 februari 2020 een voorlopige analyse plaatsgevonden aan de mobiele

telefoon, welke onder [verdachte] was aangetroffen en inbeslaggenomen. Uit deze analyse bleek

dat [verdachte] zijn mobiele telefoonnummer [telefoonnummer 2] was en zijn WhatsApp gekoppeld

was aan het telefoonnummer [telefoonnummer 3].

Ik, verbalisant, heb de gegevens in de Samsung van [medeverdachte] geanalyseerd, hierin zag ik het

volgende.

WhatsApp gesprek tussen [medeverdachte] [telefoonnummer 1] en [verdachte] [telefoonnummer 3]:

11 februari 2020:

[verdachte]: Kunnen we wat doen

[verdachte]: Als je wilt

[medeverdachte]: is good

[verdachte]: Maar moet wel sirieus zijn

[medeverdachte]:

Spraakbericht:

Maar als je kan vandaag of morgen alvast plan maken samen.

14 februari 2020:

[medeverdachte]:

Spraakbericht:

Hedel eeeh. wanneer kan ik met die mannen spreken, eeuh volgende week vrijdag is laatste

dag van mij en volgende week vrijdag eeh zaterdag ik kan vertrekken. Ik hoor van jou wanneer ik kan vertrekken.

[verdachte]:

Spraakbericht:

Ja euhm, hoelaat ben je klaar vandaag

26 februari 2020:

[verdachte]: Ik kom rond 6 uur ja

[medeverdachte]: is good

[verdachte]:

Spraakbericht:

Joo, ik denk over een uurtje ofzo ben ik daar bij jou ja? Over een uurtje ongeveer. Bij eeh,

Vlaardingen Oost, kan dat? Bij de metro?

[medeverdachte]: [emailadres]

[verdachte]: K heb gestuurd

[medeverdachte]: ik heb ontvangen

[medeverdachte]: maar tickt is niet duidlijke

[medeverdachte]: alleen zeg amsterdam slavdor

[medeverdachte]: tussen stap niet schrijven

[verdachte]:

Spraakbericht:

Ja Ja, maareh hij maakt een tussenstop, hij maakt een tussenstop

[verdachte]:

Spraakbericht:

Er staat 1 stop, zie je dat, staat erbij 1 stop

[verdachte]:

Spraakbericht:

Ja als ze bijvoorbeeld vragen wat je, wat je komt doen moet je zeggen carnaval ja, want er is carnaval daar, laatste week van carnaval is daar, gewoon vakantie en laatste week carnaval ja?

[verdachte]: Alles netjes ingepakt?

[medeverdachte]: ya

[verdachte]: Ok

[verdachte]: We spreken elkaar morgen

[medeverdachte]: is good

27 februari 2020:

[verdachte]: goedenmorgen

[verdachte]: Alles ok?

[medeverdachte]: ik ben in schipol

[verdachte]: Al?

[verdachte]: Joo

[medeverdachte]: 9:45 ik ga binnen

De hiervoor vermelde bewijsmiddelen zijn, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering betreft, telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het primair bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, heeft de verdachte voor het primair bewezenverklaarde veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 33 maanden met aftrek van voorarrest.

De raadsman van de verdachte heeft primair verzocht de verdachte vrij te spreken en subsidiair een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, eventueel aangevuld met een voorwaardelijke gevangenisstraf als stok achter de deur.

Uit het dossier komt naar voren dat de verdachte zich tezamen en in vereniging met een ander schuldig heeft gemaakt aan de uitvoer van bijna 3 kilogram MDMA. De verdachte vervulde daarbij een coördinerende en aansturende rol, zo blijkt uit de WhatsApp-berichten tussen hem en de medeverdachte [medeverdachte]. Tevens regelde de verdachte het ticket voor [medeverdachte] naar Brazilië en overhandigde hij hem de koffer. Die koffer bleek voorzien van een dubbele achterwand, waarin de verdovende middelen werden aangetroffen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de uitvoer van MDMA. Gezien de hoeveelheid kan het niet anders dan dat dit was bedoeld voor verdere verkoop en verspreiding daarvan in Brazilië. De verdachte heeft – door te handelen als hiervoor omschreven – kennelijk uit winstbejag en met voorbijzien aan de risico’s voor de gezondheid een rol gespeeld bij het uitvoeren met als doel het op de buitenlandse markt brengen van voormelde drugs. De verspreiding van harddrugs en de handel daarin gaan gepaard met allerlei andere soorten van (georganiseerde) criminaliteit. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij hier een bijdrage aan heeft willen leveren.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 14 april 2021 is verdachte niet eerder veroordeeld voor de in- of uitvoer van verdovende middelen. Ook overigens blijkt dat de verdachte recentelijk niet meer is veroordeeld. Het hof zal hiermee ten gunste van verdachte rekening houden.

Het hof heeft gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen worden uitgesproken. Deze straffen hebben hun weerslag gevonden in de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor de uitvoer van hoeveelheden harddrugs van 2.000 tot 3.000 gram wordt daarin een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 30 tot 36 maanden genoemd. De door de rechtbank opgelegde straf loopt daarmee in de pas. Het hof ziet echter in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, als ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gekomen, alsmede in de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie betreffende de verdachte, reden een lagere straf op te leggen dan de rechtbank.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van 30 maanden met aftrek van het voorarrest passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.A. Hartsuiker, mr. D. Radder en mr. A.W.T. Klappe, in tegenwoordigheid van mr. E.J. de Vries, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 mei 2021.

De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.