Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1571

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-06-2021
Datum publicatie
07-06-2021
Zaaknummer
23-003667-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

(A) Diefstal in vereniging met geweld en openlijke geweldpleging. (B) Poging zware mishandeling en mishandeling. Verwerping (putatief) noodweerverweer t.a.v. twee geweldsincidenten in zaak B, onder meer gelet op het toepassen van disproportioneel geweld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003667-19

datum uitspraak: 1 juni 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 19 september 2019 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-654067-17 (zaak A) en 13-201539-18 (zaak B) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 18 mei 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman en namens de benadeelde partij [benadeelde] naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd

in de zaak A dat:

1
hij op of omstreeks 08 juni 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een (trainings)jas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

- op voornoemde [slachtoffer] is/zijn afgelopen en/of

- eenmaal/meermalen van voornoemde [slachtoffer] heeft geslagen en/of een knietje gegeven en/of

- voornoemde [slachtoffer] op de grond heeft geslingerd

- eenmaal of meerdere malen (een) trappende beweging(en) naar voornoemde [slachtoffer] heeft/hebben gemaakt (waardoor voornoemde [slachtoffer] uit balans is geraakt) en/of

- ( terwijl voornoemde [slachtoffer] op de grond lag) eenmaal of meerdere malen in/op/tegen het hoofd en/of lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft/hebben geslagen en/of heeft/hebben gestompt en/of heeft/hebben getrapt en/of heeft/hebben geschopt;

2
hij op of omstreeks 08 juni 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, het Zuiderkerkhof, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het eenmaal of meerdere malen slaan en/of stompen en/of schoppen en/of trappen in/op/tegen het hoofd en/of lichaam van voornoemde [slachtoffer], waarbij hij, verdachte, opzettelijk een (trainings)jas heeft vernield;

en in zaak B dat:

hij op of omstreeks 20 juli 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet naar voornoemde [benadeelde] is toegegaan, waarna hij, verdachte,

- eenmaal of meerdere malen op/tegen/in het gezicht/hoofd, in elk geval het lichaam, van voornoemde [benadeelde] heeft geslagen/gestompt en/of

- een zogenaamd knietje op/tegen/in het gezicht/hoofd, in elk geval het lichaam, van voornoemde [benadeelde] heeft gegeven en/of

- ( met kracht) eenmaal of meerdere malen voornoemde [benadeelde] op/tegen/in het gezicht/hoofd, in elk geval het lichaam, van voornoemde [benadeelde] heeft getrapt/geschopt (waardoor voornoemde [benadeelde] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden, te weten een of meerdere aangezichtsfractu(u)r(en) en/of een neusfractuur en/of een hoofdwond),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen letsel niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 20 juli 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [benadeelde] heeft mishandeld door

- eenmaal of meerdere malen tegen het been, in elk geval het lichaam, van voornoemde [benadeelde] te trappen/schoppen en/of

- eenmaal of meerdere malen op/tegen/in het gezicht/hoofd, in elk geval het lichaam, van voornoemde [benadeelde] te slaan/stompen en/of

- een zogenaamd knietje op/tegen/ in het gezicht/hoofd, in elk geval het lichaam, van voornoemde [benadeelde] te geven en/of

- ( met kracht) eenmaal of meerdere malen voornoemde [benadeelde] op/tegen/in het gezicht/hoofd, in elk geval het lichaam, van voornoemde [benadeelde] te trappen/schoppen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring, kwalificatie en strafoplegging komt dan de rechtbank.

Vaststelling feitelijke gang van zaken in zaak B

Het hof neemt in zaak B op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, waaronder de aldaar vertoonde camerabeelden, de volgende feitelijke gang van zaken als vaststaand aan.

De verdachte is werkzaam geweest bij [winkel], gevestigd aan de [adres 2]. Op 20 juli 2018 stond hij bij de deuropening van de [winkel] te kletsen met [naam 1], die als verkoper werkzaam was in een nabijgelegen etablissement. Op een gegeven moment kwam de Italiaan [benadeelde] aangelopen en vroeg [naam 1] om een sigaret. [naam 1] heeft [benadeelde] toen gewezen op een winkel waar hij sigaretten kon kopen. Hierop werd [benadeelde] boos en begon hij [naam 1] uit te schelden met woorden als “Puta” en “Stupido”. [naam 1] verloor vervolgens zijn zelfbeheersing en gaf [benadeelde] een klap in het gezicht. [benadeelde] deinsde achteruit en begon woorden te roepen als “I’ll kill you”. [naam 2], een vriend van [benadeelde], ging daarop de discussie met [naam 1] aan. Inmiddels hadden de verdachte en [naam 3], die ook bij de [winkel] werkte, zich bij de discussiërende [naam 1] vervoegd. Op enig moment liep [benadeelde] om [naam 2] heen, in de richting van de ingang van de [winkel], alwaar [naam 1], [naam 3] en de verdachte stonden. Onderwijl deed [benadeelde] zijn rechterhand in de tas die hij om zijn schouder droeg en hield zijn hand daarin. Vervolgens riep iemand – vermoedelijk [naam 3] – dat [benadeelde] iets uit zijn tas pakte, dan wel dat hij een mes had. Daarna gaf de verdachte [benadeelde], die op de verdachte de indruk maakte onder invloed van drugs te zijn, met een gestrekt been een trap tegen het lichaam, waarna [benadeelde] andermaal enkele meters achteruit deinsde. Nadat [naam 1] de verdachte tevergeefs had geprobeerd tegen te houden, vloog laatstgenoemde in de richting van [benadeelde] en gaf hem nog een schop tegen het been, een harde klap tegen het hoofd en een knietje in het gezicht; door dit laatste is [benadeelde] ten val gekomen. [benadeelde] is hierna afgedropen, is teruggelopen in de richting van de [winkel] en is ter rechterzijde daarvan op de gracht gaan staan.

Ondertussen was [naam 2], nadat [benadeelde] ten val was gekomen, ter linkerzijde van de [winkel] een handgemeen met de verdachte aangegaan. Samen met [naam 4], barman van de naastgelegen bar [bar], dreef de verdachte [naam 2] richting een brug verderop aan de gracht. Daarbij maakte de verdachte een hoge trapbeweging richting [naam 2]. Vervolgens liep de verdachte terug richting de [winkel], gevolgd door [naam 4] die [naam 2] inmiddels – onder bedwang – met zich voerde. Daar stond [benadeelde] op ongeveer 10 meter afstand. Deze riep weer woorden als “I’ll kill you”. Vervolgens besloten de verdachte en [naam 4] [naam 2] weer naar de brug toe te brengen. Daar werd hij losgelaten, waarna [naam 4] en de verdachte weer richting de [winkel] liepen. [naam 2] is hun achterna gelopen en enige tijd een discussie met hen aangegaan. Toen [naam 2] op enig moment met zijn hand langs zijn keel snijdende gebaren maakte, was de maat voor [naam 4] kennelijk vol en heeft hij [naam 2] vastgepakt, op de grond gelegd, midden op straat in bedwang gehouden en tegen omstanders gezegd dat zij de politie moesten bellen. Inmiddels stond er een groepje mensen rondom [naam 4] en [naam 2]. De verdachte stond aan de buitenzijde van dat groepje, aan de rechterzijkant van de gracht. Op enig moment is [benadeelde] in de richting van [naam 4] en [naam 2] afgerend. Zijn sprint werd echter gestuit door een onbekend gebleven man met een roze broek. [benadeelde], die tot stilstand was gekomen, deed hierop enkele stappen naar rechts, dus van de groep af. Hij maakte geen aanstalten voor (verder) agressief gedrag. De verdachte stapte op dat moment uit het groepje naar voren, zodat hij tegenover [benadeelde] kwam te staan. Vervolgens gaf hij [benadeelde] een harde, hoge trap tegen het hoofd. [benadeelde] viel daardoor achterover, met zijn achterhoofd op de grond. Hij is daar bewusteloos en met zijn hoofd in een plas bloed blijven liggen, terwijl het bloed uit zijn mond en neus liep. Nadat [benadeelde] naar het ziekenhuis was overgebracht bleek dat hij neus- en aangezichtsfracturen had opgelopen. Ook had hij een wond van ongeveer 10 centimeter aan de achterzijde van zijn hoofd.

Uit geen van de stukken in het dossier kan worden afgeleid dat [benadeelde] daadwerkelijk een mes bij zich heeft gehad, zodat het hof als vaststaand aanneemt dat dit ook niet het geval is geweest.

Net als de verdediging is het hof van oordeel dat het geweldsincident kan worden ‘opgeknipt’ in twee fases. In de eerste fase is geweld op [benadeelde] toegepast nadat hij zich met zijn hand in een tas richting de ingang van de [winkel] begaf. In de tweede fase is [benadeelde], nadat hij op (het groepje rondom) [naam 4] en [naam 2] was komen afrennen en zijn opmars was gestuit, tegen het hoofd getrapt en als gevolg daarvan met zijn hoofd op de grond gevallen.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van het in zaak B primair en subsidiair tenlastegelegde

Vast is komen te staan dat de verdachte [benadeelde] in fase 2 een hoge trap tegen het hoofd heeft gegeven, die dusdanig hard was dat [benadeelde] achterover, met zijn hoofd op straat is gevallen. Naar het oordeel van het hof doet een dergelijk handelen naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans en de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid ontstaan dat iemand hieraan zwaar lichamelijk letsel overhoudt. Het hoofd is immers een kwetsbaar deel van het menselijk lichaam, waarin zich vitale structuren bevinden. De agressieve gedraging van de verdachte is naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dergelijk letsel heeft aanvaard; van contra-indicaties is het hof in dit verband niet gebleken. In zoverre kan het primair tenlastegelegde dus wettig en overtuigend worden bewezen.

Met de raadsman is het hof van oordeel dat in dit geval niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat het trappen/schoppen tegen het lichaam, dan wel het slaan/stompen of het geven van een knietje tegen het gezicht/hoofd of het lichaam zoals primair ten laste is gelegd, de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat [benadeelde] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Voor de gedachte dat de verdachte [benadeelde] met deze gedragingen moedwillig – met vol opzet – dergelijk letsel heeft willen toebrengen, bestaan geen aanknopingspunten. Voor zover deze gedragingen de verdachte primair ten laste zijn gelegd, zal hij daarvan dus moeten worden vrijgesproken. Op grond van hetgeen omtrent de eerste fase is vastgesteld kan echter wel wettig en overtuigend worden bewezen dat hij zich aan deze subsidiair tenlastegelegde mishandelende gedragingen heeft schuldig gemaakt. Daaraan staat niet in de weg dat daarnaast het primair tenlastegelegde op vorenbedoelde wijze bewezen zal worden verklaard. Het hof begrijpt immers dat de steller van de tenlastelegging met de in de tenlastelegging voorkomende woorden “indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden” tot uitdrukking heeft gebracht dat de aan de verdachte subsidiair tenlastegelegde gedragingen ter beraadslaging aan de rechter voorliggen indien en voor zover die in het primair tenlastegelegde niet kunnen worden bewezen (vgl. HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2187).

Bespreking van beroepen op rechtsvaardigings- en schulduitsluitingsgronden

De raadsman heeft zich met betrekking tot fase 1 van het incident in zaak B op het standpunt gesteld dat de verdachte met vrucht een beroep kan doen op putatief noodweer. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte in redelijkheid kon menen dat hij zich moest verdedigen tegen een dreigende aanval met een mes door [benadeelde].

Het hof is in het licht van hetgeen is vastgesteld van oordeel dat de verdachte in fase 1 redelijkerwijs in de veronderstelling mocht zijn dat hij op het punt stond door de opgewonden en zich agressief gedragende [benadeelde] te worden aangevallen – in het bijzonder omdat door een van de aanwezigen werd gesuggereerd dat [benadeelde] over een wapen beschikte – en dat hij zich daartegen mocht verdedigen. Echter, op grond van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is niet aannemelijk geworden dat de (door de verdachte aangenomen) situatie zodanig is geweest dat de daarop volgende gedragingen van de verdachte geboden waren ter verdediging van het eigen lijf. De verdachte heeft het immers niet bij één enkele trap tegen het lichaam gelaten, maar [benadeelde] ook nog trap tegen het been, een vuistslag tegen het hoofd en een knietje in het gezicht gegeven, zulks nadat [benadeelde] al de nodige afstand had genomen. Dat samenstel van handelingen van de verdachte staat niet in redelijke verhouding tot de ernst van de (door hem veronderstelde) aanranding, zodat dit beroep op putatief noodweer faalt.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich voorts op het standpunt gesteld dat de verdachte met betrekking tot de in fase 2 gegeven schop tegen het hoofd van [benadeelde] een beroep op noodweer, subsidiair putatief noodweer toekomt. Daaraan is ten grondslag gelegd dat [benadeelde], met wiens agressie de verdachte inmiddels ervaring had, met wie hij eerder in gevecht was geweest en van wie de verdachte nog steeds dacht dat hij een mes bij zich droeg, op de groep waarvan de verdachte deel uit maakte en waarin [naam 2] onder bedwang werd gehouden, af kwam stormen. Er was sprake van een onmiddellijk dreigende aanranding van zijn eigen lijf en die van zijn vriend (het hof begrijpt: [naam 4]).

Ook dit verweer slaagt niet. Op basis van de vastgestelde feitelijke gang van zaken is het hof van oordeel dat er op het moment dat de verdachte de gewraakte hoge trap tegen het hoofd van [benadeelde] gaf geen sprake (meer) was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van de verdachte of [naam 4], dan wel van een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Immers, de gang van [benadeelde] in de richting van [naam 4] was reeds afgestopt door de man met de roze broek. [benadeelde] deed vervolgens een paar passen opzij en bewoog zich van de groep af. Hij maakte op dat moment geen aanstalten voor (verder) agressief gedrag. Het is toen de verdachte geweest die uit de groep en op de [benadeelde] is (af)gestapt, waarna de verdachte [benadeelde] de trap tegen het hoofd heeft gegeven.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande

in zaak A dat:

1
hij op 8 juni 2017 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een trainingsjas, toebehorende aan [slachtoffer], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond, dat hij, verdachte, en zijn mededader:

- op voornoemde [slachtoffer] zijn afgelopen en

- trappende bewegingen naar [slachtoffer] hebben gemaakt en

- ( terwijl voornoemde [slachtoffer] op de grond lag) tegen het hoofd en/of lichaam van [slachtoffer] hebben geslagen en/of hebben getrapt;

2
hij op 8 juni 2017 te Amsterdam, met een ander, op de openbare weg, het Zuiderkerkhof, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het eenmaal of meerdere malen slaan en trappen tegen het hoofd en/of het lichaam van [slachtoffer];

en in zaak B dat:

primair
hij op 20 juli 2018 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met kracht [benadeelde] tegen het hoofd heeft getrapt (waardoor [benadeelde] letsel heeft bekomen, te weten een aangezichtsfractuur en een neusfractuur en een hoofdwond, en pijn heeft ondervonden), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair
hij op 20 juli 2018 te Amsterdam, [benadeelde] heeft mishandeld door tegen het been van [benadeelde] te trappen, tegen het hoofd van [benadeelde] te slaan een knietje in het gezicht van [benadeelde] te geven.

Hetgeen in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B primair en subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen (verdere) omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B primair en subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in zaak A onder 1 bewezenverklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het in zaak A onder 2 bewezenverklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Het in zaak B primair bewezenverklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling.

Het in zaak B subsidiair bewezenverklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen (verdere) omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B primair en subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B primair bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk. Daarbij is een proeftijd van 2 jaren vastgesteld. Ook is de verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren, indien niet naar behoren voldaan te vervangen door 120 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 186 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, en tot een taakstraf van 180 uren, indien niet naar behoren voldaan te vervangen door 90 dagen hechtenis.

De raadsman heeft het hof verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het aandeel dat het slachtoffer in het ontstaan van het incident in zaak B heeft gehad, alsmede het tijdsverloop in beide zaken. Hij heeft het hof voorgesteld de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf met een duur overeenkomstig die van het reeds door de verdachte ondergane voorarrest op te leggen en, in het geval een taakstraf wordt overwogen, in plaats daarvan voor een onvoorwaardelijke geldboete te kiezen, zodat de verdachte geld kan blijven verdienen om zijn schulden af te betalen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich in 2017 samen met een ander schuldig gemaakt aan diefstal met geweld en openlijke geweldpleging. Daarbij is een man zijn trainingsjas afhandig gemaakt en is op hem veel geweld toegepast, onder andere door hem, terwijl hij op de grond lag, tegen het hoofd te trappen. De aanleiding hiervoor lijkt erin gelegen te zijn geweest dat het de verdachte en zijn kompaan niet zinde dat het slachtoffer in Amsterdam rondliep in het tenue van de voetbalclub [club]. Dit moet voor het slachtoffer een zeer nare, vernederende en pijnlijke ervaring zijn geweest. Het is bekend dat personen die van dergelijk geweld het slachtoffer zijn geweest daarvan dikwijls nog lang psychische klachten ondervinden. Bovendien is het niet aan de verdachte, maar aan de geluksfactor te danken dat het slachtoffer – voor zover bekend – hieraan geen fysiek letsel heeft overgehouden. Verder heeft de verdachte er met zijn gedrag blijk van gegeven lak te hebben aan het eigendomsrecht van anderen.

In 2018 heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling en een poging tot zware mishandeling. Daarbij heeft hij een man die een handgemeen met een bekende van de verdachte had gekregen, tegen het been getrapt, tegen het hoofd geslagen en een knietje in het gezicht gegeven. Kort daarna heeft hij dit slachtoffer een harde en hoge trap tegen het hoofd gegeven, waardoor het slachtoffer op straat is gevallen en door de politie met zijn hoofd in een plas bloed is aangetroffen. Hieraan heeft het slachtoffer neus- en aangezichtsfracturen en een flinke hoofdwond overgehouden. Aldus heeft de verdachte een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Zoals zijn gemachtigde op de terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht, is hij onder meer met angstklachten komen te kampen. Ook dit slachtoffer (maar ook de verdachte) mag van geluk spreken dat het op hem toegepaste geweld – met name de trap tegen het hoofd – niet tot (veel) ernstiger gevolgen heeft geleid. Bij dit alles komt nog dat het incident zich heeft afgespeeld op de openbare weg, in het wallengebied, alwaar veel mensen van het geweld getuige moeten zijn geweest. Dit draagt bij aan de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Buiten kijf staat dat (ook) dit zeer ernstige geweldsmisdrijven zijn.

Blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 28 april 2021 is de verdachte eerder vanwege diverse gewelds- en vermogensdelicten onherroepelijk veroordeeld. Dit weegt flink in zijn nadeel.

Bij die stand van zaken zou normaliter oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van meer dan 7 maanden zonder meer passend zijn geweest. In strafmatigende zin houdt het hof er echter rekening mee dat het slachtoffer bij het incident in zaak B een provocerende en dreigende houding heeft aangenomen en de confrontatie bepaald niet uit de weg is gegaan. Verder weegt het hof mee dat sinds de bewezen geachte feiten bijna vier onderscheidenlijk drie jaren zijn verstreken, het blijkens genoemd uittreksel uit de Justitiële Documentatie in strafrechtelijke zin relatief rustig is rondom de verdachte en dat op de terechtzitting is gebleken dat de werk- en thuissituatie van de verdachte aannemelijk zijn gestabiliseerd. Daarom zal het hof een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen waarvan de duur van het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Met het voorwaardelijk strafdeel beoogt het hof de verdachte in te prenten dat hij zich (ook) in de toekomst verre moet houden van het plegen van strafbare feiten. Om de strafdoelen van speciale preventie en vergelding met elkaar in evenwicht te brengen, acht het hof daarnaast aangewezen de verdachte een fikse taakstraf op te leggen. De oplegging van een geldboete als door de raadsman wordt voorgestaan zou al te zeer voorbijgaan aan de ernst en het aantal van de bewezenverklaarde feiten en de recidive van de verdachte.

Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur en een taakstraf van 180 uren passend en geboden.

Het hof stelt echter ook vast dat in zaak A in eerste aanleg de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden. Immers, de verdachte is op 8 juni 2017 in verzekering gesteld, terwijl de rechtbank pas op 19 september 2019 vonnis heeft gewezen. Hierin wordt aanleiding gezien de verdachte in plaats van een taakstraf van 180 uren, een taakstraf van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis, op te leggen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij [benadeelde] heeft zich ter zake van het in zaak B tenlastegelegde in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.028,00, bestaande uit een bedrag van € 28,00 ter vergoeding van materiële schade en een bedrag van € 2.000,00 als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk in de vordering verklaard. Hij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak B primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade als gevorderd heeft geleden. Daarbij is betrokken dat de onderbouwde stellingen van de benadeelde de partij van de zijde van de verdachte niet gemotiveerd zijn betwist. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat dit deel van de vordering, groot € 28,00, zal worden toegewezen.

Verder is vast komen te staan dat de benadeelde partij ten gevolge van het in zaak B bewezenverklaarde handelen van de verdachte immateriële schade heeft geleden. Die schade houdt bovenal verband met de neus- en aangezichtsfracturen en de forse hoofdwond, waarvoor de verdachte zich in het ziekenhuis onder behandeling heeft moeten stellen en die, naar gevoeglijk mag worden aangenomen, geruime tijd repercussies hebben gehad op zijn dagelijks leven. De begroting van de omvang van de immateriële schade is voorbehouden aan de rechter, die daarbij niet is gebonden aan de gewone regels voor stelplicht en bewijslast. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek naar billijkheid vaststellen op € 1.500,00. Naast de genoemde letsels en hun gevolgen is daarbij in het bijzonder gelet op genoemde aard en de ernst van de normschending (als beschreven bij de vaststelling van de feiten en de strafmotivering) en de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters is toegekend.

Het hof ziet in hetgeen de raadsman heeft aangevoerd met betrekking tot de eigen schuld van de benadeelde geen grond voor het oordeel dat de schade – naar het hof begrijpt: voor zover de vordering tot vergoeding daarvan voor toewijzing vatbaar is – deels voor rekening van de benadeelde moet blijven. Aangenomen kan worden dat de benadeelde met zijn door het hof vastgestelde gedragingen heeft bijgedragen aan het ontstaan van gevoelens van boosheid en frustratie bij de verdachte, maar de reactie van de verdachte daarop, zoals bewezenverklaard, staat daarmee in een dusdanig disproportionele verhouding, dat het handelen van de benadeelde in het licht van het ontstaan van de schade irrelevant moet worden geacht.

Voor het overige – met name met betrekking tot de zijdens de verdachte betwiste gehoorschade – is uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het bewezenverklaarde. Om die reden wordt de benadeelde partij ter zake van hetgeen ter compensatie van immateriële schade méér is gevorderd, in de vordering niet ontvankelijk verklaard.

Het in totaal toe te wijzen bedrag van € 1.528,00 zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade. Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 57, 63, 141, 300, 302 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B primair en subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 216 (tweehonderdzestien) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 120 (honderdtwintig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 160 (honderdzestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 80 (tachtig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het zaak B primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.528,00 (duizend vijfhonderdachtentwintig euro) bestaande uit € 28,00 (achtentwintig euro) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], ter zake van het in zaak B primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.528,00 (duizend vijfhonderdachtentwintig euro) bestaande uit € 28,00 (achtentwintig euro) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 25 (vijfentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 20 juli 2018.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. S.M.M. Bordenga, mr. J.J.I. de Jong en mr. N.J.M. de Munnik, in tegenwoordigheid van R.J. den Arend, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 1 juni 2021.

De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]