Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1596

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-05-2021
Datum publicatie
04-06-2021
Zaaknummer
23-003504-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevestiging, behalve ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging. Gelet op de persoonlijke omstandigheden is de bij de vordering TUL voorwaardelijke gevangenisstraf omgezet in een taakstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003504-19

datum uitspraak: 26 mei 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 16 september 2019 in de strafzaak onder de parketnummers 15-114162-19 en 15-001399-18 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortedatum] (Nederlandse Antillen) op [geboortedag] 1987,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12 mei 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en aftrek van het voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep wordt bevestigd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een pistool. Het ongeoorloofde bezit van een dergelijk vuurwapen brengt een onaanvaardbaar gevaar voor de veiligheid van personen met zich vanwege de kans op het gebruik daarvan, met alle mogelijke onomkeerbare gevolgen van dien. Dat gevaar was in dit geval temeer reëel, omdat de verdachte het vuurwapen met een bijbehorende patroonhouder en munitie in zijn woning bewaarde en het wapen dus binnen korte tijd gebruiksklaar kon worden gemaakt, en omdat uit zijn op de terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring blijkt dat hij bereid was het wapen te gebruiken als dat (in zijn ogen) nodig zou zijn. Verder draagt het bezit van vuurwapens sterk bij aan gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Om die redenen kan hier niet anders worden gereageerd dan met oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 29 april 2021 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld ter zake van geweldsmisdrijven. Dit weegt in zijn nadeel.

Bij het bepalen van de precieze hoogte van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de straffen die in het recente verleden in soortgelijke gevallen zijn uitgesproken. De door de rechtbank opgelegde straf loopt daarmee uit de pas en is dus te hoog. Wel is het hof met de rechtbank van oordeel dat een deel van de op te leggen straf in voorwaardelijke vorm gegoten moet worden, omdat de verdachte het hof weliswaar heeft bezworen zich niet opnieuw te zullen bewapenen, maar hij zich op zijn Instagram-account geruime tijd met op vuurwapens gelijkende voorwerpen heeft geprofileerd, waaruit een zekere fascinatie voor vuurwapens spreekt. Met het voorwaardelijk strafdeel dus wordt beoogd de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw een (soortgelijk) strafbaar feit schuldig te plegen.

Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan één maand voorwaardelijk, passend en geboden. Het onvoorwaardelijk deel van die straf is gelijk aan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Vordering tot tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 15 maart 2018 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier weken. Daarbij is een proeftijd van twee jaren vastgesteld. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal heeft zich op de terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden toegewezen. De raadsman heeft omtrent de vordering tot tenuitvoerlegging op de terechtzitting in hoger beroep geen expliciet standpunt ingenomen.

Het hof overweegt als volgt.

Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Voor de effectiviteit en de geloofwaardigheid van de regeling omtrent voorwaardelijke straffen en de daarbij behorende algemene (en bijzondere) voorwaarden, is essentieel dat overtreding van deze voorwaarden niet vrijblijvend is en dat daaraan in beginsel gevolgen worden verbonden. Dat dient ook in deze zaak te geschieden. In de actuele persoonlijke situatie van de verdachte – hij zet zich inmiddels onder meer in voor een project dat erop is gericht probleemjongeren uit de criminaliteit te houden – ziet het hof evenwel aanleiding om, in plaats van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, een taakstraf te gelasten van na te melden duur.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 1 (één) maand, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast in plaats van de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 15 maart 2018 met parketnummer 15-001399-18, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken met proeftijd van 2 jaren, een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 28 (achtentwintig) dagen hechtenis.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J.I. de Jong, mr. L.I.M. van Bergen en mr. M. Gonggrijp-van Mourik, in tegenwoordigheid van J.J. van der Velden en mr. S. Pesch, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 mei 2021.

mrs. J.J.I. de Jong en M. Gonggrijp-van Mourik zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.