Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1613

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-05-2021
Datum publicatie
08-06-2021
Zaaknummer
23-000021-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

vrijspraak poging doodslag in vereniging en poging toebrengen zll in vereniging, W&O openlijk geweld, JD twee maanden M.A., verlenging PT tullen met wijziging bijzondere voorwaarden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000021-21

datum uitspraak: 25 mei 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 31 december 2020 in de strafzaak onder de parketnummers 13-233016-20 en 13-684075-18 (TUL), 13-108506-18 (TUL) en 13-012938-19 (TUL), zoals hersteld bij herstelvonnis van 24 februari 2021, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats 1] (Marokko) op [geboortedag 1] 2003,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 22 april en 11 mei 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 12 augustus 2020 te Diemen, althans in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet naar voornoemde [slachtoffer] is toegegaan waarna hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

- eenmaal of meermalen (met kracht) (met gebalde vuist) tegen het (achter)hoofd, althans tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft/hebben geslagen/gestompt en/of

-eenmaal of meermalen tegen de neus en/of in/tegen het gezicht, althans tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft/hebben geslagen/gestompt en/of

- eenmaal of meermalen met een helm, althans enig hard voorwerp, tegen het achterhoofd, althans tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer] heeft/hebben geslagen/gestompt en/of

- terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, eenmaal of meermalen tegen het hoofd, althans tegen het lichaam heeft/hebben geslagen/gestompt en/of

- terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, eenmaal of meermalen (met geschoeide voet) tegen het hoofd en/of de rug, althans tegen het lichaam heeft/hebben geschopt/getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair
hij op of omstreeks 12 augustus 2020 te Diemen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, naar die [slachtoffer] is toegegaan waarna hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

- eenmaal of meermalen (met kracht) (met gebalde vuist) tegen het (achter)hoofd, althans tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft/hebben geslagen/gestompt en/of

- eenmaal of meermalen tegen de neus en/of in het gezicht, althans tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft/hebben geslagen/gestompt en/of

- eenmaal of meermalen met een helm, althans enig hard voorwerp, tegen het achterhoofd, althans tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer] heeft/hebben geslagen/gestompt en/of

- terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, eenmaal of meermalen tegen het hoofd, althans tegen het lichaam heeft/hebben geslagen/gestompt en/of

- terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, eenmaal of meermalen (met geschoeide voet) tegen het hoofd en/of de rug, althans tegen het lichaam heeft/hebben geschopt/getrapt; terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair

op 12 augustus 2020 te Diemen met anderen aan de openbare weg, Rode Kruislaan, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, [benadeelde] welk geweld bestond uit het

- meermalen met gebalde vuist en/of met een helm tegen het achterhoofd slaan van die [benadeelde]

- achtervolgen van [benadeelde] met een moersleutel

- terwijl die [benadeelde] op de grond lag meermalen schoppen met geschoeide voet tegen het hoofd en/of de rug en hem slaan.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Bewijsoverwegingen

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld de verdachte van het primair en subsidiair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Daartoe is onder meer aangevoerd dat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij de aangever; daarvoor verliep het incident te snel.

Het hof overweegt als volgt.

Op basis van het dossier, het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek terechtzitting in hoger beroep, gedurende welke camerabeelden van het betreffende incident zijn afgespeeld, neemt het hof het volgende als vaststaand aan.

Op 12 augustus 2020 is er op de Rode Kruislaan in Diemen onenigheid ontstaan tussen aangever [benadeelde] enerzijds en de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] anderzijds. Dat heeft geleid tot een vechtpartij tussen deze drie, waarbij de verdachte de aangever twee keer met de vuist tegen het hoofd heeft geslagen. Vervolgens is de aangever weggerend. De verdachte zette hierop – met een moersleutel in de hand – de achtervolging op hem in. De aangever is ten val gekomen toen hij tijdens zijn vlucht [medeverdachte 1], die vanaf een andere kant in zijn richting kwam gelopen, trachtte te ontwijken. [medeverdachte 1] heeft de op de grond liggende aangever vervolgens tegen het hoofd geschopt. Bijna gelijktijdig heeft de verdachte met een moersleutel een slaande beweging richting de benen van de aangever gemaakt, maar heeft hem daarbij niet geraakt. Onmiddellijk daarna is de verdachte weggeduwd door een andere jongen, waarna de verdachte zich heeft omgekeerd en van de aangever is weggelopen; de verdachte heeft zich toen verder afzijdig gehouden. Onderwijl is de aangever andermaal door [medeverdachte 1] tegen het hoofd getrapt, terwijl medeverdachte [medeverdachte 2], die ook was toegesneld, de aangever hard in de rug heeft getrapt en geslagen. Hierna heeft [medeverdachte 1] de aangever opnieuw tegen het hoofd getrapt, dit keer zeer krachtig.

Dat de aangever, zoals deze heeft verklaard, bij dit alles door de verdachte met een helm is geslagen, is naar het oordeel van het hof niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid komen vast te staan; op de camerabeelden komt dit niet terug, terwijl de verklaring van de getuige [getuige] op dit punt ook onvoldoende uitsluitsel geeft.

Op grond van het voorgaande is zonneklaar dat de verdachte de aangever samen met zijn medeverdachten fysiek te pakken wilde nemen. Echter, voor het hof is niet komen vast te staan dat het de bedoeling van de verdachte is geweest dat de aangever daarbij het leven zou laten of zwaar lichamelijk letsel zou oplopen, dan wel de verdachte de aanmerkelijke kans op dergelijke consequenties heeft willen aanvaarden. Daarbij is betrokken dat (i) de eerste schop tegen het hoofd van de aangever (nagenoeg) gelijktijdig met de slaande beweging van de verdachte werd gegeven en die schop dus niet door de verdachte zal zijn voorzien, (ii) de verdachte zich vervolgens uit het conflict heeft verwijderd en (iii) dat het leeuwendeel van de handelingen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] die het gevaar op die consequenties in het leven riepen pas daarna plaatsvond. Er is geen grond voor het oordeel dat de twee klappen die de verdachte de aangever in het beginstadium van het treffen heeft gegeven een (aanmerkelijke) kans op zwaar lichamelijk letsel hebben opgeleverd, laat staan op een fatale afloop.

Het verweer treft derhalve doel. De verdachte moet dan ook worden vrijgesproken van het primair en subsidiair tenlastegelegde. Wel acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze als na te melden.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

op 12 augustus 2020 te Diemen met anderen aan de openbare weg, Rode Kruislaan, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde] welk geweld bestond uit het

- meermalen met gebalde vuist tegen het hoofd slaan van [benadeelde] en

- achtervolgen van [benadeelde] met een moersleutel en

- terwijl [benadeelde] op de grond lag, meermalen schoppen met geschoeide voet tegen het hoofd en de rug en hem slaan.

Hetgeen meer subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het meer subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het meer subsidiair bewezenverklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het meer subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor de in eerste aanleg primair bewezenverklaarde “poging tot medeplegen van doodslag” veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van drie maanden, met aftrek van voorarrest, en tot een maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige (een programma bestaande uit een zevental onderdelen, hierna: de GBM) voor de duur van een jaar, subsidiair 12 maanden jeugddetentie, welke maatregel dadelijk uitvoerbaar is verklaard.

De advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een zelfde straf en maatregel als in eerste aanleg opgelegd.

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep het hof verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de vooruitgang die de verdachte in de afgelopen maanden heeft geboekt.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich tezamen met anderen schuldig gemaakt aan een openlijke geweldpleging tegen een jongen die – in zijn beleving – zijn zus onheus had bejegend. Daarbij is het slachtoffer tegen het hoofd en de rug geslagen en, terwijl hij op straat lag, meermalen tegen het hoofd geschopt. Hierdoor is een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Bovendien heeft hij hieraan lichamelijk letsel en een hersenschudding overgehouden. Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat het slachtoffer nog steeds kampt met gevoelens van angst; binnenkort zal hij zich daarvoor alsnog onder behandeling moeten stellen. Daarnaast dragen feiten als deze bij aan in de maatschappij levende gevoelens van angst en onveiligheid op straat, niet in de laatste plaats bij degenen die van de geweldsuitspatting getuige hebben moeten zijn.

Het hof heeft gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen aan jeugdigen plegen te worden opgelegd. Die hebben hun weerslag heeft gevonden in de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin wordt voor een first offender 40 uren taakstraf dan wel een daarmee overeenkomende jeugddetentie genoemd.

De verdachte is echter geen first offender. Blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 13 april 2021 is hij immers eerder onherroepelijk veroordeeld voor een reeks aan misdrijven, waaronder bedreigingen en een overval op een winkel. Dit weegt het hof in zijn nadeel. Daarom kan naar het oordeel van het hof in deze zaak niet worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke jeugddetentie.

Uit van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 10 december 2020 en hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep door [naam], als jeugdreclasseerder verbonden aan William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (WS Jb&Jr), mede namens de Raad, is medegedeeld, komt naar voren dat het, gelet op de cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling van de verdachte en diens verdere persoonlijke (thuis)situatie, in zijn belang is dat hij in een strafrechtelijk kader wordt verplicht tot kort gezegd (i) het wonen bij Multipluszorg, (ii) schoolgang volgens het schoolrooster, (iii) het vinden van een structurele vrijetijdsbesteding, (iv) het ondergaan van een ambulante behandeling bij De Waag en (v) het naleven van een contactverbod met het slachtoffer. Ook is het in zijn belang dat hij daarbij door WS Jb&Jr wordt begeleid.

In eerste aanleg is de verdachte middels de opgelegde GBM, welke dadelijk uitvoerbaar is verklaard, tot één en ander verplicht. In dat verband moest hij zich bovendien houden aan een avondklok en stond hij onder elektronisch toezicht. Het hof houdt er in strafverminderende zin rekening mee dat de verdachte zich ettelijke maanden naar die beperkingen heeft moeten schikken.

Nu het hof, anders dan de rechtbank, de verdachte ‘slechts’ zal veroordelen voor de meer subsidiair tenlastegelegde openlijke geweldpleging acht het hof, mede bezien in het licht van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, een jeugddetentie die de duur van 2 maanden te boven gaat niet proportioneel. Daarom zal het hof een lagere straf opleggen dan de rechtbank. Om dezelfde redenen kan het opleggen van een maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige thans niet meer aan de orde zijn. Om ervoor te zorgen dat de verdachte toch verplicht blijft tot medewerking aan de opgenoemde interventies, zal het hof na te noemen beslissingen nemen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerder voorwaardelijk opgelegde straffen.

Het hof acht een onvoorwaardelijke jeugddetentie van twee maanden duur passend en geboden, welke straf de verdachte al in voorarrest heeft uitgezeten.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij [benadeelde] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 9.725,00 (€ 1.725,00 als vergoeding voor materiële schade en € 8.000,00 ter compensatie van immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente. De materiële schadeposten bestaan, meer specifiek, uit:

( a) een Louis Vuitton tas € 1.490,00

( b) Nike schoenen € 90,00

( c) T-shirt € 45,00

( d) korte broek € 100,00

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 3.229,82 (€ 229,82 als vergoeding voor materiële schade en € 3.000, ter compensatie van immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat de vordering tot een bedrag van € 3.229,82 wordt toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsvrouw heeft het hof ter terechtzitting in hoger beroep gevraagd de vordering te matigen.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het meer subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte tot een bedrag van € 235,00 rechtstreeks materiele schade heeft geleden, bestaande uit de onder (b) tot en met (d) genoemde schadeposten. Daarbij is betrokken dat deze schade of de causale relatie met het meer subsidiair bewezenverklaarde van de zijde van de verdachte niet gemotiveerd is betwist, zodat de vordering in zoverre voor toewijzing gereed ligt. Dat ten gevolge van het bewezenverklaarde rechtstreeks schade als opgevoerd onder (a) is toegebracht, is in deze procedure niet aannemelijk geworden. Gelet op het bepaalde in artikel 361, tweede lid, aanhef en onder b, Sv kan de benadeelde partij in zoverre dan ook niet in de vordering worden ontvangen.

Daarnaast is komen vast te staan dat de benadeelde partij ten gevolge van het meer subsidiair bewezen verklaarde immateriële schade heeft geleden, mede omdat diens gemotiveerde en onderbouwde stellingen dienaangaande van de zijde van de verdachte niet voldoende gemotiveerd zijn betwist. Het verzoek om het toe te wijzen bedrag ‘te matigen’ kan niet als een zodanige betwisting gelden. De begroting van de omvang van immateriële schade is voorbehouden aan de rechter, die daarbij niet is gebonden aan de gewone regels omtrent stelplicht en bewijslast. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek naar billijkheid schatten op € 500,00, waarbij in het bijzonder is gelet op

• de agressieve aard en ernst van het handelen van de verdachte en zijn medeverdachten, een en ander als hiervoor beschreven, alsmede de inbreuk die hierdoor op het lichaam van de benadeelde partij is gemaakt,

• het lichamelijk letsel aan de lip, waarvoor hechtingen noodzakelijk waren, dat de benadeelde partij daarbij heeft opgelopen,

• de psychische klachten (angst-, paniek- en concentratieproblemen) die daarvan het gevolg zijn en die, naar nu blijkt, van dien aard zijn dat de benadeelde partij zich daarvoor alsnog onder gedragskundige behandeling moet laten stellen en

• de vergoedingen die rechters in vergelijkbare zaken hebben toegekend.

De verdachte is in zoverre tot vergoeding van de immateriële schade gehouden, zodat de vordering, die het hof in zoverre niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt, tot dat bedrag zal worden toegewezen. Hetgeen ter compensatie van immateriële schade méér is gevorderd, gaat de grenzen van de billijkheid te buiten, zodat de vordering in zoverre zal worden afgewezen.

Resumerend zal de vordering tot een bedrag van € 735,00 worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente. Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Ten aanzien van de als proceskosten opgevoerde reiskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt voor het bijwonen van de terechtzitting in eerste aanleg, overweegt het hof als volgt. De artikelen 237 tot en met 240 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) geven, behoudens bijzondere omstandigheden, een zowel limitatieve als exclusieve regeling van de kosten waarin een in het ongelijk gestelde partij kan worden veroordeeld (vgl. HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1600). Uit artikel 238 Rv volgt dat (alleen) een in persoon procederende partij reis- en aanverwante kosten, gemaakt voor het bijwonen van de zitting, als proceskosten vergoed kan krijgen. In deze procedure heeft de benadeelde partij zowel in eerste aanleg als in hoger beroep geprocedeerd met bijstand van een gemachtigde en dus niet in persoon. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan in dit geval een uitzondering zou moeten worden gemaakt, zijn gesteld noch gebleken. De opgevoerde reiskosten komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking. De verdachte zal wel worden veroordeeld in de overige door de benadeelde partij opgevoerde proceskosten, groot € 76,13.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 63, 77a, 77g, 77i en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

Vorderingen tot tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van:

- de bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 30 mei 2018 opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie van 68 dagen,

- de bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 21 december 2018 opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie van 1 maand, en

- de resterende 44 dagen van de bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 19 juli 2019 opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie,

in totaal 142 dagen.

De rechtbank heeft de tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijk opgelegde straffen gelast; de vorderingen zijn in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de aan deze voorwaardelijke straffen gekoppelde proeftijden met een jaar moeten verlengd.

De raadsvrouw heeft het hof ter terechtzitting in hoger beroep verzocht de vorderingen af te wijzen of, subsidiair, de daaraan verbonden proeftijden te verlengen.

Het hof overweegt als volgt.

Ter terechtzitting in hoger beroep is het hof gebleken dat de verdachte inmiddels een positieve wending aan zijn leven heeft gegeven. Hij heeft daar verklaard dat hij baat heeft gehad bij de strakke kaders van de door de rechtbank opgelegde GBM en door de behandeling bij De Waag zijn agressie meer heeft leren te beteugelen. Hij is gemotiveerd op de ingeslagen weg verder te gaan. Jeugdreclasseerder [naam] heeft dit beeld ter terechtzitting in hoger beroep bevestigd. Daaraan heeft zij toegevoegd dat de verdachte grote stappen in de goede richting heeft gezet, dat zijn verblijf bij Multipluszorg naar wens verloopt en hij naar verwachting voor de zomer zijn Entree-diploma zal behalen. Echter, zowel de Raad als WS Jb&Jr achten het niettemin nog steeds van groot belang dat de ingezette hulpverlening, waaronder het verblijf bij Multipluszorg, wordt voortgezet. Ook de moeder van de verdachte heeft ter terechtzitting het positieve effect van de ingezette hulpverlening beaamd.

Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de aan de in voorwaardelijke vorm opgelegde straffen proeftijden aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Voor de effectiviteit en de geloofwaardigheid van de regeling omtrent voorwaardelijke straffen en de daarbij behorende algemene (en bijzondere) voorwaarden, is essentieel dat overtreding van deze voorwaarden niet vrijblijvend is en dat daaraan gevolgen worden verbonden. In de actuele persoonlijke situatie van de verdachte, en in het belang van diens zo gunstig mogelijk verdere ontwikkeling, zal het hof in dit bijzondere geval daarop een uitzondering maken en de bij genoemde vonnissen vastgestelde proeftijden met 1 jaar verlengen en daarnaast de daarbij gestelde voorwaarden zodanig wijzigen dat de ingezette hulpverlening kan worden gecontinueerd. Bij de formulering van die voorwaarden zal het hof aansluiting zoeken bij de wijze waarop de rechtbank de onderdelen van de door haar opgelegde GBM heeft vormgegeven.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het meer subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 2 (twee) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het meer subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 735,00 (zevenhonderdvijfendertig euro) bestaande uit € 235,00 (tweehonderdvijfendertig euro) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededaders hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij met betrekking tot de materiële schade voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Wijst af hetgeen ter compensatie van immateriële schade méér is gevorderd.

Veroordeelt de verdachte voor het overige in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 76,13.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], ter zake van het meer subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 735,00 (zevenhonderdvijfendertig euro) bestaande uit € 235,00 (tweehonderdvijfendertig euro) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 (nul) dagen.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededaders aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 12 augustus 2020.

Verlengt de proeftijd als vermeld in het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 30 mei 2018, parketnummer 13-684075-18, met een termijn van 1 (één) jaar.

Verlengt de proeftijd als vermeld in het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 21 december 2018, parketnummer 13-108506-18, met een termijn van 1 (één) jaar.

Verlengt de proeftijd als vermeld in het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 19 juli 2019, parketnummer 13-012938-19, met een termijn van 1 (één) jaar.

Wijzigt de bij de (onder de parketnummers 13-684075-18, 13-108506-18 en 13-012938-19 gewezen) vonnissen gestelde bijzondere voorwaarden in dier voege, dat de verdachte gedurende de gehele proeftijd:

- onderwijs volgt volgens het schoolrooster;

- meewerkt aan het verkrijgen en behouden van een zinvolle vrijetijdsbesteding (in de vorm van een bijbaan of sport);

- meewerkt aan een ambulante behandeling (Topzorg) bij De Waag, of een soortgelijke door William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (WS Jb&Jr) aan te wijzen instelling;

- woont bij Multipluszorg, dan wel een andere instelling voor begeleid wonen die WS Jb&Jr passend vindt, en zich houdt aan de regels, het rooster en de afspraken die daar gelden;

- meewerkt aan alle hulpverlening die WS Jb&Jr verder noodzakelijk acht;

- op geen enkele wijze contact opneemt met het slachtoffer [benadeelde] (geboren op [geboortedag 2] 1997 te [geboorteplaats 2], Marokko), tenzij het slachtoffer schriftelijk heeft laten blijken behoefte te hebben aan een herstelgesprek en/of mediation).

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Kengen, mr. J.J.I. de Jong en mr. M.J.A. Duker, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 25 mei 2021.

=========================================================================

[…]